Vakantie aan de Donau, in de buurt van Boedapest

Vakantie aan de Donau, in de buurt van Boedapest
Te huur: ruim twee kamerappartement met uitzicht op de Donau

woensdag 8 juli 2009

PARKONDERHOUD

De ochtendstilte, en mijn slaap, wordt om kwart over zeven ruw verstoord door het geluid van een gemotoriseerde snoeischaar. Voor de firma Remondis, in Vác verantwoordelijk voor vuilnis ophalen, parkonderhoud en dat soort zaken, is de ochtend begonnen en dezer dagen houdt het bedrijf zich onledig met het snoeien van de heggen in de laan voor ons huis.
Kwart over zeven is vroeg, maar waar klaag ik over? Ze hebben ons in het verleden wel eens vroeger weten te verrassen. We hebben ook al snoeiwerkzaamheden om zes uur 's ochtends meegemaakt en twee maanden geleden tuften Remondis-medewerkers luid ronkend op een grote straatstofzuiger met schrapende borstels over de stoep. Om vier uur 's ochtends, wel te verstaan.
Omdat dat toch echt wat te gek was, schreven we de firma een brief, met een afschrift naar de gemeente. Na een paar weken kregen we antwoord van Remondis, dat simpelweg schreef dat ze de werkzaamheden in opdracht van de gemeente verrichtten en er dus niets aan konden doen. Al was dat antwoord niet echt wat we ervan gehoopt hadden, toch lijkt onze klacht geholpen te hebben, want sindsdien beginnen ze nooit meer voor zevenen, wat voor Hongaarse begrippen een hele schappelijke tijd is.
Eerlijk is eerlijk, er is over de firma Remondis ook heel wat goeds te zeggen. Het park voor onze deur wordt over het algemeen prima onderhouden. Regelmatig trekken er schoonmaakploegen door om gestolen prullenbakken te vervangen of om rondslingerende bierblikjes, plastic flessen, glasscherven en babyluiers te verwijderen, want een deel van de gebruikers sgeeft helaas minder om een schoon park dan de gemeente.
De grasvelden zijn meestal netjes gemaaid, de rozenperken gewied en de bloemperken worden regelmatig van nieuwe plantjes voorzien. Toen hele park onlangs door de overstomende Donau met een dikke sliblaag was bedekt, waren er zelfs in het weekend mensen in de weer om de paden schoon te maken. Ook andere delen van Vác, zoals het hoofdplein, zien er dankzij het werk van Remondis altijd schoon en vriendelijk uit.
De werknemers van Remondis schijnen sowieso nooit te beroerd om te werken. Behalve om vier uur 's ochtends en op weekenden na een overstroming verschenen ze tot onze stomme verbazing afgelopen jaar ook op Tweede Kerstdag en Nieuwjaarsdag om het huisvuil op te halen. Om zeven uur 's ochtends, uiteraard. En dat is voor het Remondis-personeel al heel erg laat.

zaterdag 4 juli 2009

ZIGEUNERMUZIEK

Zigeunerstrijkjes. Samen met paardenshows en meisjes in kleurige klederdracht zijn ze de molens, klompen en tulpen van Hongarije. Maar het traditionele zigeunerstrijkje met violen en cimbaal, dat melancholische Hongaarse tonen aan de restauranttafel komt spelen, dreigt te verdwijnen. Restaurants hebben er geen geld meer voor. En een nieuwe generatie musici geeft de voorkeur aan authentieke Romamuziek, jazz of hiphop.
Musici behoren tot de elite van de Hongaarse Roma. Veel families spelen al generaties lang op bruiloften en partijen of in restaurants. Componist Franz Liszt, zelf Hongaar, noemde de orkestjes ooit ,,een wezenlijk onderdeel van onze cultuur.” Onder het communisme waren restaurants staatseigendom en kregen een budget om zigeunermusici in te huren. Maar die staatsteun is weg en toeristen vinden de orkestjes vaak oubollig.
,,De muziek van restaurantorkestjes heeft weinig met zigeunermuziek te maken, behalve dat hij door zigeuners wordt gespeeld. Het is eigenlijk een mengsel van Hongaarse volksmuziek en oude internationale tophits dat tegenwoordig weinig populair is,” zegt Gusztáv Varga. Hij is oprichter van Kalyi Jag, een Roma groep die wereldbekendheid kreeg met een totaal ander muzikaal geluid, en van de gelijknamige Kalyi Jag School, een middelbare school voor vooral Romajongeren met veel nadruk op kunst.
Varga, zanger, gitarist en componist, stamt uit een oude muziekdynastie. Als jongen flirtte hij kort met de popmuziek, maar een kroegincident deed hem anders besluiten. ,,Thuis hadden we een heel repertoire aan overgeleverde echte Romamuziek en op goed moment zong mijn vader in een café een Romani lied. De kroegbaas verstond de tekst niet en wilde daarom dat hij stopte. Ik maakte een vertaling en de man bleek verbijsterd dat zigeuners zulke prachtige eigen muziek hadden. Toen dacht ik: daar moet ik iets mee doen.”
Dat werd Kalyi Jag, een muziekgroep die oude Romani melodieën nieuw leven inblies, aangevuld met Varga’s eigen composities en met motieven uit de Balkan, Rusland en andere gebieden waar Roma leven. Het leverde een geluid op dat eerder aan India of het Midden-Oosten doet denken dan aan Centraal-Europa en dat navolging kreeg van jonge, succesvolle groepen als Mitsoura en Ando Drom.
,,Het was het hetzelfde moment waarop Roma in Catalonië de flamencojazz ontwikkelden. In Moldavië kwam rond die tijd ook een vernieuwingsbeweging op gang,” zegt Varga. Maar de traditionele Hongaarse zigeunerorkestjes moesten niets hebben van al die nieuwigheden en thuis kreeg Kalyi Jag eerst geen poot aan de grond.
Internationaal brak de groep echter al bij het eerste album door. Er werden twee miljoen exemplaren van verkocht en de restaurantstrijkjes kregen van toeristen plotseling zo vaak de vraag om iets te spelen ,,zoals Kalyi Jag’’ dat ze uiteindelijk bij Varga aanklopten om bijles.
Intussen kiezen nog maar weinig jonge musici voor een traditionele opleiding tot primás, eerste violist. ,,De instrumenten, violen en cimbalen, zijn duur, de toekomstperspectieven zijn te onzeker en de smaak van de jongeren is inmiddels een totaal andere,’’ zegt Varga, die zelf zijn eerste gitaar bouwde. ,,Maar dat betekent niet dat die jongeren geen muziek meer maken. Dat stopt niet. Muziek zit diep in onze cultuur, die komt niet uit ons hoofd, maar uit ons hart.”

woensdag 1 juli 2009

HOOGWATER

Onzinnige verboden zijn ervoor om overtreden te worden. Dat geldt dus ook voor het bordje 'Overstromingsgebied - verboden te betreden' dat sinds vorige week op een boom aan het begin van onze straat hangt. Het maakte onderdeel uit van de 'werkzaamheden ter bescherming tegen overstroming' die ergens vorige week donderdag begonnen en waarvoor vrijwilligers werden gevraagd hun schep mee te nemen. Dat betekende dus zandzakken vullen, theoretisch althans: aangezien het hoogwater dat verwacht werd, nou ook weer niet zó hoog was, zijn er erg weinig zandzakken gevuld.
Maar iets moest er toch gebeuren, moeten lokale ambtenaren hebben gedacht. Dus werd dat bordje opgehangen, samen met een paar rood-witte linten, van die politielinten, die de ingangen naar het park voor onze deur moesten afsluiten. Want ja, stel je voor dat iemand niét door zou hebben dat dat park langzaam maar zeker onder water liep en natte voeten op zou lopen. Zou kunnen, toch? Van een overheid die er normaal gesproken maanden over doet om enorme kuilen in de weg te repareren, was het wel een opmerkelijk zorgzaam en onzinnig gebaar.
De linten hielden het dan ook niet langer dan een paar uur. De vele dagjesmensen, ramptoeristen kon je ze gezien de beschaafde hoogte van de overstroming niet noemen, trokken zich uiteraard niets aan van lint of bordje, en zolang het water niet hoger komt dat nu, levert het hoogwater vooral een hoop gratis zomerplezier voor het hele gezin.
Aanvankelijk zag je een enkeling, meestal jong en wat alternatief gekleed, die de schoenen uittrok en plensend door het water ging, verbaasd aangestaard door de rest van de voorbijgangers. Onze ene hond vond het ook fantastisch (andere honden moesten van hun baas helaas aan de lijn blijven, opdat ze niet nat werden) en joeg met enthousiasme door het water achter ballen en onduidelijk ongedierte aan.
Maar in de loop der dagen durfden steeds meer mensen. Inmiddels lijkt het park haast een alternatief strand geworden, waar kinderen in hun zwembroek door het water rollen en ouders hun peuter-in-luier laten voetje baden, terwijl bejaarde dames op weer drooggevallen grasvelden in het zonnetje liggen. Maar goed dat ze niet weten dat wij dezer dagen nog een waterslang hebben gesignaleerd.
Bij de kabelbaan in de speeltuin, waar de overheid in het kader van de overstromingswerkzaamheden het zitje heeft weggehaald (net als bij de schommels, trouwens) in heeft een ondernemend persoon met een stevig touw een eigengemaakt zitje aan het katrol bevestigd, zodat kinderen weer naar hartelust kunnen roetsjen.
Het zal vast nog een keer erger worden met die overstromingen. Iedereen die ons huis ziet, vindt het fantastisch, maar begint meteen over de kans op hoogwater. Terecht: onze buurman heeft de afgelopen jaren al twee keer de kelder uit moeten pompen en toen kwamen de ratten door de wc naar boven. Op echt hoogwater zit ik dus niet echt te wachten, al hebben we geen kelder. Maar als het zo is als nu, is het best gezellig, moet ik zeggen.

zondag 28 juni 2009

DAKLOZEN

Volgens recente schattingen zijn zo'n 25.000 tot 35.000 Hongaren dakloos. Vrijwel iedere Hongaar die ik ooit over dat probleem heb gesproken, denkt dat het aantal daklozen de afgelopen jaren enorm is gestegen en wijt dat aan de slechte economische omstandigheden. Dakloos worden is naast je baan verliezen voor veel Hongaren dan ook het schrikbeeld van de economische crisis.
Nu herinner ik me uit het begin van de jaren negentig ook daklozen, maar of het er meer of minder waren dan nu, daar durf ik niets over te zeggen. Maar het daklozenprobleem blijkt al veel ouder te zijn dan de systeemwisseling. Volgens een in 1980 gehouden volkstelling leefden op dat moment 120.000 Hongaren niet in een echte woning. 90.000 van hen woonden in weinig opwekkende arbeidershotels, waar ze met een aantal man een spartaanse kamer deelden.
Een deel van die mensen had wel een woning, maar die zover van hun arbeidsplaats vandaan dat ze hun familie thuis moesten achterlaten. Echt dakloos waren ze weliswaar niet, maar het scheelde niet veel. Dat was een van de prijskaartjes was die aan de socialistische garantie op een baan hing. Je had immers niet alleen een werkgarantie, maar ook een werkverplichting. En als je in eigen dorp of direct in de buurt geen baan kon vinden, was een baan ver van huis en een leven in een arbeidershotel de enige oplossing.
Volgens diezelfde volkstelling waren er in 1980 ook nog eens 30.000 mensen die in een garage, hut of grot leefden. Een deel van hen had ook een baan, hoewel in deze groep ook mensen waar zelfs het socialisme geen raad mee wist. In de jaren daarna zou het daklozenprobleem alleen maar toenemen, omdat een aantal arbeidershotels dichtging. Een studie uit 1987 schatte het aantal daklozen op 30.000 tot 60.000, en eind 1989 was er sprake van 45.000 mensen zonder eigen huis.
Ook nu heeft een deel van de daklozen wel degelijk een huis, alleen niet op de plaats waar ze leven. Er is nog steeds een groep mensen die uit hun dorp zonder enig perspectief op werk naar de stad trekken in de hoop daar iets te vinden. Bij gebrek aan sociale woningbouw komen ze vaak op straat of op zijn best in een daklozenopvang terecht.
Het idee dat het aantal daklozen is toegenomen komt misschien daardoor dat ze zichtbaarder zijn dan vroeger. Het Maltezer Kruis en andere hulporganisaties hebben bijvoorbeeld dagelijkse soepkeukens op diverse punten in de stad, waar zich rond etenstijd hele menigtes verzamelen, niet alleen daklozen trouwens, maar ook bejaarden die op die manier hun pensioentje oprekken.
Bovendien blijkt de mentale en fysieke toestand van de daklozen te verslechteren. Een veel groter deel van de daklozen dan vroeger heeft psychiatrische problemen of is alcoholist. Dat is ook de groep die zich niet aanmeldt voor de daklozenopvang die Budapest wel degelijk kent. Iedere ncht blijkt een deel van de bedden in die opvang leeg te staan. In het merendeel van de opvangplaats is alcohol verboden, en dat houdt verstokte drinkers buiten de deur en op de straat en in de metrostations.
Overigens is de angst van Hongaren om dakloos te worden niet helemaal irreeel. Eind vorig jaar schatte Miklós Vecsei van het Maltezer Kruis dat zo'n 3 miljoen mensen op de drempel van de dakloosheid leven. Dat cijfer is zeer ruim genomen: Vecsei telde daarbij mee iedereen die een hypotheek op zijn woning heeft, in onderhuur zit of bij familie leeft.
Maar wie een hypotheek heeft en zijn baan kwijtraakt, heeft inderdaad een serieus probleem. Volgens de directeur van een opvanghuis in Budapest melden zich tegenwoordig haast iedere dag wel mensen aan die werkloos zijn geworden en daardoor ook hun huis zijn kwijtgeraakt.

maandag 22 juni 2009

HOOGSTE RECHTER

Het is gelukt. Hongarije heeft weer een voorzitter van het Constitutionele Hof, de hoogste rechtbank van het land, die ondermeer toetst of parlements- en regeringsbesluiten wel voldoen aan de grondwet. De post was sinds het vertrek van de vorige voorzitter Zoltán Lomnici juni vorig jaar juni onbezet. Tot vier keer toe stemde het parlement tegen de kandidaat die president Solyom had voorgedragen. En daarmee bleef het Hof, dat in Hongarije een beetje dezelfde functie heeft als in Nederland de Eerste Kamer, zonder voorzitter.
Ironisch genoeg was András Baka, de kandidaat die er bij de vijfde stemronde eindelijk in slaagde voldoende stemmen achter zich te krijgen, dezelfde man die in juni 2008 door een meerderheid van het parlement werd afgewezen. Het waren destijds de socialisten die tegen hem stemden. Ze stonden daarin niet alleen. Eerder had ook het Nationale Juridische Comité, een orgaan dat ondermeer bestaat uit rechters, de minister van justitie en de hoofdofficier van justitie hem hadden afgewezen wegens gebrek aan ervaring in het Hongaarse juridische systeem. Baka had op dat moment 17 jaar doorgebracht bij het Europese Hof voor Mensenrechten in Straatsburg.
Dat comité is er natuurlijk niet voor niets, maar dat weerhield de president er niet van om Baka toch voor te dragen. Zonder overleg met het parlement. Want van overleg en compromissen houdt Solyom niet. Op zijn Nederlands polderen zou hem slecht afgaan. Het is zijn recht om voor te dragen wie hij wil, en dat doet hij dus. Het is ook het recht van het parlement zo'n keuze af te wijzen, zoiets noem je democratie, maar als het dat ook doet, reageert de president, die zelf overigens oud-voorzitter van het Constitutionele Hof is, inmiddels met voorspelbare verontwaardiging.
Dat gebeurde dus ook toen zijn tweede keuze werd afgewezen: de juriste Mária Havasi. Wat tegen mevrouw Havasi pleitte, was dat ze geen buitenlandse taal spreekt, wat op zo'n toppositie in het huidige tijdsgewricht inderdaad wel wat merkwaardig is. Je mag toch verwachten dat een rechter in zo'n functie ook in staat is buitenlandse vakliteratuur bij te houden, om maar wat te noemen. Wat ongetwijfeld ook een rol speelde, is dat ze de naam had dicht bij de oppositiepartij Fidesz te staan. Dat geldt trouwens voor de meeste rechters in het Constitutionele Hof.
Dat het parlement mevrouw Havasi afwees, deerde Solyom niet: drie maanden stelde hij haar simpelweg nog een keer kandidaat. Toen ook dat faalde, pruilde de president, maar hij week niet van zijn standpunt: hij had het recht een kandidaat te benoemen, en van overleg met het parlement om uit de impasse te komen, kon geen sprake zijn.
Een week geleden kwam Solyom tot veler verbazing opnieuw met Baka op de proppen. Ditmaal, betoogde hij, had zijn kandidaat wel voldoende ervaring in Hongarije, aangezien hij daar sinds een jaar als jurist werkt. De socialisten vonden er wat in zitten en verklaarden zich bereid ditmaal Baka te steunen. Maar toch werd hij in een geheime stemming afgewezen. Solyom was ziedend, en verklaarde dat ,,het geen zin heeft om een kandidaat te stellen met dit parlement!''
Oppositiepartij Fidesz deed alsof haar neus bloedde en gaf de socialisten de schuld van het nieuwe debakel, want waarom zou Fidesz, die vorige keer toch ook voor Baka had gestemd, nu tegen hem zijn? Nu is Baka voor zover bekend geen Fidesz-sympathisant, en als hoogste rechter kan hij straks een lastig obstakel worden voor een eventuele Fidesz-regering, net zoals het Constitutionele Hof nu vaak een struikelblok is voor het socialistische kabinet.
De vraag is dus de partij ooit wel echt voor de rechter uit Straatsburg is geweest. Maar een jaar geleden wist Fidesz dat de socialisten tegen hem zouden stemmen, dus konden ze veilig voor hem stemmen om bij de president in een goed blaadje te blijven. Inmiddels zou het ze goed uit zijn gekomen als de zetel nog een jaartje leeg was gebleven.
Na de volgende verkiezingen uiterlijk volgend jaar mei is Fidesz zonder enige twijfel sterk genoeg om op die post benoemd te krijgen wie ze maar willen. Niet onbelangrijk, want een belangrijke taak voor de nieuwe opperrechter wordt de hervorming van de rechtelijke macht in Hongarije. Iemand die gepokt en gemazeld is in Europese mensenrechten heeft daar misschien toch andere ideeën over dan een Fidesz-kandidaat.
De socialisten, die heel goed wisten dat zij ditmaal niet schuldig waren, stelden Solyom voor Baka opnieuw te kandideren, en kwamen bovendien met het voorstel een open stemming te organiseren. En waarempel, de president luisterde en stemde toe. Veelzeggend genoeg weigerde Fidesz overigens mee te werken aan een openbare stemming. Maar blijkbaar durfde de fractie dezelfde truc niet twee keer uit te halen: ditmaal stemde vrijwel het hele parlement voor de presidentiële kandidaat.

zaterdag 20 juni 2009

NIEUW STADHUIS MET HOLLANDSE INSLAG

Na jaren van plannen maken, plannen verwerpen en nogmaals plannen maken heeft de gemeenteraad van Boedapest eindelijk een besluit genomen: de Nederlandse architect Erick van Egeraat mag het nieuwe stadhuis in het hart van de stad gaan bouwen. Zijn succes staat niet op zich. Nederlandse architecten zijn opmerkelijk succesvol in de Hongaarse hoofdstad.
Erick van Egeraat is haast twintig jaar in Boedapest actief en veel jonge Hongaarse architecten zijn ooit bij hem begonnen. Hij won een nationale prijs voor een restauratieproject op de Andrássy út en zijn ontwerp van het Hongaarse hoofdkantoor van de ING Bank is in menige toeristengids opgenomen als opmerkelijk voorbeeld van moderne architectuur in de hoofdstad.
Dat zal in toekomst ongetwijfeld ook gaan gelden voor het ontwerp van Kas Oosterhuis, die de renovatie van een oud industrieel complex langs de Donau combineerde met een enorme, futuristisch aandoende bolle glasconstructie. Van Egeraat, die Oosterhuis’ ontwerp als jurylid moest beoordelen, vindt de acceptatie van het plan typerend voor de Hongaarse denkwijze over architectuur. ,,De houding tegenover moderne architectuur is heel positief en open. Er is echt waardering voor dingen die anders zijn,” zegt hij.
Even dreigde een faillissement Van Egeraat’s stadhuisplannen te dwarsbomen. ,,Een direct gevolg van de crisis,” zegt de architect, ,,Maar we hebben gelukkig een doorstart kunnen maken en dat deze opdracht nu doorgaat, is natuurlijk buitengewoon gelukkig.”
Zijn ontwerp is meer dan een simpele uitbreiding van het bestaande stadhuis, een kazerneachtig voormalig militair hospitaal uit de 18de eeuw. In plaats van een louter bestuurlijk gebouw kwam hij met een Hongaarse variant van de Amsterdamse Stopera: een multifunctioneel complex, dat naast het gemeentehuis plaats biedt aan cultuur, winkels, kantoren en woningen en een directe verbinding heeft met de nabijgelegen metro.
“Het is zo opgezet dat functies kunnen verschuiven. Mocht de omvang van het gemeentebestuur inkrimpen, dan kan een deel van de kantoorruimte gemakkelijk een andere bestemming krijgen,” zegt Van Egeraat. Het ontwerp moet de burger dichter bij het bestuur brengen. Terwijl het huidige stadhuis burgers eerder buitensluit, moet de lichte, open, multifunctionele nieuwbouw juist uitnodigen binnen te komen en komt er bijvoorbeeld ook ruimte voor publieke debatten.
Behalve een oud theater, dat in een nieuwe vorm een plek krijgt in het complex, hoeft er niets gesloopt te worden. Het is uniek, zegt Van Egeraat, dat een grote stad op zo’n centraal punt nog de ruimte heeft voor dergelijke omvangrijke nieuwbouw. Het is ook een gouden gelegenheid. Boedapest heeft geen geld voor een nieuw stadhuis, maar de plannen kunnen gefinancierd worden uit de verkoop van de commerciële delen van het complex.
Van Egeraat noemt zijn ontwerp pragmatisch. Dat blijkt uit de flexibiliteit, maar ook uit de manier waarop het plan rekening houdt met de omgeving en met de functie van het plein voor het stadhuis als verbinding tussen het stadscentrum en de oude joodse wijk.
Dat pragmatisme is typerend voor Nederlandse architecten, denkt hij. ,,Andere inzendingen waren veel meer op zichzelf staande gebouwen zonder directe relatie met de omgeving. In steden als Wenen en Boedapest is een gebouw meer een op zichzelf staande eenheid, wat die steden ook een zekere strengheid geeft. Wij zijn juist geneigd om veel rekening met de omgeving van een bouwwerk te houden. Soms misschien wel te zeer,” zegt hij.
Ook Dick Sikkes van architectenbureau Roeleveld-Sikkes ziet de aanpak waarbij stadsontwikkeling vanzelfsprekend deel uitmaakt van het architectonische ontwerp, als een belangrijk punt waarop Nederlandse architecten zich onderscheiden. Zijn bureau is in Boedapest ondermeer betrokken bij een stadsvernieuwingsproject en de ontwikkeling van een businesspark. Elders in Hongarije bouwt Sikkes een restaurant en parkeergarage bij het historische Pannonhalmaklooster.
,,Dat gebouw staat op de UNESCO-Werelderfgoedlijst, maar de abt kiest bewust voor moderne architectuur omdat het volgens hem bij de ontwikkeling van het gebouw hoort dat iedere eeuw sporen nalaat die bij de tijd passen,” aldus Sikkes. ,,Datzelfde zie je in Boedapest. Nederlanders hebben de neiging om oude stadscentra zo veel mogelijk bij het oude te laten. Maar in Boedapest zien ze het centrum een gebied dat zich architectonisch blijft ontwikkelen. Dat verklaart de Hongaarse openheid voor nieuwe ideeën.”

zondag 14 juni 2009

STOFZUIGERS

Wat zeggen stofzuigers over de stand van zaken in de Hongaarse economie? Meer dan je zou denken. Ik kocht mijn eerste Hongaarse stofzuiger in 1992. Nou ja, het was geen Hongaars product, maar een Tsjechisch, maar het was wel het gangbare model dat je toen overal in de winkels zag. Het apparaat had de hoekige vorm van een casinobrood, bleef dus achter iedere stoelpoot steken, had die vage kleur beige die je ook bij Trabanten en andere producten uit de (post-)communistische industrie tegenkwam en zoog voor geen meter. Maar goed, het weekendhuisje waar die stofzuiger voor bedoeld was, moest het er maar mee doen.
Toen in 1998 onze gewone stofzuiger, ooit in Nederland gekocht, na weet ik veel hoeveel jaar trouwe dienst toch wat in kwaliteit begon na te laten, ging die naar het weekendhuis, want hij zoog nog altijd beter dan de Tsjech.
Er kwam een nieuwe stofzuiger, vrolijk modern rood en met een prettige vormgeving waarmee hij makkelijk langs stoelpoten gleed. Wederom geen Hongaars product, maar ditmaal een Duits, dat ook nog claimde ekologisch te zijn, wat dat bij een stofzuiger ook moge betekenen. Hij zoog naar tevredenheid, al hadden we iedere keer wel moeite de stofzuigerzakken te vinden, want voorraadbeheer was - en is - een probleem voor de meeste winkels, zodat de zakken regelmatig op zijn.
De Duitser doet nog steeds dienst, maar door omstandigheden hebben we onlangs een tweede stofzuiger gekocht, ontworpen in Nederland, gefabriceerd in China, ik laat het aan uzelf over om te bedenken welk merk. Het was de duurste stofzuiger uit de winkel, en ik vond het een supermodern ding. Hij zuigt beter dan alle stofzuigers die we ooit eerder hadden, en zachter ook. Een topproduct, dacht ik.
Tot ik een recente Consumentengids zag met een onderzoek naar stofzuigers. De onze staat er ook bij. In Nederland kost hij pakweg net zoveel als in Hongarije, maar de duurste is hij zeker niet. Eerder een van de goedkoopste, en qua prestaties valt hij in de middenmoot.
Het is niet voor het eerst dat ik dat meemaak. Wat in Hongarije tot het duurste marktsegment behoort, is in Nederland meestal een goedkoper product. De goedkoopste producten in Hongaarse winkels tref je op de Nederlandse markt niet eens aan. En niet voor niets, want meestal stellen die echt weinig voor.
Er is één EU, maar nog steeds produceren fabrikanten voor twee markten: de koopkrachtige West-Europese, en de veel minder koopkrachtige Centraal-Europese. Toen ik laatst een nieuwe wasmachine kocht, wilde ik een Nederlandse, of Engelse gebruiksaanwijzing downloaden op het internet, want wat bijgeleverd was, was Hongaars, Tsjechisch, Pools, Slowaaks, Roemeens, Kroatisch, Grieks en Turks. Of iets dergelijks. Nou kom ik ook wel uit de Hongaarse handleiding, maar Nederlands is toch nog steeds makkelijker.
Aanvankelijk leek dat geen probleem. Ik vond de wasmachine die ik zocht, dacht ik. Het typenummer dat vermeld was, week iets af, maar ik ging ervanuit dat het pakweg op hetzelfde neer zou komen.
Maar toen ik de gebruiksaanwijzing beter bekeek, bleken de verschillen toch groter dan ik dacht. Het Nederlandse type was voorzien van een digitaal display en allerlei electronica, de Centraal-Europese variant moest het zonder doen. Dat verklaarde meteen waarom mijn model enkele honderden euro's goedkoper was geweest dan zijn Nederlandse broertje. En de enige gebruiksaanwijzingen die ik voor mijn machine vond, waren allemaal in talen van landen met een minder koopkrachtige markt.
Klaag ik? Zeker niet. De apparaten die tegenwoordig op de markt zijn, zijn over het algemeen onvergelijkbaar veel beter dan wat er twintig jaar geleden in Hongarije te krijgen was. Een Hongaars gastoestel dat ik samen met mijn Tsjechische stofzuiger kocht, kon voor mijn gevoel eigenlijk meteen bij de vuilnis: zodra je de oven gebruikte, zetten de knoppen zodanig uit dat je het gas niet meer uit kon draaien. En de oven brandde zeer onregelmatig en werd gloeiend heet, een probleem dat veel Hongaren oplosten door een paar dakpannen op de bodemplaat te leggen. Daardoor verdeelde de hitte beter.
We zijn dus vooruitgegaan, maar het blijft een tweederangs markt, waar het aanbod nog steeds kleiner is dan in West-Europa. Vandaar dat ik me, twintig jaar na dato, nog steeds erop betrap dat ik bij ieder bezoek in Nederland naast kaas, drop en stroopwafels een hele boodschappenlijst aan andere dingen insla. Maar laat iemand me nou verteld hebben dat ze in Hongarije tegenwoordig óók electrische vliegenmeppers hebben...

woensdag 10 juni 2009

EEN VAT VOL TEGENSTRIJDIGHEDEN

Mensenrechtenactiviste en voorvechtster voor vrouwenrechten. Nationaliste en antiglobaliste. Hoogleraar strafrecht Krisztina Morvai, lijsttrekster van de Hongaarse extreemrechtse Jobbik die zondag bij de EU-verkiezingen uit het niets haast 15 procent van de stemmen binnenhaalde, is moeilijk onder één noemer te vangen. Ze schreef ooit een baanbrekend boek over vrouwenmishandeling in Hongarije. Ze won de Freddy Mercury-prijs voor haar inzet tegen discriminatie van mensen met HIV en AIDS. En nu maakt ze zich sterk om te voorkomen dat Hongarije een nieuw Palestina wordt.

Antisemitisch? Niet als je Morvai moet geloven. Die beschuldiging is goed voor zéér stekelige reacties. Palestina is gewoon een goede vergelijking omdat iedereen dat land kent. ,,De Palestijnen werden ook gedwongen hun land af te staan.’’ Net als de Hongaren nu, vindt Morvai. Zei Simon Peres onlangs niet zelf dat de Israëli’s Manhattan, Polen en Hongarije opkopen? Over een recente email waarin ze een Amerikaanse jood adviseerde om met zijn besneden piemel te gaan spelen, wil ze het niet hebben. Dat was privécorrespondentie en het is schandalig dat die in de openbaarheid kwam.

Ooit was Morvai juriste bij het Europese Hof voor Mensenrechten. Tot 2006 werkte ze bij de CEDAW, de VN-conventie voor eliminatie van alle vormen van discriminatie. Nu steunt ze de Hongaarse Garde, de door de Jobbik opgerichte extreemrechtse geüniformeerde militie die in mei demonstreerde tegen de ‘Holocaustleugen’ en regelmatig door Roma-wijken marcheert en protesteert tegen ‘zigeunermisdaad’.
Morvai vergelijkt de toestand van Hongarije met Zuid-Amerika: een kleine elite die achter hoge hekken woont, zwaar beveiligd door gewapende bewakingsbedrijven, en een groot deel van de bevolking die in bittere armoede leeft en blootgesteld is aan niets ontziende criminelen. En die criminelen zijn volgens de Jobbik vrijwel allemaal van zigeunerafkomst.

Tegenover buitenlandse journalisten noemt Morvai zigeuners evenzeer slachtoffers als daders. Ze heeft oprechte compassie met zigeunermeisjes die als slachtoffers van mensenhandelaars in West-Europa in de prostitutie terechtkomen, en ze zegt groot belang te hechten aan onderwijs voor Roma-kinderen, zodat die de fouten van hun ouders niet hoeven te herhalen. Maar haar oplossing van dat probleem is veelzeggend: in een open brief riep ze joodse scholen in Boedapest op hun deuren te openen voor zigeunerkinderen van het platteland ,,opdat ze elkanders cultuur, gebruiken en gewoonten kunnen leren kennen.”

De Hongaarse Garde omschrijft ze als beschermers van de Hongaarse waardigheid en als verdediging van vreedzame demonstraties tegen de ,,door de dictatuur gestuurde politie.” Bij de herdenking van de Hongaarse opstand in oktober 2006 kwam Morvai met twee van haar drie dochtertjes in een rel terecht, waarbij de politie met traangas en rubberkogels op de menigte inschoot. Ze moest uiteindelijk een portiek invluchten om haar kinderen in veiligheid te brengen.

Het is een gebeurtenis die haar leven heeft bepaald, want sinds die dag zet ze zich in voor de mensenrechten van Hongaren, die volgens haar in eigen land worden verdrukt en worden uitverkocht aan de multinationals. Eerst voerde ze een kruistocht tegen de agenten die verantwoordelijk waren voor het politiegeweld. Let wel, demonstranten pikten die dag een tentoongestelde tank en reden daarmee richting politie, misschien mede een verklaring voor het paniekerige optreden van de voor relbestrijding totaal niet opgeleide agenten.
Hongarije voor de Hongaren was Jobbik’s slogan bij de EU-verkiezingen inging. Dat betekent voor Morvai: een blijvend verbod op de verkoop van landbouwgrond aan buitenlanders. Inperking, of zelfs nationalisering van buitenlandse bedrijven in Hongarije. Een einde aan de globalisering en de dictatuur van de multinationals in Hongarije, die zij verantwoordelijk stelt voor de derde wereld armoede waarin volgens haar een groot deel van de Hongaarse bevolking leeft.

vrijdag 29 mei 2009

EUROPESE CAMPAGNE ZONDER EUROPA

"Verkiezingen, wat voor verkiezingen?" Szandra kijkt me stomverbaasd aan. Ze weet van niets. Ik zie op een lantarenpaal een Fideszaffiche en stop. Nee, die affiches waren haar eerder niet opgevallen. Maar op mijn vraag of ze nu weet waarom ze 7 juni week naar de stembus zou moeten, schudt ze haar hoofd. Geen wonder, want dat het bij deze verkiezingen om het EU-parlement gaat, staat nergens.
De EU-verkiezingscampagne in Hongarije stelt weinig voor, en wat er aan campagne wordt gevoerd, gaat niet of nauwelijks om Europa. Het Europese parlement is zó onbelangrijk als campagnethema, dat de rechtse oppositie niet eens de schijnt ophoudt dat het ze daar om gaat. De conservatieve oppositiepartij Fidesz behandelt de verkiezingen als een referendum over de vraag of er vervroegde parlementsverkiezingen moeten komen. 'Genoeg’ staat er met koeienletters op hun affiches, en 'stem' en daaronder: ‘een nieuwe richting’. Meer niet. O ja, de datum.
Volgens opiniepeilingen steunt ruim 60 procent van de kiezers de oppositiepartij en Fidesz-leider Viktor Orbán praat maar over één ding: dat 7 juni zal bewijzen dat deze regering geen steun heeft en dat daarom kort daarna parlementsverkiezingen moeten plaatsvinden. Hij zegt daarmee natuurlijk weinig nieuws. Er zijn geen Europese verkiezingen nodig om te weten dat deze regering op weinig steun kan rekenen. En Viktor Orbán zegt al sinds de verkiezingen die hij in 2006 verloor, dat de regering niet legitiem is en er nieuwe verkiezingen nodig zijn.
De ijverigste plakkers is overigens de extreemrechtse Jobbik. Zij gebruiken de campagne uitsluitend om meer naamsbekendheid te krijgen. Klaarblijkelijk heeft 35 procent van de Hongaren nog nooit van ze gehoord. Weliswaar prijkt op hun posters hun kandidate voor het Europese parlement, maar het schijnt niet echt de bedoeling te zijn dat mensen daarop gaan stemmen, want ook Jobbik vermeldt niet dat het om Europese verkiezingen gaat. Sterker nog, Jobbik vermeldt helemaal niet dat het om verkiezingen gaat. Ze noemen zelfs de datum niet.
Maar een campagneslagzin hebben ze wel: “Hongarije voor de Hongaren”. Jobbik heeft weinig op met zigeuners, joden, buitenlanders of buitenlandse investeerders. Hun kandidate Krisztina Morvai, een voormalige mensenrechtenactiviste die mensenrechten tegenwoordig zeer eenzijdig opvat, lijkt op het punt van die buitenlandse bedrijven soms een vastgelopen plaat.
Als je haar moet geloven, zou Hongarije het gelukkigste worden zonder buitenlandse investeerders en met een economie die zoveel mogelijk zelfvoorzienend is. Om te zien hoe dat uitpakt, hoef je geen helderziende te zijn, want zo'n beleid hebben economische geniën als de vroegere Roemeense communistische leider Nicolae Ceausescu en diens Albanese collega Enver Hoxha ook al eens uitgeprobeerd. Daar werden de Roemenen en de Albanezen érg blij van.
Dat de partij de EU, waar veel van de in Hongarije aanwezige buitenlandse bedrijven vandaan komen, niet vermeldt, is dus niet zo vreemd. Toch maakt Jobbik volgens de peilingen wel kans op een zetel in het Europese parlement. Dan kunnen ze gezellig met de PVV in een fractie gaan zitten, en met al die andere partijen die het Europese parlement vooral als een platform zien om hun eigen nationalisme te etaleren.

vrijdag 22 mei 2009

TOMATENSLA? NINCS!

Nincs! Dat was het eerste woord dat ik leerde toen ik in 1989 voor het eerst in Hongarije kwam. Ik was net benoemd tot correspondent Centraal-Europa. We zouden pas maanden later verhuizen, maar omdat we niets wisten van het land waar we gingen wonen, wilden we onze vakantie gebruiken voor een kennismaking. Het was de zomer voor de val van het IJzeren Gordijn. De verandering hing in de lucht, maar niemand besefte dat het enkele maanden later gedaan zou zijn met het communistische systeem.
Hongarije was geen land van echte schaarste, zoals veel andere Oostbloklanden. Alle eerste levensbehoeften, inclusief wc-papier en koffie waren makkelijk te krijgen, al was de kwaliteit vaak minder en de keuze beperkter dan wij gewend waren. Als het aardbeidentijd was, waren die in grote bergen te koop, de slager had vlees en worst. Maar ook zonder echte schaarste kreeg je regelmatig te horen dat iets er niet was.

Planeconomie

We ontdekten al snel dat je beter meteen kon vragen wat een restaurant echt in de aanbieding had, inplaats van watertandend het menu, meestal een pagina's lang boekwerk, door te neuzen om vervolgens te ontdekken dat tachtig procent niet verkrijgbaar was. Aan verse, en dus bederfelijke producten hadden restauranthouders duidelijk een broertje dood: zelfs al lagen de tomaten hoog opgetast bij de groenteman aan de overkant, een verse tomatensla stond vaak wel op de kaart, maar was meestal ‘nincs’.
Een planeconomie is een lastig ding. De bekende communistische schaarste was echt niet alleen kwaadwillendheid. Je zou maar die bureaucraat wezen die ergens aan een bureau in Boedapest moest bedenken dat ze in Szeged bh’s nodig hadden, in Győr wc-papier en in Biatorbágy fietsen. Winkels waren staatseigendom en de beheerder verdiende gewoon een salaris, of hij zijn voorraadbeheer nou op orde had of niet. In dat licht bezien is het nog een wonder dat de meeste zaken meestal wel verkrijgbaar waren.
Keuze was er niet, maar dat is logisch: zo’n bureaucraat kon zich toch niet met frivoliteiten als modieus ondergoed bezighouden? Wie modieuzere kleding wilde, ging naar Joegoslavië, dé plek voor echte spijkerbroeken en de nieuwste langspeelplaten. Toen begin 1990 de eerste Westerse lingeriewinkel naar Boedapest kwam, stonden de kopers de eerste maanden tot om de hoek te wachten op hun kans op een kanten bh. Zo ook bij de Adidas-winkel op de Váci utca en bij de eerste McDonald’s, waar je vier jongeren rond één beker Cola zag zitten.

Telefoon

Toen we eenmaal verhuisd waren, ontdekten we al snel dat er ook zaken bestonden waaraan wél een permanent tekort was: telefoonlijnen bijvoorbeeld. Dorpen hadden helemaal geen telefoon, op een vooroorlogs slingertoestel bij de burgemeester na. Dat was verbonden met een telefooncentrale waar telefonistes de verbinding tot stand brachten met behulp van ingewikkelde schakelborden en stekkers die in Nederland al lang in het museum stonden. Dorpsbewoners konden alleen in noodgevallen van dat toestel gebruik maken. Telefoons waren overigens niet het enige dat ontbrak in de meeste dorpen. Het communisme had iedereen electriciteit gebracht, maar was er in pakweg veertig jaar niet in geslaagd het platteland van stromend water, gas, riolering of verharde straten te voorzien.
Ook in Boedapest was het gewoon dat je jarenlang op de wachtlijst stond voor je eindelijk een telefoonaansluiting kreeg. En dan moest je je lijn delen met iemand anders. Als die ander belde, kon jij niet bellen. Om ruzies daarover te voorkomen, wisten mensen meestal niet met wie ze hun lijn deelden. Vanwege de schaarste aan telefoonaansluitingen bracht een flat met telefoon aanzienlijk meer op dan een flat zonder.
De algemene schaartste aan voorzieningen en goederen maakte het buitengewoon verleidelijk om dingen 'te regelen'. Als je een kennis van een kennis had die je aan een snellere aansluiting kon helpen, of aan moeilijk verkrijgbare auto-onderdelen, bouwmateriaal of een gespecialiseerde medische behandeling, dan zou je toch gek zijn om niét in te gaan op zo'n aanbod. Maar voor wat hoorde natuurlijk wel wat. Dat was meestal geen geld, maar het regelen van een of andere tegendienst. Geen mens die dat als corruptie zag. Maar dat was het natuurlijk wel.
We woonden in een appartement in een oude villa in het twaalfde district. Het pand was ooit eigendom geweest van een juweliersfamilie die in 1948 de hete adem van het communisme in de nek had gevoeld en de benen genomen had toen het nog kon. De staat had de genationaliseerde villa opgedeeld in vijf woningen en verhuurd aan families die van het platteland naar de stad waren gekomen.Wij konden het uitstekend vinden met onze buren, maar onderling waren de verhoudingen een stuk minder vriendelijk. De buurman onder ons zei dat de buurman rechts van ons onder het communisme bij de politie had gewerkt, terwijl de buurman rechts onze benedenbuurman ervan beschuldigde een informant van de geheime dienst te zijn geweest.
Beroepsmatig waren het geweldige tijden voor journalisten. We reisden van Polen tot Albanië. We spraken met mensen als Lech Walesa, leider van het anticommunistische verzet in Polen, maar ook met Todor Zsivkov, de inmiddels ziekelijke communistische ex-dictator. We ontmoetten een mallotige psychiater in Bosnië genaamd Radovan Karadzic die enkele maanden later helaas probeerde waar te maken wat hij ons toen al vertelde: namelijk dat heel Bosnië eigenlijk Servisch grondgebied was.

Liberaal

In Hongarije spraken we ondermeer met een jonge, veelbelovende liberale politicus, wiens partij Fidesz zich in 1992 aansloot bij de Liberale Internationale. Viktor Orbán had internationale bekendheid verworven toen hij in juni 1989 tijdens de herbegrafenis van Imre Nagy (leider van de Hongaarse opstand van 1956) opriep tot vrije verkiezingen en terugtrekking van de Russische troepen uit Hongarije. De jonge liberaal, die later een deel van zijn kinderen gereformeerd en een deel katholiek zou laten dopen, was destijds een van de meest antikerkelijke politici van het land. Zijn partij stemde bijvoorbeeld tegen de teruggave van kerkelijke bezittingen.
Net als andere Centraal-Europeanen waren de Hongaren in die dagen optimistisch gestemd. De verwachtingen waren hooggespannen. Iedereen keek naar Duitsland en Nederland en hoopte binnen luttele jaren ook zo te leven. Die verwachting maakte het voor mensen ook makkelijker om de moeilijke tijden waarmee ze zich geconfronteerd zagen, te accepteren. Want de val van het communisme bracht zeker niet alleen bevrijding.
De Hongaarse staatsindustrie kon niet op tegen de westerse concurrentie. De zwaar verouderde bedrijven leverden producten van veel mindere kwaliteit dan de westerse import. De arbeidsomstandigheden waren vaak slecht en van milieu hadden de bedrijven nog nooit gehoord. Op onze eerste rondreis door het land kampeerden we in Matazalka, waar onze tent iedere ochtend bedekt was met een witte laag vlokkige as die in dikke wolken door een lokale fabriek werd uitgebraakt. Onze werkster zou ons later vertellen van de tijd dat zij in een fabriek werkte, in een hal waar de temperatuur regelmatig boven de veertig graden was omdat ventilatie geheel ontbrak.
De leider van het christendemocratische MDF en eerste niet-communistische premier, József Antall, besloot tot gedurfde oplossingen voor deze problemen. Hij stemde in met de grootscheepse privatisatie van de staatsindustrieën. Veel van de verkochte bedrijven werden buitenlands eigendom, en het eerste dat de nieuwe eigenaren deden, was reorganiseren. Duizenden verloren hun werk, maar Antall's beleid zorgde er wel voor dat Hongarije het meest gewilde land van Centraal-Europa werd voor investeerders, en die investeerders brachten ook weer nieuwe banen.

Welvarender

Het leidt geen twijfel dat Hongarije twintig jaar later welvarender en schoner is dan destijds. Maar het leidt ook geen twijfel dat veel van de hoop en verwachting van toen niet is uitgekomen. Hongaren zijn nog lang niet zo rijk als Duitsers of Nederlanders. Maar wat misschien nog meer steekt, is dat sommigen wél zo rijk zijn, en anderen niet.
Natuurlijk waren er onder het communisme ook inkomstenverschillen, maar die waren veel kleiner. En bovendien: in een land waar weinig keuze aan producten is, kan de een de ander niet de ogen uitsteken met een auto van 100.000 euro of een Armanipak. Het is niet zo dat Hongaren twintig jaar geleden wel van hun inkomen konden rondkomen en nu niet. De salarissen waren zo laag dat het heel gewoon was om meerdere baantjes te hebben of als gepensioneerde te werken. In de musea werkten gepensioneerde vrouwen als suppoost of toiletjuffrouw, electriciens klusten 's avonds bij (met het gereedschap van hun baas) en onderwijzers verdienden extra met bijlessen. Maar dat gold destijds voor bijna iedereen, en dat is het grote verschil.

donderdag 7 mei 2009

WETENSCHAPPERS

Wetenschappers in Hongarije verdienen voor West-Europese begrippen niet uitzonderlijk goed. De 250 volledige leden van de Hongaarse Academie voor Wetenschappen, de creme de la creme van de Hongaarse wetenschap zogezegd, moeten het doen met een salaris van 455.ooo forint per maand, ruim 1600 euro. De 75 corresponderende leden krijgen nog minder: 354.ooo forint per maand. Dat is niet veel, maar het staat wel in verhouding tot de salarissen van de rest van de bevolking, die ook weinig verdient voor West-Europese begrippen. Daarnaast krijgt ieder lid maandelijks nog 90.000 forint 'eergeld'.
Te weinig, zeggen sommigen, want het gevaar is groot dat Hongaarse wetenschappers naar beter betalende posten in het buitenland vertrekken. Maar het is de grote vraag hoe groot dat gevaar is, en of het salaris daarbij de doorslaggevende rol speelt, althans waar het om de leden van de Academie gaat. Een groot deel van hen heeft vermoedelijk geen enkele behoefte om naar het buitenland te vertrekken. De gemiddelde leeftijd van de MTA-leden is 56,1 jaar (dat is al ruim twee jaar minder dan in 1998, toen het gezelschap nog veel vergrijsder was). Van de vaste leden zijn er slechts 18 onder de zestig jaar, en 74 boven de 80. Dat die staan te trappelen om hun koffers te pakken en naar Harvard te vertrekken, lijkt onwaarschijnlijk.
De betaling mag niet top zijn, maar daar staat wel tegenover dat als je eenmaal lid van de Academie bent, je voor je rest van je leven onder de pannen bent. Een deel van de heren (er zullen ook wel dames tussen zitten, maar ik ben ze nog niet tegengekomen) publiceert nooit meer iets en geeft ook geen les. Kortom, Hongarije spendeert een aardig deel van zijn wetenschappelijke budget aan een regeling die in een aantal gevallen simpelweg niet meer is dan een fraaie pensioensvoorziening.
Dat zou op zich niet zo erg zijn, als het niet meteen betekende dat er van doorstroming dus geen sprake is. In Nederland gaat een hoogleraar met emiraat en maakt plaats vrij voor een nieuwe man. Zo'n systeem bestaat in Hongarije niet. Dat lijkt me een minstens even belangrijke motivatie voor een wetenschapper om naar het buitenland te vertrekken: het feit dat de topregionen van de Hongaarse academische wereld verstopt zit met oude heren die hun opleiding nog in de communistische tijd hebben gehad en die pre-communistische opvattingen hebben over hun eigen positie in het stelsel.
De academische vernieuwing die in de jaren zeventig door veel Westerse universiteiten raasde, heeft Hongarije (en de rest van het voormalige Oostblok) geheel gepasseerd. Een professor is in Hongarije nog een echte autoriteit. Geen student zou het in zijn hoofd halen de professor met de voornaam aan te spreken. Die spreek je aan met Meneer de Professor en met ön, de beleefdere van de twee vormen van U die de Hongaarse taal telt. Die spreek je niet tegen en je gaat geen debat met hem aan.
Er is in het verleden wel eens gesuggereerd om in ieder geval de uitbetaling van het eergeld in toekomst te koppelen aan een jaarlijkse proeve van bekwaamheid, bijvoorbeeld in de vorm van een publicatie. Maar, zoals de Hongaarse wetenschapshistoricus Gábor Palló aanvoert, dat heeft eigenlijk geen zin, zolang niet het hele financieringssysteem wordt omgebouwd. Maar daarvoor bestaat onder leidinggevende academici om begrijpelijke redenen niet zoveel animo.

dinsdag 5 mei 2009

KRUIMELDIEFSTAL

Hongaren klagen steen en been over de corrupte regering en corrupte ambtenaren, maar het bedrijfsleven lijdt natuurlijk even zeer onder het probleem. Een kennis van ons die voor zijn bedrijf orders binnen moet halen, klaagde onlangs dat het onmogelijk is opdrachten van klanten te krijgen zonder dat je steekgeld betaalt aan het middenmanagment.
Dat is niet alleen voor hem en zijn baas, maar ook voor de betreffende bedrijven een slechte zaak: corrupte managers kijken niet waar ze de beste diensten of de beste prijs kunnen vinden, maar waar voor henzelf de vetste commissie te halen valt. Onze kennis maakte zich behoorlijk kwaad over die praktijken, die het voor kleine bedrijven moeilijk maken om te overleven.
Even later ging het gesprek over iets heel anders: het openbaar vervoer en de bus. Omdat hij buiten de stad woont, neemt hij regelmatig de bus naar Budapest. Een buskaartje kost 700 forint (€ 2,40) maar dat betaalt hij nooit. In plaats daarvan geeft hij de buschauffeur 200 forint. In ruil daarvoor krijgt hij een kaartje dat hij bij het verlaten van de bus weer inlevert, zodat de volgende er gebruik van kan maken. Af en toe vinden er op de bussen controles plaats, vandaar.
Een kruimeldiefstalletje, een gevalletje van minicorruptie. Of niet? Ik ben eens aan het rekenen geslagen. Stel dat die buschauffeur op iedere rit die hij maakt, vijf van zulke transacties doet. Dan steekt hij per rit vijf keer 200 forint, ofwel 100 forint, in eigen zak. Gelijktijdig boort hij zijn baas, de Volan busmaatschappij, per rit 5 keer 700 forint, 3500 forint (€12,30) door de neus aan niet verkochte kaartjes.
Als een chauffeur vier ritten op een dag maakt, verdient hij iedere dag zelf 4000 forint en verliest Volan in het totaal 15000 forint. Dat is op maandbasis pakweg 20 keer 15000, oftewel 300.000 forint, op jaarbasis 3.600.000 forint, zo'n 12.650 euro. Zelf krijgt de chauffeur met zijn 'kleine bedrog' iedere maand 80.000 forint schoon in het handje bovenop zijn gewone maandsalaris. omgerekend op jaarbasis pakweg 3370 euro.
Dat is geen kruimeldiefstal meer te noemen. Mijn kennis zal er niet bij stilstaan dat het uiteindelijk om zulke bedragen gaat, maar de buschauffeur weet wel degelijk waarom hij dagelijks het risico neemt. Het loont. Als reden zal hij zonder enige twijfel aanvoeren dat hij wel moet, omdat zijn salaris zo laag is. Maar als hij gewoon netjes kaartjes zou verkopen, en als alle Volan-chauffeurs gewoon netjes kaartjes zouden verkopen, zou het bedrijf letterlijk miljarden forinten meer verdienen. Dan zou het waarschijnlijk ook het geld hebben om zijn chauffeurs beter te betalen.
Ongetwijfeld zal die chauffeur, net als mijn kennis, kankeren op de corrupte politici die het land naar de donder helpen. Natuurlijk horen politici het goede voorbeeld te geven, want als ze aan de top corrupt zijn, ziet Pista met de Pet geen reden om dat niet te zijn.
Maar het omgekeerde is ook waar. Als alle kleine Bences en Janosjes opgroeien met vaders die geen kwaad zien in het niet betalen of het in je eigen zak steken van buskaartjes, is het geen wonder dat ze straks als middenmanager, als arts in een ziekenhuis die dankbaarheidsgeld in zijn zak steekt of als minister ook hun kans grijpen. Dat dat hun goed recht is, hebben ze immers van jongsaf geleerd. Niet van de grote politiek, maar gewoon van papa en mamma.

zaterdag 2 mei 2009

PRIKKELDRAAD



Gyuri bácsi, Oom Gyuri, haalt een stuk prikkeldraad uit de schuur: een kleine herinnering aan 2 mei 1989, de dag dat soldaten bij het Hongaarse grensdorpje Hegyeshalom het eerste gat in het IJzeren Gordijn knipten. Het was meer dan een half jaar voor de val van de Berlijnse Muur, de Tsjechische Fluwelen Revolutie en de opstand tegen de Roemeense dictator Ceausescu en niemand realiseerde het zich, maar er werd stilletjes geschiedenis geschreven bij het Hongaarse grensdorp. Het wegknippen van het prikkeldraad langs de Hongaarse grens bleek uiteindelijk het begin van het einde voor het communisme in Europa.
Daar had de Hongaarse communistische regering zeker niet bij stilgestaan toen ze enkele maanden eerder besloot om het Hongaarse deel van het IJzeren Gordijn te ontmantelen. De Hongaren waren hervormingsgezind, maar het systeem helemaal opdoeken was niet hun bedoeling.
De zwaarbewaakte grens was simpelweg overbodig geworden, aangezien Hongaarse burgers inmiddels een paspoort konden aanvragen om naar het Westen te reizen. Pas in juni drong de symbolische waarde van hun daad tot de regering door. Toen zou minister van buitenlandse zaken Gyula Horn, omringd door journalisten en fotografen, het IJzeren Gordijn alsnog officieel doorknippen. Om andere Oostbloklanden gerust te stellen, zeiden de Hongaren toe dat burgers daarvandaan alleen met geldige papieren de grens overgelaten zouden worden.
Het zou anders lopen. In de loop van de zomer sloegen duizenden DDR-burgers hun tenten in Hongarije. Ze hoopten de Hongaarse autoriteiten te kunnen vermurwen en ze kregen hun zin. Op 19 augustus weigerden Hongaarse grenswachten te schieten op enkele honderden Oost-Duitsers die tijdens een vredesdemonstratie de grens overtrokken. Vanaf dat moment liet Boedapest alle DDR-burgers gaan.
Maar op 2 mei 1989 leek het doorknippen van het prikkeldraad nog niet meer dan een formaliteit, al had de gebeurtenis meteen grote invloed op het leven van de inwoners van Hegyeshalom. Net als andere grensplaatsen was het dorp alleen toegankelijk voor de inwoners, vertelt de gepensioneerde boer Gyuri. Wie gasten wilde ontvangen, moest een speciale vergunning aanvragen. Logés uitnodigen er helemaal niet bij.
,,Zo’n aanvraag kostte twee dagen en werd soms gewoon geweigerd,” zegt zijn vrouw. Zelf reizen was ook lastig. ,Zij werkte verderop, in Mosonmagyarovár. ,,Iedere dag als ik met de trein thuiskwam, werd ik door soldaten gecontroleerd. Wie geen speciale stempel in zijn persoonsbewijs had, werd van de trein gehaald en teruggestuurd. Als je hier woonde, was het echt moeilijk om contacten buiten het dorp te onderhouden.”
Net voorbij het dorp begon de vijfhonderd meter brede grenszone: een hoog prikkeldraadhek met doorgangen waar soldaten stonden, daarna een strook landbouwgrond, eigendom van de lokale staatsboerderij, waar je alleen mocht komen met speciale vergunning en op het laatst een brede, kale strook land. Wie daar een voet op zette, werd als overloper beschouwd en gearresteerd of ter plekke doodgeschoten. Achter de kale strook kwam er weer een prikkeldraadhek met wachttorens. En daarachter begon de vrijheid.
Twintig jaar na dato heeft de vreugde over de afbraak van het prikkeldraad bij het echtpaar plaatsgemaakt voor gemengdere gevoelens. Van hun hooggespannen verwachtingen van toen is minder terecht gekomen dan ze hoopten. De vrijheid is mooi, en het is ook fantastisch dat hun kleinzoon nu in Oostenrijk naar een kleuterschool kan en zo meteen twee talen leert. Maar daar staan nadelen tegenover.
,,Criminaliteit bestond hier niet voordat het IJzeren Gordijn werd afgebroken,” zegt Gyuri's vrouw, ,,Dat was natuurlijk het voordeel van het feit dat vreemden het dorp niet zomaar in mochten. Nu heb je allerlei volk langs de straat, venters die met een smoes je huis binnen dringen, inbrekers." Ze hebben ook hun twijfels over alle buitenlanders die in het dorp huizen hebben gekocht, vooral over de Slowaken die de laatste tijd naar Hongarije verhuizen. ,,Die doen geen enkele moeite om te integreren. Onze Slowaakse buurvrouw spreekt geen woord Hongaars en zegt nooit iets tegen ons.”
Er zoveel beter is hun leven niet geworden, vinden ze. ,,Natuurlijk, er zijn wel dingen veranderd,” erkennen ze, ,,We kunnen reizen, gasten ontvangen en met iedereen praten. Maar we zijn nog steeds arm. We hebben ons hele leven pensioen betaald, maar nu gaan ze daarin korten. Soms denk ik dat ik mijn hele leven, in 1953 na de dood van Stalin, in 1956 na de Hongaarse revolutie, in 1989 na de val van het IJzeren Gordijn, heb gehoopt dat het leven morgen beter wordt. Maar dat is nooit gebeurd.”

donderdag 30 april 2009

ZWAKKE FORINT BIEDT OOK KANSEN

,,Hongarije is een stuk goedkoper geworden dankzij de zwakke forint. Je ziet dan ook een toenemend aantal buitenlandse investeerders die versneld zelf iets opzetten of bepaalde werkzaamheden in Hongarije uitbesteden,” zegt Ilona Jankovich, bestuurslid van de Nederlands-Hongaarse Kamer van Koophandel en directeur van ProfiPower, een van de toonaangevende rekruteringsbedrijven in Hongarije.
Maar er zijn ook grote problemen, constateert ze. De Hongaarse politieke situatie blijft instabiel en dat schept geen vertrouwen. De Hongaarse industrie is sterk op export gericht en daardoor zwaar getroffen door de crisis. De industriële productie was maart dit jaar ruim 25 procent lager dan in maart 2008.
Tot voor kort was Hongarije vanwege zijn hoge belastingen een van de duurdere landen in de regio. Buurman Slowakije dat een vlakke belasting kent, was goedkoper en aantrekkelijker voor investeerders. Maar de koersval van forint heeft die verschillen rechtgetrokken.
Sinds oktober tuimelde de Hongaarse munt van 250 naar zo’n 300 forint per euro, eerst als gevolg van geruchten dat de Hongaarse economie de IJslandse achternaging, daarna simpelweg omdat de munt de koersval van andere opkomende markten volgde.
Die ontwikkeling heeft twee kanten. Import is duur geworden en grondstoffen ook. Maar een deel van de toeristische sector profiteert. Terwijl vijf sterren hotels in Boedapest met leegstand kampen omdat zakenlieden wegblijven, lopen de zomerboekingen rond het Balatonmeer prima, aldus Andrea Santori, toerismespecialist van KPMG. Ook is er grote belangstelling voor onroerend goed rond het meer. Kleinere hotels die in het verleden problemen hadden, hebben hun klandizie juist zien toenemen.
Voor autofabrikant Suzuki, die in Esztergom kleine auto’s voor de Europese markt, is de zwakke forint ook goed nieuws. Samen met Europese wrakkenregelingen, vooral in Duitsland, zorgde de zwakke munt ervoor dat het bedrijf zijn productie op peil kon houden. ,,Onze export is de afgelopen maanden licht omhoog gegaan en we hebben geen maatregelen zoals arbeidstijdverkorting hoeven te nemen. 95 procent van onze auto’s wordt geëxporteerd,” aldus Suzuki-woordvoerster Viktoria Ruska.
Er zijn in Hongarije tot nu toe zo’n 30.000 banen verloren gegaan. Maar gelijktijdig zijn er zo’n 12.000 banen bijgekomen. Nieuwe regionale servicecentra en outsourcing spelen daarbij een belangrijke rol. In maart kondigde oliegigant BP de opening aan van een regionaal servicecentrum in Boedapest, al met al 1000 banen. IBM wil zijn servicecentrum in Szekésfehérvár met 290 mensen uitbreiden. Verder overwegen bedrijven als Christian Dior, 3M en Alstrom de opening servicecentra in Hongarije.
Dat betekent wel banenverlies elders, en dat wordt investeerders thuis niet altijd in dank afgenomen. Zo oefent de Duitse regering grote pressie uit op Mercedes om af te zien van de bouw van een nieuwe autofabriek in Kecskemét, een investering die 2500 arbeidsplaatsen moet opleveren. Het bedrijf zou in plaats daarvan een Opelfabriek in het Duitse Eisenach moeten overnemen.
Mercedes zegt tot nu toe echter vast te houden aan de Hongaarse investering, al is de start van de bouwwerkzaamheden om financieringsredenen uitgesteld. Het bedrijf heeft helemaal geen behoefte aan een kant- en klare autofabriek, omdat de start van de productie pas over enkele jaren is gepland. Dat zou betekenen dat de fabriek in Eisenach tot die tijd niets staat te doen. Hongarije is ook een logischere keuze voor een nieuwe fabriek dan Duitsland, constateerde het Duitse Handelsblatt onlangs: ,,Lagere lonen, minder vakanties, langere werktijden, dat lokt de grote autobedrijven.” Jankovich vindt Hongarije ook om andere redenen een begrijpelijke keuze: ,,Dit zijn ook tijden die kansen scheppen, en ik denk dat die kansen in deze regio groter zijn dan in West-Europa.”

zondag 19 april 2009

ZIGEUNERCRIMINELEN

Schokkend nieuws: zigeunercriminelen die een 84-jarige vrouw in elkaar slaan en beroven. Althans, dat beweert Hungarian Ambiance, een weblog van Hongaars extreem-rechts. Kortom, een bericht om met een korreltje zout te nemen. Of beter, met een kilootje zout, als je verder leest.
In het verhaal wordt de oude dame, die blijkens de bijgaande foto's inderdaad aardig is toegetakeld, geciteerd. De daders drongen rond middernacht haar huis binnen met een zaklantaren. ,,Ik werd bang toen ik het licht zag, maar ik kon niet zien wie de mensen waren. Ik kon niet zien hoeveel het er waren of wat voor kleren ze droegen. Ik hoorde hun stemmen niet en ik weet niet hoe lang ze me geslagen hebben."
Het is afschuwelijk wat haar overkomen is, je moet er niet aan denken dat het jezelf overkomt. Maar haar getuigenis is knap weinig om iemand op te arresteren. Het mag dan ook een wonder heten dat de politie desondanks twee daders aanhield. Zigeuners, uiteraard, want wie anders kan zo'n snode daad begaan? Maar, aldus het blog: ,,Natuurlijk ontkenden de zigeuners." Wat een euvele moed! Bij gebrek aan medewerking van de verdachten en aan wat voor bewijs tegen hen dan ook werden de twee mannen binnen luttele uren weer vrijgelaten.
Godzijdank kan het blog ons uitleggen waar we zoveel onrechtvaardigheid aan te danken hebben: ,,Dit is het typische gedrag van de Hongaarse politiemacht. Waarschijnlijk in opdracht van hogere autoriteiten laat de politie zigeunercriminelen lopen, terwijl op hetzelfde moment Hongaren worden lastiggevallen en gearresteerd op basis van verdenkingen, zonder enig bewijs of met vals bewijs. Als gevolg daarvan dwalen zigeunercriminelen, inclusief moordenaars, vrij door het land en terroriseren de vreedzame bevolking."

zaterdag 18 april 2009

GELD TERUG

Als ik sommige Hongaren moet geloven, is in dit land geen mens te vertrouwen. Ik weet niet zo goed waar dat pessimistische zelfbeeld op gebaseerd is. Ik weet het, er zijn mensen met andere ervaringen. Afgelopen week sprak ik met een Nederlandse landbouwer die zijn oogst tegenwoordig laten bewaken om te voorkomen dat de velden 's nachts worden leeggeroofd. Iedere nacht stoppen er meerdere auto's met het doel om aardappels of uien te rooien. Het probleem is zo groot, dat de man inmiddels besloten heeft geen aardappels meer aan te planten.
Maar persoonlijk voel ik me zelden bedrogen. In tegendeel. Bij de Engelse les die ik geef, heeft een aantal deelnemers eenzijdig besloten dat ze vinden dat ik te weinig vraag. De eerste keer dat ze me meer betaalden en zeiden dat het wel goed was, dacht ik nog dat het toeval was, maar nu ze me iedere les meer geld in mijn handen drukken dan zou moeten, weet ik dat het opzet is.
Maar goed, dat zijn mensen die ik ken. Verbaasder was ik, toen ik laatst een telefoontje kreeg van onze dierenarts. We hadden die ochtend een pijnstiller voor onze hond gekocht. Dat spul is duur, en bovendien kwam er nog een hele behandeling bij, dus dat de rekening hoog was, was ons niet opgevallen. Maar de dierenarts zag later dat ze 1200 forint teveel had berekend. Of we haar daar de volgende keer als we kwamen, aan konden herinneren, dan zou ze het van de rekening aftrekken.
Vanochtend meldde onze zoon dat hij bij de pizza die hij laatst had besteld, 100 forint, 35 eurocent, teveel had betaald. Maar dat was niet erg, meende hij. Erg vond ik het ook niet, het ging niet om een wereldbedrag, maar een beetje vervelend wel natuurlijk, een pizzabezorger die je op zo'n manier belazert. Maar dat bleek helemaal niet het geval te zijn. Dat hij wist dat hij teveel had betaald, was namelijk omdat de pizzabakker hem een SMS'je had gestuurd. Volgende keer als hij een pizza bestelt, zullen ze het geld verrekenen.
Twee keer in één week dezelfde ervaring, dat vind ik opmerkelijk. Maar eerlijk is eerlijk, daar staat tegenover dat ik onlangs ook twee toeristen sprak die er echt ingetuind waren, in de Boedapestse knappe-meisjes-truc.
Iedere toeristengids waarschuwt ervoor: je loopt als man alleen of in een groepje op straat, en wordt aangesproken door twee leuk uitziende meisjes die uit de provincie komen, de weg kwijt zijn en even op je kaart willen kijken (of een ander geloofwaardig verhaal). Omdat je ze zo aardig helpt, stellen ze voor ergens wat te gaan drinken. Dat doe je dan, en voor je het weet krijg je in de kroeg een rekening gepresenteerd die kan oplopen van enkele honderden tot één of tweeduizend euro. Als je weigert, verschijnen er enkele zeer fit en goedgetrainde heren naast je stoel en maken duidelijk dat niet betalen geen optie is. Geen geld bij je? De heren begeleiden je graag naar de dichtstbijzijnde geldautomaat om het noodzakelijke bedrag te pinnen.
Een paar weken geleden kwamen er een paar officials van de UEFA kijken of Boedapest een geschikte plek is om een paar internationale wedstrijden te organiseren. Nu is de Hongaarse hoofdstad een van de veiligste hoofdsteden van Europa, maar ik vermoed dat de heren daar anders over denken nadat ze dankzij een paar aardige meisjes duizenden euro's lichter zijn gemaakt. Een van de problemen bij de aanpak van deze vorm van criminaliteit is overigens, dat veel van de betrokken bars semi-illegaal opereren en even snel verdwijnen als ze opkomen.
Hoeveel mannen dat precies overkomt, is onduidelijk. Het moeten er veel meer zijn dan de officiele cijfers van de politie aangeven. Ik ken inmiddels drie slachtoffers, en alledrie geneerden ze zich voldoende voor hun stupiditeit om geen aangifte te doen. U bent gewaarschuwd.

maandag 13 april 2009

ÉÉN PROCENT

Het is belastingaangiftetijd in Hongarije en dus de tijd voor het jaarlijkse schuldgevoel. Niet over mogelijke belastingontduiking - ik ben een schijterd, en dus een braaf mens - maar over de klemmende vraag aan wie ik mijn 1% ditmaal geef.
De Hongaarse belastingwetgeving biedt mensen de mogelijkheid om één procent van hun inkomstenbelasting aan een door hen zelf te bepalen goed doel te geven (wie gelovig is, kan daarnaast nog één procent aan een door hem uitgekozen kerk schenken).
En dus kijken je in deze maanden van het jaar van alle muren, reclameborden en winkelruiten treurige honden, arme of zieke kindertjes, eenzame bejaarden en andere goede doelen smekend aan. De brievenbus raakt gevuld met bedelbrieven en je kunt geen Hongaarse internetsite openen of ergens in de marge wordt wel het verzoek gedaan om je ene procent aan deze of die organisatie te geven.
Milieuorganisaties, sterrenwachten, vrouwenorganisaties, de school van mijn zoon, allemaal smeken ze me om mijn geld. En minstens de helft van die organisaties zou ik met liefde geld geven. Maar verdelen is geen optie: je mag één papiertje invullen om je éne procent weg te geven.
Feit is natuurlijk dat het hemd nader is dan de rok, en een instelling die me na staat, maakt dus de meeste kans op mijn steun. Daarom wordt het, zoals alle jaren, de school van mijn zoon. Die kan de steun gebruiken: het gebouw is hard toe aan een lik verf, de tafels en stoelen dateren uit het jaar nul en de toiletfaciliteiten kunnen ook wel eens opgeknapt worden.
Daar gaat die ene procent overigens niet naar toe. De school heeft een speciaal fonds voor armlastige leerlingen. Daaruit kunnen ouders een bijdrage in de boekenkosten krijgen en ze kunnen er ook een beroep op doen als er klassenuitstapjes worden gemaakt.
Nuttig, zonder enige twijfel, want onze zoon gaat naar een openbare school waar ook kinderen uit arme gezinnen heengaan, en het is goed dat die ook een goede schoolopleiding kunnen volgen. Je moet er bovendien rekening mee houden dat het aantal ouders vanwege de krisis de komende jaren toeneemt, dus het fonds een beetje spekken kan geen kwaad.
Gelijktijdig realiseer ik me dat er andere organisaties zijn die het geld misschien nog veel harder nodig hebben. De dierenbescherming staat in zijn kinderschoenen, vakantiekampen voor kankerpatientjes zijn een zeer nuttige instelling in een land waar zieken traditioneel echt als zieken worden behandeld, en kindertehuizen kunnen altijd beter. Het blijft een dilemma en er is slechts één troost: als ik het geld ergens anders aan zou besteden, zou mijn schuldgevoel vermoedelijk net zo groot blijven. Want er zijn waarschijnlijk áltijd doelen te vinden die beter zijn dan dat doel dat je toevallig hebt uitgekozen.

dinsdag 7 april 2009

DRONKEN

Wie op Youtube het woord rézseg (dronken) intikt, kan daarna urenlang zoet zijn. De video-website heeft een horde aan Hongaarse opnames van mensen in meer dan kennelijke staat. Die oogst is niet echt verbazingwekkend, want Hongaren behoren tot de grootste alcoholconsumenten in Europa. Volgens cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie stouwen alleen de Tsjechen en de Luxemburgers meer weg.
Het videomateriaal varieert van hilarisch tot ronduit droevig. Persoonlijk vind ik het moeilijk om te lachen bij een jongen van begin 20 die midden op de dag in een McDonalds in Budapest zo bezopen staat te wezen dat hij gewoon in zijn broek piest. Wat moet er van zo'n leven worden, vraag je je af. De meeste van de andere filmpjes geven eigenlijk het antwoord op die vraag, want al die dronken mannen zijn min of meer zijn voorland.
Wat opvalt aan vrijwel al die video's is de gelatenheid die eraf straalt. De meeste opnames tonen een eindeloze worsteling om het lijf dat na een hele fles palinka niet meer wil gehoorzamen, weer in bedwang te krijgen, vaak in combinatie met een fiets, een boomstam of een helling die het vertikken om mee te werken.
Ik heb in Hongarije inderdaad maar zelden een brallerige, agressieve of juist zeer uitgelaten dronkaard gezien. Zelfs de vijftien-, zestienjarigen die zich, veel te vaak, in het park tegenover ons huis te buiten gaan aan een fles goedkope drank, doen dat over het algemeen verrassend stil. Lawaaiige zuiplappen zullen er zeker zijn, maar meestal lijkt alcohol simpelweg een verdovende werking te hebben en gedraagt de bezopene zich met een berusting alsof hij te doen heeft met een natuurverschijnsel waar hij geen vat op heeft. En de omgeving gaat er vaak net zo mee om.
Ooit zat ik midden op het platteland in een vrachtwagenrestaurant met een aantal chauffeurs te praten, toen aan de overkant van de straat een taxi stopte. De chauffeur deed de achterdeur open, sjorde zijn passagier de berm in en vertrok. Even later ging de deur van een nabij huis open. Er kwam een vrouw uit met een touw in haar hand. Ze duwde de laveloze dronkaard nog iets verder van de weg af, bond het touw aan zijn been, het andere eind aan het hek, en ging weer naar binnen.
Een tijd geleden was er een bruiloft in het dorp, waar een zigeunerbandje optrad. Het was een lange avond, en diep in de nacht had het bandje, net als de rest van de gasten, een behoorlijke slok op. Naarmate de muzikanten dronkener werden, werd hun repetoire kleiner, tot het uiteindelijk tot precies één nummer was ingekrompen, dat bovendien steeds valser begon te klinken. Ik lag verderop in mijn bed te wachten op het moment dat ook dat ene nummer hen nog te veel zou worden. Dat gebeurde om vier uur 's nachts. Ik heb geen idee hoe ze zijn thuisgekomen.

zondag 29 maart 2009

KANDIDATEN

Bij gebrek aan een politcus die minister-president van Hongarije wil worden is de online krant Index.hu, een van de belangrijkste nieuwsbronnen van het land, maar op zoek gegaan naar een geschikte kandidaat. In tegenstelling tot de VIP's schijnt de functie door de gewone man wel begeerd te worden, want tal van mensen hebben zich aangemeld, niet alleen Hongaren, maar ook mensen van Hongaarse afkomst elders.
De meest prominente onder de vrijwilligers is vermoedelijk Gábor Ivády, burgemeester van Ivád, een dorpje met enkele honderden inwoners, voornamelijk leden van de familie Ivády. Gábor Ivády geniet enige nationale bekendheid vanwege de wijze waarop hij het dorp bestuurt. Zo heeft hij de straatnamen van het dorp te koop aangeboden om de gemeentekas te spekken en via ruilacties op het internet heeft hij voor het dorp een speeltuin bij elkaar weten te sprokkelen. Kortom, een man met opmerkelijke initiatieven. Misschien precies de man het armlastige Hongarije nodig heeft.
Maar Index kreeg nog 227 andere aanmeldingen. Een enkeling meldde geen Hongaars te spreken, wat misschien ook zijn voordelen heeft: dan hoef je tenminste niet te luisteren naar het politieke gekrakeel. De meeste kandidaten leverden meteen een programma aan. Corruptiebestrijding stond hoog op veler lijst, een enkeling was zelfs bereid hier weer de doodsstraf op te zetten.
Belastingverlaging was ook erg populair, en persoonlijk zou ik natuurlijk stemmen op de man die belooft de belasting naar 4 procent te verlagen. Als álle Hongaren vervolgens netjes belasting gaan betalen, inplaats van de pakweg anderhalf miljoen die dat nu doen (geen grapje!) zou dat misschien nog meer geld in het laatje brengen dan de staat nu krijgt.
Parlementariers zullen het ook moeten ontgelden, als het aan de Index-kandidaten ligt. Sommigen willen de onkostenvergoeding voor parlementariers geheel afschaffen en anderen willen het parlement drastisch verkleinen. In plaats van de 400-zoveel parlementariers die er nu zijn, willen de meesten in toekomst hooguit 200 leden, en sommigen vinden 50 zelfs wel genoeg.
Zelfs parlementariers zijn het er trouwens wel over eens dat meer dan 400 te veel is, maar dat veranderen is een andere zaak. Dan gaan er veel lucratieve baantjes voor partijgenoten verloren, dus er wordt wel veel over gepraat, maar voorstellen van premier Gyurcsány om er concreet iets aan te doen, hebben het tot nu toe niet gehaald. Daar is steun van de oppositie voor nodig, en die geeft Fidesz niet. Overigens vinden sommige gegadigden ook dat politici hooguit twee termijnen verkiesbaar zouden mogen zijn. Af en toe wat vers bloed in de politiek, geen gek idee.
Opmerkelijk is hoeveel onpopulaire maatregelen de potentiele premiers zouden nemen: herinvoering van de eigen bijdrage in de gezondheidszorg en herinvoering van het collegegeld dat door een volksstemming moest worden afgeschaft, totale afschaffing van de dertiende maand voor gepensioneerden. Of Budapest ooit een vierde metrolijn zou krijgen, is ook de vraag, en de noodlijdende nationale spoorweg MÁV zou het ook moeilijk krijgen: sommigen zouden de subsidie voor dat buitengewoon ineffecient geleide bedrijf totaal af willen schaffen. Een enkeling is ervan overtuigd dat hij dat bedrijf, en het hele land, binnen de kortste keren weer op orde krijgt, want hij is ook erg goed in het computerspel Transport Tycoon.
Een aantal vrouwen meldde zich uitsluitend daarom aan, omdat ze het tijd vinden dat Hongarije eindelijk een vrouwelijke regeringsleider krijgt. Daar zit wat in. Nederlandse wetenschappers maakten onlangs een analyse van het tv-spelletje Deal or no deal, waarin kandidaten een geldbedrag verdienen via een combinatie van gokken en onderhandelen met een bank. Vrouwen blijken in dat programma consequent met een hoger bedrag naar huis te gaan dan mannen, omdat ze eerder op het bod van de bank ingaan en minder risico's nemen. Dat soort verstand kan Hongarije op dit moment misschien wel gebruiken.

zaterdag 28 maart 2009

TOEKOMSTBEELD

Het doet er op dit moment volgens mij nauwelijks nog toe waar je sympathie in de Hongaarse politiek eigenlijk ligt. Alles is zo ongeveer beter dan de politieke verlamming waar het land nu aan ten gronde gaat. Premier Gyurcsány's pogingen om een aanvaardbare opvolger te vinden (aanvaardbaar voor hemzelf, maar ook voor de politieke goegemeente) zijn mislukt, en verkiezingen lijken de enige uitweg. En dan maar beter zo snel mogelijk, want in het midden van een economische wereldkrisis zonder regering zitten, of met een machteloze regering stuurloos blijven ronddobberen is zoiets als een schip stuurloos loslaten in de Bermudadriehoek.
Je kunt die verkiezingen haast net zo goed niet houden, want de uitkomst is voorspelbaar: Fidesz haalt een klinkende overwinning, ter rechter zijde doen de Jobbik het waarschijnlijk goed, en daarbuiten blijft er weinig over. De enige vraag is hooguit, hoe klinkend de overwinning van oppositieleider Viktor Orbán wordt. Als het aan hemzelf ligt krijgt hij een tweederde meerderheid in het parlement, wat zijn partij in staat zou stellen de grondwet te veranderen zonder met andere partijen te hoeven overleggen. Fidesz zou, ondermeer, graag de invoering van een presidentieel systeem naar Frans of Amerikaans model zien.
Wie niet op Fidesz wil stemmen, heeft op dit moment weinig te kiezen. De MSzP zal Gyurcsány's pogingen om er een sociaal-democratische, eerder liberaal georiënteerde partij van te maken ter zijde schuiven, en voor de linker vleugel die de afgelopen jaren knarsetandend heeft toegekeken zal weer inzetten op een traditioneel socialistische koers. De liberale SzDSz gaat ten onder aan de pogingen om een VVD-koers en een D'66-koers in één partij te verenigen. En het centrum-rechtse MDF gaat ook al kibbelend ten onder en schuift bovendien een premier naar voren met zulke radicale hervormingsplannen dat daar weinig kiezers voor warm zullen lopen. Kortom, in het centrum en aan de linkerzijde is het aantal smaken gering.
Dus mag Orbán binnenkort waarschijnlijk aan zijn tweede termijn beginnen. Een van de verwijten aan hem is dat hij met alle kritiek op de huidige regering nooit zegt wat hijzelf nu eigenlijk van plan is. Maar daar is verandering in gekomen. Samen met de vroegere Fidesz-minister van financiën György Matolcsy presenteerde hij deze week het boek 'Toekomstbeeld'. Om dat toekomstbeeld een partijprogramma te noemen, zou overigens wat ver gaan. Het is meer een visie op de ideale staat Hongarije.
Het Nieuwe Hongarije á la Orbán klinkt prachtig, het kan niet anders worden gezegd. Het zou de Franse familiepolitiek moeten combineren met een Fins onderwijsmodel, een Zweeds onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma, Nederlandse regelgeving op het gebied van parttime werk, Slovaakse belastingregels, een Estse e-overheid en een toeristenindustrie volgens Oostenrijks model.
Er zou een einde moeten komen aan de centralisatie, het zwaartepunt van de economie zou van de regering naar de markt moeten verschuiven, arbeidsintensieve productie zou vervangen moeten vervangen worden door hoogontwikkelde technologie, vrouwen zouden een belangrijkere rol in de economische ontwikkeling moeten krijgen, en in plaats van export zou binnenlandse consumptie de motor van de economische groei moeten worden. Uiteraard gaan we minder belasting betalen, komt er minder burocratie en komt er veel aandacht voor milieu. En, curieus gezien alle verzet van Fidesz de afgelopen jaren tegen maatregelen die de positie van kleine dorpen zouden aantasten, de structuur van meer dan 3000 kleinere en grotere gemeenten zou plaats moeten maken voor grotere stedennetwerken.
Als een Fidesz-regering erin slaagt om al die zaken waar te maken, dan heeft Orbán de afgelopen jaren volkomen gelijk gehad met zijn kritiek op de huidige regering. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, schreef de Vlaamse dichter Willem Elsschot ooit, en los van de enorme hoeveelheid wetten die veranderd zal moeten worden om al deze plannen te realiseren, het grootste praktische bezwaar in dit geval is het prijskaartje dat er aan de realisatie van al deze plannen hangt.
Waar dat geld vandaan moet komen, blijft het grote raadsel en maakt ook dat 'Toekomstbeeld' niet als een partijprogramma kan gelden. Het is natuurlijk prachtig om kiezers te verleiden met de Franse familiepolitiek, het Finse onderwijsmodel of forse belastingverminderingen. De waarheid is natuurlijk dat Hongarije op dit moment simpelweg al niet het geld heeft om scholen fatsoenlijk te onderhouden, laat staan voor kostbare operaties als de totale vernieuwing van het onderwijssysteem.
Misschien vergis ik me. Misschien komen Fidesz-politici straks met briljante oplossingen uit de kast. Niets gun ik het land meer, dan dat dit toekomstbeeld gerealiseerd wordt, en wel zo snel mogelijk. Maar eigenlijk denk ik dat Orbán zichzelf een plezier zou doen door een nieuwe socialistische premier niet te zeer te dwarsbomen en hem tot de verkiezingen in mei 2010 de hete kastanjes uit het vuur te laten halen. Wie nu aan de macht komt, moet voor lief nemen dat het volk hem over een jaar waarschijnlijk helemaal niet meer aardig vindt. De maneuvreerruimte van welke regering dan ook is heel klein en niemand kan nu veel meer doen dan zorgen dat het schip niet echt in de Bermudadriehoek verdwijnt. Zo'n rotklus laat je toch liever aan je tegenstander over?

zondag 22 maart 2009

OPSTAAN

Hongaren zijn een volk van vroege opstaanders. Dat geldt trouwens voor meer Centraal-Europeanen: ooit stond ik in Hongarije op een camping tussen Nederlanders en Polen. Tussen het gezellige kletsen tot middernacht bij de ene tent en het voor dag en dauw opstaan in de andere kwam er van mijn nachtrust weinig terecht.
Onze buren gaan iedere ochtend om vijf uur uit de veren, inclusief hun zesjarige dochter voor wie dat duidelijk te vroeg is en die dan altijd erg moet huilen. Om de file richting Budapest 's ochtends voor te zijn, moet je vroeg van huis gaan, want om half zeven is het al behoorlijk druk rond de hoofdstad. Scholen hebben vanaf zeven uur opvang, zodat ouders door kunnen naar hun werk. Zelfs op zondag om een uur of zes, een moment waarop je in Nederland echt geen hond op straat ziet, zijn er in Hongarije altijd al mensen op pad.
Maar hoé vroeg veel mensen opstaan, ben ik me pas echt bewust geworden dankzij het Engelse klasje dat ik in een dorp geef. Daar kwam klokkijken aan de orde, en toen bleek van de vier aanwezigen twee iedere dag om vier uur opstonden.
De een werkt als tuinierster in Budapest en moet de bus van kwart over vijf halen. Ik ben er nog niet aan toe gekomen te vragen wat ze in dat uur daarvoor doet, maar ik heb een vermoeden: een goede vriendin van mij kookt 's ochtends om zes uur, voor ze naar haar werk gaat, een hele maaltijd, zodat man en zonen rond het middaguur niet van het traditionale warm eten verstoken zijn.
De andere leerlinge is eigenaresse van de dorpswinkel die iedere ochtend om zes uur opengaat. Voor die tijd moet er natuurlijk wel verse melk en vers brood komen. Beiden gaan, het is te verwachten, iedere avond om negen uur naar bed. Mijn bewondering voor hun doorzettingsvermogen om iedere week naar de les te komen, is met sprongen toegenomen en dat het van huiswerk maken niet echt komt, is hun bij deze vergeven.
Het verklaart voor mij meteen ook iets dat een Nederlandse kennis in een klein Hongaars dorp ooit overkwam. Haar zesjarige dochter was de tijd vergeten en om acht uur 's avonds nog niet thuis. Ma ging haar ophalen op het adres waar ze speelde. Daar zat de hele familie al in pyama en nachtjapon, duidelijk ongeduldig te wachten tot het kind eindelijk wegging. Toen de Nederlandse bij het tuinhek omkeek, zag ze binnen de tv uitfloepen. Eindelijk naar bed! Wie om vier uur opstaat, heeft dan per slot van rekening al een lange dag achter de rug.

donderdag 12 maart 2009

KOKARDE


Mijn zoon trekt zijn zwarte nette broek aan. Gelukkig, een beetje hoog water, maar het gaat nog wel. Een van de curioziteiten van het Hongaarse schoolsysteem is de verplichte dracht van zwarte broek en wit overhemd (bij meisjes een witte bloes en zwarte rok) op bepaalde dagen: bij de opening en sluiting van het schooljaar en bij bepaalde gelegenheden tussendoor, zoals bijvoorbeeld de viering van de 15de maart - de herdenking van de revolutie van 1848 - op school.
Aangezien hij die broek de rest van het jaar verder niet aantrekt, is het een dure traditie. Vermoedelijk bestaat in Hongaarse families een uitgebreid systeem van broeken die van de ene broer of neef op de andere overgaan, want ik kan me toch nauwelijks indenken dat mensen iedere keer weer een nieuwe broek aanschaffen, terwijl je met een opgroeiende puber toch regelmatig een langer exemplaar nodig hebt.
Onlangs klaagde ik bij een ouderavond over dit prijzige en in mijn ogen totaal verouderde gebruik. Zijjn klassenleraar, een man die ik alleen in shorts of versleten spijkerbroeken ken, toonde begrip, maar is natuurlijk ook niet in staat een traditie diezelfs in de officiele schoolregels wordt vermeld, eigenhandig uit te bannen. Eén troost had hij: ,,Er staat wel dat het een zwarte broek moet zijn, maar nergens staat iets over de lengte.''
Maar goed, die valt gelukkig mee. Dus kan hij zich morgen zonder al te veel schaamte bij de meute zwart-wit geklede jongeren voegen die de straten van Hongarije dan bevolken. Eén jaarlijks terugkerende vraag is nog niet beantwoord: hoe moet het met de kokarde? Iedere zichzelf respecterende Hongaar speldt ter gelegenheid van 15 maart namelijk een kokarde met de Hongaarse driekleur op, een gewoonte die we te danken hebben aan de geliefde (of was het zijn vrouw) van de dichter Sándor Petőfi, die voor de revolutionairen in 1848 al dergelijke rozetten maakte, maar die met name door Fidesz nieuw leven in is geblazen.
Maar moet onze zoon nu ook een kokarde op? Toen we hem op de kleuterschool zónder naar school stuurden, kwam hij 's middags mét terug. Op de lagere school meende een overigens zeer aardige, maar op zijn tijd ook behoorlijk nationalistische lerares die over zulke zaken lang en serieus nadacht, echter dat een Nederlander geen Hongaars driekleur zou moeten dragen, wat onze zoon best vond. Maar het jaar erop liet hij het niet aan de lerares over, maar schafte er zelf een aan.
Dat exemplaar zit nu in zijn tas. Hij bekijkt morgen ter plekke wel hoe zeer hij bij klasgenoten uit de toon valt zónder. Maar de druk om mee te doen is groot en wordt voor mijn gevoel ieder jaar groter. Zelf voelde ik me vorig jaar op 15 maart tamelijk uitzonderlijk, want ik was - in Budapest - zo ongeveer de enige op straat zonder kokarde. Dat zal ook dit jaar het geval zijn, maar misschien moet ik maar oranje vlaggetjes op mijn wangen schilderen om duidelijk te maken waarom.

zaterdag 28 februari 2009

ABSURDE TIJDEN

Twintig jaar na de val van het communisme heb je twee groepen mensen. Je hebt degenen die zich vooral de rijen voor brood en vlees herinneren, de klop van de geheime dienst op de deur en het algemene gevoel van onvrijheid. En je hebt degenen die zich herinneren dat er altijd werk was voor iedereen, dat je voor een appel en een ei op vakantie kon gaan in een van de vakantieverblijven van je eigen bedrijf, of in dat van je man, je moeder of je tante. En dat iedereen min om meer gelijk was en niemand veel meer, maar ook niet veel minder had dan de ander.
Wat uit de herinnering weg is geglipt is het absurdisme van het systeem. Neem de lotgevallen van de de Hongaarse pop-impressario László Hegedűs, de man die er in de jaren tachtig voor zorgde dat Westerse popartiesten voor het eerst achter het IJzeren Gordijn optraden.
Hegedűs werkte aanvankelijk als journalist op de buitenlandredactie bij de Magyar Nemzet. Die carriere kreeg een plotseling einde toen hij een necrologie over een of andere belangrijke Russische communist moest schrijven. De klus moest snel af, en als bron gebruikte hij de weliswaar verfoeilijke, want Westerse, maar informatieve Neue Züricher Zeitung.
In dat stuk werd verwezen naar een andere toppoliticus die 'dood' was. De krant bedoelde ermee dat de betreffende man politiek op een zijspoor was gezet, maar Hegedűs nam het helaas letterlijk. Per slot van rekening was het in die tijd heel wel mogelijk dat Westerse journalisten iets wisten wat in Oost-Europa zorgvuldig geheim werd gehouden.
Die fout viel in Moskou niet licht. Een dag later was hij ontslagen en mocht hij zijn journalistieke carriere voortzetten bij een vakblad voor de inmaakindustrie. Om wat afwisseling te brengen in een bestaan waarin hij zich vooral met ingeblikte groente moest bezighouden, besloot hij freelance wat bij te klussen met verhalen over pop- en rockmuziek. Dat bracht hem in contact met een Hongaarse popgroep die hem vroeg of hij niet als manager voor hen wilde gaan werken.
"Manager? Ik had geen idee wat een manager was," zegt Hegedűs. Maar nadat ze hem hadden uitgelegd wat dat inhield, besloot hij zijn journalistieke carriere tijdelijk op te schorten - zoveel ging er immers toch niet verloren - en zich in de popmuziek te storten.
Dat ging een jaar of zeven prima, tot hij op het matje werd geroepen: manager van popmusici, dat was een baan die helemaal niet bestond in een communistisch land, en die daarom ook verboden was. Hij kreeg de keuze: ermee stoppen, of het land verlaten. Hij koos voor het laatste.
Dat was ergens begin jaren tachtig. Hegedűs vestigde zich in Duitsland. Hij had inmiddels zoveel contacten opgebouwd in de muziekwereld in heel Centraal-Europa, dat hij besloot van de nood een deugd te maken en te gaan doen wat niemand tot dan toe deed: optredens van Westeuropese popgroepen achter het IJzeren Gordijn organiseren.
Nu was er natuurlijk een reden waarom die popgroepen daar tot nu toe niet kwamen. Popmuziek gold als decadent, en decadent, daar wilden rechtgeaarde communisten niets mee te maken hebben. Er waren wel wat brave popgroepen van eigen bodem, maar je moest op vakantie naar het veel liberalere Joegoslavië om Westerse popmuziek en spijkerbroeken te kopen.
En er was een ander probleem: geen enkele communistische regering wilde kostbare westerse valuta uitgeven aan zoiets als popconcerten. "Ze waren alleen maar bereid tot ruilhandel: twintigduizend liter wijn, of een paar Bechsteinpiano's als betaling voor een optreden van Santana of U2. Dus moest ik niet alleen popgroepen zien te overtuigen om in Oost-Europa op toer te gaan, ik moest ook nog eens de handel in."
Maar de behoefte van het publiek bleek reusachtig. Een Engelse popgroep die in West-Europa allang over zijn hoogtepunt heen was en alleen nog in kleine zaaltjes kon spelen, trok in Roemenië volle stadia met 30.000 bezoekers, zeven dagen achter elkaar. Maar met dat succes kwamen de problemen.
Zo belandde Hegedűs in Roemenië haast in het gevang, omdat een concert de nachtrust van dictator Ceausescu verstoorde. Een concert van Elton John in Praag dreigde niet door te kunnen gaan, omdat de artiest een oorring droeg. Van hoog niveau werd te verstaan gegeven dat dat niet kon. Waarom niet? Omdat een oorring symbool stond voor homosexualiteit. Maar Elton John ís homo, legde Hegedűs uit. Dat op zich was niet het grote probleem, maar die oorring.
Uiteindelijk verklaarde Elton John zich bereid om zonder oorring te komen, maar zijn optreden was nauwelijks begonnen, of een briesende partijbons meldde zich bij Hegedűs: hij had hen voorgelogen. Hoezo? De artiest droeg toch geen oorring? Dat was waar, maar Elton John had in plaats daarvan een diamant in zijn oor gedaan, en daar konden ze in Praag niet over lachen.
In de journalistiek is Hegedűs uiteindelijk nooit teruggekeerd. Hij haalt nog steeds popmusici naar Centraal-Europa. Politiek speelt daar geen rol meer in, op één uitzondering: "Ik heb in de jaren tachtig geprobeerd Prince hierheen te halen. Het antwoord was nee, ik speel niet voor communisten. Begin jaren negentig heb ik het nogmaals geprobeerd. Het antwoord was: nee, ik speel niet voor commies. De uitleg dat het communisme inmiddels verdwenen was, hielp niet. In 2001 heb ik het nogmaals geprobeerd. Ik heb zijn nieuwe manager uitgelegd dat het communisme nu toch echt een hele tijd verdwenen was. Het antwoord was nee, ik speel niet voor ex-commies..."

dinsdag 24 februari 2009

MISDAAD

De toename van de misdaad is een van de grote thema's in Hongarije op dit moment, maar in tegenstelling tot wat veel Hongaren denken, is het land niet de misdaadhoofdstad van Europa, maar eerder een eiland van vrede. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van György Virág, directeur van het Hongaarse Nationale Instituut voor Criminologie. Volgens Virág is de misdaad de afgelopen jaren eerder afgenomen dan gestegen. Wat wel is toegenomen, is de hoeveelheid geweld die criminelen gebruiken.
Misdaadcijfers zijn een lastig onderwerp, want de cijfers van het ene land zijn moeilijk te vergelijken met die van het andere. De manier waarop misdaden worden geregistreerd, verschilt, en in het ene land gaan mensen sneller naar de politie dan in het andere. Dat zeggen Hongaren ook tegen je als je hen erop wijst dat de misdaadstatistieken hier hun bewering dat het allemaal zo erg is, tegenspreken: "Wij vertrouwen de overheid en de politie niet, dus doen we geen aangifte. In werkelijkheid is het allemaal véél erger."
Nu is het in werkelijkheid overal véél erger. Welke Nederlander gaat nog naar de politie als zijn fiets gestolen is? Dat soort kleine zaken komt nooit in de statistieken terecht. De kans dat die fiets ooit terug wordt gevonden, is per slot van rekening 0,0 procent, of je moet mijn oom zijn die zijn gestolen fiets toevallig op een brug zag staan.
Criminologen kijken echter niet naar officiele statistieken, maar doen onderzoek, en daar zijn internationaal methodes voor ontwikkeld. Daardoor zijn die onderzoeksresultaten veel beter te vergelijken dan de misdadenstatistieken van de politie. En uit dat onderzoek blijkt zonneklaar dat Hongarije binnen Europa een zeer veilig land is. Daar doen opvallende misdaden, zoals de recente moord op een basisschooldirecteur en een leraar, of die op een Roemeense handbalspeler, niets aan af.
Virág baseert zich op een serie onderzoeken onder slachtoffers van misdaad in de 'oude' EU en drie nieuwkomers: Hongarije, Polen en Estonie. Daaruit blijkt dat sinds 1990 het aantal inbraken in de hele EU, met uitzondering van Belgie en Ierland, is gedaald. Dat geldt dus niet alleen voor Hongarije, maar dus ook voor Nederland. Overigens behoort Nederland tot de landen met hoge criminaliteit, Hongarije tot de landen met de laagste.
Zo is de kans om slachtoffer van geweld op straat te worden, in Nederland een van de hoogste van Europa. Hongarije behoort wat dat betreft samen met Portugal en Frankrijk tot de veiligste landen. De kans om verkracht te worden is het hoogste in Zweden, Ierland, Duitsland en Oostenrijk en het kleinste in, juist, Hongarije, Portugal, Frankrijk en Spanje.
De kans om geconfronteerd te worden met zaken die met drugs te maken hebben, zoals naalden in het park of dealers op straat, is niet, zoals Nederlanders waarschijnlijk zouden verwachten, in Nederland, maar in Griekenland, Portugal, Spanje, Italie en Luxemburg. De minste kans op dat soort problemen heb je in, inderdaad, Hongarije, plus Denemarken, Finland en Zweden.
Is er dan niets waarin Hongarije negatiever scoort dan de anderen? Wel: veel Hongaren, samen met Grieken, Polen en Estoniers, melden dat ambtenaren hen de laatste twaalf maanden om steekgeld hebben gevraagd. Dat probleem komt het minst voor in Finland, Engeland, Zweden, Ierland en - niet echt verbazingwekkend - Nederland, dat ondanks bouwfraudeschandalen als een van de minst corrupte landen ter wereld geldt.
Gemiddeld is in de EU 15 procent van de bevolking jaarlijks slachtoffer van criminaliteit. In Ierland, Groot-Brittanie en Estonie is dat ruim twintig procent. In Hongarije, Spanje en Portugal is die kans minder dan tien procent. Maar uit het onderzoek blijkt ook dat Hongaren zich desondanks niet veiliger voelen dan andere Europeanen. Overigens: tachtig procent van de Hongaren gaat naar de politie als hen wat is overkomen. En daarin verschillen ze geen sikkepit van andere Europeanen.

vrijdag 13 februari 2009

OLIE OP HET VUUR

Door Runa Hellinga
Boedapest - De moord op een handbalspeler in Veszprém heeft in Hongarije tot grote beroering geleid. De Roemeen Marian Cozma werd afgelopen weekend in een kroeg doodgestoken, twee van zijn teamgenoten belandden in het ziekenhuis. De daders waren leden van een bende, maar wat de Hongaarse pers er vooral uitlichtte, was dat het om zigeuners ging. Dat feit was olie op het vuur in een land waar het racisme tegen Roma het laatste jaar snel toeneemt.

Zo'n 70 procent van de Hongaren komt er openlijk voor uit dat ze weinig ophebben met de half miljoen Roma in hun land. Vooroordelen waren er altijd al, maar het racisme is veel zichtbaarder geworden sinds de oprichting van de extreemrechtse Jobbik (Rechtsen) en de daaraan verwante Magyar Gárdá, de Hongaarse Garde.
De garde marcheert regelmatig met veel vertoon door zigeunerstraten uit protest tegen de 'enorme toename van de zigeunermisdaad'. Iedere gelegenheid wordt aangegrepen. Toen enkele maanden geleden een 14-jarig meisje werd vermoord, werd er gedemonstreerd tegen zigeunercriminaliteit zonder dat de daders bekend waren.
Hongarije houdt geen statistieken bij van de etnische achtergrond van criminelen, maar de algemene misdaadstatistieken ondersteunen de extreemrechtse bewering niet. De misdaad is de laatste jaren gedaald, niet gestegen. In 1999 werd ruim een half miljoen aangiftes gedaan, in 2008 400.000. Het aantal moorden daalde van 514 in 1999 naar 157 in 2007.
Maar er zijn grote regionale verschillen. In armere delen van het land, waar ook de meeste arme Roma wonen, is de kleine criminaliteit in sommige dorpen hoog. Dat kan variëren van inbraken tot een leeggeplukt veld frambozen. De financiële schade is vaak klein, maar als je een heel jaar hebt gewied en geschoffeld, is het zuur als iemand anders je oogst pikt. Bovendien zijn de slachtoffers vaak ook arm. ,,Als je dat soort problemen negeert, speel je extreem rechts in de kaart,’’ zegt Péter Krekó van het politieke onderzoeksinstituut Political Capital.
Het steunt veel Hongaren ook in hun overtuiging dat het met de misdaad de laatste twee jaar volledig uit de hand is gelopen. Daar heeft een aantal incidenten toe bijgedragen, zoals de dood van een onderwijzer, die in een zigeunerwijk gelyncht werd, omdat omstanders (ten onrechte) dachten dat hij een kind had doodgereden. Maar het idee dat de misdaad onder Roma enorm toegenomen, komt vooral door de media, zegt Krekó. ,,Sinds de oprichting van de Magyar Gárdá besteden kranten veel meer aandacht aan 'zigeunermisdaad'.'' Alleen al de verslaggeving van de marsen van de Garde zijn voldoende om het beeld te bevestigen.
De moord op Cozma volgde kort op de rel over het ontslag van Albert Pásztor, politiecommissaris van Miskolc, een stad in het arme noordoosten van Hongarije. Hij raakte zijn baan kwijt na een opmerking dat het overgrote deel van de misdaden in Miskolc door zigeuners werd gepleegd. Het werd volgens hem tijd om het beestje bij de naam te noemen, omdat er anders geen oplossing kwam. Zijn ontslag leidde tot nationaal protest en werd prompt teruggedraaid. Miskolc kreeg bovendien enkele tientallen extra agenten op straat. Binnen luttele dagen daalde de criminaliteit met 90 procent.
Behalve steun van extreemrechts kreeg Pásztor hulp uit onverwachte hoek. Een regionale Romaleider was diep verontwaardigd over het ontslag. ,,Ik sta pal naast Pásztor. Wat had hij anders moeten zeggen als van de 200 mensen die hij insluit, 200 zigeuners zijn?" aldus Attila Lakatos, overigens tot woede van andere Romaleiders.
Sinds Cozma's dood spreekt de grootste oppositiepartij Fidesz openlijk over 'stijgende criminaliteit van zigeuners'. De partij eist meer politie, snellere processen, hogere straffen en overigens ook meer banen voor Roma. Het is een duidelijke poging om de toch al impopulaire socialistische minderheidsregering verder in diskrediet te brengen. Maar Orbán wil met zijn uitspraken ook kiezers wegtrekken bij de Jobbik, die onlangs bij een tussentijdse verkiezing in een deelgemeente in Boedapest acht procent haalden en bij de volgende verkiezingen de grote stembusverrassing dreigen te worden.
Maar zulke taal is nieuw in de gevestigde politiek. Ondanks het racisme in de samenleving maakten parlementaire partijen zich daar tot nu toe niet schuldig aan. Politici, zowel van rechts als van links, benaderden de kwestie altijd vanuit de achtergestelde positie van de Roma en benadrukten de noodzaak van onderwijs en banen. Hongarije heeft de afgelopen achttien jaar honderden miljoenen euro's gestoken in projecten om de achterstand van Roma aan te pakken.
Prima op zich, zegt Krekó. Maar die houding ging volgens hem gepaard met een doorgeschoten politieke correctheid. ,,Er is bijvoorbeeld nooit gepraat over de vraag of al dat geld daadwerkelijk terecht kwam bij diegenen die het echt nodig hadden en of het niet bleef hangen bij mensen die zich opwierpen als vertegenwoordigers van de Romagemeenschap."
En er zijn ook andere problemen waar nooit over werd gepraat, zegt hij. Dat de meeste Romakinderen niet meer dan lagere school hebben en tien procent dat niet eens haalt, komt deels door het onderwijsstelsel, maar zeker niet alleen. In bepaalde Romagroepen is grote weerstand tegen school. Ouders vinden onderwijs onzin, omdat je daar in 'het echte leven' niets aan hebt.
,,Onder de Fideszregering tussen 1998 en 2002 kregen mensen alleen bijstand als ze konden aantonen dat hun kinderen naar school gingen. Dat is uit politieke correctheid afgeschaft, maar het werkte wel en het zou volgens mij ook weer moeten worden ingevoerd. Ik zou er ook voor zijn als sociale steun voor een deel niet als geld wordt uitgekeerd, maar in de vorm van maaltijden voor kinderen op school,” zegt Krekó.
Hij vreest de radicalisering aan beide zijden. In Romagemeenschappen heerst een begrijpelijke angst voor de Hongaarse Garde. Na de moord op Cozma werd gevreesd voor wraakacties in het dorp waar een van de daders vandaan kwam. Steeds vaker praten Roma vaker over de oprichting van zelfverdedigingsgroepen, zoals in Bulgarije ook is gebeurd. Als gevolg daarvan is vinden daar tegenwoordig regelmatig gewelddadige confrontaties plaats tussen extreemrechts en Roma.

donderdag 12 februari 2009

FRESCOSCHILDERS

Frescoschilder lijkt geen voor de hand liggende loopbaan voor een veroordeelde inbreker of verkrachter. Maar een groep gedetineerden in het Hongaarse Balassagyarmat kunnen in toekomst kerken en historische gebouwen gaan restaureren, als ze hun opleiding tenminste succesvol afronden.
Begin februari gaat de restauratie van de historische gevangeniskapel van start en als voorbereiding volgen zeventig gevangenen een vakcursus frescoschilderen waarin ze alles leren over materialen, kleuren, kleurstoffen en schildertechnieken. De restauratie staat onder leiding van Zsolt Lencsés, een lokale frescoschilder die het vak in Italië leerde.
De gerestaureerde kapel wordt veel kleurrijker dan vroeger. ,,Er komen religieuze fresco’s en voor de ontwerpen organiseren we een prijsvraag onder de gedetineerden,” zegt gevangenisdirecteur István Budai, “Dat kan, want de kapel zelf is weliswaar een monument, maar de oude schilderingen hebben geen kunsthistorische waarde,” zegt hij.
Het wordt een oecumenische kapel, en alle gevangenen zijn volgens hem zeer enthousiast over het project: ,,Iedereen, ook degenen die de opleiding niet volgen, wil graag iets bijdragen aan de restauratie.” Een enkeling zegt nu al later als frescoschilder aan de slag te willen.
De restauratie past in het beleid om de gedetineerden, die vaak niet eens lagere school hebben, een nuttig vak te leren. ,,Tijdens het communisme lag de nadruk in het Hongaarse gevangeniswezen op heropvoeding, maar midden jaren tachtig groeide het inzicht dat dat totaal niet werkt. Nu proberen we recidive te voorkomen door mensen via een opleiding betere toekomstkansen te geven,” aldus Budai. Gedetineerden kunnen hun school afmaken of een opleiding tot metselaar, huisschilder of timmerman volgen: ,,De meesten komen hier uit de regio, waar vooral behoefte is aan bouwvakkers.”
Zo’n 65 procent van de gevangenen werkt, een hoog percentage in vergelijking met andere Hongaarse strafinrichtingen. De gevangenis heeft een eigen schoenfabriek. Andere gevangenen doen gemeenschapswerk. In de afgelopen jaren hebben ze bankjes in het stadspark getimmerd, het openluchttheater helpen herstellen en de omgeving van het nieuwe busstation opgeknapt.
De inwoners van Balassagyarmat zijn er blij mee, zegt Budai. Dat gedetineerden buiten de bewaakte muren aan het werk zijn, vinden ze geen probleem. ,,De gevangenis is de grootste werkgever van het stadje en we horen bij het dagelijks leven.”
De rond 1845 gebouwde strafinrichting is de oudste van Hongarije. Het is een monumentaal rond gebouw met een buitenste ring met cellen rond een toren op de binnenplaats. De koepelvormige kapel op de bovenste verdieping verloor in 1956, tijdens de onkerkelijke hoogtijdagen van het communisme, zijn functie. De koepel zelf verdween achter een lelijk houten plafond en de ruimte werd een bibliotheek.
De renovatie wordt gefinancierd uit een Noorse subsidie. ,,Tot voor kort was dat onmogelijk, want het Hongaarse gevangeniswezen was volkomen centraal georganiseerd. Maar tegenwoordig hebben we de vrijheid om met anderen samen te werken,” zegt Budai, die sinds drie jaar ook contacten met Nederlandse gevangenissen onderhoudt.
Hij kijkt met wat verbazing naar het Nederlandse debat over de vraag of je meer man op één cel mag zetten: ,,In Hongarije zien gedetineerden het als straf als ze alleen moeten zitten. Je moet alleen oppassen dat je geen mensen bij elkaar zet die gevaarlijk voor elkaar kunnen zijn.”

donderdag 5 februari 2009

BUSKAARTJES

Bij gebrek aan een auto heb ik de laatste weken enkele keren de streekbus genomen. In veel gevallen is die aanzienlijk sneller dan de trein, en uiteraard doet hij ook dorpen aan waar helemaal geen trein komt.
Een week geleden moest ik naar Balassagyarmat voor een interview. De trein deed er twee uur over, de bus een dik uur, dus de keuze was snel gemaakt. Op het busstation wilde ik een kaartje kopen. "Dat kan alleen op de bus," zei de dame achter het loket streng tegen me. Op de terugweg in Balassagyarmat probeerde ik het weer, maar ook daar kreeg ik te horen dat kaartjes alleen op de bus verkocht werden.
Gisteren moest ik naar een dorpje in de buurt. Zelfde busstation, andere lijn. Bij het loket stond een eindeloze rij mensen abonnementen te regelen en meer rittenkaarten te kopen, bezigheden die gepaard gaan met het uitschrijven van allerlei bonnetjes en die daarom veel tijd kosten. Gezien mijn ervaring een week eerder leek het me meteen verstandig mijn kaartje op de bus te kopen.
"Dat kan niet hier, dat moet daar," vertelde de chauffeur mij. Hij wees in de richting van het busstation. Toen ik hem zei dat hij vermoedelijk vertrokken zou zijn tegen de tijd dat ik daar een kaartje had aangeschaft, knikte hij begripvol en vond een creatieve oplossing. Ik kon blijven zitten en moest bij de volgende halte een kaartje bij hem kopen. Dan kon het namelijk wel. En inderdaad, bij de volgende halte rolde er keurig een kaartje uit zijn automaat.
Toen ik het verhaal later in het dorp aan een paar vrouwen vertelde, bleek dat ik niet de enige was die het wat verwarrend vond. Naar Balassagyarmat moest je het kaartje inderdaad in de bus kopen, wist een van hen te vertellen, maar waarom was ook haar niet duidelijk.
Maar een ander vertelde me dat wachten in de rij voor het loket ook geen zin gehad zou hebben. Daar verkopen ze namelijk helemaal geen gewone kaartjes meer sinds er voor het stationsgebouw een kaartjesautomaat neer is gezet. Een onmogelijke automaat, vertelde ze erbij: "Ik heb er ooit tien minuten voor gestaan en ik heb niet kunnen uitvogelen hoe die werkte." Gelukkig bleek haar chauffeur ook van het begripvolle type, zodat ze toch thuisgekomen is.

woensdag 4 februari 2009

TECHNISCHE KEURING

De auto's op de andere weghelft knipperden waarschuwend, maar we reden niet te hard, de chauffeur had niet gedronken, we hadden de autopapieren bij ons, de verzekering betaald: geen reden om ons zorgen te maken. Dat deden we dus ook niet toen we werden aangehouden in een van de routinematige wegcontroles die de Hongaarse politie begint te organiseren zodra het weer wat mooier is en je als agent liever in het zonnetje staat dan achter je bureau zit.
Maar wat we over het hoofd hadden gezien was dat onze technische keuring, de Hongaarse APK, twee maanden eerder verlopen was. Stom genoeg hadden we onlangs wel gecontroleerd hoe het met de keuring zat, maar er niet bij stilgestaan dat het Hongaarse systeem niet één, maar twee keuringen kent: een technische en een aparte milieukeuring. Dat lijkt me vooral goed van de garagehouders.
Onze milieukeuring was tot november geldig. De technische dus niet.
Een boete, denk je dan. Dat krijg je in Nederland per slot van rekening ook. Dat gaat tegenwoordig zelfs automatisch, heb ik inmiddels begrepen. Wie zijn APK-keuring meer dan twee maanden laat verlopen, krijgt een acceptgiro van 75 euro thuisgestuurd.
Maar zoals we op het punt stonden om uit te vinden, word je in Hongarije meteen van de weg gehaald. Dat wil zeggen, de agent nam onze autopapieren in, krabde een zegeltje van ons nummerbord dat bewijst dat je gekeurd bent, en gaf ons een papiertje mee: daarmee mochten we naar huis rijden (aangezien, zoals het papiertje vermeldde, de auto in zodanige staat was dat er geen gevaar bestond), maar tot de zaak opnieuw gekeurd was, mochten we de auto niet gebruiken.
Hoe we onze papieren terugkregen? Die kregen we niet terug, volgens de agent, zodra we gekeurd waren, zouden we bij de gemeente nieuwe krijgen. Als die bewering had geklopt, zou het wel zo makkelijk zijn geweest. Maar zo simpel lag het dus niet.
Om onze auto te kunnen keuren, hebben we een officieel papier van de gemeente nodig. Daarmee kunnen we naar de garage, dan wordt de auto gekeurd, dan moeten we weer terug naar de gemeente en krijgen we onze autopapieren terug.
De gemeente kan het betreffende document echter pas afgeven, als ze de documenten van de politie heeft gekregen. Volgens het papiertje dat de agent ons gaf, zouden onze autopapieren binnen drie dagen naar de gemeente Vác worden opgestuurd. Maar na drie dagen zei de zeer vriendelijke dame aldaar dat ze nog niets binnen had. Een week later had ze nog steeds niets.
Toen ging er bij mij een lichtje branden. Niet alleen wij zijn verhuisd, onze auto ook. Dat staat ook in onze autopapieren, maar alleen ín de papieren. Op de voorkant staat nog steeds het oude adres, dat in Budapest.
En inderdaad, een rondje bellen leverde op dat onze papieren inmiddels op de deelgemeente van het 12de district lagen. Niet onze fout hoor, meende de agent in Dunakeszi, het politiebureau waar de zaak onder viel: "Wij schrijven alleen maar over wat er op de papieren staat." Niet voor niets vervangen politieagenten in Hongarije onze Belgen in de moppen.
Ook niet onze schuld, meende de dame in het 12de district, die zich in tegenstelling tot haar collega in Vác van haar meest onbehulpzame zijde toonde. Ze zouden alles doorsturen naar Vác, maar dat kon nog wel een paar dagen duren. Nu de documenten eenmaal bij hen liggen, moeten ze namelijk officieel in de boeken worden ingedragen, en ja mevrouw, u bent niet de enige die met dit probleem zit.
Dat klopt, want hoewel ik het verhaal nog niet aan vreselijk veel mensen heb verteld, ben ik er al twee tegengekomen die meteen een begripvol gezicht trokken. Met een beetje pech, zei een van hen, kost het je wel een maand om je auto weer terug te krijgen. Ik blijf optimistisch. We zijn pas anderhalve week heen. En zolang de treinen niet weer gaan staken, redden we het wel, al is het af en toe knap lastig.
Maar je zou voor je zaak maar echt afhankelijk zijn van zo'n auto. Of als je zo ongunstig woont dat je kinderen eigenlijk niet naar school kunnen of jij niet naar je werk? Voor een klein bedrijf dat zijn bedrijfsauto een paar weken kwijt is, kan zo'n grap net de nekslag zijn. En waarom? Omdat een keuring twee maanden verlopen is? Het is eigenlijk te gek voor woorden.

zondag 1 februari 2009

ONZIN

Ik zou er inmiddels aan gewend moeten zijn dat politici in Hongarije het niet zo nauw nemen met de waarheid. En dan heb ik het niet over premier Gyurcsány's bekentenis dat zijn partij tijdens de vorige verkiezingscampagne gelogen heeft. Gyurcsány voegde er destijds aan toe dat het maar eens afgelopen moest zijn met al dat gelieg. Zijn collega's trekken zich van die oproep helaas bitter weinig aan.
Neem een recent relletje waar Hongaarse internetforums van vol staan. Vorig jaar oktober kreeg Hongarije miljarden euro's steun van het IMF toen het land als gevolg van internationale financiële speculaties bijna failliet dreigde te gaan. Je zou enige dankbaarheid verwachten. Maar in plaats daarvan heeft de conservatieve parlementarier István Balsai het verhaal de wereld in geholpen dat het IMF als onderpand voor die lening mogelijk de Hongaarse kroon, het parlement of de kerncentrale in Paks zou hebben geëist.
Joost mag weten waar meneer Balsai, die in 2005 uit het christendemocratische MDF werd gegooid en sinds 2006 voor de grootste oppositiepartij Fidesz in het parlement zit, deze onzin vandaan heeft. Het slaat nergens op, zoals het ministerie van binnenlandse zaken ook bevestigde. Wat zou het IMF trouwens met het Hongaarse parlement moeten beginnen? Er zijn hoofdkantoor in vestigen? Verwarmd door electriciteit uit Paks, uiteraard.
Maar de beweringen spelen aardig in op het Hongaarse onderbuikgevoel. De heilige Hongaarse kroon! Het parlement! In handen van het IMF, een organisatie die geleid wordt door een man met de twijfelachtige achternaam Strauss-Kahn. Die verdomde Joden....
En dan is Strauss-Kahn ook nog een socialist, net als premier Gyurcsány. Vandaar dat Strauss-Kahn onlangs bij een bezoek aan Hongarije niet, zoals sommige kranten vooraf hadden voorspeld, de economische politiek van de regering volkomen afkraakte. Twee kameraden, twee handen op één buik, die het land naar de knoppen willen helpen, althans, als je een andere Fidesz-politicus, László Kövér moet geloven. Het moet voor het eerst zijn dat het IMF, volgens anarchisten en anti-globalisten wereldwijd eerder een bolwerk van het internationale kapitalisme, als een socialistische mantelorganisatie is afgedaan.
Het zijn geen eenmalig incidenten. Afgelopen week haalde Fidesz-politicus Tibor Navracsics tijdens een bijeenkomst in Miskolc uit naar de Europese Unie. Voor wie het zich niet kan herinneren: de EU stond, samen met het IMF, in oktober klaar om Hongarije met de toezegging voor een lening uit de problemen te helpen.
Maar Navracsics, de fractieleider van Fidesz in het parlement, zei tegenover zijn gehoor dat Hongarije het verdrag met de EU misschien maar eens opnieuw moest bekijken, want wat had EU-lidmaatschap Hongarije tot nu toe gebracht? Een ernstige economische krisis. Het lijkt onwaarschijnlijk dat Navracsics, een jurist en politicoloog, ontgaan is dat die krisis een economische ramp op wereldschaal is. En ik vermoed dat hij ook heel goed weet hoeveel erger het in oktober had kunnen aflopen als Hongarije géén lid van de EU was geweest. Niet voor niets verklaarde Fidesz-leider Viktor Orbán ergens in november dat de Hongaarse politici het over één ding eens zijn: het belang van een snelle toetreding tot de euro.
Een dag later verklaarde Navracsics dat zijn woorden anders bedoeld waren en dat hij helemaal niets tegen de EU heeft. Ik ben ervan overtuigd dat dat klopt. Ik ben er ook van overtuigd dat hijzelf zelf niet gelooft dat het verdrag met de EU heronderhandelbaar is. Maar maakt het het beter als een politicus alleen maar naar de EU uithaalt omdat hij klaarblijkelijk denkt dat zijn gehoor dat graag wil horen?

donderdag 22 januari 2009

HOOG WATER

Een van de eerste dingen die mensen ons meestal vragen als ze ons huis zien, is: het hoe zit het met overstromingen. Een gerechtvaardigde vraag als je een huis aan de rivier koopt. Voordat we het kochten, hebben we dan ook navraag gedaan, en hoewel bij de laatste twee overstromingen het water in de straat stond, bleef ons een meter hoger gelegen huis, gelukkig droog. Dat was ook het geval veertig jaar geleden, voor 2004 de laatste keer dat het water zo hoog kwam.
Als je huis aan de oever staat, ben je gek als je het risico van overstromingen niet meeneemt. Dat vindt de Hongaarse overheid sinds kort ook. Na de overstromingen in 2004 werd een nieuwe wet aangenomen, waarin officiële overloopgebieden werden aangewezen. Gebieden dus die een uitweg bieden aan het water, om te zorgen dat steden en woonwijken gespaard kunnen worden.
Tenminste, dat is de gedachte achter zulke overstromingsgebieden in Nederland. In Hongarije blijkt men daar iets anders over te denken. Een officiële milieu- en waterorganisatie heeft op basis van die wet een overstromingsplan gemaakt. Budapest, inclusief het vrijwel altijd overstromende Romai Fürdö (zie foto) zijn officieel niet bestempeld tot overstromingsgebied.
Maar steden en dorpen elders aan de Donauoever hebben pech gehad: die mogen met overheidsgoedkeuring onderlopen. Daar zijn complete wijken bij, die al honderd jaar geen last van overstromingen hebben gehad. In Vác gaat het om iets van tweehonderd huizen, niet alleen direct langs de oever, maar ook in een honderden meters van de rivier gelegen, maar laagliggende wijk die heel makkelijk door een dijk te beveiligen zou zijn.
In heel Hongarije dreigen al met al meer dan 110.000 eigenaars door het besluit getroffen te worden. Tja, zei een ambtenaar tegen de krant: we zeggen al jaren tegen gemeenten dat ze geen bouwvergunningen in die gebieden moeten afgeven. Alleen: veel van de huizen waar het omgaat, zijn geen één of twee jaar, maar vijftig of honderd jaar oud.
Dat een huis in overstromingsgebied staat, wordt officieel aangetekend in het kadaster. Die officiële bestempeling heeft een aantal consequenties: verzekeringen zullen zeker minder happig zijn om zo'n pand te verzekeren, ook al heeft het de afgelopen eeuw niet onder water gestaan. Verder mogen gemeenten geen bouwvergunningen verstrekken voor terreinen en panden in overstromingsgebied. Er is wat voor te zeggen om dicht bij de rivier geen nieuwe bouwvergunningen af te geven, maar het maakt verbouwen ook moeilijk. Kopers zullen er ook niet echt blij mee zijn.
Maar de belangrijkste consequentie, en vermoedelijk de echte reden van het besluit, is dat de staat zich onttrekt aan iedere verdere verantwoordelijkheid voor zulke gebieden. Die hoeft geen geld meer uit te trekken voor dijkversterking, of voor noodhulp aan getroffen huizenbezitters. Had je maar niet in een gebied moeten gaan zitten dat we achteraf als overstromingsgebied bestempelen. Zonder financiële compensatie, wel te verstaan.
Bijna was die maatregel doorgevoerd, zonder dat iemand het had opgemerkt. Gelukkig was er een oplettende MDF-politicus, die - luttele dagen voordat de termijn om bezwaar te maken verstreken was - aan de bel trok. Sindsdien broeit en pruttelt het in de Donaubocht.
Een haastig bij elkaar geroepen buurtvergadering trok een paar honderd belangstellenden . Aanvankelijk zou de bijeenkomst plaatsvinden in een klaslokaal in een naburige school, maar de opkomst was - tot verbazing van de organisatoren - zo groot, dat er uitgeweken moest worden naar de gymzaal.
Er was een hoop onrust, er waren een hoop vragen, en er waren mensen die het helaas niet laten konden: de regering had het niet goed gedaan, de socialistische burgemeester van Vác kreeg de schuld. Die had, het moet er bij worden gezegd, de gemeentesecretaris had gestuurd naar deze, naar bleek, door Fidesz en MDF-politici georganiseerde bijeenkomst. En zo dreigt ook zo'n kwestie weer een aanleiding te worden om het eigen politieke straatje schoon te vegen, in plaats van gezamenlijk actie te voeren.
Eén klein succesje heeft de bijeenkomst in ieder geval opgeleverd: er schijnen inmiddels zoveel protestbrieven bij het betreffende bureau te liggen, dat de termijn om te bezwaar aan te tekenen maar heeft verlengd. Verder heeft de burgemeester in een brief aan de minister geprotesteerd tegen de schending van het grondwettelijk gegarandeerde recht op eigendom. Het muisje krijgt nog wel een staartje. Maar ik vermoed dat we nog wel wat buurtvergaderingen te gaan hebben.