woensdag 6 juni 2018

Steeds minder Hongaren


Orbán's hoop: meer baby's
Borbolá Tóth dacht  al langer over een studie in het buitenland, maar sinds de Hongaarse verkiezingen begin april weet ze het zeker: ze gaat. "Dat Viktor Orbán weer gewonnen heeft, zette het licht op groen: ik ga naar Leuven voor mijn masters," zegt de 22-jarige studente Nederlands. Ze is bepaald niet de enige: na de Hongaarse verkiezingen zochten vier keer zoveel mensen als normaal op de website van EUwork, het grootste Hongaarse uitzendbureau voor werk in de EU, naar banen in West-Europa.
Tóth ziet het in haar eigen omgeving: al haar jaargenoten willen weg en ook haar ene broer heeft plannen. Haar vriend wil, net zal zijzelf uiteindelijk, in Nederland gaan werken. "Mij spreekt de Nederlandse openheid en directheid erg aan," zegt ze. Nederlanders lachen veel vaker dan Hongaren, vindt ze.
Ze treedt in de voetsporen van 600.000 Hongaren die volgens officiële cijfers afgelopen jaren het land verlieten om elders in de EU te werken of te studeren. Sinds 1990, toen er ruim tien miljoen mensen in Hongarije woonden, is de bevolking met 5,5 procent gedaald. Jarenlang was vooral het lage geboortecijfer verantwoordelijk voor die daling, maar de laatste jaren speelt migratie de hoofdrol. Volgens sommige onderzoeken overwegen nog 400.000 mensen om weg te gaan.
Volgens voormalig EU-commissaris László Andor zijn nog nooit zoveel Hongaren in vredestijd vertrokken. De directeur van de Nationale Bank, György Matolcsi, erkende onlangs tegenover ondernemers dat 4 procent van de beroepsbevolking inmiddels in het buitenland werkt.
Dat is waarschijnlijk een behoorlijke onderschatting. Volgens Eurostat woont 5,1 procent van de Hongaren inmiddels officieel in een ander EU-land, maar om in het buitenland te werken, hoef je daar niet ingeschreven te staan. Tienduizenden Hongaren die in Oostenrijk werken, forenzen bijvoorbeeld dagelijks heen en weer en wonen officieel gewoon thuis.
Die migratie heeft niet alleen negatieve kanten. Volgens schattingen sturen Hongaarse werknemers in het buitenland jaarlijks zo'n 3,5 miljard euro naar huis. Voor menige familie, maar ook voor het land zelf, is dat een belangrijke bron inkomsten. Gelijktijdig heeft Hongarije inmiddels een schreeuwend tekort aan arbeidskrachten. Winkels, ziekenhuizen en grote bedrijven: overal wordt personeel gezocht. Fruitboeren op het platteland vrezen voor hun opbrengst dit jaar, niet omdat vorst, hitte of ongedierte heeft toegeslagen, maar omdat er simpelweg geen mensen meer zijn die de appels of aardbeien kunnen plukken. Wie seizoensarbeid wil doen, kan beter bij een Nederlandse appelboer aan de slag.
Premier Viktor Orbán, die met vier dochters en een zoon zonder enige twijfel het goede voorbeeld geeft, heeft bevolkingsgroei tot een van de speerpunten van zijn beleid in de komende jaren verklaard. Maar toelating van migranten blijft voor hem onbespreekbaar. Meer kinderen moeten er komen. Voorlopig hoopt hij families over de streep te trekken met subsidies voor koopwoningen en andere financiële voordelen voor grote gezinnen.
Tóth kan zich niet indenken dat iemand daarom zou blijven: "Voordat je voor die subsidies in aanmerking komt, ben je drie kinderen en jaren verder", zegt ze. Probleem is dat bijna de helft van de vertrekkers net als zijzelf nog geen dertig jaar is. Driekwart is onder de veertig. Dat is precies de generatie die voor extra baby's zou moeten zorgen. Ze krijgen wel kinderen, maar steeds vaker gebeurt dat in het buitenland. Een op de zes Hongaarse baby's wordt inmiddels in den vreemde geboren.
Hoewel de verkiezingen Tóth het laatste zetje hebben gegeven, gaan de meeste mensen toch vooral vanwege de betere kansen en de hogere lonen in West-Europa. Het Hongaarse modale salaris bedraagt nog geen 800 euro per maand, het minimumloon rond de 300 euro.
Voor jongeren speelt de ruimere studiekeuze aan buitenlandse universiteiten een belangrijke rol. Een kwart tot een derde van de eindexamenkandidaten van Hongaarse topscholen kiest inmiddels voor een buitenlandse opleiding.  Zij vertrekken meestal niet 'voor goed'. Maar uit onderzoek van economisch instituut GVI blijkt dat degenen die in het buitenland studeren, daar uiteindelijk net als Tóth ook willen gaan werken. En hoe langer ze wegblijven, hoe groter de kans dat ze, bijvoorbeeld vanwege een partner, niet meer terugkomen. Terugkeer wordt helemaal moeilijk als er eenmaal kinderen zijn die elders naar school gaan.
Niet alleen de regering maakt zich zorgen. De onder jongeren populaire oppositiebeweging Momentum riep aanhangers kort na de verkiezingen op niet te vertrekken, maar zich thuis in te zetten voor verandering. Momentumbestuurslid en sociologe Anna Donáth weet zelf goed hoe aantrekkelijk dat buitenland is. Ze studeerde en werkte zes jaar in Nederland en deed een masters Migratie en Etnische Studies aan de Universiteit van Amsterdam. "Dat vak bestaat in Hongarije helemaal niet."
Aanvankelijk voelde ze zich niet echt thuis in Nederland. Dezelfde directheid die Tóth aantrekt, vond zij juist heel moeilijk. Dat veranderde toen ze een Nederlandse vriend kreeg. "Toen leerde ik Nederland eigenlijk pas echt kennen en zag ik de positieve kant. Mensen zijn niet alleen direct met hun kritiek, maar ook met hun complimenten."
Ze had zich dan ook net ingesteld op een toekomst in Nederland, toen haar Nederlandse vriend zo'n twee jaar geleden meldde dat hij wel naar Hongarije wilde. Ze vertrokken op de bonnefooi, maar vonden dankzij de krappe Hongaarse arbeidsmarkt allebei binnen zes weken werk.
De terugkeer had voor Donáth één schaduwzijde: "Al mijn oude vrienden woonden inmiddels in het buitenland." Toen iemand haar uitnodigde voor het zomerkamp van de nieuwe Hongaarse oppositiebeweging Momentum zei ze dan ook direct ja.
Inmiddels is ze fulltime actief in de organisatie, die bij de laatste verkiezingen ruim drie procent van de stemmen haalde: "Om te blijven moeten mensen een goede reden hebben en dat kan alleen als het land verandert. Hongaren zijn op dit moment ontzettend verdeeld en wantrouwig. We moeten ons ervoor inzetten dat we opnieuw met elkaar leren praten en elkaar weer gaan vertrouwen. Alleen zo kunnen we opnieuw een Hongarije opbouwen dat je niet wilt verlaten en dat het waard is om voor terug te komen."

zondag 27 mei 2018

Vegetarisch eten op school? Dat kan niet zomaar.

Schoolmaaltijd: wel vlees, geen groente.
Je kind vegetarisch, laat staan veganistisch opvoeden? Niet als het aan het Hongaarse Ministerie van Menselijk Potentieel ligt. Achter deze wonderlijke naam verschuilt zich onder meer het departement voor onderwijs, dat sinds drie jaar voorschrijft dat schoolmaaltijden dierlijke producten dienen te bevatten. Bij peuters die naar een crèche gaan, moet in iedere maaltijd zelfs iets van vlees of melk zitten. Dat is goed voor de botten.
De oplossing lijkt simpel: je kind zelf eten meegeven. Maar dat gaat zomaar niet. Het warme middagmaal is de Hongaarse hoofdmaaltijd en de schoolmaaltijd daarom een vast, en verplicht, onderdeel van de schooldag. Dat moet je serieus nemen. Dezelfde ministeriële voorschriften verbieden daarom het meegeven van ouderlijke lunchpakketten.
Er is op die schoolmaaltijden veel af te dingen, ook als je niet vegetarisch eet. Ze mogen niets kosten en zijn vaak te vet en te zout. Groente, als al, is overgaar of bestaat uit zoetzure augurken of ander zoetzuur. Wel populair is fözelék, een stevig doorgekookte groentestoofpot, in dikte iets tussen puree en soep en gebonden met een meelpapje en vaak nog room. Het is een soort gerecht dat - op de knoflook die er vaak in zit na - niet misstaan zou hebben op een Nederlandse eettafel in de jaren zestig. Vaak drijft bovenop een knakworstje, vanwege dat vlees.
De slechte kwaliteit van de schoolkeuken was vroeger bij mijn zoon op school dat ook een vast punt op de ouderavond. Daar kwamen trouwens ook hilarische voorbeelden van 'vegetarische' maaltijden voorbij, zoals een bouillon getrokken van botten. Bouillon bevat geen vlees, toch?
Nu zijn niet alle scholen even streng. Daardoor ontdekte de moeder van een zevenjarige die sinds zijn peutertijd slechts kokhalzend vlees eet, pas niet zo lang geleden dat zijn vleesloze dieet al jaren tegen de regels is. Aanleiding was de komst van een nieuw schoolcateraar. Die hield zich strikt aan de regels, niet in de laatste plaats omdat de zeer gedetailleerde ministeriële maaltijdvoorschriften het knap moeilijk maken om tegemoet te komen aan speciale dieetwensen.
Aan nieuwssite Index.hu vertelde de moeder over haar Kafkaiaanse pogingen om haar zoontje desondanks vleesloos te laten eten. Het begon met een telefoontje van een gemeenteambtenaar dat het kind vanaf nu gewoon met de schoolpot moest mee eten. Of het nou vlees lust of niet. En nee, een eigen lunch meegeven mocht dus niet.
De cateraar wilde uiteindelijk wel vleesloos koken, maar alleen als ze een doktersverklaring kon overleggen dat het kind geen vlees verdroeg. Niet zomaar van de huisarts, nee, van een gastro-enteroloog. Tot dan moest het eten wat op zijn bordje kwam. Of niet eten, dat kon natuurlijk ook.
Nu maak je in Hongarije, net als in Nederland, niet zomaar met een specialist. De moeder had er bovendien een hard hoofd in dat die een verklaring zou tekenen dat het kind geen vlees verdroeg, alleen omdat het dat niet lustte.
Gelukkig was er nog een ‘klein poortje’, zoals de Hongaren dat noemen, een regeltje waarmee je de andere regels kunt omzeilen. In dit geval was dat: godsdienstvrijheid. Als ze nou gewoon even wilde beweren dat haar kind om religieuze redenen geen vlees at? Het liegen stond haar tegen. Maar dat heeft ze uiteindelijk maar gedaan.

donderdag 4 januari 2018

Beer in de keuken

Dictator Ceausescu op berenjacht
Begin november hoorde de familie Domokos in het Roemeense Băile Tușnad enorm gestommel de keuken. Toen ze gingen kijken, zagen ze een beer die bezig was hun koelkast uit te ruimen. Het beest ging ervandoor, maar niet met lege poten: hij nam de reuzel en de auberginecreme mee en peuzelde die in de tuin op. Toen de familie noodnummer 112 belde, werd hen verteld dat er even niemand kon komen: de lokale politie was net op weg naar een naburig pension, vanwege een melding dat daar een beer had ingebroken.
De familie Domokos was zeker niet de enige die zoiets overkomen is. Beren die pannenkoeken uit de keuken jatten of voorraden uit de schuur zijn een normaal verschijnsel in de Roemeense Karpaten. Sinds de zomer wordt de regio geplaagd door lastige beren en wie dacht dat de dieren een winterslaap houden, komt bedrogen uit. De (onvolledige) oogst van de afgelopen maanden: begin januari raakte een man gewond toen hij een beer uit zijn tuin verjoeg. Gelukkig waren zijn honden bij hem om hem te helpen. Minder gelukkig liep het in december met een jager af, die door een beer werd aangevallen. Overigens was de jager op illegale berenjacht.
Op 3 november raakte in Brasov, een stad van 250.000 inwoners, een 27-jarige man gewond door een beer. Een dag later haalden beren in dezelfde stad een afvalcontainer leeg. In dezelfde week werd een berghut in de buurt van Brasov drie keer door een beer bezocht. De laatste keer wist hij in de keuken door te dringen en pikte de suiker mee. Sindsdien is de beer nog herhaaldelijk gesignaleerd, begin januari stond hij naast de lokale skipiste. In Băile Tușnad roofden beren niet alleen auberginecreme, maar ook de kaarsen en bloemen van het lokale kerkhof. En in de toeristenplaats Busteni moest de politie op één avond maar liefst tien beren gelijktijdig de stad uitjagen.
Roemenië is met naar schatting 6000 beren het meest beerrijke land van de EU. Dat is wel eens anders geweest. Na de Tweede Wereldoorlog was de soort haast uitgestorven. Maar in de communistische tijd werden ze beschermd. Er werd wel op hen gejaagd, maar alleen door de partij-elite, en uiteindelijk slechts door één man, dictator Niculae Ceausescu, die de beren op speciale voederplaatsen liet voeren, zodat hij zittend op een hoogzitter soms tien of meer dieren op een dag kon afschieten.
Maar zelfs Ceausecu kon alleen niet zoveel dieren omleggen dat hij de groei van de berenpopulatie daarmee stopte. Na de val van het communisme kwamen er jachtvergunningen. Buitenlanders hadden de 10.000 euro die de Roemenen voor het schieten van een beer vroegen, er graag voor over. Jaarlijks kostte dat zo'n 550 beren het leven, maar in 2016 werd de Roemeense jacht op beren, en die op wolven en lynxen, tot veler verbazing van de ene op de andere dag helemaal verboden.
Sindsdien is het aantal beren verder gegroeid, maar dat is volgens het Wereldnatuurfonds niet de belangrijkste reden waarom ze het bos uitkomen. Die organisatie wijst op de ongecontroleerde Roemeense boskap, die het leefgebied van beren en wolven in het Karpatengebergte ernstig aantast. Verder worden de dieren aangetrokken door voedselresten die toeristen bijvoorbeeld achterlaten. Om die reden was Poenari, een van de populairste kastelen in Roemenië, afgelopen zomer een paar dagen dicht toen een berenmoeder met drie jongen het pad erheen onveilig maakten. Uiteindelijk werd die familie naar elders verplaatst.
Bewoners van de Karpatenregio hebben geen boodschap aan zulke argumenten. Zij willen simpelweg af van de dieren, die niet alleen auberginecreme en suiker, maar ook schapen en geiten roven en die al een aantal mensen ernstig verwond hebben. Menigeen heeft inmiddels zelf actie ondernomen, op de meest beeronvriendelijke manier: door lokaas met een langzaam werkend gif neer te leggen, zodat de dieren een eind van de bewoonde wereld een buitengewoon nare dood sterven.
Onder publieke druk hebben professionele jagers onlangs opdracht gekregen de 140 meest problematische beren en 97 wolven af te schieten. Natuurbeschermers protesteren heftig. Volgens hen is het een betere oplossing om de bewuste beren te vangen en te exporteren naar landen met een kleinere berenpopulatie, waar nieuw bloed welkom is en dreigende inteelt kan voorkomen.
Maar zo makkelijk is dat niet, heeft minister van milieubescherming Gratiela Gavrilescu al gemerkt. Midden oktober peilde zij tijdens een conferentie over biodiversiteit in de EU of andere berenlanden interesse in de Roemeense dieren hadden. Het antwoord was een duidelijk nee. Geen Zweed, Kroaat, Fin, Slowaak of Sloveen zit te wachten op een Roemeense beer in zijn vuilnisbak.

donderdag 7 december 2017

Belastingdienst zorgt voor zijn centen

Af en toe spreek ik Nederlanders die naar Hongarije verhuisd zijn omdat ze genoeg hebben van het Nederlandse oerwoud aan regels en ambtenarij. Nou denk ik dat we in Nederland best met een regeltje minder toe zouden kunnen, en in veel sectoren inmiddels met heel wat regeltjes minder. Maar desondanks: keep on dreaming.
Hongarije barst van de regelgeving, maar dat veel Hongaren ook niet precies weten hoe het zit, komt omdat de informatie (voorlichting kun je het niet noemen) over die regelgeving over het algemeen verpakt is in een ambtelijk taalgebruik waar zelfs een advocaat nog moeite mee heeft. Pakweg in de geest van 'met inachtneming van artikel 4, paragraaf 6a van verordening 206 A van de wet op de vuilnisophaal 2006 wijs ik erop dat het slechts is toegestaan om op basis van verordening 10bis van de gemeentelijke afvalverwerkingsregeling d.d. 10 augustus 2007 goedgekeurde afvalcontainers met een maat van maximaal 70x70x150 centimeter langs de weg te plaatsen.' . Met andere woorden: de vuilnisbakken die je mag gebruiken, mogen maximaal 70 bij 70 bij 150 centimeter groot zijn.
Bovenstaand voorbeeld, ik geef het meteen toe, heb ik ter plekke verzonnen. Maar de tekst zou zo uit de pen van een Hongaarse ambtenaar gevloeid kunnen zijn. Sterker nog, ik heb ze aanzienlijk moeilijker gezien. Informatie van de Hongaarse overheid is altijd in zo'n vorm gegoten dat niemand er kaas van kan maken.
We legden ooit een voor ons onbegrijpelijke brief van een overheidsinstantie aan een Hongaarse buurvrouw voor. Ze doceerde aan de universiteit, maar begreep zelf ook totaal niet wat er nou precies stond. En dan hadden wij nog een goed opgeleide buurvrouw. Je zou maar een ongeletterde zigeuner in een dorp vol met andere ongeletterde mensen zijn en zo'n epistel krijgen.
Ergens in die onleesbare brij van wetten, artikelen en verordeningen moet er eentje zijn die bepaalt dat het de belastingdienst, maar ook de gemeente is toegestaan zomaar belastinggeld van je bankrekening te halen. Dat gebeurt namelijk. Het overkwam een vriendin van ons, die er op pijnlijke wijze achterkwam dat ze haar elektriciteitsrekening niet kon betalen omdat er geen geld op haar rekening stond terwijl ze dat wel verwachtte. Het bleek dat de gemeente belasting waarvan ze niet eens wist dat ze hem schuldig was, van haar rekening had gehaald.
Raar foutje? Niet volgens haar boekhouder, die zei dat het helemaal volgens de regels was, en ook niet volgens mijn eigen ervaring. Onlangs moest ik voor iemand een brief van de bank vertalen, die geheel gesteld was in bovenstaand onbegrijpelijk ambtelijk taalgebruik. Pas na enig denken begreep ik waar het om draaide: de bank liet de rekeninghouder weten dat de belastingdienst een bepaald bedrag van zijn bankrekening had geïnd, of - als dat geld niet op zijn rekening stond - dat de belastingdienst alvast een claim had gelegd op geld dat in de toekomst binnen zou komen.
Zelf ontdekten we op zeker moment ook dat de gemeente gemeentelijke belasting van onze rekening had afgeschreven, zonder ons ooit een brief te hebben gestuurd dat we dat geld verschuldigd waren. Dankzij mijn vriendin en de vertaalde brief wist ik inmiddels dat ik nergens van op moet kijken op dit vlak. Gelukkig kwamen we er niet pas achter omdat we onze elektriciteitsrekening niet konen betalen. Want aan aanmaningen doen de gas en lichtleveranciers nauwelijks. Voor je het weet, ben je gewoon simpelweg afgesloten.
We zullen maar zeggen, het is de Hongaarse vertaling van de slogan van de Nederlandse belastingdienst: "Leuker willen we het niet maken. Makkelijker wel. Voor onszelf".

zondag 5 november 2017

Oostenrijk kan niet zonder Hongaarse werknemers


Foto Runa Hellinga
Bad Sauerbrunn kan niet zonder Hongaarse arbeid
Bij het Shellstation langs de autoweg bij het Oostenrijkse Nickelsdorf bestel je makkelijker koffie in het Hongaars dan in het Duits. Vrijwel het hele personeel komt uit van net over de grens. Zoals veel mensen in West-Hongarije werken ze liever in Oostenrijk, waar het minimumloon vijf keer hoger is als thuis.
Na illegale asielzoekers en veiligheid zijn werknemers en migranten uit de EU, vooral uit de armere buurlanden Hongarije, Slowakije en Slovenië, een hoofdthema in de Oostenrijkse politiek. De boodschap van zowel de conservatieve ÖVP als de rechts-populistische FPÖ, de twee partijen die na de verkiezingen midden oktober waarschijnlijk samen de nieuwe regering vormen: burgers uit arme EU-landen houden de werkloosheid hoog en misbruiken Oostenrijkse sociale voorzieningen. Opmerkelijk, want de Oostenrijkse werkloosheid daalde sinds januari met maar liefst drie procent. Maar 7,7 procent is natuurlijk nog steeds best veel.
De forse daling komt niet van niets. De recente verkiezingscampagne suggereerde soms anders, maar het gaat goed met de Oostenrijkse economie. Economen voorspellen voor 2017 een groei van 2,8 tot 3 procent, de koopkracht groeit, het aantal mensen op de armoedegrens daalde van 20,6 naar 18 procent. Alleen: de nieuwe banen dat die groei oplevert, wordt voor 70 procent gevuld door werknemers uit oostelijke, armere EU-landen en andere immigranten. En zie je vooral hier aan de oostgrens, in Burgenland, terug.
Bij de bron in Bad Sauerbrunn tapt een bewoner flessen van het licht koolzuurhoudende, sterk naar ijzer smakende mineraalwater waaraan het Burgenlandse kuuroord zijn naam aan dankt. De terrassen op de Hauptplatz zijn leeg. Een bord bij restaurant de Dorfwirt meldt dat ze de hele dag warme maaltijden hebben. De jeugdige ober brengt een kaart. Hij spreekt perfect Duits, maar komt uit Albanië, zegt hij.
"We hebben hier in de horeca en de kuurbaden 600 arbeidsplaatsen. Die worden voor pakweg de helft door buitenlanders, vooral Hongaren, gevuld," zegt Gerhard Hutter,  burgemeester en afgevaardigde van de onafhankelijke Lijst Burgenland. Zonder hen gaat het niet, zegt hij. "De horeca is geen familievriendelijke bedrijfssector. De lonen zijn laag, de werktijden onregelmatig. Oostenrijkers willen dat niet.”
Minder begrip heeft hij voor Oost-Europese bedrijven, vooral in de bouw, die hun diensten ver onder de Oostenrijkse marktprijs aanbieden. "Ze betalen hun werknemers veel minder en houden zich niet aan onze regelgeving. Dat is oneerlijke concurrentie die moet worden aangepakt."
Wat hem daarnaast steekt, is dat buitenlanders vanaf het eerste moment dat ze in Oostenrijk wonen of werken, beroep kunnen doen op de sociale voorzieningen. De conservatieve ÖVP-lijsttrekker Sebastian Kurz wil nieuwkomers (ook Nederlanders die naar Oostenrijk verhuizen) pas na vijf jaar volledige sociale rechten en bovendien het woonland-principe invoeren: wie een gezin in het goedkopere Hongarije heeft, verliest het recht op volledige kinderbijslag. Hutter is het daar volledig mee eens.
Maar hij is de eerste om te erkennen dat open grenzen bepaald niet alleen nadelen hebben. Als één bondsland geprofiteerd heeft van de val van het communisme, het EU-lidmaatschap en het Schengenverdrag, dat is het Burgenland. "Vroeger was dit echt het einde van Europa. Aan de oostkant liep het IJzeren Gordijn. Daar kon geen mens, maar ook geen handel doorheen. Er gebeurde echt helemaal niets."
Bad Sauerbrunn was destijds een vergeten uithoek. Weinig herinnerde aan de bloeiperiode, toen Oostenrijk en Hongarije beide deel uitmaakten van het Habsburgse rijk en de trein Wenen-Sopron-Budapest in het kuuroord stopt. Kapitale villa's getuigen van die gloriejaren, waar een abrupt einde aan kwam toen datzelfde Habsburgse rijk na de Eerste Wereldoorlog in vele landen uiteenviel. Na de Tweede Wereldoorlog werden de oude kuurbaden afgebroken. Pas sinds eind jaren tachtig leeft het kuurtoerisme weer op.
Inmiddels zijn de contacten met Hongarije weer hersteld. Hutter: "Er zijn uitwisselingsprogramma's met scholen uit Sopron, net over de grens, Hongaarse studenten pendelen hierheen voor werk en onze kuurtoeristen maken uitstapjes daarheen. Dankzij die open grenzen heeft Burgenland de laatste dertig jaar een enorme economische inhaalslag gemaakt, daar is geen twijfel over mogelijk."


maandag 25 september 2017

De stem van de Paus in Hongarije

Foto Runa Hellinga
Bisschop Miklós Beer met Sejmen Aldauidi
Asielzoeker Sejmen AlDauidi woont inmiddels waarschijnlijk niet meer in het bisschoppelijk paleis in het Donaustadje Vác. Zijn asielaanvraag werd eerder dit jaar afgewezen, en vanaf dat moment hield bisschop Miklós Beer er rekening mee dat de Hongaarse politie ieder moment op de statige bisschoppelijke paleispoort kon kloppen om de Koerdische civiele ingenieur op te halen. Net zoals dat eerder met zijn voorgangers, twee vluchtelingen uit Afrika, gebeurde. Toen kwamen de agenten in alle vroegte en voerden de twee in boeien af, vertelt de bisschop met bedrukt gezicht.
Maandenlang deelde Beer paleis en eettafel met AlDauidi en drie andere vluchtelingen.  De Koerd bekeerde zich tot het katholicisme, Beer heeft hem persoonlijk gedoopt, de andere waren drie moslim. Een van hen hield zich aan de ramadan. In die weken at de rest 's avonds wat later.
Beer geeft vluchtelingen
onderdak omdat te helpen en om een voorbeeld te stellen. "Mijn droom is dat iedere parochie een vluchtelingenfamilie huisvest," zegt hij. Dan kan Hongarije makkelijk 20.000 mensen huisvesten. "Eén familie per dorp, die worden zo geaccepteerd." Dat daarmee het terrorismegevaar toeneemt, gelooft hij niet: "Het is juist de verbittering van mensen die uitgesloten en opgesloten worden die tot radicalisering leidt."
'De stem van de paus' noemen Hongaarse media de bisschop. Een geuzennaam, vindt hij, maar het is lang niet altijd complimenteus bedoeld. Op Facebook krijgt Beer de nodige beschimpingen te verduren. De Hongaarse katholieke kerk is overwegend zeer conservatief en Franciscus is lang niet bij iedereen populair. Beers collega in Szeged wijst diens uitspraken over vluchtelingen categorisch af en sommige priesters noemen de kerkvader openlijk de anti-Christ.
Beer wordt gedreven door mededogen. "Oorlog, rampen, droogte: niemand kiest de plek en situatie waarin hij geboren wordt. Je kunt niemand op basis van zijn herkomst wegzetten als terrorist of juist als onschuldig mens." Toch steunt hij, met tegenzin, het grenshek dat premier Viktor Orbán liet bouwen. "Je moet een deur ophouden voor vluchtelingen die het echt nodig hebben, maar je moet voorkomen dat mensen zomaar door het raam Europa binnenkomen," zegt hij. Hoe die deur open moet blijven, is een goede vraag. "Maar zoals Paus Franciscus zegt: eenvoudige antwoorden bestaan niet. Je moet vechten voor het juiste antwoord."
De bisschop leeft naar wat hij preekt, eenvoudig en hulpvaardig. Niet alleen geeft hij vluchtelingen onderdak, op besneeuwde winterdagen veegt hij zelf de stoep voor zijn paleis. Zijn bisdom omvat de straatarme provincie Nógrád, met dorpen waar vrijwel uitsluitend arme Roma, zigeuners, wonen, en hun problematiek gaat hem aan het hart. "In het huidige Hongarije bestaat geen dringender vraagstuk dan dat," zegt hij. Het bisdom organiseert onder meer naschoolse opvang met huiswerkhulp voor Roma-kinderen om hun onderwijskansen te verbeteren. In zijn preken roept Beer kerkgangers op om zigeuners als broeders te aanvaarden.
De Bergrede is zijn leiddraad: "Daarin zegt Jesus: Zalig die hongeren en dorsten naar de
gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Zalig de barmhartigen, want hun zal
barmhartigheid geschieden. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen". Hij noemt het een waterscheiding in de manier waarop mensen geloven: "Of je aanvaardt die woorden en stelt medemenselijkheid voorop of dat je maakt geloof afhankelijk van rituelen: hoe vaak mensen naar de kerk gaan, bidden en vasthouden aan hun tradities."
Salonchristendom en cultuurchristenen, zo omschrijft Beer die laatste houding en hij herkent die bij veel politici die zeggen dat ze christelijke waarden beschermen wanneer ze voor potdichte Europese grenzen pleiten. De kloof tussen zulk traditionalisme en de opvattingen van de paus gaat zo diep dat hij eerder waarschuwde voor het gevaar van een breuk in de katholieke kerk.
Zo hard wil hij het nu niet formuleren, maar toch: "Vijfhonderd jaar na de reformatie is duidelijk dat het niet zover had hoeven komen als mensen naar elkaar waren blijven luisteren. Dat geldt nu. Maar er worden veel stompzinnigheden over Paus Fransciscus beweerd, zoals de beschuldiging dat hij de antichrist is. Dat is spelen met vuur. Dat mag gewoon niet."

maandag 4 september 2017

Hitler verzwijgen heeft geen zin

Foto Runa Hellinga
Hitlerhuis in Braunau
Adolf Hitler hechtte weinig aan zijn geboortehuis aan de rand van het centrum van Braunau am Inn. Het was een huurhuis waar hij hooguit het eerste jaar van zijn leven heeft doorgebracht en waar ze wat hem betreft een kantoor in mochten vestigen. "Braunau was voor hem niet belangrijk. Linz was de stad van zijn jeugd," zegt Florian Kotanko, oud-directeur van het lokale gymnasium en voorzitter van de Vereniging voor Geschiedenis in Braunau. Toen Hitler na de machtsovername in Oostenrijk een bezoek aan zijn geboorteplaats bracht, reed hij het huis straal voorbij.
Toeristen denken er duidelijk anders over. Ze komen weliswaar niet met busladingen tegelijk, maar wie tien minuten de tijd neemt, ziet een gestage stroom belangstellenden stoppen. Ze bekijken de rots op de stoep, een steen uit concentratiekamp Mauthausen met daarop de tekst 'Voor vrede, vrijheid en democratie, nooit weer fascisme, miljoenen doden waarschuwen'. Ze nemen een foto en een enkeling laat zichzelf portretteren voor de lichtgeel gepleisterde gevel.
Veel bijzonders is er eigenlijk niet te zien, behalve dat het gebouw wat onderhoud kan gebruiken. Nergens staat dat Hitler hier geboren werd. Bewust niet. De stad ziet toeristen liever komen vanwege het fraaie historische centrum en doet er alles aan om belangstelling voor het Hitlerhuis te ontmoedigen, ook al uit angst dat het een verzamelpunt van neonazi's wordt. Kotanko maakt zich daar minder bezorgd om. "Er zal er vast wel eens een komen, maar geboortehuizen van beroemde of beruchte personen hebben nu eenmaal op heel veel mensen aantrekkingskracht,"  zegt hij.
Ooit was Braunau wel blij mee met hun bekende stadgenoot. Tot de oorlog toerisme de das omdeed, trok het geboortehuis ook tijdens het Derde Rijk de nodige geïnteresseerden en deed de plaatselijke middenstand goede zaken met fotobriefkaarten, vooral nadat Oostenrijk bij Duitsland was ingelijfd. Ondanks Hitlers desinteresse kocht zijn rechterhand, rijksleider Martin Bormann het pand in 1938 aan. Een paar bijgebouwen aan de achterkant moeten plaatsmaken voor een terrein voor openluchtbijeenkomsten. In 1943 werd het gebouw ter gelegenheid van Hitlers verjaardag ingericht voor 'volksopvoedkundige' doeleinden, met een galerie en een bibliotheek. Op de gevel staat nog steeds 'Volksbücherei'. Het terrein aan de achterkant is inmiddels parkeerplaats.
Na de oorlog werd de bestemming van het huis onderwerp van discussie. Een tijdlang hield de Amerikaanse veiligheidsdienst er kantoor. Later huurde de staat het pand en opende een sociale werkplaats. Plannen voor een gevelsteen om de slachtoffers van het fascisme te herdenken stuitten op verzet van de eigenaresse. Vandaar de rots uit Mauthausen, misschien zelfs een betere oplossing, want het is moeilijk het huis te fotograferen zonder die steen erbij.
Problemen ontstonden er pas toen de sociale werkplaats een paar jaar geleden wilde moderniseren. Ook dat weigerde de eigenaresse. De werkplaats verhuisde, het pand staat sindsdien leeg, maar de staat bleef jaarlijks zo'n 50.000 euro huur betalen om te voorkomen dat het aan verkeerde mensen zou worden verhuurd. Dat vond de Oostenrijkse Rekenkamer uiteindelijk te gek worden, maar een poging om het pand te kopen stuitte op nieuw verzet van de eigenaresse. De alarmbellen gingen pas echt rinkelen toen ze dreigde de huur op te zeggen, zegt Kotanko. Het ministerie van binnenlandse zaken greep in en stelde onteigening en sloop voor. Dat leidde tot gerechtelijke procedures die inmiddels bij het Europese Hof zijn beland.