Posts tonen met het label voedsel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label voedsel. Alle posts tonen

zaterdag 20 februari 2016

Overbodig papier

Foto Runa Hellinga
Brood met sticker
Ik zou er inmiddels aan gewend moeten zijn, maar na al die jaren kan ik me nog steeds ergeren aan het stukje papier dat met ieder Hongaars brood wordt meegebakken. Het papiertje vertelt me hoe zwaar het brood is, tot wanneer het vers is en van welke bakkerij het komt. De wetgever gaat er duidelijk vanuit dat ik mijn bakker zonder papiertje niet kan vertrouwen als die beweert dat hij me een vijfhonderd gram zwaar, zelfgebakken brood verkoopt dat tot dinsdag houdbaar moet zijn.
Die papiertjes zitten behoorlijk vast en ze de enige manier om ze los te krijgen is ze met een korstje brood afsnijden. Geen ramp, maar toch zonde. Vaak vergeet ik het, en dan zit je met een boterham met papier eraan. Bah. Maar goed, ik mag nog blij zijn dat broodjes zonder sticker verkocht mogen worden. Blijkbaar kun je de bakker daarbij wel vertrouwen.
Het is de derde keer in een week dat ik struikel over overbodig papier. Vorige week zaterdag moest ik naar Boedapest. Ik was de enige niet: bij het loket in het station stonden tientallen onderwijzers die allemaal hetzelfde doel hadden: de onderwijsdemonstratie die die ochtend zou plaatsvinden op het plein voor het parlement.
Nu mogen onderwijzers een bepaald aantal keren per jaar met korting met de trein reizen. Dat kan natuurlijk niet zonder de nodige administratie en daar hebben ze dus een speciaal papier voor waarop iedere keer als ze gebruik maken van die regeling, een stempel wordt gezet, plus een krabbel van de lokettiste. Kortom, het schoot niet echt op voor die kassa. Het duurde zelfs zo lang dat ik mijn trein dreigde te missen en ik besloot daarom de gok te nemen en zonder kaartje in te stappen. Ik was bepaald de enige niet.
Dat ging zomaar niet. Voor de trein stond een conducteur, en ik liep netjes naar hem toe om hem te melden dat ik geen kaartje had, en waarom niet. "Het is aan u, dan moet u een boete betalen," zei hij. Maar nadat zich nog wat passagiers met dezelfde mededeling bij hem hadden gemeld, drong tot hem door dat hij een probleem ging krijgen, namelijk een trein vol met mensen die straks allemaal boos zouden worden als hij boetes zou uitdelen. Daarin had hij duidelijk geen zin. Ik zag hem door het raam driftig met hogerhand telefoneren.
Hogerhand wist het ook niet zomaar en de trein vertrok daardoor uiteindelijk vijf minuten te laat. Maar, petje af, de conducteur loste de zaak op en toen hij even later naar mij toekwam, kreeg ik wel een kaartje, maar geen boete. Dat maakte het niet simpeler, trouwens. Naast mijn kaartje kreeg ik nog twee andere stroken papier. Het ene was een proces-verbaal, het andere de boete, die officieel op nul forint was gezet. Mijn bedankje voor zijn inspanningen viel niet in goede aarde. Ik moest niet hem bedanken, maar zijn baas, zei hij boos. Ook goed.
Een paar dagen later vergat ik een deel van mijn boodschappen in de dierenwinkel. Ik kwam er een kwartiertje later achter, en ging meteen terug. De vergeten spullen waren netjes apart gezet. Ik schoot de verkoper die mij geholpen had aan. Of ik het bonnetje had? Dat moest echt! En zo niet, vroeg ik, krijg ik de spullen dan niet mee? Hij aarzelde, en ging uiteindelijk overstag. Een dapper besluit, want het had zomaar gekund dat hij mij verwarde met een van de tientallen andere buitenlandse vrouwen die in het afgelopen kwartier hun hondenvoer in zijn winkel vergeten waren. Of dat mijn dubbelganger door de etalageruit had staan loeren of ik spullen in de zaak zou vergeten.
Zelfde week: we bestellen bouwmateriaal. Dat wordt een paar dagen later afgeleverd. Of we de bon hebben? Want daar moet nog een handtekening van de bezorger op. Zonder die handtekening geen garantie, meende de man. Wel betaald, wel afgeleverd, maar ja, zonder die handtekening kunnen we dat natuurlijk nooit bewijzen. En het ligt volkomen voor de hand dat we over een paar maanden een beroep op het garantierecht doen vanwege gebreken aan bouwmateriaal dat we weliswaar hebben betaald, maar nooit hebben gehad. Of zoiets?
Overbodig papier en overbodige handtekeningen: Hongaren zijn er dol op. Zonder papier loopt het land vast. Met papier natuurlijk nog meer, want het is allemaal een teken van de overbodige bureaucratie waarmee burgers en bedrijven kampen. Bureaucratie dient maar twee doelen: ambtenaren bezighouden, en de zakken van corrupte overheidsdienaren vullen. Hoe ingewikkelder de regels en procedures zijn, hoe eerder burgers geneigd zijn smeergeld te betalen.
Maar vertel dat maar eens aan de wetgevers en regelneven. Die zullen me vast vertellen dat het stomme broodstickertje er voor mijn eigen bestwil is. Terwijl ik er gewoon op vertrouw dat mijn bakker zich ook realiseert dat hij me beter geen oud brood kan verkopen. Want anders ga ik in toekomst toch gewoon naar een ander?

dinsdag 4 maart 2014

Melk van de boer

Direct van de boer
Ik ben erg voor het inzamelen van afval, en wij hebben tegenwoordig aparte bakken voor glas, papier en plastic. We brengen alles om de zoveel tijd naar het inzamelpunt voor gescheiden afval. Behalve composterend materiaal, want dat gaat op onze composthoop. Dat is niet alleen goed voor het milieu, maar zeker ook voor onze portemonnee. We betalen tegenwoordig per hoeveelheid opgehaalde vuilnis.
We weten de boel aardig in te perken, want onze vuilnisbak maar één keer in de drie weken vol. Ik vind het vooral verbijsterend om te zien wat je aan afval bespaart als je plastic verpakkingsmateriaal apart inzamelt. Maar wat zeker ook helpt, is het feit dat we een markt om de hoek hebben. Daar zie je de andere oplossing voor het afvalprobleem: gewoon geen afval produceren. Er wordt in dit land echt veel minder weggegooid dan in Nederland. En veel meer hergebruikt. Niet in supermarkten, uiteraard. Maar wel in dorpen en op de markt.
Neem eieren. Op de markt staan tal van eierverkopers. Ze prijzen hun producten allemaal aan als "huiseieren", een suggestie dat het allemaal om blije scharrelkippen gaat. Je moet dat met een korreltje zout nemen. Bij één verkoper staat op ieder ei een productiestempel die met een drie begint: een Europese code dat zo'n ei uit een legbatterij komt (hoe lager het cijfer, hoe beter de kip het heeft, en drie is het hoogste cijfer). Die legbatterij zal dan wel naast het huis van de verkoper staan, maar dat maakt natuurlijk nog geen blije scharrelkippen.
Maar als je even rondkijkt, vind je al snel een boerenvrouw met een paar doosjes eieren van verschillende kleur en grootte, met wat stro en vuil eraan en géén stempel. Wat alle verkopers, van hok- of scharreleieren gemeen hebben, is dat ze eigenlijk verwachten dat je een eierdoos bij je hebt. De dozen die je van hen meekrijgt, zijn dan ook meestal wat groezelig, want talloze malen hergebruikt. Verkopers kunnen je heel vuil aankijken als je géén inruildoos bij je hebt, want waar moeten zij dan volgende keer hun eieren in doen? Ik heb het één keer meegemaakt dat een vrouw ronduit weigerde me eieren te verkopen.
Veel verkopers bieden eigen inmaak aan: jam, tomatensaus, ingemaakte vruchten, geraspte mierikswortel. De potten zijn variabel van formaat en deksel, want ook die worden hergebruikt. Waarom zou je geld uitgeven aan inmaakpotten, als je ze regelmatig gratis krijgt als verpakkingsmateriaal? Onze buurvrouw in het dorp is om die reden altijd heel blij als je haar oude potten geeft. Er is in het dorp ook een glasbak, en ik heb daar wel eens een vrouw hoofdschuddend potten en flessen uit zien vissen. Zoveel verspilling, daar kon ze duidelijk niet bij.
Onze groenteboer vindt het heel normaal om aardappels, uien, kolen en andere niet zo kwetsbare groenten  en vruchten gewoon los in een tas te storten. Thuis zoek je ze even uit, een karweitje van niets, en het bespaart een hoop zakjes.
Dezelfde groenteboer gooit trouwens ook veel minder producten weg dan zijn Nederlandse collega. Kant- en klare groente kennen Hongaren nauwelijks, en bovendien worden beurse appels en twijfelachtige bietjes of wortels eruit gevist en apart, voor veel minder geld, alsnog verkocht. er zijn altijd mensen die blij zijn dat ze voor bijna niets appels kunnen krijgen waar ze dan gewoon een stuk vanaf moeten snijden. Ook de slagers gooien trouwens veel minder weg. Hongaren eten veel ingewanden, en van een van poten, vleugels en borst ontdane kippenrug is  prima soep te trekken. Zonde om daar een hele kip voor te kopen, toch? De supermarkt heeft trouwens een speciale bak met producten die vlak voor of op hun uiterste verkoopdatum zitten. Daar gonst het altijd van de mensen Ik ken geen cijfers over wat Hongaren aan eten weggooien, maar ik ben er zeker van dat het slechts een fractie van de Nederlandse hoeveelheid is.
Maar goed, even terug naar die groenteman: kwetsbare zaken, zoals tomaten en peren, gaan natuurlijk wel in een zakje, maar als het om zomervruchten als aardbeien of frambozen gaat, nemen veel mensen zelf liever een plastic doos mee, dan weet je zeker dat ze heel thuis komen. Heb je zo'n doos niet bij je, kun je een meestal wel een krijgen, maar soms moet je daar extra voor betalen. Net als voor plastic boodschappentassen trouwens, die kosten tegenwoordig overal geld. Vrijwel iedereen heeft dan ook zijn eigen tas of mand bij zich.
Vanwege de lage prijs die de melkfabrieken betalen zijn er steeds meer boeren die hun melk direct aan de consument verkopen. Je ziet zelfs midden in Boedapest tegenwoordig merkwagens staan. Er zijn bij ons op de markt wat verkoopsters die plastic flessen met twee liter melk hebben staan, maar zelf geef ik de voorkeur aan de melkwagen met koeltank, die aan het einde van de markt staat. Hij is iets duurder, maar zijn melk is ijskoud en zo vers dat hij dagen goed blijft. Hij verkoopt ook zure room, kwark en boter, die in stevig geïsoleerde boxen wordt bewaard.
Wie geen fles bij zich heeft, betaalt extra voor de verpakking, een plastic fles. De meeste mensen nemen dan ook hun eigen plastic flessen mee. Maar ik heb bij een winkel een paar ouderwetse melkflessen gevonden. Wel zo handig, niet alleen vanwege het omspoelen, maar ook, omdat het verse melk is waar na een dag een dikke laag room bovenop drijft. De beste manier om die eraf te krijgen is de fles een beetje schuin houden en dan scheppen met een lepeltje. Twee liter melk geeft voldoende room om een portie slagroom te kloppen. Verder door kloppen, en je hebt een klont boter. Of room voor in de saus. Het komt altijd wel op.




woensdag 8 juni 2011

De smaak van aardbeien

Toen we in 1990 naar Hongarije verhuisden, vroegen gasten vaak uit of ze uit Nederland noodzakelijke producten als koffie mee moesten nemen. Overbodig, want ook onder het communisme had Hongarije geen tekort aan levensmiddelen aan levensmiddelen gekend.
Wel was het aanbod in de winkels eenzijdiger dan we gewend waren. Vooral in de winter, als de groentewinkels niet veel meer in de aanbieding hadden dan kool en penen, en af en toe werkelijk peperdure geïmporteerde tomaten, was het, voor ons gevoel althans, behelpen. Zeker tegen de lente. Zo in maart zagen de kolen er niet meer uit, waren de aardappels ernstig verschrompeld en de uien een soort zachte pulp. Dan waren de eerste verse groenten echt een feest.
Daar stond wat tegenover. In de loop van het voorjaar vulden de groentenstalletjes zich enorme bergen aardbeien, tomaten, kersen, nieuwe aardappels en lenteuien. Komend uit een land waar je het hele jaar door tomaten kon krijgen, maar waar die tomaten ook het hele jaar kraak noch smaak hadden, waren de Hongaarse waren een ontdekking. Zoete aardbeien met smaak, even zoete tomaten, stapels dikke, witte asperges, geweldige watermeloenen die de winkeliers 's avonds afgedekt door een doek gewoon op straat lieten liggen, het was een overdaad aan kleur en smaak die het schaarse aanbod in de winter aardig compenseerde.
Nog steeds koop ik trouw, en gewoontegetrouw meestal Hongaarse tomaten. En een buitenlandse aardbei zul je me ook niet zien kopen, de Spaanse en Griekse import oogt prachtig, maar smaakt nergens naar.
De seizoenen zijn inmiddels ook in Hongarije vervaagd, en tomaten in de winter zijn al lang geen uitzondering meer. Dat is fijn als je niet echt dol bent op kool, maar er hangt een prijskaartje aan: wat we aan aanbod hebben gewonnen, hebben we aan smaak ingeleverd. Per slot van rekening hangt de smaak van een tomaat voor een groot deel af van de soort, en blijkbaar zijn er steeds meer telers die kiezen voor types die weliswaar veel opleveren, maar dat niet naar zoveel smaken. De laatste keer dat ik echt een lekkere tomaat heb gegeten, kwam hij uit mijn eigen tuin. Die staat dit jaar dan ook vol met tomatenplanten.
Vorig jaar vreesde ik even dat het met de Hongaarse aardbeien dezelfde kant opging. Maar dat zal aan het slechte weer gelegen hebben, want dezer weken ligt de markt vol met aardbeien zoals ik ze me van 21 jaar geleden herinner: rijp, zoet, sappig en smakelijk. De zomerkoninkjes, ze zijn er weer. Gelukkig.