Posts tonen met het label armoede. Alle posts tonen
Posts tonen met het label armoede. Alle posts tonen

woensdag 4 januari 2017

Alex

Winter
Een witte kerst was het niet, maar nu is de sneeuw er dan toch Dat is pech voor kleine Alex. Begin december schreef het achtjarige jongetje een brief aan ‘Jézuska’, het kerstkind dat in Hongarije de cadeautjes onder de kerstboom legt. Niet omdat Alex cadeautjes verwachtte. Hij wist dat Jézuska niet bij hen kwam, schreef hij, omdat ze arm waren. Maar hij had wel één wens: dat het thuis warm zou zijn met Kerstmis. En hij hoopte op melk en brood in plaats van meelpap. De Lego waarvan hij droomde, daar rekende hij al helemaal niet op.
De brief belandde niet bij Jézuska, maar wel bij de Hongaarse investeerder Zoltán Bruckner die hem op Facebook zette en daarmee een kleine storm ontketende. De hulp stroomde binnen, en Bruckner opende een aparte bankrekening voor de giften. Er kwam een stichting die de gaven in natura inzamelde en verspreidde, zodat niet alleen aan Alex, maar ook de andere doodarme gezinnen in diens dorp Kerstmis met volle buik en cadeautjes konden vieren. Dat was maar goed ook, want nadat de eerste etenswaren bij Alex’s familie waren gearriveerd, had jaloezie daarover ertoe geleid dat dorpsgenoten hen uitscholden en uitsloten.
Wat hielp bij de overweldigende steunbetuigingen, is dat Alex niet voldoet aan het beeld dat veel Hongaren van diepe armoede hebben, namelijk dat het vooral om zigeuners zonder opleiding gaat. Alex’s familie had ieders buren kunnen zijn. Uitzonderlijk is hooguit dat ze zo groot is: zes kinderen, waarvan de jongste ondanks een glutenallergie soms niet meer dan meelpap in plaats van babymelk krijgt.
Maar verder woonden ze ooit in een koopwoning en hadden beide ouders een baan. Pas toen ze de hypotheek niet meer konden betalen en de ouders ook nog hun werk kwijtraakten, raakten ze in de problemen. Als klap op de vuurpijl liet de vader zijn gezin ook nog eens in de steek en bleek de jongste baby heel ziekelijk. Het was een drama waarin iedereen zich kon verplaatsen.
Er waren mensen die betwijfelden of Alex met zijn keurig geschreven briefje wel bestond. Maar Alex en zijn familie zijn bepaald geen uitzondering. Volgens een onderzoek van de KSH, een Belgisch-Hongaarse bank die een eigen sociaal hulpprogramma heeft, leeft 42,2 procent van de Hongaarse kinderen onder de zeven jaar in armoede. Dat zijn grotendeels, maar zeker niet alleen, zigeunerkinderen. Zo’n 130.000 van hen groeien op in permanent gebrek aan alles, van goede voeding tot kleding en speelgoed. Eenzijdig eten en vitaminegebrek zijn heel gewoon, maar vijftigduizend kinderen lijden echt honger, vooral in het weekend en de schoolvakanties. Op schooldagen krijgen ze in ieder geval nog een gratis schoolmaaltijd.
Zo’n 110.000 kinderen leven in een huis zonder badkamer en voor 150.000 kinderen betekent ‘wc’ op zijn best een plank boven een gat in een hutje op het erf. Pas op school zien ze voor het eerst een toilet dat je moet doortrekken. Pakweg 200.000 kinderen groeien op in een woning zonder stroom (en dus zonder tv, om over een computer maar te zwijgen) en velen hebben in hun leven nog nooit een nieuw kledingstuk gekregen of een banaan of sinaasappel gegeten.
Maar de kou, een kou die zo erg is “dat alles pijn doet” zoals Alex aan Jézuska schreef, is in de winter een van de grootste problemen, aldus Nora Ritók, directeur van een stichting die zich bezighoudt met armoedebestrijding in Oost-Hongarije, het armste deel van het land. Arme gezinnen stoken meestal op hout, en bossen zijn schaars in de regio. Sprokkelen is trouwens strafbaar en veel mensen stoken simpelweg alles was brandbaar is, van plastic tot autobanden, om het warm te houden. Een warme winter is daarom misschien wel het beste dat Jézuska Alex en zijn lotgenoten kan brengen.


woensdag 4 maart 2015

Volkomen helder

Een behoeftige in een perifeer dorp
In gezegende staat of in verwachting. Dat zijn de termen die ambtenaren van het Hongaarse ministerie van menselijke hulpbronnen in toekomst moeten gebruiken als het over zwangere vrouwen gaat. Armoede mag ook niet meer. Hongarije heeft alleen nog maar ‘behoeftigen’. Onlangs kregen de medewerkers van het superministerie, dat belast is met onderwijs, sport, gezondheidszorg, sociale zaken, cultuur, religie en familiezaken, per e-mail een pagina’s lange lijst met termen die ze niet meer geacht worden te gebruiken, plus de gewenste alternatieven.
Zoltan Balog, een gereformeerde dominee die minister van menselijke hulpbronnen is (op zich al een curieuze benaming, ook in het Hongaars) zei een paar maanden geleden al dat hij het woord ‘terhesség’ (zwangerschap) liever zag verdwijnen. Die Hongaarse term suggereert een last, maar in een land dat graag zoveel mogelijk kinderen wil, is zwangerschap natuurlijk geen last, maar een lust.
Na het uitlekken van de lijst trokken media onmiddellijk de vergelijking met ‘Newspeak’, de taal die in het boek ‘1984’ van George Orwell werd ontwikkeld om de gedachten van de burgers te controleren en in te dammen. Maar dat is uiteraard niet de bedoeling, aldus een woordvoerder van het ministerie tegenover de nieuwssite VS.hu, die de hand op de e-mail wist te leggen. We moeten de lijst zien als een ‘wegwijzer’ die helderheid en eenheid in de communicatie binnen het ministerie moet scheppen.
Dat zal toch even wennen worden voor de ambtenaren, want niemand had het tot nu toe over ‘perifere dorpen’ als het om dorpen ging waar vooral of uitsluitend zigeuners wonen. Segregatie was de normale term. Maar vanaf nu wonen zigeuners dus in de periferie. Die perifere dorpen zijn trouwens geen arme dorpen, maar onderontwikkelde dorpen. Het ministerie doet ook niet meer aan armoedebestrijding, maar aan sociale convergentie. En er wonen geen families meer met ‘veel’ kinderen, alleen maar met ‘meer’ kinderen. Over helderheid gesproken.
Sommige van de nieuwe begrippen zijn duidelijk een inhaalslag in politieke correctheid. Zo mogen invalide en gehandicapt niet meer. Die termen zijn vervangen door termen in de geest van ‘mensen met een beperking’. Voor ‘vak’ (blind) moet het synoniem ‘világtalan’, worden gebruikt, letterlijk licht- of wereldloos en blijkbaar minder aanstootgevend.
Maar andere termen zijn duidelijk bedoeld om beleid te verfraaien of te verbloemen. Zo moeten medewerkers het woord voetbalstadion vermijden. Sportfaciliteit is de gewenste term. Voetbalstadions liggen namelijk politiek gevoelig. De afgelopen vier jaar zijn krankzinnige bedragen besteed aan de bouw van stadions, waaronder een peperduur ministadion met 3000 zitplaatsen in het dorp waar premier Viktor Orbán vandaan komt. Die zitplaatsen waren alleen bij de opening ooit vol. Ook de andere nieuwe stadions staan leeg, een feit dat de oppositie graag benadrukt. Vandaar dus liever: sportfaciliteiten.
Sommige gewraakte termen geven aardig aan hoe de beleidsmakers werkelijk over zaken denken. Aangezien vrouwen meer kinderen moeten krijgen, is het logisch dat ze eigenlijk thuis horen te zitten. Gelijke kansen zijn dan ook niet echt gewenst. De voorkeursterm is daarom hetzij “sociale gelijkheid” of “een harmonische samenwerking tussen man en vrouw”. Als het met die harmonische samenwerking nou niet zo botert en er thuis op los gemept wordt, mag niet meer gesproken worden over familiegeweld (de normale Hongaarse term), maar - ongetwijfeld politiek veel correcter - over ‘geweld binnen relaties’.
Hongarije heeft trouwens in toekomst geen maatschappij meer, maar een ‘Hongaarse gemeenschap’ en het  Hongaarse volk gaat vanaf nu door het leven als ‘Hongaarse natie’. Dat geeft reden tot nadenken, want zigeuners, die meestal als minderheid werden aangeduid, zijn vanaf nu ook
een natie, de Roma natie, en worden daarmee apart gezet van de Hongaren. Of de Hongaarse gemeenschap wel een plek voor hen heeft, is afwachten. Anders blijven ze dus voor eeuwig in de periferie.

donderdag 3 juli 2014

Eindexamenperikelen: het verhaal van B.

Na zes jaar school zit het erop. De klassenleraar heeft diverse malen tranen geplengd over het afscheid van de klas. Ik overdrijf niet. Als je zes jaar lang met 35 jongeren optrekt, hen ziet opgroeien van brugpiepers tot studenten, ieder jaar een of twee keer een weekend met hen op stap gaat en elke week een klassenuur hebt waarin je hun problemen bespreekt, dan weegt zo'n afscheid zwaarder dan wanneer 'klassenleraar' een soort vage verantwoordelijkheid is voor leerlingen die je af en toe een keer ziet langskomen. Hij wil hierna niet nog een keer de verantwoordelijkheid voor een klas, hij vindt het afscheid te moeilijk. Maar hij wil heel graag af en toe een mailtje van hen krijgen, heeft hij gezegd.
Afgelopen week hebben wij hebben de eindafrekening gekregen van de moeder die zich de afgelopen jaren heeft bekommerd om de financiële kant van de zaken. Het eindexamen heeft de klas als geheel een kleine 3500 euro gekost. Honderd euro per leerling, best te overzien als je niet meerekent dat we daarnaast danslessen, toegangskaartjes voor het eindexamenbal en de kosten van professionele foto's hebben moeten bekostigen. Van die 3500 euro is haast de helft opgegaan aan afscheidscadeaus voor de leraren. Geen idee wat de meesten hebben gekregen, maar de klassenleraar ging met behalve een fotoalbum naar huis met een forse speelgoedboot vol barbecuevlees (hij is dol op roeien).
Het goede nieuws was: er was nog geld over in de klassenpot, een dikke 200 euro. Dat geld gaat, op voorstel van de moeder die het beheert, naar B., een van de leerlingen. Niemand die daar tegen protesteerde. B. heeft het geld meer dan verdiend.
Hij is wees. Sinds zijn ouders zijn omgekomen in een auto-ongeluk toen hij nog vrij klein was, leeft hij bij zijn grootouders. Vorige zomer overleed zijn grootvader onverwacht. Sindsdien is B. alleen met zijn blinde en half verlamde grootmoeder. Dat betekent dat het hele huishouden in dit eindexamenjaar op B.'s schouders neerkwam.
Heel af en toe kneep hij er een uurtje tussenuit om met zijn vrienden een hamburger te eten, maar de meeste dagen spoedde hij zich, zodra de school uit was, naar huis, om boodschappen te doen, schoon te maken en te koken. Desondanks legde B., een briljante leerling, een van de beste examens van de klas af. Voor de lol deed hij zelfs meer vakken dan wettelijk verplicht.
Veel hamburgers kan B. zich niet veroorloven, want zijn grootmoeder en hij leven van iets van driehonderd euro, het minieme gehandicaptenpensioentje dat zij krijgt en een paar tientjes kinderbijslag. Door de dood van de grootvader viel diens pensioen, vast ook geen vetpot, weg.
Dan hakt zo'n eindexamen erin. Voor B. dus geen nieuw eindexamenpak. Hij is klein, de kleinste jongen van de klas, en een afdankertje van iemand anders was nog wel te vinden. Bij het eindexamenbal zat hij op de bank, want geld voor danslessen had hij niet. De overige kosten, zoals zijn bijdrage aan de cadeaus voor de leraren, het eindexamenbanket, de klassenfoto, hebben de ouders van de andere leerlingen onderling verdeeld.
Ergens begin dit jaar kregen we een mailtje van de klassenleraar, waarin hij het verhaal van B.'s grootvader uit de doeken deed en de klas om steun vroeg. Sindsdien betaalt iedereen maandelijks 500 forint als ondersteuning van B. Misschien geen wereldbedrag, maar gezien het minieme inkomen waarvan hij en zijn grootmoeder moeten leven, een welkome ondersteuning. En, zoals onze zoon, die met hem bevriend is, zei: "Het zal nog niet makkelijk zijn om hem dat geld aan te laten nemen. Hij is erg trots."
Misschien nog belangrijker is dat de klassenleraar zijn contacten met oud-leerlingen heeft aangesproken. B. weet nu al dat hij tijdens zijn studie hij een bedrijf van een van die oud-leerlingen een baantje heeft dat hem door de studie heen kan helpen. Ik moet bekennen, ik heb echt geen idee meer hoe mijn klassenleraar heette. Maar ik weet zeker dan mijn zoon en zijn medeleerlingen dat over dertig of veertig jaar nog precies weten. Kom maar eens om zo'n man.

woensdag 16 april 2014

Zinloos werk voor te weinig geld

"Ik bevries," zegt de toiletjuffrouw bij de wc in het park. Ze drentelt kleumend op en neer. Iedere dag als ik er met mijn hond langskom, zegt die even gedag tegen haar en dan maken we even een praatje.Er staat een straffe wind, af en toe regent het en de temperatuur is een graad of twaalf. Nauwelijks weer voor een gezellige wandeling en bovendien ligt de wc een beetje achteraf, langs het fietspad. Hoeveel mensen er komen op een dag als vandaag, vraag ik. Ze haalt haar schouders op. Niemand, eigenlijk.
Gooi de boel dicht, zou je zeggen, maar die keuze heeft ze niet. Ze is közmunkás, een van de pakweg 250.000 mensen die in ruil voor een uitkering van pakweg 77.300 forint bruto ( 50.632 forint netto, iets van 165 euro per maand!) straten vegen, kreupelhout rooien of de hele dag voor een wc zitten waar niemand komt. Werkverschaffing, zo noemden we dat in de jaren dertig in Nederland.
In de winter is de wc dicht, maar sinds begin april is hij weer open. Ik heb er nog nooit iemand in of uit zien gaan, al zal er in de zomer best wel eens een fietser langskomen die er blij mee is. Per slot van rekening loopt het fietspad dat van de Slowaakse grens af langs de Donau naar Boedapest voert, hier ook langs. De wc-juffrouw doodt haar tijd met het aanleggen van perkjes met violen rondom de bomen naast de wc en met het oplossen van kruiswoordraadsels. Van 50.000 forint kun je niet leven, zeg ik. Ze haalt haar schouders op. "Moeilijk, heel moeilijk. Maar het moet," antwoordt ze.
Wie weigert, krijgt namelijk helemaal geen geld meer.  Mensen in de werkverschaffing kunnen ook worden gehuurd. Her en der betekent dat, dat ze worden ingezet om onder het minimumloon op landbouwbedrijven werken in banen waar eerder een normale werknemer actief was.
Hoe de werkverschaffing mensen de arbeidsmoraal van betrokkenen moet verbeteren is mij een raadsel, en dat heet toch een van de doelstellingen van het programma te zijn. Om arbeid te creëren wordt allerlei werk dat makkelijk door machines gedaan kan worden, nu met de hand gedaan. Ik probeer me een familie voor te stellen die sinds drie generaties geen werk heeft. Niet ongewoon in zigeunerdorpen in het oosten van Hongarije, waar meer dan negentig procent van de mensen zonder werk zit en waar wijd en zijd geen echte baan te vinden is.
Ik zie de jongste generatie voor me, de twintigjarige zoon, zelf inmiddels ook huisvader, die de hele dag voor minder dan het minimumloon kreupelhout heeft staan rooien. De kans lijkt me klein dat hij, na een hele dag tussen doornige acacia's, meidoorns en hondsrozen die de normale bermbegroeiing vormen, 's avonds thuiskomt en bij de avondmaaltijd zegt: "Ik ben toch zo blij met mijn nieuwe baan." Als de familie zich al een avondmaaltijd kan veroorloven, want de inkomens zijn zo gering dat heel wat kinderen in die regio 's avonds met lege maag naar bed gaan.


vrijdag 13 december 2013

Daklozen in de kou

Het is een vertrouwd gezicht in de winter: daklozen die in Boedapest onderdak zoeken in een metrostation of een van de vele onderdoorgangen in Boedapest. Karton, een stuk schuimrubber en een stapel dekens of een slaapzak en een paar plastic tassen markeren de plek die ze 's winters 'thuis' noemen. Het is er droog, de temperatuur is wat hoger dan buiten, en met een beetje mazzel kun je nog wat eten vinden dat voorbijgangers in een vuilnisbak achterlaten.
Behalve dat daklozen zich vanaf 1 november niet meer in metrostations of in onderdoorgangen onder de straat mogen ophouden. Of in het hele gebied langs de Donau, dat de Unesco heeft aangewezen als werelderfgoed. Of, om nog maar een paar plaatsen te noemen, onder of op bruggen, in de buurt van scholen, in de buurt van de bus naar het vliegveld, op of rond tram- en bushaltes, in de buurt van kinderspeelplaatsen, en tal van andere plekken. Eigenlijk simpelweg iedere plek die een deelgemeente van Boedapest aanwijst als verboden gebied. Een video van de gemeente laat zien dat er erg weinig plaatsen overblijven waar je als dakloze wél buiten mag overnachten. Beschutting heb je dan zeker niet meer.

Wie de wet overtreedt, kan een boete krijgen van 50.000 forint, iets van 180 euro. Dat is voor een Nederlandse dakloze vermoedelijk al niet op te brengen, maar in Hongarije, waar het minimumloon rond de 300 euro ligt, is dat duidelijk een absurd bedrag. Wie wegens overtreding van door de politie wordt opgepakt, wordt een opvang aan de rand van de stad gebracht. Behalve slaapgelegenheid is daar een speciaal, dag en nacht bemand kantoortje, waar meteen beslist wordt of de overtreder krijgt om de opgelegde boete weg te werken.
Hou me ten goede, ik vind daklozen in de stad ook geen prettig gezicht. De gemiddelde Hongaar is armer dan de gemiddelde Nederlander, en de gemiddelde Hongaarse dakloze is een stuk armer dan zijn Nederlandse collega. Of in ieder geval een stuk viezer. Waar Nederlandse daklozen tegenwoordig op veel plaatsen terecht kunnen voor een douche en een wasmachine om hun kleding te wassen, zien de winterse bewoners van de metrostations er vaak uit (en ruiken ook zo) alsof ze in geen maanden wasgelegenheid hebben gezien.
Maar ik realiseer me ook: dakloos word je in Hongarije vrij makkelijk. Vijfennegentig procent van de Hongaren woont in een eigen huis, en sociale woningbouw is er nauwelijks. Als je bij een scheiding geen spaargeld hebt en een inkomen dat te laag is voor een hypotheek, moet je hopen dat familie een plek voor je heeft, anders beland je als snel op straat. Vooral mannen met een alcoholprobleem lopen een enorm risico om in zo'n situatie dakloos te worden.
Datzelfde geldt voor mensen die wegens hypotheek- of huurschulden uit hun huis worden gezet. Voor gezinnen met kinderen zijn er wel tijdelijke woonvoorzieningen in zo'n geval, maar alleenstaanden hebben het aanzienlijk moeilijker. Het is waarschijnlijk een stuk effectiever, en op de lange duur vermoedelijk ook goedkoper, om maatregelen te nemen die voorkomen dat mensen dakloos raken dan om achteraf de boel op te dweilen. Dat een verbod op dakloosheid weinig zin heeft als er geen alternatieven zijn, kan zelfs een kind bedenken.
Dat weerhield het Hongaarse parlement niet om eind september een wet aan te nemen die het gemeenten mogelijk maakt om bepaalde gebieden, of zelfs hun hele grondgebied, tot no go area voor daklozen te verklaren. Het was de tweede keer dat het parlement zo'n wet aannam, want eerder het Constitutionele Hof gezegd dat dat ongrondwettelijk was. Maar wie een tweederde meerderheid in het parlement heeft, hoeft zich om zo'n kleinigheid niet druk te maken. Die wijzigt gewoon de grondwet zelf.


zondag 14 april 2013

Roma en integratie: de noodzaak om het beestje bij de naam te noemen

Een zigeunerhuis volgens Hongaars cliché

Witgekalkte huizen, tuinen met bloemen, bloeiende fruitbomen en een aardig 18de eeuws kerkje met een houten toren: Uszka is een gewoon, vriendelijk ogend Oost-Hongaars dorp. Behalve dat tachtig procent van de bevolking zigeuner is en een net dorp is niet het beeld dat Hongaren hebben van een dorp dat vooral door Roma wordt bewoond. Daar verwachten ze afgebladderde muren, dronken mannen, een erf vol troep, en niet te vergeten criminaliteit.
Op dat cliché sloot Zsolt Bayer, medeoprichter van regeringspartij Fidesz, onlangs aan toen hij schreef dat een groot deel van de zigeuners zich gedraagt en leeft als dieren. Maar dankzij de invloed van een charismatische geestelijke wordt in Uszka niet gedronken, gevloekt, gestolen of gevochten. In 1974 richtten twee zigeunerfamilies er samen de Congregatie van Vrije Christenen op, een klein kerkgenootschap dat grote nadruk legt op evangelisatie en naleving van bepaalde leefregels. Pakweg 45 families in Uszka zijn er lid van, vooral Roma, maar ook enkele niet-Roma. Hongaarse journalisten zijn dol op het dorp als ze een positief beeld van Roma willen schetsen.
“Er zijn onder Hongaren veel vooroordelen over Roma. Maar gelijktijdig zie je dat mensen hongerig zijn naar positieve voorbeelden. Dat zie je ook bij shows zoals Idols. Die worden vrijwel altijd gewonnen door kandidaten met een Roma-achtergrond, en het zijn echt niet alleen Roma die die kandidaten per sms steunen,” zegt István Forgács, expert op het gebied van Roma-integratie en onder meer werkzaam bij de Raad van Europa.
Hoewel Forgács niet religieus is, ziet hij het werk van de Vrije Christenen in Uszka wel als goed voorbeeld hoe de problemen van Roma moeten worden aangepakt: niet met grootse, door de EU en de regering gefinancierde programma’s die zich richten op sociale acceptatie door de meerderheid, maar vooral door inspanningen van de Roma-gemeenschappen zelf om te integreren in de samenleving en zich aan te passen aan de normen en waarden om hen heen. Pas dan wordt sociale acceptatie een reële optie, meent Forgács. Politieke correctheid is aan hem niet besteed. “De vooroordelen tegen Roma hebben helaas een kern van waarheid. Je kunt niet spreken van ‘de Roma’ en er zijn talloze Roma die een heel gewoon leven leiden. Maar in een deel van de Roma-gemeenschappen heerst een cultuur van criminaliteit en daar worden alle Roma, ook de mensen die hard werken om iets van het leven te maken, op aangekeken,” zegt hij. Forgács kan het weten. Hij is zelf Roma.


woensdag 30 januari 2013

Warm blijven in tijden van crisis

Illegaal sprokkelen langs de Donau
Langs het fietspad zijn twee vrouwen bezig een paar tassen met sprokkelhout te verzamelen. Ze kijken een beetje verlegen op als ik langskom. Het valt me op deze winter, je ziet veel meer mensen hout sprokkelen dan andere jaren. En het blijft niet bij sprokkelen. Hoewel er hier langs de Donau enorme hoeveelheden drijfhout aanspoelen, zie ik iedere wandeling wel ergens een nieuwe plek waar een flink stuk boom is afgezaagd. Gisteren zag ik plotseling een hele doorkijk in het rivierbos waar in mijn herinnering nooit een doorkijk was geweest.
En dat terwijl het aanbod aan hout groot is. Afgelopen augustus richtte een orkaanachtige storm enorme schade in dat rivierbos aan. Gigantische bomen gingen om als lucifers. In de weken daarna werden bomen die over de weg lagen, weggehaald, maar de rest bleef grotendeels liggen. Als het idee was om zo natuurlijk bosbeheer te creëren, is dat niet gelukt, want die bomen worden nu langzaam, stukje voor stukje, opgeruimd.
Regelmatig zie ik mensen met een karretje hout naar huis slepen. Dat zag je vroeger ook wel eens, maar het is zichtbaar toegenomen. En steeds vaker zie ik ook iemand met een houtfornuis slepen. Gas is comfortabel, maar in tijden van crisis wordt koken op hout plotseling weer een optie. Veel mensen hebben van oudsher nog een houtkachel in huis, zeker in de dorpen. Die waren uit de gratie geraakt, maar komen nu mooi van pas. Niet dat hout goedkoop is als je het legaal koopt, maar je kunt altijd nog sprokkelen.

Zonder toestemming sprokkelen is strafbaar, je kunt er zelfs de gevangenis voor ingaan. Wie in het bos zonder vergunning wordt betrapt met een motorzaag, een bijl van meer dan een halve kilo of een handzaag van meer dan dertig centimeter is strafbaar. Afgelopen najaar werd in Debrecen een aantal politieagenten wegens het illegaal verzamelen van hout veroordeeld, deels tot gevangenisstraffen van een half jaar.
Maar wie werkloos is, heeft soms weinig  keuze. Als je van een uitkering van nog geen honderd euro per maand moet rondkomen, is het een kwestie van sprokkelen of doodvriezen. En zolang het om dood hout gaat, heb ik daar alle begrip voor, maar helaas gaat maar al te vaak de zaag in een levende boom, gewoon omdat die dichterbij is dan dood sprokkelhout. En lang niet iedere sprokkelaar sprokkelt alleen voor de eigen kachel. Sommigen hebben er hun beroep van gemaakt. Jaarlijks wordt er in Hongarije een half miljoen kubieke meter hout illegaal gesprokkeld. Het is duidelijk dat het daarbij lang niet altijd om het verzamelen van hout voor persoonlijk gebruik, maar vaak ook om omhakken voor de verkoop gaat.

Je kunt sprokkelvergunningen krijgen, maar die zijn soms zo duur, dat je net zo goed een gasaansluiting kunt hebben. Sommige gemeenten zien overigens in dat het weinig zin heeft sprokkelen totaal te verbieden als mensen het gewoon simpelweg koud hebben, of geen mogelijkheid meer zien om hun eten te koken. In de regio rond Hódmezővásárhely is voor de meest behoeftigen een sprokkelprogramma gestart. Met vergunning mag er per persoon een kubieke meter hout worden verzameld. Iedere gegadigde krijgt een bepaalde tijd toegewezen, en een boswachter houdt er oog op. Of het echt helpt, is natuurlijk de vraag. Op een kubieke meter hout komt je de winter echt niet door, als je houtkachel de enige verwarming is.

Een week na het schrijven van dit blog kwam de webkrant Index met het volgende filmpje over de armste familie in Hongarije, een 59-jarige man met zijn 17-jarige vrouw en twee dochters die wonen in een huis dat hij voor 40000 forint (140 euro) zelf heeft gebouwd. De familie leeft van 20000 forint per maand. En onlangs kreeg hij een boete van 20000 forint vanwege het stelen van brandhout....  De video is in het Hongaars, maar de beelden spreken voor zich...



dinsdag 16 oktober 2012

Tekenen van armoede: straathandel, diefstal en voedselrijen

2012: in de rij voor voedsel op het Telekiplein, Boedapest
Voor het Nyugatistation in Boedapest staat een oudere vrouw met zakjes zelfgebakken koekjes die ze te koop aanbiedt. Het is een keurige dame, met net gekapt, kort grijs haar. Bepaald geen straatverkoopster. Maar straathandeltjes nemen toe in Boedapest. Ik zag al iemand asbakjes verkopen die hij ter plekke uit frisdrank- en bierblikjes fabriceerde. Bij een metro-uitgang waar eerder nooit iemand stond, staat tegenwoordig altijd iemand met kistjes fruit van het seizoen. Bij een parkeerplaats langs een drukke straat verscheen plots een karretje dat worst en koffie verkocht. Maar het meest droef word ik van gepensioneerden die duidelijk hun eigen hebben en houden op straat staan te slijten: wat oud keukengereedschap, een enkele bureaulamp.
1919: in de rij voor voedsel op het Telekiplein, Boedapest
Het doet me een beetje denken aan begin jaren negentig, toen Hongaren na de val van het communisme massaal hun werk kwijt raakten. Wie in die dagen het hoofd boven water wilde houden, moest wel iets verzinnen. Tot de gemeente er paal en perk aan stelde, zag je destijds overal stalletjes in de stad, met boeken, sokken, watermeloenen of Chinese horloges.
Sommigen wisten zo net te overleven, anderen zetten er de eerste stappen mee naar een bloeiend bedrijf. Ik had ooit een buurman wiens zaakje in zwemkleding van welgeteld één vierkante meter uiteindelijk uitgroeide in een echte sportwinkel. De nationale boekenketen Alexandra begon ooit met een boekenstalletje op straat in Pécs. Desondanks: dat een oudere dame in 2012 op straat koekjes moet venten om haar ontoereikende pensioen aan te vullen, stemt somber. Het is een teken van de groeiende Hongaarse armoede.
Dezelfde dag dat ik de vrouw met de koekjes zie, word ik door een jongere, wat gezette vrouw in de tram aangeklampt om geld. Ze zit in de werkverschaffing, vertelt ze, en daar kan ze niet van leven. Het kan waar zijn, of het kan niet waar zijn, maar ik ben tegenwoordig ruimhartiger met geld, zeker als degene die erom vraagt, er niet uitziet alsof mijn centen zo snel mogelijk in een fles palinka worden omgezet. Want ik weet: wie aan de onderkant van de samenleving zit, heeft het een stuk moeilijker dan een aantal jaren geleden.

Vorig jaar werd er al drastisch gekort op de uitkeringen en dit jaar gingen ze nog verder omlaag, en dat terwijl de inflatie meer dan zes procent is. Een langdurige werkloze moet het doen met 22800 forint, zo'n 80 euro per maand. En als hij een familie heeft, moet die daar ook van leven. "Een land kan zich - zeker in tijden van een Europese crisis - niet veroorloven dat mensen die kunnen werken, leven van een uitkering. Daarom krijgen Hongaren geen langdurige inkomens-vervangende uitkeringen," aldus verklaarde  premier Viktor Orbán in juli dit jaar dit uitkeringsbeleid.


zaterdag 7 juli 2012

Ballon in de mais

"Kunnen we jullie helpen?" We hebben de vier mensen minutenlang gadegeslagen terwijl ze door de eindeloze rijen heuphoge mais op ons toekwamen. Eigenlijk hadden we een scheldtirade verwacht van eigenaren die boos op ons waren omdat we met onze ballon midden in hun maisveld zijn geland. Maar de drie mannen en de vrouw die nu voor onze neus staan, met zijn duidelijk niet de eigenaren van dit veld. De walm van alcohol die hen begeleidt, bereikt ons eerder dan zijzelf. De platgeslagen mais kan hen totaal niet schelen.
De vrouw is gekleed in een flinterdunne, mouwloze zomerjurk die zo verwassen is dat je kleur en patroon nauwelijks nog kunt herkennen. De jurk doet me aan foto's van werkloze landarbeiders in Amerika in de jaren dertig denken. Haar gezicht ook, trouwens. Ze is mager, en haar halflange donkerblonde haar is sliertig en vet. Ook de drie mannen zien eruit alsof ze wel eens met lege maag naar bed gaan. En als ze ooit wat verdienen, gaat dat waarschijnlijk vooral op aan goedkope drank. Maar de ballon in het maisveld heeft hen even van de drankfles weten weg te lokken.
De ballonvaart is een vervulling van een tientallen jaren oude wens van mij. Ik heb een paar maal eerder op het punt gestaan om de lucht in te gaan, maar steeds kwam er iets tussen. Bij een geplande vlucht in Nederland gooide het weer roet in het eten. In Stockholm was ik haast voor de verleiding bezweken, maar schrok de prijs me uiteindelijk af. En één keer moest ik een uitnodiging voor een ballonvaart laten schieten, omdat er iets tussen kwam. Maar de wens was nooit weggegaan. 
Toen ze dat hoorde, had een Hongaarse vriendin de koe bij de horens gevat en ervoor gezorgd dat het er eindelijk van zou komen. En het is een geweldige ervaring. Zelfs mensen met hoogtevrees schijnen daar in een ballon geen enkele last van hebben. Eenmaal in de lucht voelt het heel ontspannen, en absoluut niet eng.
Maar inmiddels zijn we geland en staan we in het maisveld. We hebben de ballon inmiddels zo goed en zo kwaad als het ging opgerold tot een lange slang en tussen de stengels gelegd. Het is een sterk gewas, je ziet nauwelijks een geknakte plant. Ik ben blij dat we niet in een korenveld zijn geland..
Waar de vier vandaan komen is een raadsel, want er is geen dorp in de buurt. Maar ze kunnen ons zeker helpen. We hebben namelijk geen idee hoe we hieruit moeten komen. Zo gaat dat met ballonvaarten: je weet waar je opstijgt, maar waar je landt, is altijd een verrassing.


zaterdag 5 november 2011

Hongaarse dakloze moet van de straat

Soms gaat László Zátrok naar de daklozenopvang, maar als het even kan, slaapt hij buiten. “In de opvang wordt zoveel gestolen, dat is gewoon niet veilig.” De gewezen banketbakker leeft sinds zes jaar op straat, maar als het aan de Hongaarse autoriteiten ligt, moet hij vanaf 1 december iedere nacht naar de opvang. Slapen op straat gaat hem boetes van 50.000 (160 euro) forint of zelfs gevangenisstraf opleveren.  Net als eten of statiegeldflessen uit vuilnisbakken halen, trouwens.
Het straatleven is hem aan te zien. Zátrok is 43 jaar oud, maar oogt minstens vijftig. Hij werd dakloos toen hij na het overlijden van zijn ouders zes jaar geleden zijn werk verloor. Familie heeft hij niet, en dus had hij, zoals de meeste daklozen, ook geen vangnet waar hij terecht kon toen hij in de problemen kwam. “Het was in het begin moeilijk,” zegt hij. Maar inmiddels kent hij alle trucs. En hij heeft het niet snel koud.
Af en toe gebruikt hij de faciliteiten die de daklozenopvang hem biedt: douches, wasmachines, een postadres en boeken. Hij leest graag. Hij bedelt, verzamelt statiegeldflessen en doet los werk. ’s Zomers werkt hij bij boeren in de oogst. ’s Winters komt hij, zoals veel de naar schatting 20.000 Hongaarse daklozen, naar Boedapest, waar je dagelijks een warme maaltijd kunt halen bij een voedselbedeling, en waar onderdak is als het echt te koud wordt.
Maar het leven is niet makkelijker geworden sinds de gemeente Boedapest daklozen vorig jaar uit de metrostations verbande. In een van de eerste koude nachten deze herfst stierven, ongewoon vroeg in het jaar, twee mensen aan onderkoeling.. Kort daarop kwam de regering met het idee van straffen en verplichte opvang. Het idee kwam van Maté Kocsis, de burgemeester van het achtste district van Boedapest, waar mensen sinds deze herfst worden opgepakt als een 'dakloze levensstijl" hebben.
“Natuurlijk storen mensen zich aan daklozen in bijvoorbeeld de metro en moet je daar iets aan doen,” zegt Miklós Vecsei van het Malteser Kruis, de grootste organisatie in de daklozenopvang en de armoedebestrijding in Hongarije. De vraag is alleen hoe. Hongarije telt 20.000 daklozen en 9000 opvangplaatsen. Dat is te weinig. Maar zomaar meer opvanghuizen is volgens Vecsei geen oplossing.
“In het beleid wordt totaal niet gekeken naar de verschillende behoeftes. Psychiatrische patienten en agressieve of dronken daklozen worden bij de gewone opvang vaak niet eens toegelaten, maar alternatieven zijn er niet. Anderen zijn alleen dakloos, omdat er nauwelijks sociale woningbouw bestaat. Die zouden van de straat zijn als ze ergens in onderhuur konden."
Zijn organisatie pleit voor een flexibeler gebruik van de fondsen, zodat het bijvoorbeeld mogelijk om goedkope accommodatie te huren voor mensen die niets anders nodig hebben dan een nieuwe woning. "Dat is goedkoper dan daklozenopvang en haalt hen uit een uitzichtloze irkel , maar de beschikbare subsidies mogen alleen aan opvangbedden worden besteed.”
Boetes en opsluiting vinden zowel Vecsei als Zátrok totale onzin. Geen dakloze kan zo’n boete betalen, en gevangenisstraf is peperdure geldverspilling, meent Vecsei. Zátrok maakt zich niet echt bezorgd. “De politie zal ons de eerste tijd wel vaker oppakken, maar daar krijgen ze net als altijd wel genoeg van.”
Het echte antwoord op het probleem is volgens Vecsei armoedebestrijding. “Er zijn pakweg 100.000 mensen die nog niet dakloos zijn, maar vanwege hun schulden in de gevarenzone leven. En er zijn mensen die officieel een huis hebben, maar die in totaal onbewoonbare krotten leven, zonder enige verwarming, zonder water, met nauwelijks een dak boven hun hoofd. Dan wordt een metrostation, waar het nooit vriest, en waar een openbare wc en gratis voedseluitdelingen in de buurt zijn, plotseling luxe. De mensen in die krotten zien de meeste burgers en de politici nooit en daarom trekt niemand zich hun lot echt aan. Maar als je die problemen niet aanpakt, is iedere maatregel tegen daklozen dweilen met de kraan open.”


vrijdag 9 september 2011

Ongeliefde buren: de armoedecirkel van Hongaarse zigeuners


Hungarian Farmers Battle Harvest Thieves by NewsLook

Het zou je maar overkomen: een hele zomer ploeg je, zaai je, spit en schoffel je, en als het dan zover is dat je kunt oogsten, kom je op een slechte dag op je veld en heeft iemand anders dat al gedaan. Het overkomt boeren in Noordoost-Hongarije regelmatig. Zo regelmatig, dat een aantal er inmiddels het bijltje bij neer heeft gegooid.
Noordoost-Hongarije is het armste deel van het land. De werkloosheid is er schrikbarend hoog, boven de twintig procent, en onder zigeuners nog veel hoger. Het is ook het deel van het land waar de extreemrechtse Jobbik het sterkste zijn. Hun propaganda over zigeunermisdaad slaat aan bij kiezers die dagelijks geconfronteerd worden met kruimel- en grotere diefstallen. Als je na een jaar hard werken je hele oogst kwijt bent, dan is het moeilijk om ruimdenkend te blijven.
Roma, zigeuners zijn natuurlijk een makkelijke zondebok voor zulke diefstallen, hoewel er ongetwijfeld ook niet-zigeuners zijn die zich aan de mais en aardappels van hun buren vergrijpen. Maar alleen iemand die lijdt aan verkeerde politieke correctheid zal in twijfel trekken dat het grootste deel van dit soort criminaliteit inderdaad op naam van deze minderheid komt.
Niet zo gek trouwens, want de omstandigheden van veel Roma-gemeenschappen zijn echt schrijnend. Gebrekkige scholing, gebrekkige kansen, families die soms al drie generaties geen werk hebben, een omgeving die hen met de nek aankijkt: veel Roma-families leven in een eeuwige cirkel van armoede waar niet uit te komen lijkt.


vrijdag 21 januari 2011

VERHONGERD

Deze week stond Edina S. voor de rechter, omdat 13 maanden oude haar dochtertje Melissza twee jaar geleden verhongerde. Je kunt je een snellere rechtsgang indenken, maar goed, de gerechtelijke molens in Hongarije draaien nu eenmaal langzaam. Edina is niet de enige die in deze kwestie beschuldigd wordt. Haar huisarts werd eerder veroordeeld tot een boete van 200.000 forint. Nog geen duizend euro, voor de dood van een kind. Maar misschien zou eigenlijk de hele Hongaarse gezondheidszorg in het beklaagdenbankje moeten staan.
Melissza was een klein zigeunermeisje. Haar moeder Edina had voor haar drie kinderen, en na haar nog een dochtertje, Margaréta gekregen. Met de zwangerschap van Margaréta begonnen de problemen. Edina gaf Melissza nog borstvoeding, maar haar schoonzuster adviseerde haar te stoppen, omdat Melissza anders "de melk zou vergiftigen". De licht verstandelijk gehandicapte Edina volgde dat advies, met fatale gevolgen.
Hoe oud Melissza op dat moment was, is niet helemaal duidelijk, maar in ieder geval at ze vanaf dat moment met de pot mee. Ze kreeg alles wat de rest van de familie kreeg, alleen fijngeprakt met een vork. Alleen bonen en kool, die kreeg ze niet, vertelde haar moeder, want daar werd ze zo winderig van. En melk ook niet, want die lustte ze niet. En zo moest ze het doen met een dieet dat haar darmen absoluut niet aankonden. In Edina's ogen zag het kind er gezond, zelfs wat dik uit: in de familie werd ze buldozertje genoemd vanwege haar dikke buikje.
Edina kun je onkunde verwijten, maar ze ging met de kleine Melissza naar de controle bij de védőnő, zeg maar het consultatiebureau. Ook daar viel niet op dat het kleine meisje maandenlang op een gewicht van pakweg zes kilo bleef steken. Niet zo'n wonder, want zo ongeveer iedere keer als ze er kwam, was er een andere verpleegster. En de informatieoverdracht hield niet over. Nog geen twee en een halve maand voor haar dood constateerde een verpleegster niet meer dan een "vertraagde groei". Het toen pakweg 1 jaar oude meisje meisje woog op dat moment haast 6,6 kilo en was maandenlang niet of nauwelijks aangekomen.
Twee dagen voor haar dood ging haar moeder naar de huisarts in het dorp, omdat het kind diarree had. De arts gaf wat medicijnen. Het ontging hem totaal dat Melissza niet alleen ondervoed, maar ook ernstig uitgedroogd was. Sterker nog, het meisje zag er volgens hem niet te dun uit. Dat ze twee weken eerder ook al met diarree bij een vervangende arts was geweest, was hem niet bekend, want er was geen contact tussen de artsen en moeder dacht er ook niet aan dat feit te vermelden.
De arts erkende later het kind niet echt onderzocht te hebben. Zijn verklaring was zijn enorme werklast. De huisarts had een praktijk van 1500 patiënten. Niet overdreven groot, maar op de bewuste ochtend had hij al zestig mensen gezien voor Edina met haar dochtertje binnenkwam. Eén op de 25 patiënten uit zijn praktijk was die ochtend dus al langsgekomen, waarschijnlijk voor een groot deel met klachten waarmee ze net zo goed thuis hadden kunnen blijven, want veel Hongaren rennen met iedere verkoudheid naar de dokter. Je kunt je indenken dat een arts dan afstompt. Maar volgens specialisten had het meisje het overleefd, als de arts haar meteen naar het ziekenhuis had doorverwezen.
Nu staat de moeder dus terecht, al moet je je afvragen in hoeverre je haar schuldig kunt noemen. Je kunt haar waarschijnlijk hooguit verwijten dat ze geen enkel verstand had van het opvoeden van kinderen. Dat is ook wat sociaal werkers zeggen: de moeder is een doodarme vrouw met geen enkele opleiding, licht verstandelijk gehandicapt, en het ontbreekt haar aan iedere basiskennis die nodig is om kinderen op te voeden. Maar dat kun je haar niet kwalijk nemen. De schuldigen in dit geval zijn toch echt de instanties die niet hebben ingegrepen.
Of die iets hebben geleerd? Niet echt. Ook het gewicht van de kleine Margaréta bleef vorig voorjaar stilstaan en ging op zeker moment zelfs achteruit. Twee keer werd ze door de huisarts - wijs geworden door de dood van Melissza - naar het ziekenhuis verwezen. In beide gevallen vond men "niets abnormaals".
De problemen in de Hongaarse gezondheidszorg worden vaak aan geldgebrek geweten. Maar gebrekkige communicatie, slechte organisatie en misschien ook wel onverschilligheid lijken hier eerder de oorzaak.Al zou Edina S. misschien geen kinderen meer moeten opvoeden.

dinsdag 12 juni 2007

STRAATNAMEN TE KOOP

De naam van het dorpsplein is niet te koop, zegt burgemeester Gábor Ivády. Maar wie er geld voor over heeft, is meer dan welkom om zijn naam te geven aan een van de acht dorpsstraten in Ivád die vernoemd zijn naar beroemde Hongaren als dichter Petöfi of de revolutionair Kossuth. Het dorp van 480 inwoners heeft zijn straatnamen in de verkoop gedaan.
Ivád is straatarm. Het ligt in Noordoost-Hongarije, in een van de armste regio’s van het land. Veel inwoners werkten vroeger in de inmiddels gesloten mijnen en zijn afhankelijk van een gemeentelijke uitkering. Bedrijven die gemeentebelasting betalen, zijn er niet en de rijksbijdragen aan de gemeente gaan ieder jaar omlaag. Toen het dak van de kleuterschool lekte, meldde zich gelukkig iemand met een stapel tweedehands dakpannen, want geld voor reparatie was er niet. Twee weken sloeg de bliksem in het gemeentehuis....
Hoe dat gerepareerd moet worden, is nog onduidelijk.
Ieder jaar moet Ivád bij het rijk aankloppen voor extra steun, simpelweg om de lopende kosten te dekken. Geld voor renovatie van de straten, laat staan voor de bouw van stoepen of een riolering is er niet. Maar wat het dorp wel heeft, is een creatieve burgemeester. Gábor Ivády liet een carrière bij een internationaal reclamebureau schieten voor het burgemeesterschap, nadat hij verliefd raakte op het dorp waar zijn grootmoeder woonde. Hij behandelt Ivád nu als nieuw PR-project. ,,Hoe kleiner een gemeente is, hoe inventiever je als bestuurder moet zijn’’, zegt hij.
En zo kwam hij op het idee om de lokale straatnamen te verkopen. Alleen de naam het dorpsplein is onaantastbaar, want dat is vernoemd naar wijlen Sándor Ivády, Olympisch kampioen waterpolo en daarnaast familie van de burgemeester en van pakweg de helft van de overige inwoners, die allemaal Ivády heten en allemaal familie van elkaar zijn. ,,Om de grond in de familie te houden, zijn de Ivády’s eeuwenlang onderling getrouwd,’’ zegt Ivády, ,,Er zijn meer dan dit soort dorpen in Hongarije. Dat leidt vaak tot inteeltproblemen, maar gelukkig zijn we in Ivád allemaal gezond.’’
De prijs van een Ivádse straat hangt af van de lengte. Met 400 euro per strekkende meter moeten belangstellenden tussen de 96000 en de 242000 euro neertellen om zich de komende 300 jaar te verzekeren van een straat met hun naam. Aanvankelijk hoopte de burgemeester hij dat internationale sterren geïnteresseerd zouden zijn. Maar afgezien Alain Delon reageerde geen van de aangeschreven beroemdheden, en de Franse filmster had geen belangstelling.
Nu denkt Ivády eerder aan grote bedrijven als klanten. Dat biedt ook andere mogelijkheden, zegt hij. ,,Als Philips bijvoorbeeld een Philipsstraat zou willen, zou ik daar waarschijnlijk niet eens geld voor vragen, maar de elektronica die nodig is om ons dorp van een goede webcam te voorzien en zo meer naamsbekendheid te bezorgen. Voor zo’n bedrijf zou het een stunt zijn, net zoiets als bijvoorbeeld een kantoor openen in Second Life: dat trekt publiciteit, voor een veel lager bedrag dan welke reclamecampagne dan ook.’’
Het stratenplan is maar een van zijn vele ideeën. Om de kleuterschool van een nieuwe speeltuin te voorzien, startte hij eind vorig jaar op het internet een ruilactie, geïnspireerd door een nieuwsbericht over een jongen die via internetveilingsite eBay een paperclip had weten te ruilen voor een huis. Ivády bood een vlaggetje met een gemeentewapen ter waarde van 2 euro aan, kreeg daarvoor een door Belgische bonbons, die hij weer ruilde voor een klok, een thermoskan, een modem, een tafel…
Op zeker moment kreeg een radiostation lucht van zijn actie. De daaropvolgende publiciteit zorgde voor steun van een aantal grote bedrijven, zodat Ivád er een speeltuin van 7 miljoen forint (zo’n 27500 euro) aan overhield.
Zijn idee om als dorp biologische groente voor de verkoop te gaan verbouwen, is minder exotisch, maar zijn wens om een parachutistenbrevet te halen maakt onderdeel uit van zijn wildere plannen. Springen lijkt hem eigenlijk wel eng, zegt hij, maar hij denkt dat het dorp er geld mee kan verdienen.
,,Als burgemeester mag ik mensen trouwen en veel bruidsparen willen iets bijzonders van hun huwelijk maken. Je hebt parachutisten die in een vliegtuig trouwen, vlak voor de sprong, of net na de landing. Als ik meespring, kan ik het huwelijk in de lucht voltrekken. Dat wordt nergens gedaan en dat moet toch belangstelling trekken. En als we als dorp dan ook nog het huwelijksfeest kunnen organiseren, dan hebben we tenminste een bron van inkomsten.’’
Hij wordt door andere burgemeesters vaak bekritiseerd omdat hij zijn functie te commercieel zou aanpakken. Onzin, vindt hij. ,,Wat is er tegen om commercieel te denken bij het besturen van een dorp in geldnood? Dat is gewoon jaloezie.’’