donderdag 9 maart 2017

De gelukkige tijden van keizer Franz-Joseph

Franz-Joseph
'De gelukkige tijd van vrede'. Zo omschrijft een tentoonstelling in het Hongaars Nationaal Museum in Boedapest de tweede helft van de negentiende eeuw. Het was de tijd dat Hongarije door de Habsburgse keizer Franz-Joseph werd geregeerd en er is wel eens minder lovend over de vorst gedacht. Wie zich twintig jaar geleden positief over hem uitliet, liep goede kans voor landverrader uitgemaakt te worden.
Dat lag overigens anders met zijn vrouw Elisabeth, Sissi in de volksmond. Zij was en is geliefd. Na haar dood zamelden burgers geld in voor een standbeeld en ze wordt ruim geëerd met straten en standbeelden. De Erzsébet-brug in Budapest werd naar haar vernoemd en die naam is nooit veranderd, ook niet in de communistische tijd. Maar naar een eerbetoon aan haar man zul je tevergeefs zoeken. 
Dat moet anders, vindt historicus András Gerő van het Habsburg-Instituut in Boedapest. Honderd jaar na Franz-Josephs dood pleit hij voor een standbeeld voor de man die bijna vijftig jaar lang koning van Hongarije was. Blijkens een online enquête steunt 45 procent van de Hongaren dat idee. Dat lijkt niet zoveel, maar tien jaar geleden zou hooguit tien procent van de Hongaren voor zijn geweest, schat Gerő.
Vroeger lag dat anders. Tussen de twee wereldoorlogen was er volgens Gerő sprake van een regelrechte Habsburg-verering. Franz-Josephs standbeelden verdwenen kortstondig tijdens de communistische Radenrepubliek in 1919, keerden toen terug en werden pas na 1945, toen de communisten de keizer tot vijand verklaarden, definitief verwijderd. 
Communistische schoolboekjes hadden geen goed woord over voor de man die in 1849 opdracht gaf een aantal Hongaren te executeren die een jaar eerder een opstand tegen de Habsburgers hadden geleid. Franz-Joseph was op dat moment 18 jaar oud en zat net op de troon, dus je kunt je afvragen in hoeverre hijzelf de drijvende kracht achter de executies is geweest, maar de gedachte aan de wrede feodale vorst die hun nationale helden liet ombrengen brengt bij sommige oudere Hongaarse vrouwen nog steeds de tranen in de ogen.
Na de val van het communisme zijn historici wat genuanceerder gaan denken. Dat heeft nog niet tot nieuwe Frans Joseph-straten geleid, maar diverse Hongaarse bestuurders die dicht bij de keizer stonden, kregen wel een standbeeld of een regeringsplan dat naar hen werd vernoemd. Hongarije heeft tegenwoordig ook twee levende Habsburgers in dienst, de ene als ambassadeur, de andere had de buitenwereld moeten overtuigen dat het land zeer geschikt is om Olympische Spelen te organiseren.
Ook buiten Hongarije vindt een herwaardering van de keizer plaats. Zo werd eind 2015 in het Oekraïnse Turja Paszeka een standbeeld van Franz-Joseph onthuld. "Voor dat gebied, de voet van de Karpaten, is dat natuurlijk een goede manier om te benadrukken dat ze ooit tot het Habsburgse rijk, dus tot Europa behoorden," zegt  Gerő. In Oostenrijk, waar nazaten van de keizer tot dik in de vorige eeuw een inreisverbod hadden, werd vijf jaar geleden de wet afgeschaft die het Habsburgers verbood om zich kandidaat te stellen voor het presidentschap.
De rechts-extremistische Oostenrijkse politicus Norbert Hofer pleitte recent voor een soort Midden-Europese Benelux, een tegenkracht tegen Brussel, met daarin behalve Oostenrijk ook 'landen met een vergelijkbare cultuur', zoals Tsjechië, Hongarije, Roemenië, Servië, Slovenië en Kroatië. Per slot van rekening, aldus Hofer, waren die ooit allemaal deel van dezelfde monarchie.
Dat is ironisch, want die monarchie was volgens Gerő in zekere zin een voorloper van de EU en eigenlijk het tegenovergestelde van dat wat mensen als Hofer voor ogen staat. "Het was een multi-etnische staat met een veelvoud aan talen en religies, een gemeenschappelijke markt en vrijheid van reizen en vestiging." 
Dat is alles wat Hofer eigenlijk niet wil en ook alles wat de Hongaarse premier Viktor Orbán niet wil, Die benadrukte onlangs in een toespraak voor de Hongaarse Kamer van Koophandel het belang van een etnisch homogeen en cultureel uniform land. Maar die juist multi-etnische staat zorgde voor sterke economische ontwikkeling, vrede en welvaart, helemaal na 1867 toen de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie werd gevormd en Franz Joseph koning van Hongarije werd. Boedapest is daar bij uitstek het resultaat van, zegt Gerő. "Alle belangrijke gebouwen die je ziet, zijn toen gebouwd, net als de belangrijkste gebouwen in veel provinciesteden."

Echt verrassend is de politieke herwaardering overigens misschien niet. Cultureel zijn de Habsburgers nooit echt verdwenen, hoe zeer machthebbers daar ook hun best voor deden. Dat is het beste zichtbaar in Oostenrijk, dat bezaaid met bordjes is die melden dat Franz Joseph hier geluncht of daar geslapen heeft. Iedere januari start in Wenen het balseizoen met een elan alsof de adel nooit verdwenen is. Zo'n zelfde bal vormt een hoogtepunt in het Hongaarse eindexamenjaar. In november organiseren scholen een eindexamenbal war de leerlingen van de hoogste klas even jonkheren en freules mogen zijn. Nazaten van graven en prinsen kunnen op groot respect voor hun officieel afgeschafte titel rekenen. En in veel Centraal-Europese landen kust een beleefde heer de dame nog altijd de hand.


dinsdag 21 februari 2017

Grenshek brengt dieren in problemen

Blindmuis
Ze zijn nog maar met vierhonderd exemplaren, de Vojvodina-blindmuizen in de grensstreek van Hongarije en Servië. Blindmuizen zijn zo blind dat ze zelfs geen zichtbare ogen meer hebben. De ondergronds levende knaagdieren hebben het overal in Europa moeilijk, maar dat geldt zeker voor dit groepje. Ze vormen namelijk een lokale, unieke ondersoort en scoren dan ook hoog op de rode lijst van bedreigde diersoorten van de Internationale Unie voor Natuurbescherming (IUCN). Helaas heeft dat de Hongaarse regering niet verhinderd om toch in hun al bedreigde leefgebied een zwaar bewaakt grenshek te bouwen.
Grensversterking is de grote mode. Trump wil een muur, de Macedoniërs hebben sinds vorig jaar een hek op de grens met Griekenland, de Grieken hebben er een bij Turkije en de Oostenrijkers bouwen hekken langs de grens met Hongarije. In hoeverre dat soort constructies migranten daadwerkelijk tegenhouden, daarover verschillen de meningen. Maar dat ze effecten hebben op de natuur, staat buiten kijf. In de meeste gevallen raakt dat vooral de fauna, al is de door Trump geplande muur van 15 meter hoog en 4,5 meter diep massief genoeg om ook voor flora, bodemleven en waterlopen een barrière op te werpen.
De blindmuis is het zeldzaamste, maar zeker het niet enige slachtoffer van het hek dat de Hongaren in 2015 begonnen te bouwen aan de Servische grens en dat sindsdien is verlengd naar de grens met Kroatie en over de hele lengte nog steeds verder wordt versterkt en uitgebreid. Ook andere diersoorten lijden eronder. Natuurbeschermers constateerden vorige zomer al een afname van het aantal edelherten in het Kroatische grensgebied, omdat de dieren, die normaal heen en weer trekken, aan de Kroatische kant van het hek te weinig voedsel vinden.
Foto Runa Hellinga
Grenshek bij het Servische Horgos
De Hongaarse regering, voor wie het hek behalve grensbeveiliging ook een politiek prestigeproject is, noemt de gevolgen voor de natuur verwaarloosbaar. In een verklaring zei ze eerder dat dieren zich wel aanpassen aan de veranderingen die de mens in de natuur aanbrengt. Wat de edelherten betreft zijn dat er bovendien zoveel dat ze landbouwschade veroorzaken. Daarnaast, aldus de verklaring, laten de ervaringen met het IJzeren Gordijn zien dat zo'n hek voor de natuur juist een zege is omdat flora en fauna er niet worden gestoord en dat effect zal het grenshek ook hebben, zodra de menselijke activiteit rond dat bouwwerk is afgenomen.
Als soort zullen de herten het hek inderdaad wel overleven. En het klopt, ze passen zich aan. In de eerste maanden raakte nog wel eens een hert met zijn gewei in het rasterwerk verstrikt. Dat komt nu niet meer voor. Herten kunnen bovendien uitwijken naar andere gebieden.  Maar voor de pakweg twintig centimeter lange, zachtgrijze blindmuis met zijn oogloze kopje en zijn roze handjes is de overlevingkans een stuk kleiner.
Het diertje brengt vrijwel zijn hele leven solitair onder de grond door, bij voorkeur in steppes en natuurlijke graslanden. Landbouwactiviteiten als ploegen zijn al fataal voor hem. De gevolgen van de graaf- en bouwwerkzaamheden voor het hek en de patrouilles met zware militaire voertuigen boven zijn gangenstelsel konden tot nu toe niet worden diepgaand onderzocht, maar laten zich raden.
Bioloog Gábor Csorba leidt een commissie die de regering moet adviseren over de bescherming van blindmuizen. Hij heeft een hard hoofd over hun overlevingskansen bij het hek en is betrokken bij verhuisoperaties om in ieder geval een deel van de dieren uit het grensgebied te redden. Omdat hij in overheidsdienst is, mag Csorba sinds eind vorig jaar niet meer zonder toestemming van het betrokken ministerie met de pers praten en die toestemming heeft hij niet gekregen. Maar eerder vertelde hij aan de New Scienist hoe lastig het was om een geschikte nieuwe plek voor de dieren te vinden.
Er zijn namelijk weinig gebieden waar bodemsamenstelling, klimaat en grondgebruik geschikt zijn voor blindmuizen. Bovendien laten de dieren zich in hun lange gangenstelsels moeilijk vangen. Uiteindelijk maakte het reddingsteam gebruik van hun hekel aan tocht en lokte hen door met een rietje lucht in de gang te blazen. Zodra een blindmuis dat tochtgat dicht kwam maken, werd hij heel voorzichtig uitgegraven om hem niet met de spade te beschadigen.
De gevangen dieren kregen in hun nieuwe leefgebied als eerste onderkomen een aantal voorgegraven gangen. Hoe veilig ze daar zijn, is overigens onduidelijk. Ondanks aandringen van natuurbeschermers is hun nieuwe woonplek namelijk officieel nog steeds geen beschermd natuurgebied en is de kans op een ploegende boer er niet helemaal uitgesloten.

vrijdag 17 februari 2017

Hongaarse politici boycotten Heineken

De Hongaarse gemeente Hódmezővásárhely riep begin deze maand winkels en horecagelegenheden in de stad op om de Nederlandse bierbrouwer Heineken te boycotten. Aanleiding was een proces dat Heineken-Roemenië in 2014 aanspande tegen een kleine Hongaars-Roemeense bierbrouwer wegens misbruik van een merknaam. Onlangs gaf de Roemeense rechter Heineken gelijk dat de merknaam Igazi Csíkisör te zeer lijkt op Heinekens Premium Ciuc.
Wat de boycotoproep extra gewicht geeft, is dat die gesteund wordt door János Lázár, voormalig burgemeester van Hódmezővásárhely en tegenwoordig als minister verantwoordelijk voor het kantoor van premier Viktor Orbán. Lázár is na Orbán waarschijnlijk de belangrijkste man van het land. Hij noemde het rechtelijke besluit "onwaardig, onrechtvaardig en anti-Hongaars" en meende dat "alle Hongaren zich ertegen moeten verenigen".
Op het eerste gezicht lijkt het vergezocht om een verband te zoeken tussen de merknamen Csíki en Ciuc. Maar het is er wel degelijk. In 2003 kocht Heineken een brouwerij in het Roemeense Miercurea Ciuc, een stadje dat vrijwel uitsluitend door etnisch-Hongaarse Székely wordt bewoond en in Hongarije bekend staat onder de Hongaarse naam Csíkszereda. Die brouwerij produceerde een bier onder de merknaam Premium Ciuc. Omdat het bier voor hen uit Csíkszereda kwam, hadden Hongaren in Roemenië het meestal over Csíkibier.
In november 2014 kwam een lokale brouwer, Lixid Project, met een eigen bier, het Igazi Csíkisör (letterlijk het Echte Csíkibier). Natuurlijk was dat een knipoog naar Heinekens bier, maar vreselijk verwarrend was het niet, want de fles en het etiquette zagen er totaal anders uit, en Igazi Csíkisör is bovendien een kleinschalig bier dat vooral lokaal wordt verkocht. Desondanks stapte Heineken naar de rechter. Het bedrijf verloor in eerste instantie, maar kreeg uiteindelijk toch gelijk. Afgelopen januari besliste de rechter dat het inderdaad om merkroof ging en dat de kleine brouwerij de productie moet stopzetten.
Die gerechtelijke uitspraak had alleen betrekking op het Echte Csíkibier, niet op de andere bieren die Lixid Project maakt, maar directeur en mede-eigenaar András Lenárd beweerde op Facebook  dat de brouwerij van de rechter binnen dertig dagen met de hele productie moet stoppen. Sindsdien is Lenárd niet op dat eerste bericht teruggekomen, integendeel. Volgens zijn laatste verklaringen gaat het om niet minder dan een regelrechte aanval op de Székely en is het gerechtelijke besluit het resultaat van het feit dat Roemeense nationalisten niet willen dat iemand arbeidsplaatsen schept in Hongaarstalig gebied.
Daarmee was een rel geboren, want voor veel Hongaren staan de Székely symbool voor een soort onbedorven Hongaarse identiteit. De nationalistische Hongaarse partij Jobbik trok zich het lot van de kleine, verdrukte Lixid-David in zijn strijd tegen de Heineken-Goliath dan ook aan en de gemeente Hódmezővásárhely zowel als parlementariërs van regeringspartij Fidesz en János Lázár volgden dat voorbeeld al snel.
Inmiddels is Igazi Csíki Sör volgens de boycotters niet meer zomaar 'een dorstlessende nektar', maar een waar symbool van de Székely-identiteit. Er gaan stemmen op om het bier te verheffen tot Hungaricum, dat wil zeggen een uniek en door de Hongaarse wet beschermd product. Heineken zelf heeft tot nu toe alleen maar gezegd dat het een kwestie betreft waar de Hongaarse tak van het bedrijf niets aan kan doen, omdat het proces door Heineken in Roemenië is aangespannen.
Wat de gevolgen voor Heineken zijn als die stemmen hun zin krijgen, is nog onduidelijk, net zo
onduidelijk overigens als wat de Heinekenboycot precies betekent voor bierliefhebbers. Zolang het om Heineken-bier gaat, is er weinig aan de hand, want dat bier heeft een relatief klein marktaandeel. Maar de brouwerij produceert meer dan 250 bieren, waaronder het zeer populaire Soproni. Als die allemaal geboycot moeten worden, blijft er voor bierdrinkers straks weinig te kiezen over.
De Roemeense bierbrouwer heeft van de nood inmiddels trouwens een deugd gemaakt: de productie gaat gewoon door, onder de naam 'Igazi Tiltott Sör' (echt verboden bier). Haast hetzelfde etiket als vroeger, met als toegift aan de echte Hongaarse nationalisten ook nog een tekst in runentekens. In Hódmezővásárhely hebben ze ongetwijfeld ruimte in de schappen voor het nieuwe merk. Grote kans dat Lixid Project straks niet alleen niet hoeft in te krimpen, maar juist moet uitbreiden.

woensdag 4 januari 2017

Alex

Winter
Een witte kerst was het niet, maar nu is de sneeuw er dan toch Dat is pech voor kleine Alex. Begin december schreef het achtjarige jongetje een brief aan ‘Jézuska’, het kerstkind dat in Hongarije de cadeautjes onder de kerstboom legt. Niet omdat Alex cadeautjes verwachtte. Hij wist dat Jézuska niet bij hen kwam, schreef hij, omdat ze arm waren. Maar hij had wel één wens: dat het thuis warm zou zijn met Kerstmis. En hij hoopte op melk en brood in plaats van meelpap. De Lego waarvan hij droomde, daar rekende hij al helemaal niet op.
De brief belandde niet bij Jézuska, maar wel bij de Hongaarse investeerder Zoltán Bruckner die hem op Facebook zette en daarmee een kleine storm ontketende. De hulp stroomde binnen, en Bruckner opende een aparte bankrekening voor de giften. Er kwam een stichting die de gaven in natura inzamelde en verspreidde, zodat niet alleen aan Alex, maar ook de andere doodarme gezinnen in diens dorp Kerstmis met volle buik en cadeautjes konden vieren. Dat was maar goed ook, want nadat de eerste etenswaren bij Alex’s familie waren gearriveerd, had jaloezie daarover ertoe geleid dat dorpsgenoten hen uitscholden en uitsloten.
Wat hielp bij de overweldigende steunbetuigingen, is dat Alex niet voldoet aan het beeld dat veel Hongaren van diepe armoede hebben, namelijk dat het vooral om zigeuners zonder opleiding gaat. Alex’s familie had ieders buren kunnen zijn. Uitzonderlijk is hooguit dat ze zo groot is: zes kinderen, waarvan de jongste ondanks een glutenallergie soms niet meer dan meelpap in plaats van babymelk krijgt.
Maar verder woonden ze ooit in een koopwoning en hadden beide ouders een baan. Pas toen ze de hypotheek niet meer konden betalen en de ouders ook nog hun werk kwijtraakten, raakten ze in de problemen. Als klap op de vuurpijl liet de vader zijn gezin ook nog eens in de steek en bleek de jongste baby heel ziekelijk. Het was een drama waarin iedereen zich kon verplaatsen.
Er waren mensen die betwijfelden of Alex met zijn keurig geschreven briefje wel bestond. Maar Alex en zijn familie zijn bepaald geen uitzondering. Volgens een onderzoek van de KSH, een Belgisch-Hongaarse bank die een eigen sociaal hulpprogramma heeft, leeft 42,2 procent van de Hongaarse kinderen onder de zeven jaar in armoede. Dat zijn grotendeels, maar zeker niet alleen, zigeunerkinderen. Zo’n 130.000 van hen groeien op in permanent gebrek aan alles, van goede voeding tot kleding en speelgoed. Eenzijdig eten en vitaminegebrek zijn heel gewoon, maar vijftigduizend kinderen lijden echt honger, vooral in het weekend en de schoolvakanties. Op schooldagen krijgen ze in ieder geval nog een gratis schoolmaaltijd.
Zo’n 110.000 kinderen leven in een huis zonder badkamer en voor 150.000 kinderen betekent ‘wc’ op zijn best een plank boven een gat in een hutje op het erf. Pas op school zien ze voor het eerst een toilet dat je moet doortrekken. Pakweg 200.000 kinderen groeien op in een woning zonder stroom (en dus zonder tv, om over een computer maar te zwijgen) en velen hebben in hun leven nog nooit een nieuw kledingstuk gekregen of een banaan of sinaasappel gegeten.
Maar de kou, een kou die zo erg is “dat alles pijn doet” zoals Alex aan Jézuska schreef, is in de winter een van de grootste problemen, aldus Nora Ritók, directeur van een stichting die zich bezighoudt met armoedebestrijding in Oost-Hongarije, het armste deel van het land. Arme gezinnen stoken meestal op hout, en bossen zijn schaars in de regio. Sprokkelen is trouwens strafbaar en veel mensen stoken simpelweg alles was brandbaar is, van plastic tot autobanden, om het warm te houden. Een warme winter is daarom misschien wel het beste dat Jézuska Alex en zijn lotgenoten kan brengen.


maandag 10 oktober 2016

Donkere dagen voor Hongaarse persvrijheid

Foto Runa Hellinga
Onthullingen over corruptie
Twee dagen na het stopzetten van Hongarije's grootste oppositiekrant, de Népszabadság, werd vanochtend drie verslaggevers van de oppositienieuwssite 444 de toegang tot het parlement ontzegd. Reden: de opname van een video waarin ze zich niet hielden aan de regels die sinds enkele jaren in het parlement gelden voor journalisten. Wie de video bekijkt, kan zich alleen maar afvragen wat die regels dan wel zijn, want behalve dat de video tamelijk flauw is, gebeurt er weinig schokkends.
Het intrekken van de accreditatie is onbeduidend in verhouding tot wat de redactie van de Népszabadság dit weekend overkwam, maar dat het geen goede dagen voor de persvrijheid in Hongarije zijn, is wel duidelijk. Regeringsgezinde politici zitten er niet mee. “Ik huil geen krokodillentranen,” antwoordde Szilárd Németh, vicevoorzitter van regeringspartij Fidesz dit weekend op de vraag wat hij vond van de plotselinge sluiting van Hongarijes grootste oppositiekrant Népszabadság. Volgens hem verschilde de krant niet van zijn voorganger een kwart eeuw geleden, de communistische Szabad Nép (Vrije Volk).
De rest van Hongarije denkt daar duidelijk anders over. Zaterdagavond betoogden duizenden, waaronder journalisten van regeringskranten, tegen de sluiting. Zelfs de rechtse Jobbik reageerde geschokt en sprak over maffiamethodes en de teloorgang van de persvrijheid.
Volgens Fidesz is de sluiting puur rationeel, gezien de verliezen die de krant maakte. Dat de krant verliezen maakt, klopt. De oplage, ooit meer dan een half miljoen, is gekrompen tot 35.000 abonnees en een losse verkoop van rond de 40.000. De advertentie-inkomsten zijn laag, niet in de laatste plaats omdat de regering en staatsbedrijven de krant boycotten. Overheidsadvertenties verzekeren het voortbestaan van regeringskrant Magyar Idök met zijn oplage van slechts 3000.
Volgens uitgever Mediaworks maakte de Népszabadság sinds 2007 ruim 16 miljoen euro verlies. Misschien is het niet helemaal voor niets dat het bedrijf naar de afgelopen negen jaar verwees. Vorig jaar blijkt de krant volgens het Hongaarse bedrijfsregister namelijk voor het eerst in lange tijd winst te hebben gemaakt, zo'n 450.000 euro. De wijze waarop de krant gesloten werd, heeft dan ook weinig te maken met financiën. De journalisten spreken van een regelrechte putsch.
Hoe onverwacht het voor hen kwam, blijkt uit het feit dat er voor gisteren eigenlijk een bedrijfsfeestje gepland stond vanwege de ingebruikname van een nieuw kantoor. Financiële verantwoordelijken van de krant hadden zich vrijdag nog optimistisch uitgelaten over de toekomst. Niets wees er dan ook op dat het personeel zaterdagochtend per koerier te horen zou krijgen dat de uitgave per direct was opgeschort. Journalisten hoefden niet meer op hun werk te verschijnen, hun e-mailadressen bleken gesloten te zijn en het werd hen verboden hun kantoor te betreden. Ook was de website van de krant leeg, op een verklaring van de uitgever na. Daarin is sprake van een mogelijke doorstart, maar staat ook dat abonnees hun geld terug kunnen krijgen. En in zo'n doorstart is een toegang tot het krantenarchief niet inbegrepen.
Uitgever Mediaworks is een Oostenrijks bedrijf, maar in Hongarije deed al langer het gerucht de ronde dat bedrijven die met banden met regeringspartij Fidesz geïnteresseerd waren in overname van de ondernemung. Volgens de Népszava, het enige linkse oppositiedagblad dat nog rest, kwam Mediaworks eind augustus al in handen van Lörinc Meszaros, dorpsgenoot en naaste vertrouweling van premier Viktor Orbán. Als dat klopt is hij daarmee niet alleen eigenaar van de Népszabadság, maar ook van een groot aantal provinciale bladen. Volgens een andere versie moest de krant dicht omdat Meszaros de regionale dagbladen wel wil hebben, maar niet opgescheept wilde zitten met het netelige probleem wat hij dan met de Népszabadság moest doen.
Financiële redenen om de toegang tot het archief te sluiten en de krant in één keer van het internet af te vegen zijn absoluut niet te bedenken. Maar de Népszabadság is sterk in onderzoeksjournalistiek. Hongaarse media veronderstellen dat de stekker er zo plotseling uit ging vanwege een recente serie verhalen over corruptie in Fideszkringen, onder meer over de goed betaalde baantjes en dure huizen die de directeur van de Nationale Bank voor zijn vriendin regelde en over Antal Rógan, een topman in de huidige regering. Zijn escapes met een helicopter, en vooral zijn leugens over die escapes (nee hoor, ik ben niet met een helicopter gegaan, nou ja, vooruit, alleen op de heenweg, ach, wat vervelend dat u kunt bewijzen dat ik ook nog teruggevlogen ben) zorgden de hele week voor smeuiige kopij. voor vandaag stond een vervolg op de rol, dat nu in delen elders verschijnt.
Het is overigens niet voor het eerst dat zakenlieden nabij de regeringspartij op botte wijze een einde maken aan een oppositie-medium. In 2004, toen de partij zelf in de oppositie zat, kocht een aan Fidesz gelieerde ondernemer de links-liberale Magyar Hirlap op. Er kwam een nieuwe hoofdredacteur die alle oude journalisten en abonnees wegjoeg. Binnen enkele weken deden alleen de kop en de opmaak nog denken aan de oude krant. In 2015 werd de kritische nieuwssite Origo overgenomen. Ook toen kwam de voltallige redactie op straat te staan.
Bij de demonstratie zaterdag bleek duidelijk hoeveel angst de gebeurtenissen Hongaarse journalisten inboezemen.. “Als ze een journalist het zwijgen op willen leggen, moeten we allemaal demonstreren, want vandaag zijn zij het, morgen wij,” aldus een verslaggever Hír-TV, een conservatieve oppositiezender.
Een journalist van een regeringskrant die ook was komen demonstreren, zei tegen nieuwssite Index dat hij anoniem wilde blijven en dat hij zich een beetje afzijdig hield om buiten beeld te blijven van de vele camera’s op het plein. Anders, zo zei hij, hoefde hij vandaag niet meer naar zijn werk te gaan.

donderdag 25 augustus 2016

Bezoek uit Afrika

Foto Runa Hellinga
Nog nooit een Afrikaan gezien
Ons appartement was afgelopen dagen verhuurd aan een Nederlandse kennis en zijn Afrikaanse vrouw. Zij was haar geboorteland ooit ontvlucht vanwege een burgeroorlog en volgt nu een opleiding tot verpleegkundige in Amsterdam, een wereldstad waar iets van 180 nationaliteiten wonen. Daar valt een zwarte vrouw met een bos lange vlechten op haar hoofd, niet echt op. Hier in Vác was dat bepaald anders.
Julia (niet haar echte naam) was nog nooit ergens geweest waar ze als zwarte vrouw echt uniek was. Toen ze zich de eerste avond realiseerde hoe blank de samenleving was, en het gesprek ook nog op het referendum over migranten kwam, schrok ze even. Moest ze bang zijn op straat?
Al snel bleek dat ze zich daar geen zorgen over hoefde te maken. Reacties kreeg ze inderdaad in overvloed, maar agressie? Nee. Vooral nieuwsgierigheid. Voor heel veel mensen die ze ontmoette, was het echt de allereerste keer dat ze een Afrikaanse tegenkwamen. Zelfs in Boedapest, waar een zwart gezicht niet helemaal ongewoon meer is, werd ze aangestaard. Daarbuiten staken mensen niet onder stoelen of banken hoe interessant ze haar vonden.
Een van de dagen maakten we een tochtje langs de Donau. Toen we in Zebegény in de lokale Spar wat boodschappen deden, raakte de kassière haast ademloos van opwinding. Dit was 'de derde zwarte' die ze in haar leven zag, vertelde ze. De andere twee hadden ook diepe indruk gemaakt, want ze kon precies vertellen waar en wanneer dat was geweest. Die onschuld was eigenlijk wel ontwapenend, net als die van het kind dat wilde wrijven of Julia echt niet afgaf, of van de oude vrouw die haar over haar gezicht streek en stralend meende dat ze mooi was.
Onschuldig of niet, maar op den duur wordt het wel wat vermoeiend, zelfs als je begrijpt waar het vandaan komt. Julia had gelukkig zin voor humor. Niemand was kwaadaardig en ze realiseerde zich bovendien dat een blanke in een Afrikaans provinciestadje waarschijnlijk even veel commotie zou veroorzaken.
De belangstelling had niet alleen maar nadelen, trouwens. Toen ze in een lokaal restaurant geen lege tafel vonden, nodigde een alleen etende klant hen uit om dan maar bij hem te komen zitten, Zonder Julia zou dat waarschijnlijk nooit gebeurd zijn. Zijn reden om zijn belangstelling was namelijk een zekere heimwee: ooit was hij consul in Afrika geweest. Nu was hij weduwnaar en sleet zijn dagen in eenzaamheid.
Na een gezellige avond nodigde hij hen dan ook vol weemoed uit om de volgende dag bij hem te komen eten. Een bonensoep, zei hij, maar toen ze arriveerden, bleek hij op zijn Hongaars behoorlijk uitgepakt te hebben. Er verscheen een complete maaltijd op tafel en ze kregen nog een heel stuk van de zelf gerookte everzwijnham mee naar huis.
Vriendelijk of niet, voortdurend in het centrum van de belangstelling staan is natuurlijk knap vermoeiend. Een week lang kun je erom lachen, dan gaat de lol er wel af. Aan de andere kant: de onwetendheid waarmee mensen Julia benaderden, is natuurlijk dezelfde onwetendheid waarmee ze de hele kwestie van vluchtelingen benaderen. Het is niet voor niets dat mensen in de grote stad minder bang zijn voor nieuwkomers dan mensen in een klein dorp, niet alleen in Hongarije, maar ook in Nederland: Onbekend maakt onbemind.
Zo vermoeiend als het ook was, Julia's lastigste moment in al die dagen was geen opmerkelijke ontmoeting met een nieuwsgierige Hongaar, maar toen ze ergens op straat in Vác een zwarte man zag lopen. Eindelijk een vertrouwd gezicht? Niet echt. Het was h
eel ongemakkelijk, zei ze achteraf. Want wat doe je in zo'n geval? Normaal loop je toch ook niet zomaar op straat op iemand af omdat die toevallig dezelfde huidskleur heeft? Uiteindelijk zijn ze allebei maar doorgelopen.

zaterdag 20 augustus 2016

Referendum tegen vluchtelingen

Wist u? Een stadvol vluchtelingen
Je kunt ze nauwelijks over het hoofd zien, de EU-blauwe reclameborden die sinds twee weken de Hongaarse wegen sieren. Ze hangen in ieder dorp aan de lantarenpalen. De teksten liegen er niet om: "Wist u dat het aantal aanrandingen in Europa scherp gestegen is sinds het begin van de migratiecrisis?" en "Wist u dat Brussel een stad vol aan illegale immigranten in Hongarije wil vestigen?".
'Illegale immigranten' is de standaardterm van Hongaarse regeringspolitici voor asielzoekers. De blauwe borden zijn 'regeringsinformatie' en officieel alleen maar bedoeld om te wijzen op het referendum over de asielzoekersquota die de EU het land oplegt, dat op 2 oktober wordt gehouden. Dan kunnen Hongaren antwoord geven op de vraag: "Wilt u de EU het mandaat geven tot verplichte herhuisvesting van niet-Hongaren in Hongarije, zelfs zonder instemming van het nationale parlement?" Geen idee trouwens waarom in de vraag sprake is van 'niet-Hongaren', wat uiteraard een aanzienlijk breder begrip is dan 'illegale immigranten'.
Dat laatste is wel waar de regeringsborden zich op richten. Alle teksten zijn extreem negatief over asielzoekers en in hoeverre de beweringen kloppen, is soms moeilijk na te gaan. Betrouwbare Europese cijfers over aanrandingen zijn er bijvoorbeeld niet. Iedereen heeft gehoord van excessen, zoals in Keulen. Maar betekent dat dat het aantal aanrandingen in Europa in het totaal scherp gestegen is? Cijfers daarover bestaan simpelweg niet.
Een ding is wel zeker: het quotum van 1294 mensen waartoe Brussel Hongarije dit jaar verplicht, is bepaald geen 'stad vol', zoals de borden beweren.  Hoewel: er bestaan twee officiële Hongaarse steden met minder dan 1300 inwoners. Pálhaza in de provincie Borsod is de kleinste, De 'stad' heeft nog geen 1100 inwoners.
Ook als liefhebber van de Olympische Spelen ontkom je niet aan de negatieve berichtgeving rond het thema. De live sportuitzendingen van het sportkanaal van de Hongaarse staatstelevisie, worden regelmatig onderbroken voor 'één-minuut-nieuwsbulletins' of 'reclame met een maatschappelijk doel'. Tussen roeien en zwemmen door zie je minstens één nieuwsbericht over een Pakistaan die ergens in Europa een meisje heeft aangerand, een vluchteling die klaagt over het eten in een opvangkamp of een politicus over het verkeerde Europese beleid. Of anders verschijnen dezelfde EU-blauwe affiches, op tv aangevuld met passende video's van aanslagen of volgepakte boten.
Het referendum is een initiatief van regeringspartij Fidesz en volgens premier Viktor Orbán slechts bedoeld om Brussel duidelijk te maken wat de Hongaren willen, namelijk geen migranten in hun land. De oppositie ziet het eerder een soort verkapte Brexit, een boodschap van Orbán dat hij lak heeft aan Brussel, terwijl politieke analisten het vooral omschrijven als een poging van de premier om het vluchtelingenthema levend en daarmee zijn populariteitscijfers hoog te houden: voordat hij vorig jaar besloot een hek te bouwen om vluchtelingen buiten te houden, waren die behoorlijk ingezakt.
Hoe dan ook, de aanhoudende stroom negatief nieuws over vluchtelingen mist zijn effect niet. Terwijl van de pakweg 200.000 vluchtelingen die vorig jaar door het land trokken, vrijwel niemand asiel in Hongarije zelf heeft aangevraagd, is de angst voor 'migranten' zoals ze stelselmatig worden aangeduid, groot. Voor veel Hongaren is dat begrip overigens synoniem geworden met moslims uit Syrië, Irak en Afghanistan. Dat merkte een groep Mexicanen die onlangs tijdelijk in een Noord-Hongaars dorpje kwam werken. Het dorp reageerde zeer vijandig op de 'migranten', tot doordrong dat ze niet uit het Midden-Oosten kwamen. Daarna waren ze plots van harte welkom.
Vorig weekend, een week na het verschijnen van de regeringsposters, startte de officiële referendumcampagne en konden andersdenkenden een tegengeluid laten horen. Voorlopig is dat tegengeluid vrij bescheiden, De meeste oppositiepartijen noemen het referendum een propagandastunt en roepen daarom op tot een boycot. Daarmee omzeilen ze ook meteen het probleem van een inhoudelijke reactie. Die ligt nogal gevoelig, want het staat vast dat ook een groot deel van hun eigen aanhang de antimigrantenpolitiek van de regering volmondig.
In hoeverre oppositieaanhangers het boycotadvies volgen, wordt dan ook de grote vraag. Volgens de huidige opiniepeilingen wil 54 procent van alle kiezers gaan stemmen. Daarvan is zo'n 80 procent van plan om 'nee' te stemmen, wat, enigszins verwarrend, het antwoord is dat de voorstanders van het referendum graag willen zien.
Voor een geldig referendum is een opkomst van minimaal vijftig procent nodig. Dat was vroeger 25 procent, maar toen premier Orbán in 2010 aan de macht kwam, stond verhoging van de minimumopkomst bij referenda hoog op zijn agenda. Hij wilde namelijk voorkomen dat de oppositie zijn regeringsbeleid met volksstemmingen zou doorkruisen, een tactiek die hijzelf als oppositieleider succesvol toegepast.
De huidige peilingen uitkomen wijzen overigens op een succesvol referendum, en premier Orbán heeft daar dan ook op ingezet. De de vraag is overigens hoe reëel die peilingen zijn. Bij eerdere referenda die mensen na aan het hart lagen, zoals de toetreding tot de NAVO en tot de EU in 2004, bleef de opkomst uiteindelijk onder de 50 procent.
In praktijk doet de geldigheid er overigens niet echt toe. Per slot van rekening hoeft er helemaal geen wet veranderd te worden, maar is deze stemming uitsluitend bedoeld als 'boodschap aan Brussel' dat Hongaren geen migranten willen. En zo zal Orbán de uitslag zonder enige twijfel gebruiken, zolang de opkomst niet absurd laag is en de overgrote meerderheid daadwerkelijk nee stemt . En het zou zeer verrassend zijn als dat niet gebeurde.