Posts tonen met het label milieu. Alle posts tonen
Posts tonen met het label milieu. Alle posts tonen

maandag 2 maart 2015

Verboden afval te gooien

Verboden afval te dumpen
Iedere keer verbazen ze me weer, de bordjes met de tekst "Szemet lerakása tilos", verboden afval te deponeren. Je vindt ze op de gekste plekken, meestal midden in het landschap, maar soms ook aan de rand van een dorp, en over het algemeen aan het begin van een onverhard pad dat een bos op afgelegen dalletje invoert.
Logisch dat je geen afval mag gooien, zou je denken, of betekenen die bordjes echt dat je overal waar zulke bordjes niet staan, wel afval neer mag gooien? Daar lijkt het soms wel op.
Op de raarste plaatsen,soms midden in een verder ongerept bos, kom je bergen vuil tegen. Niet gewoon een paar weggegooide flesjes van dorstige wandelaars die het teveel moeite vonden hun lege drankflessen mee naar huis te nemen, maar hele vuilniszakken met vieze luiers, of  een enorme berg plastic frisdrankflessen. Wie sleept zulke spullen nou een kilometer het bos in om ze daar te dumpen?
Ik ben dus wat gewend, maar een recente wandeling in het deel van Vác dat zo romantisch Kertváros, Tuinstad, heet, sloeg toch heel veel. Op zoek naar nieuwe wandelgelegenheden speur ik af en toe Google Maps af naar gebieden die me landelijk en mooi lijken, en waar volgens de satellietopnames ook nog paden lopen.
Blijkbaar niet verboden om afval te dumpen
Kertváros leek op de kaart prachtig. Je moest weliswaar de kleine fabriekswijk van Vác door (die je niet moet onderschatten, er staat de enige fabriek ter wereld waar IBM grote opslagsystemen produceert), maar daarachter begint al snel een gebied met afwisselend velden, bosjes, en weekendhuisjes. En afval. Bergen en bergen afval. De weekendhuisjes blijken namelijk grotendeels in onbruik geraakt te zijn, en iemand heeft de plek gevonden als de perfecte dump. Hele bergen gestripte koelkasten, tv's, computermonitors, deuren, autobanden vind je er, plus nog een heleboel los, klein afval. En nee, het is geen officiële vuilnisbelt.
Overigens bleek het boven op de heuvel net zo idyllisch te zijn als ik op basis van de kaart had gedacht. Een schitterend uitzicht over wijngaarden en heuvels met bossen en velden. Jammer genoeg moest ik nog terug langs de vuilnisbelt. Mijn hond sneed haar poot aan een gebroken raam. De kans dat ik nog een keer van dat uitzicht ga genieten, lijkt me klein.
Het meest merkwaardige is dat vlak naast al die troep dure nieuwe villa's worden gebouwd, die dus uitkijken op het vuil. Als ik het geld voor zo'n villa had, zou ik toch een paar arme sloebers inhuren om de boel op te ruimen.Dat moet je je dan toch kunnen veroorloven.
Kertváros slaat alles, maar helaas kom je daarbuiten ook veel afval tegen. Maar ook Hongaren die daar een gloeiende hekel aan hebben en met de moed der wanhoop af en toe inzameldagen organiseren, waarbij vrijwilligers worden opgetrommeld die gewapend met een hele stapel stevige zakken de natuur intrekken om er wat aan te doen.
Ik heb ooit aan zo'n actie mee gedaan, in een bos bij Budapest. Hele Trabanten kwamen we verborgen in het struikgewas tegen. Het was een bevredigende activiteit, je had het gevoel echt iets goeds voor mens en natuur te doen. Aan het eind van de dag lagen overal langs de weg grote stapels goed gevulde vuilniszakken klaar om opgehaald te worden door de vuilnisdienst. Helaas was de opgeruimde staat maar van korte duur. We hadden waarschijnlijk meteen overal bordjes neer moeten zetten die uitlegden dat het verboden was om daar vuil te storten.

donderdag 3 februari 2011

SCHOON

In de zomer van 1989 stonden we een paar dagen met onze tent op de camping van Matészalka. Het was er doodrustig, om precies te zijn, we waren de enigen. Nu waren de meeste campings in Hongarije in die dagen erg rustig. Kamperen werd door Hongaren gezien als een noodoplossing voor arme mensen, en de campings waren daar dan ook naar: kale grasveldjes met minimale voorzieningen, liefst ergens tussen een spoorweg en een provinciale weg ingeklemd.
Maar Matészalka spande toch wel de kroon, en dat had mogelijk iets te maken maken met het zorgwekkende laagje witte asvlokken dat onze tent iedere dag bedekte. Wat voor fabriek er precies in het stadje stond, kan ik me niet herinneren, maar het was duidelijk dat filters in de schoorsteen geen standaard-voorziening waren.
Toen wij vier jaar geleden besloten naar Vác te verhuizen, was de reactie van de meeste Hongaren die we kenden: Vác? Dat is toch altijd bedekt onder een laag stof van de plaatselijke cementfabriek. Zo herinnerden we ons Vác ook, van begin jaren negentig: als een soort tweede Matészalka, een droefgeestig fabriekstadje onder de rook van een enorme cementfabriek.
Wat wij nooit mee hadden gekregen, was dat Vác meer fabrieken had. Aan de zuidkant van het stadje stond ooit een bandenfabriek en een bedrijf waar fotochemicaliën geproduceerd werden. Als de bandenfabriek rubberafval had, ging dat buiten op een grote hoop in de fik. Als ze dat zagen bij de chemiefabriek, vulde die zijn kruiwagens en dumpte zijn troep in de vlammen. Zo althans herinnert een geboren Vác'er zich de "goede oude tijden".
Inmiddels kom ik zelden nog mensen tegen die zich Vác herinneren als een droevig industriestadje. Mooi, barok, onontdekt, en zo goed bereikbaar vanuit Budapest, dat is wat de meeste Hongaren tegenwoordig over Vác weten, reden waarom je steeds meer Budapesters hebt die ons voorbeeld volgen en er een huis kopen. Industrie is er nog steeds.
Gelukkig maar, want ergens moeten mensen toch werken. Zelfs de cementfabriek draait nog steeds op volle toeren. Maar dankzij de Duitse investeerder die daar het nodige geld instak, voldoet het bedrijf tegenwoordig aan de EU-regels en produceert het geen stof meer. Ook de ander fabrieken doen hun werk zonder zwarte walm en stank. Brussel moet zich wat mij betreft niet bemoeien met de vorm van de komkommers, maar sommige EU-regelgeving is toch zo slecht nog niet.

dinsdag 21 december 2010

KOLONTÁR, EEN VERVOLGVERHAAL. 7. FUNDAMENTEN

János Fuchs (55) en zijn vrouw Magdi (53) verloren bij de modderramp in oktober bij een aluminiumfabriek bij het Hongaarse Kolontár hun bejaarde moeder, hun huis en hun meeste bezittingen. De regering heeft hen en hun dorpsgenoten nieuwe huizen beloofd. De laatste aflevering van een serie over hun belevenissen in de afgelopen maanden.

Kolontár en het rode slib om het dorp liggen onder een wit pak sneeuw. Het is koud, maar Magdi is blij met het winterweer. “De sneeuw bedekt de modder, en daardoor kan er geen stof opwaaien,” zegt ze. Ze weet nog steeds niet hoeveel kwaad dat stof doet, maar sommige dorpelingen houden hun tuin om die reden permanent vochtig en een enkeling draagt bij droog weer nog steeds een stofmasker.
Ondanks haar zorgen is het stof voor Magdi geen reden om weg te willen. “Ze hebben gezegd dat alle rode modder wordt verwijderd, ook van de velden en uit de bossen. En wat ze niet weg kunnen halen, wordt geneutraliseerd met biologische middelen.” Alleen werkt de natuur de opruimwerkzaamheden dezer dagen tegen. Het grondwater staat extreem hoog, en daardoor kunnen de machines het veld niet op.
Ander werk gaat wel door. Afgelopen week werden de fundamenten gelegd voor het eerste van 21 nieuwe huizen voor de slachtoffers van de ramp. Om te zien hoe die huizen worden, waren de toekomstige bewoners met zijn allen met de bus naar het dorpje Bereg, helemaal aan de andere kant van Hongarije. Daar stortten in 2001 honderden huizen in als gevolg van overstromingen. Enkele tientallen dakloze gezinnen kregen nieuwe huizen, van hetzelfde type dat nu in Kolontár wordt gebouwd.
“We zijn bij meerdere mensen naar binnen geweest en het zag er goed uit, het zijn echt mooie panden,” zegt Magdi tevreden. Hun eigen huis moet eind april klaar zijn, maar ze houdt er rekening mee dat het wat langer gaat duren: “De winter is geen goede tijd om te bouwen, en als het nog kouder wordt, kunnen ze niets doen. Ik heb trouwens liever dat het wat langer duurt en het goed gebeurt, dan dat ik straks met de problemen zit.”
Bij hun tijdelijke onderkomen wachten wat dierbare, uit de modder geredde voorwerpen op een ereplaats in de nieuwe woning. János toont een bloemrijk ingelijst borduurwerk, met een dikke modderkorst tot halverwege het glas. “Dat heeft onze moeder gemaakt. Het hing bij haar aan de muur, pakweg zo hoog,” wijst hij op ooghoogte. Zo hoog stond het slib in het huis van de oma die door de modder werd meegesleurd. Dochter Adrienn toont een uitgebreide familiestamboom, ook Oma’s handwerk. Vele generaties Fuchsen hebben Kolontár al bevolkt.
Op het erf ligt een besmeurd, wit geschilderd houten tuinhek dat bij hun oude huis langs de weg stonden. “Dat komt weer bij het nieuwe huis te staan,” zegt János. Met weemoed praat hij over de vele fruitbomen en bessenstruiken die ze ooit hadden. “Bij het nieuwe huis wacht ons een kale vlakte,” zucht hij.
Adrienn ziet daarvan ook een positieve zijde. “Mijn vader had altijd wat om handen, en nu zit hij vooral af te wachten. Ik denk dat het heel goed is als hij straks weer aan de slag kan.”

zondag 12 december 2010

KOLONTÁR, VERVOLGVERHAAL. 6. VAKANTIEPLAATJE

János Fuchs (55) en zijn vrouw Magdi (53) verloren bij de modderramp in oktober bij een aluminiumfabriek bij het Hongaarse Kolontár hun bejaarde moeder, hun huis en hun meeste bezittingen. De regering heeft hen en hun dorpsgenoten nieuwe huizen beloofd. Een vervolgverhaal

In de keuken van hun tijdelijke huurhuis zit Magdi papieren in te vullen. Voor de schadevergoeding die hen is toegezegd moet ze precies moet aangeven wat ze allemaal kwijt zijn en wat dat allemaal waard was. “Hoeveel broeken? Ik heb geen idee,” zegt János. “En wat die hebben gekost?” Hij haalt zijn schouders op.
En zo gaat het verder: truien, ondergoed, lakens, handdoeken, pannen, servies, glazen. Bedden, stoelen, tafels. Moeilijk genoeg als je al je spullen om je heen hebt, maar uit het blote hoofd? “En zo’n lijst moeten we ook nog eens invullen voor het huis van oma. Hoe moeten we weten hoeveel truien zij had?” zegt dochter Adrienn over haar grootmoeder die omkwam bij de ramp.
Iedere dag is er wel een of ander document dat aandacht vraagt, meestal in onbegrijpelijke ambtelijke taal. Magdi is blij dat Adrienn, journaliste bij een milieutijdschrift in Boedapest, van haar baas toestemming heeft om haar ouders in werktijd te helpen. “Zonder haar kwamen we er niet uit,” zegt Magdi. Haar dochter maakt een zeer vermoeide indruk. Andere dorpsgenoten kloppen ook bij haar aan met vragen over de ingewikkelde papierwinkel.
In de tuin loopt een vriendelijke herdershond. Caesar is waarschijnlijk een van de weinigen die beter wordt van de ramp. “Hij leefde hier sinds de dood van zijn baas alleen in de tuin. De erfgenamen wilden hem niet hebben. Wij zijn onze dieren kwijtgeraakt, dus hij gaat zeker mee als we straks verhuizen,” zegt János terwijl hij het beest een aai geeft.
Nu ze de schadevergoedingsregeling getekend hebben, begint die verhuizing een stuk reëler te worden. De plots van de nieuwbouwhuizen, op de top van een heuvelrug, zijn al uitgemeten. 1200 vierkante meter, net zo groot als hun oude tuin. János en Magdi hebben zelfs al een plek toegewezen gekregen, aan de rand van de nieuwe wijk, waar János zijn buren niet hoeft te storen met zijn zware landbouwmachines. En ze krijgen, op hun verzoek, zelfs dezelfde buren als vroeger. “Daar zijn we heel blij mee, want we konden altijd heel goed met elkaar overweg,” zegt János.
Vanaf de heuvelrug kijk je over een lieflijk, uitgestrekt dal met velden en bossen. Een vakantieplaatje. Niets doet er denken aan de gebroken slibdam aan de andere kant van het dorp. “Dat is maar goed ook, daar hebben we genoeg van gezien,” vindt dochter Adrienn. De aanblik van de gesloopte wijk doet iedere keer pijn.
En de slibopslag is sinds het ongeluk alleen maar dichterbij gekomen. Vlak bij het dorp, honderden meters van de gebroken dijk vandaan, zijn graafmachines bezig en rijden vrachtwagens af en aan. “Ze leggen een ring rondom de oude kapotte dijk, maar daarmee wordt de opslagcapaciteit van het bassin ook meteen uitgebreid. Ze willen een nieuwe techniek gebruiken, waarbij het slib voor storting al droger wordt gemaakt. Daardoor moet de opslag veiliger worden, maar ik ben erg blij dat we er niet meer in de buurt wonen,” zegt Adrienn.



dinsdag 30 november 2010

KOLONTÁR, EEN VERVOLGVERHAAL, DEEL 4. GROND

János Fuchs (55) en zijn vrouw Magdi (53) verloren bij de modderramp in oktober bij een aluminiumfabriek bij het Hongaarse Kolontár hun bejaarde moeder, hun huis en hun meeste bezittingen. De regering heeft hen en hun dorpsgenoten nieuwe huizen beloofd. Een vervolgverhaal.

In de vallei net voorbij Kolontár ligt het land van János Fuchs, tien hectare vruchtbare grond. Op de dag van de ramp was hij daar aan het werk met zijn tractor. “Gelukkig reed ik net in de richting van de slibopslag en zag ik de dijk doorbreken. Anders had ik het nooit op tijd doorgehad en was er twee meter modder over me heen gegolfd,” zegt hij. Nu kon hij de tractor keren en op een helling een veilig heenkomen zoeken. “Het is een oud beestje, een Tsjechische Zetor uit de communistische tijd, maar ik verkoop hem nooit. Die tractor heeft mijn leven gered.”
De landbouwgrond kwam in de familie dankzij de schadevergoeding die de grootvaders van  Magdi en János in de jaren negentig kregen, omdat ze in de Tweede Wereldoorlog als soldaat hadden gevochten. De afgelopen jaren plantte János maïs en graan. Nu piekert hij hoe het verder moet.
“Ik kan elders nieuw land krijgen, maar zulke goede grond als ik had, vind je niet zomaar. Ik zou als compensatie voor dat kwaliteitsverlies weliswaar meer land krijgen, maar dan gaan je kosten ook omhoog, dat kost je meer brandstof voor de tractor. Of ik kan mijn land verkopen, maar de prijs die ze bieden, 7 miljoen forint (pakweg 29.000 euro) staat in geen verhouding tot de jaarlijkse opbrengst van 1,5 miljoen forint” zegt hij. Daarom geeft hij de akkers niet graag op.
Landbouwdeskundigen hebben voorgesteld om de komende tien jaar biobrandstof op het vervuilde land aan te planten. Die zou bestemd zijn voor een energiecentrale die bij het dorp moet worden gebouwd. Eerst leek dat János een goede oplossing, nu aarzelt hij: “De bovenlaag van de akkers zou worden afgegraven, maar nu willen ze de grond alleen maar behandelen met iets dat het loog neutraliseert. En er blijft de onzekerheid over zware metalen uit het slib die nu in de grond zitten.” Bovendien, zegt hij, zijn de autoriteiten over de plannen over de energiecentrale nogal onduidelijk.
Op een helling niet zo heel ver van zijn eigen huis ligt de boerderij van Joská, zijn oudere broer. Voor het gebouw liggen János’ ploeg en eg, bedekt met rode modder. “Als ik die weer wil gebruiken, moet ik ze eerst totaal uit elkaar halen.” Even verderop ligt een vismeertje, anderhalve hectare groot en bedoeld als Joská’s oudedagsvoorziening. Hongaren vissen graag en betalen grif voor een plekje aan een visrijk meer. “Hij had er al veel vis in uitgezet. Maar er is niets meer over dan een onleefbare plas water.”
Gelukkig kon zijn broer de 45 koeien die hij had rondlopen, wel redden. “Hij heeft de leidkoe op tijd kunnen roepen en die heeft de rest naar de heuvel gebracht.” Ander vee in de vallei was minder fortuinlijk. Enkele dagen na de ramp vonden reddingswerkers een koe die in de modder vast had gestaan. Het loog had van de poten niet veel meer overgelaten dan kale botten.
Behalve zijn akkers zag János een deel van zijn oogst onder het slib verdwijnen. “Door het slechte weer was nog niet alle maïs binnen,” zegt hij. “Verder hebben we 2500 kerstbomen verloren. Die hadden we vijf jaar geleden geplant. We hadden ze volgend jaar op de markt willen brengen”
Het heeft de Fuchsen duizenden euro’s gekost, moeilijk te verkroppen voor een familie die verder leeft van János’ kleine invaliditeitsuitkering en van Magdi’s loon als arbeidster in een plasticfabriek. Weliswaar heeft de regering inmiddels toegezegd dat landbouwschade ook vergoed wordt, maar twee maanden na de ramp is er nog geen cent schadevergoeding uitbetaald.


maandag 22 november 2010

KOLONTÁR, EEN VERVOLGVERHAAL, 3. EEN NIEUW HUIS

János Fuchs (55) en zijn vrouw Magdi (53) verloren bij de modderramp in oktober bij een aluminiumfabriek bij het Hongaarse Kolontár hun bejaarde moeder, hun huis en hun meeste bezittingen. De regering heeft hen en hun dorpsgenoten nieuwe huizen beloofd. Deel drie van een vervolgverhaal.

Afgelopen week kwam er duidelijk schot in de belofte dat iedereen voor de lente een nieuw huis zou hebben. János en Magdi kregen papieren om te ondertekenen in verband met de nieuwbouw. En ze kregen meteen antwoord op de vraag die Magdi al langer bezighield: “Ze zeiden eerst dat iedereen net zo’n groot huis terugkreeg als hij kwijt was. Maar dat blijkt dus niet zo te zijn. De nieuwe huizen zijn maximaal 100 vierkante meter. Ons oude huis was 150 vierkante meter.”
Ze vindt het raar dat hun oude huis op 15 miljoen forint (54000 euro) is geschat, terwijl het nieuwe, kleinere huis zo’n 20 miljoen forint gaat kosten. Dat wordt betaald door de staat.  “Maar die verhaalt de kosten op de eigenaar van de dam, het aluminiumbedrijf MAL,” zegt Magdi.
De nieuwe huizen lijken volgens haar nog het meest op de traditionele, simpele, langwerpige boerenwoningen die je overal in het land ziet, maar ze zijn wel allemaal voorzien van ‘volledig comfort’: centrale verwarming, ook voor degenen die tot nu toe op hout stookten. Als ze akkoord gaan, worden ze eigenaar, maar ze mogen het pand tien jaar lang niet verkopen.
Niet alleen het kleinere huis zit haar dwars. “Ze zijn de straten al aan het opmeten, maar het is totaal onduidelijk, hoeveel grond er bij het nieuwe huis zit. We hadden een tuin van ruim 1000 vierkante meter en een ander stuk grond van haast 900 vierkante meter. Of we dat terugkrijgen, weten we niet,” zegt ze. Eigenlijk hadden ze hadden vorige week al moeten ondertekenen, maar dat hebben ze uiteindelijk niet gedaan. “Er is zoveel onduidelijkheid dat we eerst beter willen weten waar we aan toe zijn.”
János en Magdi maken een sterke indruk. “We zijn altijd op zoek naar mogelijkheden om ons leven te verbeteren,” zegt Magdi. Maar de constante onzekerheid over hun toekomst grijpt hen zichtbaar aan. Voor János is dit de tweede zware klap in een paar jaar. “Hij heeft tongkanker gehad, bij een operatie is een spier uit zijn been in zijn mond gezet en hij slikt nog steeds medicijnen,” zegt Magdi. János praat moeizaam, als er buitenstaanders bij zijn, moet zij vaak zijn tolk zijn. Hij heeft als bulldozerbestuurder meegewerkt aan de bouw van de doorgebroken dam. Nu is hij officieel invalide. Zijn land is zijn levensonderhoud.
Direct na de ramp hebben de slachtoffers een gezamenlijke advocaat in de arm genomen. Maar van die groep is weinig meer over. “De meesten hebben getekend en zien daarmee af van verdere schadevergoeding, dus dan heeft een advocaat weinig zin meer. Alleen mensen met een groter huis aarzelen nog. Maar we hebben geen idee wat er gebeurt als we niet ondertekenen. Je kunt wel een proces beginnen, maar dat duurt jaren. Voorlopig vertrouw ik er maar op dat het goed komt. Per slot van rekening heeft premier Viktor Orbán beloofd dat we allemaal zo geholpen zouden worden dat het zou zijn alsof de ramp nooit had plaatsgevonden.”


vrijdag 22 oktober 2010

AFVALPROBLEEM

Slibdam in Bulgarije
Slordig, typisch Centraal-Europa, ze zullen zich wel niet aan de EU-regels gehouden hebben. Dat waren veelal de reacties na het recente ongeluk met rood afvalslib van een aluminiumverwerkend bedrijf bij het Hongaarse stadje Ajka weer eens duidelijk. En inderdaad, er zijn aanwijzingen dat het bedrijf zich niet aan de veiligheidsvoorschriften hield, en Hongaarse milieugroepen eisen een betere controle op industrieel slibafval. Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd. Europa telt talloze bergen en dammen met mijnbouw- en industrieafval. Sommige zijn gevaarlijker dan andere. Zijn er eigenlijk wel veiligheidsnormen die dit soort ongelukken kunnen voorkomen?
De moderne mens is afhankelijk van mineralen, en mineralen komen uit de grond. Zonder mijnbouw zou onze samenleving niet bestaan, maar gelijktijdig is er is geen menselijke activiteit te bedenken die zoveel afval produceert en zo'n invloed heeft op zijn omgeving als juist deze sector. In 2004, toen Hongarije en negen andere landen lid werden van de EU, kwam het Joint Research Centre, een onderzoekscentrum van de Europese Commissie, met een rapport over de milieugevolgen van de mijnbouw in de tien nieuwe EU-lidstaten. Dat rapport concludeerde dat 29 procent van het afval in de vijftien oude EU-landen uit de mijnbouw en de ertsverwerkende industrie afkomstig was. In de nieuwe lidstaten was dat cijfer nog veel hoger. Het afval uit andere industriële sectoren valt daarbij volkomen in het niet. 
Een echte inventarisatie van alle potentiële risicoplaatsen in Europa bestaat er eigenlijk niet. Maar zowel langs de Elbe als langs de Donau is ooit onderzocht welke mijn- en indsutriële activiteiten in de regio een risico voor de rivier betekenden. De Internationale Commissie voor de Bescherming van de Donaurivier (ICPDR) maakte in 2001 en 2004 een inventarisatie van de potentieel gevaarlijke bedrijven in het stroomgebied van die rivier en kwam toen tot een lijst met 611 bedrijven. Eenderde daarvan waren industriële bedrijven in Duitsland, en een kwart mijnslibopslag in Roemenië. De gebarsten Hongaarse dam gold als minder gevaarlijk, omdat hij vrij ver van de Donau af ligt. Overigens werd bij de inventarisatie niet gekeken naar de voorzorgsmaatregelen die bedrijven al hadden genomen.Ook werd niet gekeken naar het risico dat een bedrijf voor het milieu in het algemeen betekende.


zaterdag 9 oktober 2010

RODE TSUNAMI

De rode modder kwam niet helemaal onverwacht voor Teri néni en haar buren. Iemand had van Kolontár naar Devecser gebeld om te zeggen dat een opslagbassin met rood afvalslib van de aluminiumfabriek in Ajka was doorgebroken. De buurman was op de fiets gestapt om het te gaan bekijken en ook haar oude buurvrouw was nieuwsgierig de straat op gegaan. Ze had het raam open laten staan. Wist zij veel.
Teri néni was thuis en zag de modder uit het raam aankomen. Zo snel als een tsunami. De buurvrouw was naar binnen gehold, zo snel haar oude benen haar konden dragen. Bij Teri néni was de modder door het gat van de gevelkachel naar binnen gedrongen. Binnen luttele seconden was haar huis omringd door een zee van rode, bijtende modder. Maar ze had nog geluk: haar huis is wat hoger en vorig jaar hadden ze bovendien de zolder tot slaapruimte laten verbouwen. De zoldertrap bood een veilige toevlucht.
Anderen waren minder gelukkig. De lagere oudere huizen in de buurt vulden zich haast tot deurposthoogte met modder. Dat er niet uiteindelijk niet meer dan zeven doden zijn gevallen, mag een wonder heten. De lager gelegen straten van Devecser maken de indruk van een oorlogszone. Alles, muren, auto's, struiken en kippenhokken, is bedekt met rood slijm. Voor de huizen liggen grote stapels meubels.
Met waterslangen en hoge druk spuiten proberen mensen te redden wat er te redden valt. Soldaten, brandweermannen en vrijwilligers uit heel Hongarije staan in rubberlaarzen, mondkapjes en beschermende kleding de modder weg te scheppen en de onbruikbare huisraad in witte zakken te stoppen. De bescherming is niet voor niets. Bij de huisarts van Devecser zit een man bij wie de rode modder de rubberlaarzen is ingelopen toen hij zijn kelder in stapte. Zijn benen zijn tot laarshoogte verbrand door het looghoudende slib.
Nergens blaft een hond, scharrelt kip of soest een kat in de zon: huisdieren waren over het algemeen nog minder gelukkig dan hun bazen. De schoonmaakwerkzaamheden hebben iets desperaats. De rode troep moet weg, dat is zeker. Maar iedereen heeft het gevoel dat de buurt eigenlijk dood is. Niemand wil terug naar een huis dat potentieel opnieuw in de gevarenzone ligt, of naar een tuin waarvan onduidelijk is wat voor troep er in de grond zit. In het naburige Kolontár praat de bevolking er al over dat het hele dorp ergens anders opnieuw moet worden opgebouwd, in het grotere Devecser verwachten de bewoners van de ondergelopen huizen dat in ieder geval hun buurt verdwijnt.
Het is vooral de angst die overheerst: de angst voor een nieuwe vloedgolf, die nog eens versterkt wordt als het bericht komt dat de noordelijke dijk van het reservoir verder zou kunnen afbreken en Kolontár op last van de regering helemaal wordt ontruimd. En de angst voor de gevolgen op lange termijn. Niemand weet wat er precies in de rode modder zit. Geruststellende geluiden, eerst van het bedrijf, dan van Hongaarse wetenschappers, worden niet geloofd. Er doet het gerucht over radioactieve stoffen de ronde, Greenpeace verklaart dat er volgens hun hoge concentraties zware metalen in de modder zitten.


De tandarts in het lokale gezondheidscentrum behoort ook tot de slachtoffers. Het is een oudere vrouw, die haar hele bezit in de vloed ten onder zag gaan, behalve haar huis en haar tuin waar ze dol op was, nog twee auto's, waarvan een zo nieuw dat ze nog geen cascoverzekering had afgesloten. Ze zal opnieuw moeten beginnen, zegt ze, maar ze heeft geen idee waarvan. De verzekering is al langs geweest en heeft de schade op 2,5 miljoen forint, nog geen 10.000 euro, becijferd. Dat is genoeg om het huis op te knappen, maar niet om te verhuizen. "Ik weet echt niet hoe het verder moet, echt niet," zegt ze met tranen in haar ogen.