zaterdag 12 januari 2019

Voor Orbáns nieuwe kantoor mag niet worden gedemonstreerd

foto Runa Hellinga
Erewacht voor het Sándorpaleis, kantoor van de president,
waar Orbán eigenlijk naar toe had gewild
De Hongaarse premier Viktor Orbán vervulde dit nieuwe jaar een oude wens en verruilde zijn werkkamer in het parlement voor een nieuw kantoor op de burchtheuvel. Waar Mark Rutte het moet doen met een torentje niet ver van de Tweede Kamer, heeft Orbán nu een gerestaureerd klooster met riant uitzicht over de stad, ver van oppositieparlementariërs die hem per ongeluk aanschieten met vervelende vragen.
Orbán zit in toekomst niet alleen ver van lastige parlementariërs, maar ook van demonstrerend gepeupel. Volgens een nieuwe regeringsregeling die eind december werd gepubliceerd, mag bij zijn nieuwe kantoor of bij dat van de president dat er pal naast ligt, namelijk niet worden gedemonstreerd. Het wordt dus lekker rustig voor de deur, al zou inzet van de ME tegen demonstranten die dat verbod spontaan negeren die pret natuurlijk wel bederven.
Voor Orbán komt de verhuizing eigenlijk zeventien jaar te laat. Al toen hij voor het eerst premier was, tussen 1998 en 2002, liet hij het naast het klooster gelegen Sándorpaleis opknappen Daar hadden voor de Tweede Wereldoorlog alle Hongaarse premiers hun residentie gehad. Dat wilde hij ook.
Maar voor hij destijds kon verhuizen, verloor hij in 2002 de verkiezingen. Zijn opvolger Péter Medgyessy vond dat een premier in de buurt van het parlement hoorde te zitten en gaf het Sándorpaleis daarom als kantoor aan de president, die eigenlijk geen fatsoenlijke werkruimte in de stad had.
Maar Orbáns nieuwe, ruime onderkomen maakt veel goed. Het klooster werd ooit gebouwd van de Karmelietessen, maar huisvestte sinds het begin van de negentiende eeuw een theater dat onder meer befaamd was omdat er ooit het eerste Hongaarse toneelstuk in Boeda werd opgevoerd. In de laatste jaren, tot Orbán besloot dat hij er kantoor wilde houden, was het nationale danstheater in het gebouw gevestigd. Het gebouw is stukken groter dan het Sándorpaleis, en kreeg bovendien nog een extensie. Totale kosten: waarschijnlijk een dikke 14 miljoen euro.
Waarschijnlijk, want het kostenplaatje van deze verhuizing is onbekend, zoals de kostenplaatjes van grote Hongaarse regeringsprojecten wel vaker onduidelijk blijven. Pas toen het gerucht ging dat alleen al de inrichting van Orbáns werkruimte 14 miljoen had gekost, kwam er wat openheid van zaken. Twee online nieuwssites, het regeringsgetrouwe Origo en Index, de site die de kosten van de inrichting als eerste aan de orde had gesteld, kregen kort voor de verhuizing een rondleiding.
Die maakte vooral duidelijk dat veel oude elementen zoals betimmeringen zijn hersteld, maar het gebouw als geheel redelijk strak is ingericht. Maar ook dat de kosten van de inrichting van de werkkamer van de premier eigenlijk niet te berekenen zijn.
Die blijkt namelijk gestoffeerd te zijn met staatsbezit waarvan alleen een taxateur de waarde zou kunnen aangeven. Aan de muren hangen klassieke schilderijen uit het Museum voor Schone Kunsten en op de vloer liggen kostbare handgeknoopte tapijten uit de Turkse verzameling van het Museum voor Toegepaste Kunst.
Het gaat om kunstwerken en voorwerpen die in de museumdepots opgeslagen waren, is het publiek verzekerd. Er is natuurlijk niets tegen dat die elders wordt opgehangen, dan hebben tenminste sommige mensen er plezier van. Maar het blijft raar dat Orbán met zijn schoenen over tapijten mag lopen die een museumbezoeker nog met geen vinger had mogen aanraken.
En dan is er natuurlijk nog het aangrenzende terras met weids uitzicht over de Donau en de hele stad. duidelijk ook een oude wens van Orbán, want het Sándorpaleis kreeg destijds net zo’n terras. Om die terrassen te kunnen bouwen, werd jaren geleden al de openbare promenade afgesloten die achter de gebouwen langs de muur van de burcht liep.
Of toekomstige presidenten nog lang van hun terras in het Sándorpaleis zullen kunnen genieten, is overigens de vraag. Er is namelijk sprake van dat Orbán na de volgende presidentsverkiezingen alsnog zelf in het Sándorpaleis wil gaan wonen. Net als zijn vooroorlogse voorgangers.
Niet alleen Orbán verhuist overigens naar de burcht, ook zijn ministers gaan mee. Terwijl de meeste ambtenaren ergens in de stad blijven, worden overal op de burcht gebouwen opgeknapt waar de ministeriële top gehuisvest wordt.

Goedkope maaltijden

Niet alleen de inrichting, ook de kantine in Orbáns nieuwe kantoor heeft het nodige stof doen opwaaien. Die blijkt namelijk verzorgd te worden door het Gundel-restaurant, een van de duurste restaurants van de stad. Een simpele kippensoep kost er 2700 forint (een kleine 8,5 euro) en de somloi galuska, een dessert van cake, rum, slagroom en chocoladesaus, hetzelfde.
In antwoord op de commotie dat zo'n duur restaurant in werd geschakeld voor de catering, publiceerde het kantoor van Orbán een foto van de menukaart. Dat bleek niet zo'n handige zet: het feit dat de regeringstop haar Gundel- somloi galuska voor 260 forint, nog geen tiende van de restaurantprijs, kan kopen, viel niet zo goed in een land waar veel ziekenhuizen zo weinig geld kunnen besteden aan het eten dat patiënten dat vaak liever door hun bezoek laten meenemen.
De lage prijzen werden daarmee gerechtvaardigd dat de porties ook kleiner waren. Mag zijn. Maar tien keer zo klein?

zondag 23 december 2018

Jobbik, Hongarije's nieuwe centrumrechts

Demonstratie tegen de arbeidtijdsenwet
"Als wij in 2010 hadden gewonnen, hadden we misschien een vergelijkbare politiek gevoerd als deze regering. Een aantal dingen die Fidesz heeft gedaan, komen oorspronkelijk zelfs uit ons toenmalige verkiezingsprogramma. Maar na ruim acht jaar Orbán weten we hoe belangrijk democratische concepten als persvrijheid en onafhankelijke rechtspraak zijn."
Als fractieleider van Jobbik heeft Márton Gyöngyösi iets uit te leggen. Jarenlang stond Hongarijes grootste oppositiepartij symbool voor rechts extremisme in Europa. De partij had een eigen paramilitaire garde die tegen 'zigeunercrinimelen' optrad en haalde regelmatig het nieuws met antisemitische incidenten. Zo vroeg Gyöngyösi zelf in 2012 bijvoorbeeld om een lijst van volksvertegenwoordigers en topambtenaren van Joodse afkomst.
Geen oppositielid wilde destijds ook maar iets met hem te maken hebben. Maar afgelopen weken demonstreerde Jobbik zij aan zij met links tegen de regering Orbán. Toen parlementariërs in het gebouw van de staats-tv zendtijd vroegen om hun protesten tegen de nieuwe arbeidstijdenwet toe te lichten, stonden Gyöngyösi en andere Jobbik-politici buiten om hun collega's binnen te ondersteunen. Links en rechts werken inmiddels aan een gezamenlijk actieplan voor de komende tijd. Jobbik-vlaggen wapperen zij aan zij naast vlaggen van de socialistische MSzP en niemand kijkt er meer van op als demonstranten door een Jobbikspreker worden toegesproken.
Het is voor sommigen nog even wennen. Linkse demonstranten associeerden de partij tot zeer recent nog steeds met rechtsextremisme, hoewel de partij in 2013 het roer omgooide om een brede conservatieve volkspartij te vormen. Menigeen zag dat vooral als stunt. Toen Jobbik vorig jaar bij een grote joodse feestdag een felicitatie aan de joodse gemeente stuurde, reageerde die afhoudend. Niet helemaal onbegrijpelijk, want de laatste diehard-rechtsextremisten stapten pas kort na de verkiezingen afgelopen april op.
"Ik begrijp het wantrouwen wel, maar als zelfs linksliberalen als de joodse filosofe Agnes Heller of schrijver György Konrad voor samenwerking met Jobbik pleiten zegt dat toch iets," zegt Gyöngyösi. Desondanks: er is dat verleden. Hij ontkent het niet. Zijn eigen uitspraken noemt hij inmiddels onacceptabel. Toen hij om die lijst vroeg, zag hij alle Joden als medeverantwoordelijken voor het geweld van Israel in de Gaza-strook, legt hij uit. Kritiek op dat geweld heeft hij nog steeds en hij is ook niet van plan die voor zich te houden, zegt hij. "Maar ik realiseer me nu wel dat je daar niet alle Joden de schuld van kunt geven."
Jobbiks toenmalige antisemitisme verklaart hij uit de gebrekkige Hongaarse omgang met de geschiedenis. Hongarije verloor na de Eerste Wereldoorlog twee derde van zijn grondgebied. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd het land communistisch. Terwijl Duitse historici de eigen geschiedenis diepgaand hebben geanalyseerd, was er in Hongarije nooit een kritische discussie over het verleden en de eigen verantwoordelijkheid daarin, zegt Gyöngyösi. "Maar ik heb in de afgelopen jaren veel geleerd."


dinsdag 18 december 2018

De geboorte van een nieuwe oppositie


De aanhoudende demonstraties in Boedapest tegen de regering Orbán worden door sommige commentatoren al opgetogen betiteld als „een opstand tegen het hele politieke regiem.” Dat mag nog „wishfull thinking” zijn – een algemene volksopstand die in staat is Orbán ten val te brengen is waarschijnlijk nog een behoorlijk eind weg – maar feit is wel dat er sprake is van een duidelijke omslag.

Het begon eigenlijk allemaal begin december, toen de Centraal Europese Universiteit gedwongen was haar verhuizing naar Wenen aan te kondigen. Er werd die avond gedemonstreerd, maar de dagen erna werd het weer stil. Min of meer tegelijkertijd werden ook alle private media in handen van Fidesz oligarchen samengevoegd in één bedrijf, waarmee nog eens werd onderstreept dat de facto 90% van de media in het land onder centrale Fidesz-controle staan (deze „private” media plus de volledig gezuiverde publieke media). Kort daarop volgde de aanname van een reeks illiberale wetten: de „Slavenwet” die werknemers dwingt tot 400 overuren per jaar met betaling pas na drie jaar, een wet op de instelling van aparte rechtbanken onder Fidesz controle die rechtszaken tegen de overheid gaan behandelen (corruptie, kiesfraude enz), een wet die civiele controle op het Hongaarse leger verzwakt, en een wet die de verkoop van een grote reeks campings en hotels rond het Balatonmeer aan Fidesz oligarch en Orbán-vriend Lörenc Mészaros sanctioneert.

Ook de manier waarop de Slavenwet weer door het parlement werd gejast, zette veel kwaad bloed. Er was – zoals gewoonlijk – geen sprake van enige maatschappelijke consultatie, de oppositie kreeg nauwelijks de tijd om vragen te stellen, en Fidesz parlementariërs weigerden te debatteren. Toen oppositie-parlementariërs tot protestactie in het parlement overgingen (fluiten, roepen, blokkeren van het podium), kregen zij van de kamervoorzitter grote boetes opgelegd en werd er zelfs gedreigd hen met fysiek geweld te laten verwijderen door de speciale parlementaire garde (onder controle van diezelfde kamervoorzitter). De demonstratie die avond van woedende betogers, die voor het parlement werden opgewacht door een massief cordon van de mobiele eenheid, bleek het begin van een reeks.
Weg met de Slavenwet en de propaganda

Hoewel wel eens gesuggereerd wordt dat de Hongaren, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Polen, de afbraak van hun democratie de afgelopen jaren lijdzaam over zich heen hebben laten gaan, is het bepaald niet voor het eerst dat er massaal wordt gedemonstreerd tegen Orbán. In golven waren er, tussen eind 2010 en voorjaar 2018, demonstraties van 10-duizenden en soms meer dan 100.000 mensen. De meeste recente en grootste vond plaats in mei dit jaar, na de frauduleuze en oneerlijke verkiezingen waarin Fidesz zogenaamd opnieuw 2/3e van de kiezers achter zich kreeg.
Maar hoewel de demonstraties nu minder massaal zijn, variërend van enige duizenden tot 10- a 15-duizend mensen, zijn er een paar opvallende verschillen. De kern van de demonstranten wordt niet langer gevormd door ouderen die het verlies van hun democratie betreuren, maar door jongeren die hun recht op een democratisch en vrij bestel opeisen. De demonstraties zijn aanzienlijk militanter van karakter. Burgerlijke ongehoorzaamheid wordt niet langer geschuwd, wegen en bruggen worden bezet, er worden rookbommen afgestoken en met verf en eieren gegooid. En minstens zo belangrijk; het lijkt erop dat een nieuwe generatie jonge politici – vooral vrouwen – eindelijk het roer in de oppositiepartijen heeft overgenomen van de oppositiehaantjes die elkaar de afgelopen acht jaar het licht in de ogen nauwelijks gunden.
Dat nieuwe elan was vooral duidelijk bij de demonstratie voor de persvrijheid op zondag 16 december en de bezetting (live via sociale media te volgen) van een deel van het gebouw van de publieke omroep door een groep parlementariërs. Ze wilden een vijf-punten petitie voorlezen, maar kwamen niet verder dan een gang voor een van de studio’s, waar ze met het nodige duwen en trekken door de bewaking werden tegengehouden. De parlementariërs besloten uit protest te blijven zitten en verlieten pas maandagavond het gebouw (twee van hen werden maandagochtend met geweld verwijderd, maar een aantal anderen klommen kort daarna over een hek en door een raam om hun collega’s binnen te steunen). Zowel bij deze bezetting als bij de demonstratie die eraan vooraf ging, trokken de vertegenwoordigers van alle oppositiestromingen – socialisten, groenen, liberalen en conservatieven – gezamenlijk op. Een aantal van hen benadrukte dat zij mede door deze acties hun “linkse” dan wel “rechtse” collega’s waren gaan zien als vrienden die hetzelfde nastreefden: herstel van de democratie.
Of het beklijft en of het tot resultaat leidt, moet worden afgewacht. De dagelijkse demonstraties gaan voorlopig voort en er zijn grotere Anti-Orbán Feest Manifestaties aangekondigd voor 1e Kerstdag en met Nieuwjaar. Ook smeden vakbonden en politieke partijen plannen voor wegblokkades en wie weet zelfs stakingen. Maar hoe reeel dat laatste is, valt te bezien. Vooralsnog is de grote meute hetzij voor Orbán (met name op het platteland is zijn aanhang sterk) dan wel passief. De hoop is dat de oppositie met dit soort gezamenlijke acties die passiviteit kan doorbreken en bij de Europese Verkiezingen in mei 2019 en de gemeenteraadsverkiezingen in oktober een politieke omslag kan forceren.
Maar ook Orbán zit niet stil.



donderdag 13 december 2018

Nieuwe arbeidstijdenwet veroorzaakt grote onrust

Foto Runa Hellinga
De nieuwe arbeidstijdenwet helpt vooravoor grote bedrijven
Peperspray en traangas tegen demonstranten op het Kossuth tér bij het parlement, de oproerpolitie die kilometers verderop in de joodse wijk mensen op straat aanhoudt en gasten van een café controleert: het was woensdagavond behoorlijk onrustig in Boedapest. Aanleiding was de parlementaire stemming eerder die dag over de nieuwe arbeidstijdenwet.
Die maakt het mogelijk om werknemers 400 uur per jaar te laten overwerken, zonder dat ze daar nee tegen kunnen zeggen en zonder dat ze daar een cent extra voor betaald worden. Oppositie en vakbonden hebben de afgelopen weken alles geprobeerd om de invoering van wat zij omschrijven als een slavenwet, tegen te houden.
Toen het wetsontwerp twee weken geleden bekend werd, probeerde de oppositie eerst de normale parlementaire weg: een debat. Dat werd door Fidesz-parlementariërs genegeerd. Pogingen om vakbondsmensen aan het woord te laten mislukten ook. Op zeker moment sloot de voorzitter van het parlement zelfs simpelweg de microfoon af.
Een protestactie in de vorm van een paar duizend amendementen op de wet werd maandag doorkruist door al die amendementen simpelweg met één stemming af te wijzen. Ongetwijfeld zullen Fidesz-parlementariërs schande spreken van zo'n vertragingstactiek. Het enige is dat Fidesz die zelf ook toepaste toen de partij zelf in de oppositie zat.
Gisteren bezetten oppositieparlementariërs uiteindelijk uit protest het voorzitterspodium, in een poging de stemming tegen te houden. Het leidde tot chaotische scenes, maar hun actie was tevergeefs. Hoewel zonder voorzitter op het podium officieel geen zitting, laat staan een stemming gehouden kan worden, drukten Fidesz-parlementariërs op de stemknopjes en namen de wet gaan.
Tot verbazing van oppositieparlementariërs bleken die knopjes bovendien ook nog eens te werken zonder gebruik van de kaart die moet registreren wie er precies stemt. Premier Orbán, zelf ook een van de afgevaardigden, weigerde lachend om met oppositieleden in debat te gaan.
De gebeurtenissen brachten enkele duizenden demonstranten op de been die protesteerden bij het hoofdkwartier van regeringspartij Fidesz en bij het parlement. Daar werden ze later op avond door de oproerpolitie met traangas verjaagd.

Waar gaat het om?

Vierhonderd uur overwerk per jaar, acht uur per week, betekent feitelijk de herinvoering van een 48-urige werkweek. De extra uren, en de bijbehorende overwerkvergoeding, worden wel uitbetaald, maar dat pas na drie jaar. En dat alleen onder bepaalde voorwaarden.
Eerst wordt namelijk opgeteld hoeveel uur iemand in die drie jaar in het totaal heeft gewerkt. Daar wordt het aantal normale werkuren op basis van een veertigurige werkweek van afgetrokken. Alleen de uren die dan overblijven, tellen als overwerk en worden uitbetaald. Wie anderhalf jaar veel extra uren maakte, maar in de anderhalf jaar daarna wegens wekenlang naar huis is gestuurd of in de arbeidstijdverkorting zat omdat het bedrijf weinig werk had, krijgt dus mogelijk geen cent extra voor het overwerk in de drukke periode.


zondag 9 december 2018

Loze beloftes


De CEU is weg uit Boedapest. Het heeft Orbán nog geen twee jaar van manipuleren, chicaneren en dreigen gekost om een van de beste universiteiten in Europa het land uit te werken. En ondanks alle beloften dat dit echt een rode lijn was, staat Europa erbij en kijkt ernaar....

Internationale media hebben het gevecht gretig afgeschilderd als een langlopende vete tussen Viktor Orbán en Georg Soros, en alom werd de CEU neergezet als het jongste slachtoffer van de autoritaire tendenzen van Hongarije’s sterke man. Maar hoe rot dit alles ook is voor de CEU, uiteindelijk kan de universiteit haar werk gewoon voortzetten in Wenen. Natuurlijk, dat kost extra tijd, geld en energie, maar de echte prijs van dit échec wordt betaald door de duizenden Hongaarse studenten en academici die achterblijven. Voor hen is er geen vrijplaats meer voor onafhankelijk academisch denken en werken, geen CEU bibliotheek, geen door de EU gefinancierde projecten die via de CEU liepen maar waarin anderen meedraaiden.

Al die Hongaren zijn vanaf nu volledig overgeleverd aan de autoritaire zuiveringsdrang die de gewone Hongaarse universiteiten de afgelopen jaren al onherkenbaar heeft veranderd. Budgetten van onwelgevallige studies en universiteiten werden en worden immens gekort. Het aantal studenten op vooral niet-exacte studies is en wordt met tientallen procenten teruggebracht. De besturen van alle universiteiten hebben een groot deel van hun autonomie verloren sinds de aanstelling van regeringsfunctionarissen die, als ware politieke commissarissen uit bolsjewistische tijden, toezicht houden. Onafhankelijke onderzoeksinstituten van de Academie van Wetenschappen worden onder regeringscontrole geplaatst dan wel opgeheven. Regeringsgezinde commentatoren roepen studenten op om professoren aan te geven die in hun colleges “links” of  “liberaal” uit de hoek komen. Het nieuwste idee: de bestaande universiteiten moeten misschien maar helemaal geen overheidsgeld meer krijgen maar volledig zelfstandig op een vrije markt zien te overleven (of verzuipen)

De CEU was een rode lijn voor de Europese Partij van Christen Democraten (EVP), zei de Duitse EVP-leider Manfred Weber afgelopen voorjaar nog. Die lijn is dunkt me ruimschoots overschreden, en er gebeurt helemaal niets. Ja, misschien, heel misschien, na de Europese verkiezingen in mei 2019. Mosterd na de maaltijd dus. En misschien gebeurt er ook wel helemaal niets omdat andere partijpolitieke overwegingen weer eens meer opportuun zijn. Wat voor boodschap is dit aan Viktor Orbán? Een simpele: ga je gang, van ons heb je weinig te vrezen. De EVP, en in haar verlengde de hele EU, laat daarmee niet alleen de Hongaarse democratie in de steek, maar ook zichzelf. Europa een "waardegemeenschap"? Dat is een vrome wens die ik graag deel, maar die steeds minder realiteit aan het worden is.


zaterdag 8 december 2018

Roemeense vreugde en Hongaars verdriet. Een tweeluik, deel 2

Hongaars verdriet

Foto Runa Hellinga
Ministerie in Boedapest met EU, Hongaarse en Szekler vlag
De Hongaarse historicus Ernö Raffay heeft een droom: dat een eeuw na de ondertekening van het Verdrag van Trianon de grote mogendheden opnieuw aan tafel gaan zitten om het onrecht tegen Hongarije ongedaan te maken. Transsylvanië, Zuid-Slowakije en de Servische Vojvodina weer terug bij Hongarije, waarom niet? “In 1940 hebben de Europese grootmachten daar ook bij geholpen,” betoogt hij.
Die grootmachten, dat waren nazi-Duitsland en fascistisch Italië. Hitler begreep het Hongaarse verdriet als geen ander. Per slot van rekening was Duitsland een jaar voor Trianon, bij het Verdrag van Versailles, ook enorme gebieden kwijtgeraakt. Het was dan ook vooral aan Hitlers druk te danken dat Slowakije en Roemenië met forse tegenzin aan Hongarije die gebieden teruggaven waar Hongaren de meerderheid, of in ieder geval een zeer grote minderheid vormden.
Raffay, een voormalige staatssecretaris van defensie, is bepaald niet de enige die droomt van een herenigde natie. Talloze Hongaren rijden met een bumpersticker van Groot-Hongarije op hun auto en wie ‘Trianon’ zegt, maakt gegarandeerd veel emotionele reacties los. 
Sinds 2014 staat voor het parlement in Boedapest een metershoge vlaggenmast met de vlag halfstok. Die gaat, net als soortgelijke vlaggen elders, pas in top als Hongarije herenigd wordt met de verloren gebieden in het huidige Slowakije, Oekraïne, Roemenië, Servië, Kroatië en zelfs Oostenrijk. 
Aan het parlement zelf wappert aan de stok waar eerder een EU-vlag hing, de blauw-gele vlag van de Roemeense Hongaarstalige Szeklers. Eenzelfde vlag hangt aan het tegenoverliggende ministerie van landbouw. Voor de officiële herdenking in 2020 is op het parlementsplein een nationaal Trianonmonument gepland, met daarin aarde uit alle verloren provincies. Tal van steden bouwden afgelopen jaren zelf al zo’n monument. 
Symboliek te over dus, maar Raffay is een van de weinigen die gelooft dat territoriale hereniging meer kan zijn dan een droom. “Onhaalbaar,” erkent ook politicoloog Zoltán Kiszelly, die onder meer als media-adviseur voor het bureau van premier Viktor Orbán werkt.
Maar sinds 1990 noemt vrijwel iedere Hongaarse minister-president zichzelf ‘de vertegenwoordiger van 15 miljoen Hongaren’ (dat wil zeggen, alle Hongaren wereldwijd) en probeert Boedapest invloed uit te oefenen aan de andere kant van de grens. Orbán is daarop geen uitzondering. Toen hij in 2010 aan de macht kwam, gaf hij Hongaarse minderheden in de buurlanden het recht op Hongaars staatsburgerschap, inclusief paspoort en stemrecht. 
Boedapest spendeert daarnaast miljoenen aan culturele, educatieve en maatschappelijke projecten en aan economische steun in de buurlanden. Hongaarse bedrijven zijn zeer actief in de buurlanden. Dat is, zegt Kiszelly, bewust beleid: "Economisch willen we in ieder geval de leidende macht in de regio worden."
Tünde Szekernyés en Zsófia Orbán studeren in Cluj, of Kolozsvár, zoals Hongaren de grootste stad van Transsylvanië noemen. Naast een Roemeens hebben beiden een Hongaars paspoort. Vooral hun ouders vonden dat belangrijk. Zelf noemen ze in de eerste plaats dat Hongaren makkelijker reizen en in West-Europa beter verdienen dan Roemeen, al vinden ze het ook wel belangrijk formeel bij de Hongaarse natie te horen.
Maar Hongarije roept bij hen gemengde gevoelens op. “Zonder de steun van Boedapest zouden we het hier veel moeilijker hebben,” zegt Szekernyés, “Maar in Hongarije worden we behandeld tweederangsburgers. Voor hen zijn we toch Roemenen. Ik ben zelfs wel eens gevraagd of ik Hongaars spreek.” Zelf voelen ze zich dan ook in de eerste plaats Transsylvaniërs, zeggen ze.
Al voor 1918 vormden Transsylvaanse Hongaren binnen het toenmalige Hongaarse rijk een wat eigen groep en de afscheiding heeft dat alleen maar versterkt. Op het platteland vind je nog wel ouderen die alleen Hongaars spreken, maar jongeren zijn grotendeels tweetalig. Dertig procent is gemengd getrouwd. 
“Mijn overgrootvader, die officier was in het Oostenrijks-Hongaarse leger, heeft zichzelf na Trianon overhoop geschoten. Honderdduizenden mensen zijn naar Hongarije vertrokken. Het was een collectief trauma. Maar mijzelf zegt het niets. Ik ben hier geboren en opgegroeid. Ik heb Hongaarse, Joodse en Duitse voorouders. Dit is het land waar ik leef, dat trauma is mij vreemd,” zegt de liberale politicus Péter Eckstein-Kovács.


maandag 3 december 2018

Roemeense vreugde en Hongaars verdriet. Een tweeluik, deel 1

Foto Runa Hellinga
De kathedraal, vier weken voor de wijding

Roemeense vreugde

Op 1 december was het honderd jaar geleden dat het Hongaarse Transsylvanië Roemeens werd. In Boekarest werd dat gevierd met de wijding van een orthodoxe kathedraal en grootscheepse feestelijkheden op de Dag van de Roemeense Eenheid. Hongarije bereidt zich intussen voor op de herdenking van het Verdrag van Trianon, waarmee het land in 1920 definitief twee derde van zijn grondgebied verloor, waaronder datzelfde Transsylvanië. In het eerste deel: Roemeense vreugde.

Aan de rand van een immense bouwpunt staat de nieuwe Nationale Kathedraal in de steigers. Rondom zijn een tiental kranen en honderden bouwvakkers druk aan het werk. Even verderop wachten de dakkoepels op plaatsing. “Bijna klaar,” zegt Aurelian Iftimiu, hoofdredacteur van Basilica, informatieorgaan van het Roemeense orthodoxe patriarchaat, op de vraag hoe ver de bouw gevorderd is.
Dat mag ook wel, want het is vier weken voor 25 november, de dag dat de kathedraal officieel wordt
gewijd. Maar bijna klaar? Iftimiu geeft toe dat het nog wel vijf jaar kan duren voor de deur voor gelovigen opengaat. Maar klaar of niet klaar, dit jubileumjaar kan moeilijk voorbij gaan zonder wijding van de Kathedraal van de Redding van het Volk.
Die naam heeft betrekking op het einde van de Eerste Wereldoorlog, toen het huidige Roemenië gestalte kreeg. Als een van de overwinnaars wist het tot dan toe onbetekenende Balkanland zijn grondgebied fors uit te breiden. Niet alleen het Hongaarse Transsylvanië, ook Boekovina, de Banaat en het huidige Moldavië werden deel van het in 1881 ontstane Roemeense koninkrijk.
Een waar wonder, want een half jaar eerder dreigde het land juist volkomen te worden weggevaagd. De Roemenen waren in 1916 met weinig succes aan geallieerde zijde de oorlog ingegaan. In maart 1918 dwong Oostenrijk-Hongarije Roemenië er nog toe grote gebieden af te staan. “De koning vluchtte uit angst voor een revolutie en
feitelijk hadden we geen onafhankelijk staat meer ,” zegt historica Cristina Paiusan Nuica van het Nationaal Museum in Boekarest.
Het tijd keerde toen de Asmogendheden – Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Turkije – op 11 november 1918 definitief de strijd opgaven. Zeventien dagen later sloot Boekovina zich bij Roemenië aan. Op 1 december stemden afgevaardigden uit alle delen van Transsylvanië in Alba Julia unaniem ook voor aansluiting.