Vakantie aan de Donau, in de buurt van Boedapest

Vakantie aan de Donau, in de buurt van Boedapest
Te huur: ruim twee kamerappartement met uitzicht op de Donau

vrijdag 27 november 2009

RECHTSE TAXI

Zelfs taxi rijden kan een politieke daad zijn. In Hongarije althans, waar sinds kort het taxibedrijf Jobbtaxi bestaat. Dat kun je vertalen als betere taxi of rechtse taxi, en het logo dat de taxi's voeren, verraadt dat de tweede uitleg de juiste is: een Hongaarse vlag in de vorm van Groot-Hongarije, met daarop het Hongaarse wapen, omringd door heraldische tekens die de na de Eerste Wereldoorlog verloren gebieden (Kroatië, Transsylvanië, Slowakije, de Vojvodina, een stukje Oostenrijk, een stukje Slovenië) aanduiden.
Beter is Jobbtaxi natuurlijk ook, en daarom biedt het in de wagens monitoren aan, waarop de klanten 'hun lievelingprogramma's' kunnen zien. Waar die programma's over gaan, laat zich raden als je hun website leest. Daarin wordt de oprichting van dit taxibedrijf daarmee gemotiveerd dat het ,,de aansluiting van de Hongaren'' wil bevorderen. ,,We kunnen niet toelaten dat ons mooie vaderland verder versplintert, we kunnen niet dadeloos toezien dat onze kinderen opgroeien in een van misdaad en gevaren gevulde wereld."
Wat een taxibedrijf daarmee te maken heeft, blijft een beetje onduidelijk, behalve de oproep om in het belang van het grote doel naast elkaar te staan, saamhorig te zijn, als een grote familie. Als je Jobbik stemt, moet je ook in een Jobbik taxi rijden, waarin je Karpatia en andere aangepaste muziek kunt beluisteren via de ingebouwde monitor. De ultieme verzuiling.
De klantenkring van het nieuwe taxibedrijf lijkt me daarmee wat beperkt, want het moge duidelijk zijn dat iedereen die Jobbik niet ziet zitten en niet van Karpatia houdt, in zijn leven nooit in een Jobbtaxi zal gaan zitten. Da's misschien maar verstandig ook, want een deel van de chauffeurs schijnt er in het verleden bij andere taxibedrijven uitgegooid te zijn omdat ze klanten openlijk discrimineerden. Wie niet bij de grote familie hoort, hoort in een Jobbtaxi duidelijk niet thuis.

woensdag 25 november 2009

GRIEPPRIK

Wij hebben allemaal de griepprik gehaald. Onze zoon op school, wijzelf bij de huisarts. Dat is in Hongarije makkelijk, al werkt het wat omslachtig. Je gaat naar de arts, krijgt een recept, gaat naar de apotheek, en als ze hem daar voorradig hebben, krijg je een doosje mee waarmee je weer naar de arts gaat. We zitten vaak in het openbaar vervoer, ik geef ook nog les op een school, kansen genoeg om aangestoken geworden, en wat ik over de Mexicaanse griep gelezen had, schrok me toch voldoende af om die prik toch maar te halen.
Ik schijn daarmee een politieke daad gesteld te hebben. Want zelfs de griepprik is politiek, in Hongarije. Hongaren zij over het algemeen snel geneigd zich te laten prikken. Kinderartsen roepen ouders ieder jaar op hun kind tegen de griep in te laten enten. Het land heeft voor kinderen een van de meest uitgebreide inentingsprogramma's ter wereld en is ook een belangrijke producent van vaccins. Ook het H1N1-vaccin is van eigen bodem en wijkt af van het vaccin dat in Nederland wordt gebruikt.
Dat zou een bron van nationale trots kunnen wezen, maar is het niet. Een aantal weken geleden zeiden topartsen van de Hongaarse artsenkamer, een orgaan dat tegenwoordig erg antiregering is, dat de griepprik onvoldoende onderzocht was, de regering aan dat probleem onvoldoende aandacht had besteed en dat het dus af te raden was zich te laten inenten.
Oppositiepartij wierp bovendien op dat de regering de inentingsstof besteld had bij een bedrijf dat officieel in Cyprus is gevestigd. Wat waar is, trouwens. Weliswaar wordt het vaccin in Hongarije geproduceerd, maar om een duistere reden, en vast niet al te koosjere reden, is de producent inderdaad off shore gevestigd.
Maar goed, alle bezwaren kwamen erop neer dat de regering het weer eens niet goed deed en mensen de griepprik dus niet moesten gaan halen. Leidende Fidesz-politici, waaronder fractievoorzitter Tibor Navracsics, verklaarden zelfs in het openbaar dat ze zich niet zouden laten prikken. Ga dan als trouwe aanhanger maar eens naar de dokter en vraag om een recept.
Laten we eerlijk zijn, zodra de griepprik beschikbaar was, bleek dat veel mensen zich van dat advies niet zoveel aantrokken. De eerste lading vaccin was binnen uren uit de apotheek verdwenen, mede omdat ook burgers uit Slowakije de grens overstaken om zich te laten inenten. Maar vandaag vertelde iemand me, dat bij haar zoontje in de klas de scheidslijn tussen wel of geen prik netjes langs de politieke lijn liep. 'Linkse' ouders lieten hun kind wel prikken, 'rechtse' ouders niet. Te zot om los te lopen.
Vooral, omdat Fidesz-leider Viktor Orbán vorige week het zekere blijkbaar voor het onzekere heeft gekozen. Orbán bekende vorige week dat hij de inenting wel had gehaald. Ook zijn vijf kinderen zijn ingeënt. Alleen zijn vrouw houdt nog aan de partijlijn vast en is, zo grapte Orbán, de controlegroep thuis.

woensdag 18 november 2009

SOCIALE VERANDERINGEN

Aan het pleintje in het centrum van Bodvalenke (zie 'Zigeunercultuur') staan twee kerken, een gereformeerde en een katholieke, recht tegenover elkaar. De katholieke is niet groter dan een kapelletje. Binnen zijn twee rijen met bankjes, waar je met wat moeite met zijn tweeën naast elkaar kunt zitten. Er is voor negentien mensen zitplaats; een gasfles voor de verwarming neemt de twintigste plek in.
De gereformeerde kerk aan de andere kant is een behoorlijk fors gebouw, dat met zijn geschilderde houten betimmering en sobere decoraties binnenin sterk aan Nederlandse gereformeerde godshuizen doet denken. Je kunt er zonder problemen een flink deel van de bevolking van het 200 zielen tellende dorp in kwijt.
Maar als er tijdens een mis twintig man verschijnen, zal het veel zijn, want Bodvalenke telt tegenwoordig minder dan 30 gereformeerde inwoners. De meeste dorpelingen zijn katholiek. De twee kerken zijn stille getuigen van de enorme sociale veranderingen die de afgelopen jaren in het dorpje hebben plaatsgevonden. Binnen enkele decennia hebben gereformeerde Hongaren plaatsgemaakt voor tientallen zigeunergezinnen.
Die veranderde sociale verhoudingen gaan er bij de blanke bevolking maar moeilijk in, vertelt Eszter Pásztor, een Hongaarse vertaalster die zich het lot van de straatarme zigeuners in het dorp heeft aangetrokken. Toen zij in het dorp kwam met ideeën om Bodvalenke toeristisch op de kaart te zetten door er een Roma-cultuurcentrum van de maken, was er bij niet-Roma weinig enthousiasme. Het mocht wel goed zijn voor de werkgelegenheid, maar de plannen waren te zeer een onderstreping van de veranderde situatie in het dorp.
"Een vrouw verhaalt nog steeds nostalgisch over de mooie tijden van vroeger, toen het dorp zo gezellig was en de jongens boven in het koor van de kerk naar de meisjes beneden zaten te lonken. Zulke mooie jongens, zegt ze er altijd bij. Maar ja, haar eigen kinderen zijn ook allemaal weggetrokken. De tijden dat mooie jongens naar haar lonkten, liggen ver achter haar, trouwens" zegt Pásztor.
Dat is het probleem met Bodvalenke, en met de omringende dorpen die dezelfde veranderingen hebben ondergaan: er is niets en het is te ver weg van alles vandaan. Er is geen werk in de buurt, helemaal niets. In Bodvalenke is één Hongaarse boer, die kort na de politieke omwentelingen de meeste landbouwgrond om het dorp wist op te kopen. Daarbuiten zijn het gemeentehuis en de dorpswinkel die halve dagen open is, de enige plaatsen waar misschien een baantje te vergeven is.
Er is geen stromend water, geen gas en geen toekomst in Bodvalenke. Geen wonder dat Hongaarse jongeren massaal zijn weggetrokken naar plaatsen waar meer kansen liggen. Hun huizen gingen voor een habbekrats van de hand, want in een plek zonder toekomst is onroerend goed ook niets waard. En langzaamaan vulden de vervallen, leeggekomen panden zich met zigeunerfamilies die na de val van het socialisme elders hun werk in de staal- en textielindustrie of in de mijnbouw kwijt waren geraakt en nu op zoek waren naar een goedkope plek op te leven.
En naarmate er meer Roma komen, trekken niet-Roma versneld weg. "Er zijn inmiddels echt regio's in Oost-Hongarije waar vrijwel uitsluitend nog Roma wonen," aldus Andor Ürmös, hoofd van de afdeling Roma-integratie van het Hongaarse ministerie van sociale zaken en zelf ook Roma.
En die veranderingen gaan vaak gepaard met enorme spanningen. Het is niet toevallig dat juist dit ook de regio is waar de extreem-rechtse Jobbik het snelst groeien. Niet ver van Bodvalenke ligt het 11.000 inwoners tellende Edelény, waar Fidesz-burgmeester Oszkar Molnár aan het roer staat. Molnár, die ook voor Fidesz in het parlement zet, haalde onlangs het landelijke nieuws vanwege zijn beschuldiging dat zwangere zigeunervrouwen expres medicijnen slikken om kinderen met een handicap te baren, zodat ze verzekerd zijn van sociale steun.
Molnár, een wat verlegen ogende, zacht sprekende man, blijkt zijn beschuldiging te baseren op statistieken, waaruit blijkt dat in deze provincie het hoogste aantal gehandicapte kinderen wordt geboren. In hoeverre dat echter te wijten is aan drankgebruik, roken en slecht eten, gezondheidsproblemen die typisch zijn voor de armste onderklasse van de samenleving, en niet aan kwade opzet, dat is een antwoord dat hij schuldig moet blijven.
Maar als je met Molnár verder praat, blijkt de burgemeester simpelweg met vragen te worstelen, waar anderen ook geen antwoord op hebben: hoe los je in een provincie waar de werkloosheid boven de 20 procent is, de problemen op van een doodarme bevolkingsgroep die vrijwel geen opleiding heeft, alleen ongeschoold werk kan doen en vaak de noodzaak van onderwijs voor de kinderen niet inziet. Hoe ga je om met de criminaliteit die bij die armoede hoort? Geen enkele partij, ook Fidesz niet, heeft daar tot nu toe volgens hem een antwoord op. En ook de Jobbik niet, voegt hij toe: "Die roepen makkelijke slogans waar mensen achteraan lopen, maar concrete oplossingen bieden ze niet."
Molnár zoekt het in strengere wetgeving, die ouders dwingt hun kind naar school te sturen en die ook kleine criminaliteit zoals winkeldiefstallen harder aanpakt. Maar Pásztor zoekt de oplossing juist in een positieve aanpak.
"Natuurlijk kun je niet van ieder dorp met veel zigeuners een toeristische trekpleister maken. Maar dat is ook niet het enige dat we hier doen. We hebben een inventarisatie gemaakt van de mogelijkheden die het dorp en de omgeving bieden. We hebben een landbouwkundige laten kijken naar de mogelijkheden om speciale producten te verbouwen, en dit gebied blijkt bij uitstek geschikt om een bepaald soort bijzondere bessen die in de medische industrie worden gebruikt, te planten.
"We hebben gekeken wat voor vaardigheden er onder de mensen zijn, en dan blijken er wel degelijk meer vaardigheden te zijn dan je denkt. Er is een traditionele mandenmaker, een houtsnijder, er zijn een paar mensen die perfect de weg weten door het moeras naast het dorp en als gids zouden kunnen dienen voor toeristen. Er zijn mensen die verstand hebben van wilde paddenstoelen en mensen die met paarden kunnen omgaan, en er zijn vrouwen die fantastisch koken. Ik ben ervan overtuigd dat als je op zoek gaat, je in ieder dorp meer mogelijkheden vindt dan je op het eerste gezicht denkt."
In Bodvalenke heeft haar project er in ieder geval toe geleid dat er een voorzichtige toenadering tussen Hongaren en zigeuners plaatsvindt. "De moeder van de enige boer in het dorp wil nu ook graag een fresco op haar huis, en sindsdien begint haar zoon ook toeschietelijker te worden." Als producent van thuisgestookte palinka kan een toeristisch Bodvalenke hem per slot van rekening ook klanten brengen.

maandag 16 november 2009

ZIGEUNERCULTUUR

Tot de opkomst van de Hongaarse Garde had vertaalster Eszter Pásztor zich nooit zo met de zigeuners in haar land bezig gehouden. Maar dat de marcherende extremisten het beeld zouden bepalen van hoe Hongaren met hun grootste minderheid omgaan, vond ze onverdragelijk. Dat moest anders kunnen, meende ze.
Een vriend bracht haar naar Bodvalenke, een dorpje met 200 inwoners, waarvan 170 Roma, in het noorden van Hongarije, niet ver van de grotten van Aggtelek. Een dorp zonder gas of stromend water, waar de vrouwen hun was bij een gemeenschappelijke bron deden, hele gezinnen één kamer deelden en kinderen vaak met lege maag naar bed moesten.
"Ik had geen idee dat in Hongarije, waar ik een comfortabel middenklassebestaan heb, een deel van de bevolking in zulke derde wereld omstandigheden leefde," zegt ze. Ze wilde iets doen, maar kwam eerst niet verder dan een uitstapje naar de dierentuin in Boedapest voor de kinderen. Tot haar een vakantie in Egypte te binnenschoot, waar ze twee uur lang in een bus had gezeten om in de woestijn een dorp te bekijken waar alle huizen versierd waren met fresco's.
Zoiets moest in Bodvalenke ook kunnen, dacht ze. Twee en een half uur van Boedapest, de grotten van Aggtelek in de buurt, niet zo ver van Tokai. Toen ze ook nog een Roma-kunstenaar tegen het lijf liep die al langer met hetzelfde idee rondliep, was de zaak beslist.
Het was niet dat de inwoners van Bodvalenke stonden te juichen over het idee. Sterker nog, eerst vonden ze het maar niets, de gedachte dat iemand hun huizen zou 'bekliederen' zoals ze zelf zeiden. Ze gingen pas overstag toen de eigenaar van een paard-met-wagen zich realiseerde dat hij aan toerisme kon verdienen door mensen met zijn wagen van het station in het buurdorp te halen.
Pásztor besefte heel goed, dat het hele project staat of valtbij de bereidheid van de dorpelingen om er zelf energie in te steken Als eerste proeve van hun goede wil vroeg ze hen zelf de overal rondslingerende troep op te ruimen. Zonder dat zou het project niet beginnen.
Eerst stuitte dat verzoek op veel protest. "Ik maak nooit troep," hield iedereen vol. Maar uiteindelijk verdween de rotzooi, en afgelopen juli arriveerde de eerste frescoschilder. Voor de eerste fresco's werden heel bewust makkelijk thema's en een realistische stijl gekozen, zodat ze de dorpelingen aanspraken. "Hun voorkeur gaat uit naar een fresco met paarden en romantische plaatjes uit het traditionele Roma-leven," zegt Pásztor. Latere schilders kozen andere thema's, uit de Roma-mythologie, maar ook op basis van actuele gebeurtenissen, zoals de serie moorden op willekeurige zigeuners waar Hongarije afgelopen jaar door geteisterd werd.
Pázstor's eigen voorkeur gaat uit naar een schilderij met een donkere Jezusachtige figuur. In de wat abstracte gezichten achter hem is het hele dorp te herkennen, zegt ze, met alle goede en slechte kanten, inclusief de lokale woekeraars en een vrouw die als hoer geld voor haar vier kinderen verdient.
Als het aan Pásztor ligt, blijft het zeker niet bij deze negen fresco's. Ze wil van Bodvalenke een centrum van Europese Romacultuur maken. Daarom wil ze komend jaar ook schilders uit andere landen uitnodigen. Uiteindelijk is het streven om alle huizen van mensen die dat willen, te beschilderen. Na de aanvankelijke afhoudendheid van de Hongaarse inwoners heeft zich inmiddels heeft zich ook een niet-zigeuner aangemeld, een oudere vrouw die haar huis graag beschilderd wil hebben, zegt ze.
Tot Pásztor's andere plannen om Bodvalenke toeristisch op de kaart te zetten en werkgelegenheid te scheppen, behoren de organisatie van een jaarlijks festival, de opening van een restaurant, een pension en een winkel waar producten uit Bodvalenke te koop zullen zijn. Ze heeft een bevriende modeontwerpster zover gekregen om op zigeunerkleding geïnspireerde kledingstukken te ontwerpen, die geproduceerd gaat worden door een paar vrouwen uit het dorp die in een inmiddels gesloten textielfabriek hebben gewerkt. Een aantal jongeren in het dorp heeft deze zomer een cursus sieraden maken gevolgd.
Verder zijn er een rietvlechter en een houtsnijwerker in Bodvalenke en een aantal mensen die alles weten van wilde paddenstoelen. "Als ze die aan een opkoper verkopen, krijgen ze daar 200 forint per kilo voor, terwijl je er in Pest 3000 forint voor betaalt. Maar we willen een droogoven aanschaffen, zodat we ze kunnen distribuëren."
Met expert van het Nationale Park Aggtelek is ze bezig het naast het dorp gelegen moeras toeristisch te ontwikkelen. Volgens de deskundigen is het moerasgebied ecologisch van enorme waarde en de bedoeling is dat er komend voorjaar samen met de dorpsbewoners een ecologisch pad door het gebied wordt gebouwd. "Op dit moment kun je er alleen met gidsen in, want anders is het veel te gevaarlijk. Je kunt er echt in wegzinken,"zegt Pásztor.
Naast toeristische attracties werkt Pásztor ook hard aan sociale verbeteringen in het dorp. Er is een computerruimte met internetaansluiting gekomen, ze organiseert de verkoop van tweedehands kleding en gebruikt het geld voor een medicijnenfonds voor mensen die zelfs geen geld voor geneesmiddelen hebben, en ze heeft gezorgd dat een aantal gezinnen die in onbewoonbare woningen leefden, nieuw onderdak kregen.
De veranderingen hebben het zelfbewustzijn van de dorpelingen enorm opgekrikt. "We hebben heel veel aan het gemeenschapsgevoel moeten doen. Toen ik kwam, was de sfeer om te snijden. De Hongaren vonden niet dat we iets voor de zigeuners moesten doen, de zigeuners onderling waarschuwden de hele tijd dat ik die niet moest vertrouwen, of die niet. En natuurlijk probeerden mensen me te belazeren, er zijn er nog steeds die denken dat je een 'witte' gewoon zoveel mogelijk moet zien af te troggelen.
Maar de onderlinge verhoudingen in het dorp zijn veel beter dan een jaar geleden. Het beste bewijs daarvan is misschien wel dat er tegenwoordig geen afval meer in Bodvalenke rondslingert. "Dat ze het afval destijds hebben opgeruimd, was al heel wat, maar dat ze bereid zijn het bij te houden is natuurlijk nog belangrijker," aldus Pásztor.

maandag 9 november 2009

BUURTVERGADERING

Omdat de gemeente de verkeerssituatie in onze buurt wil wijzigen, was er een buurtvergadering belegd met de bewoners van de betrokken straten. Het voornaamste doel van de wijziging is de ontlasting van een smal straatje achter ons, dat nu een dagelijkse vloed doorgaand verkeer, inclusief vrachtauto's, te verduren krijgt, met als gevolg dat mensen regelmatig te maken hebben met gebroken leidingen en ingezakte rioleringen. Het straatje zal in het vervolg alleen toegankelijk zijn voor de mensen die er wonen.
Voor onszelf betekent de wijziging niet zoveel, want het verkeer dat nu wordt omgeleid, kwam ook vroeger al in onze straat. Alleen zullen we in toekomst wat verder moeten rijden om thuis te komen.
Maar de vergadering was desondanks interessant. Vooral omdat er niets bijzonders gebeurde. Dat wil zeggen: niemand hield een politieke rede, niemand begon te schelden op de socialistische burgemeester, of juist op de oppositie. Er was zelfs niemand die een historische verhandeling over de verkeerssituatie in Vác voor, tijdens en na het socialisme hield.
Iedereen concentreerde zich gewoon op de kwestie waar het om ging, stelde vragen en kwam met zinnige opmerkingen, bijvoorbeeld over de noodzaak van aanleg van liggende politieagenten, zoals verkeersdrempels in het Hongaars heel fraai heten. Toen iemand wat praktische bezwaren aanvoerde, zei iemand anders: ,,Maar we kunnen het toch gewoon proberen, en als het niet werkt, komen we volgend jaar weer bij elkaar." En iedereen, inclusief de vertegenwoordigers van de gemeente en de vrouw die de bezwaren had aangevoerd, was het daarmee eens.
Toen bleek dat een bepaalde straatlamp al tijden niet brandt, omdat er problemen zijn met de plaats waar de paal moet worden gezet, bood iemand spontaan zijn huismuur aan. In een uur waren we klaar, was er een hoop duidelijk geworden en ging iedereen als vrienden uit elkaar. Nu natuurlijk kijken of die liggende politieagenten er ook echt komen. Maar misschien moeten ze mijn mede-buurtbewoners gewoon in het Hongaarse parlement neerzetten. Dat zou de sfeer in het land zeer ten goede komen.

vrijdag 6 november 2009

UMAR

Ik raak met Umar in gesprek omdat hij wierook wil kopen, maar niet uit weet te leggen welke. Precies dezelfde als vorige keer, alleen weet hij niet meer dan de prijs en de kleur van het doosje: blauw. Zijn mengsel van slecht Engels en nog slechter Hongaars voldoet niet om de overigens zeer behulpzame verkoopster duidelijk te maken wat hij wil. Uiteindelijk maakt hij een keuze uit alle blauwe doosjes die ze in de aanbieding heeft.
Umar komt uit Somalië, vertelt hij. En trots voegt hij eraan toe: "Maar nu ben ik Hongaar." Als hij de twijfel op mijn gezicht ziet, toont hij zijn persoonsbewijs. "Een Hongaars persoonsbewijs, en ik heb ook een Hongaars paspoort." Umar heeft een officiële vluchtelingenstatus, maar wie ben ik om hem van zijn illusie te beroven?
Want als er één ding duidelijk is, is dat Umar heel erg blij is met zijn nieuwe vaderland. Zó democratisch. Zó gastvrij. Iets heel anders dan Dubai en Saoedi-Arabië, waar hij ook een deel van zijn leven heeft doorgebracht. Tien jaar heeft hij als mechanicus in Dubai gewerkt, maar toen hij zijn baan verloor, kon hij onmiddellijk oprotten. En in Saoedi-Arabië keken ze hem ook al niet aan, hoewel Umar moslim is en duidelijk van Arabische afkomst. Maar van moslims moet hij volgens eigen zeggen niets hebben: "Die hebben geen idee wat democratie is."
Hij komt uit Mogadishu, vertelt hij. Zijn familie is dood, met dank aan president Bush: een bom op hun huis. Umar is met behulp van mensensmokkelaars in Hongarije terechtgekomen. Helemaal duidelijk is zijn route me niet, maar hij heeft een groot deel te voet gedaan, in de winter, door Rusland en Oekraine. Een aantal van zijn lotgenoten haalden het niet. Drie mensen verdronken, toen ze bij een bevroren rivier door het ijs zakten.
Ergens langs de route is hij ook nog in een kamp van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR terechtgekomen. Er was sprake van dat hij, zoals wel meer Somlische vluchtelingen een verblijfsvergunning in Amerika zou krijgen, maar Umar voelde daar niets voor. Amerika heeft zijn liefde bepaald niet. Hongarije daarentegen bevalt prima. "De meeste vluchtelingen gaan door naar West-Europa, maar ik voel me hier thuis."
Hij heeft een baan, bij een pizzabakker, en een droom: vrachtwagenchauffeur worden. Onlangs haalde hij zijn vrachtwagenrijbewijs, laat hij vol trots zien, en sinds kort zit hij op Hongaarse les. Hij heeft een meisje leren kennen, waar hij goede hoop over heeft. De Hongaren zijn aardig. Hongarije? Helemaal niets mis mee.

zondag 25 oktober 2009

ZIMBABWE

Een democratische rechtstaat, waar Hongaren hun geluk zouden vinden en die hun een veilige thuis zou bieden, dat was wat interim-president Mátyas Szürös zijn volk toewenste toen hij op 23 oktober 1989 vanaf het balkon van het Hongaarse parlement de vierde Hongaarse Republiek afkondigde en vrije verkiezingen aankondigde. Het was feitelijk het einde van het socialisme in Hongarije, een dag waarop je nationale feestvreugde had verwacht.

En veel Hongaren waren ook wel blij: ,,Het is nog niet afgelopen, maar we hebben nu hoop en die moeten we hebben,’’ zei een dierenarts op het plein tegen een journalist terwijl hij een traan wegpinkte. Maar niet iedereen dacht er zo over. In de stad herdachten mensen de mislukte opstand van 1956. ,,Dit is geen feestdag, het is een herdenkingsdag. Het wordt pas een feestdag als deze heren en hun opvolgers het Hongaarse volk om vergeving hebben gevraagd, ” aldus een spreker op een van de bijeenkomsten.

Achteraf was het niet zo slim om de declaratie van de nieuwe republiek te koppelen aan de opstand van 1956, want met die dag is het nooit echt goed gekomen. Dezer dagen is er niemand meer die zich de toespraak van Szürös’ toespraak nog herninnert en de oppositie gunt de socialisten geen rol bij de herdenking van de opstand. Ze ziet de 23ste oktober tegenwoordig vooral als dag van protest tegen de huidige, socialistische regering.

En dat protest vindt weerklank, want maar 19 procent van de Hongaren vindt dat het land er de afgelopen twintig jaar op vooruit is gegaan. Iedere tweede Hongaar meent dat land en eigen familie er alleen maar slechter op geworden zijn. Van de voormalige Oostbloklanden zijn alleen de Bulgaren bijna net zo negatief.

Wereldwijd is er nauwelijks een volk zo somber over zijn eigen situatie als de Hongaren, blijkt uit onderzoek van het internationale opiniebureau Gallup. Op een ladder met elf sporten plaatst veertig procent van de Hongaren de eigen levensomstandigheden op een van de onderste vier treden. Sterker nog, ruim 34 procent van alle mensen plaatst zichzelf op de laagste sporten en verwacht bovendien niet dat het leven in de komende vijf jaar beter wordt. Alleen in Zimbabwe, Burundi en Haïti hebben mensen een nog somberder toekomstbeeld. Met enige reden: de inwoners van Zimbabwe hebben per jaar niet meer dan 50 euro te besteden en de kans dat ze de veertig halen, is vrijwel nihil. Zelfs inwoners van landen als Irak, Afghanistan en Somalie kijken positiever tegen de toekomst aan, en dat zijn toch landen waar mensen reeel moeten vrezen dat ze morgen door een zelfmoordcommando in de lucht worden geblazen of overmorgen thuis komen en hun gezin vermoord aantreffen.
Dat Hongaarse pessimisme is bepaald niet nieuw. Het land heeft van ouds her een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld. Begin twintigste eeuw schreef de populaire dichter Endre Ady, in een periode dat zijn vaderland een ongekende economische bloei doormaakte, de volgende dichtregels: ,,Deze stinkende, trieste poel staat ook bekend als Hongarije’’.

In een discussiegesprek over de Hongaarse kijk op de politieke omwentelingen noemde historicus András Gerő het volkslied een passende illustratie van de nationale psyche. Menige Hongaar krijgt tranen in de ogen bij het zingen het slotcouplet: ,,Heb medelijden, o heer, met de Hongaren, die heen en weer geslingerd worden door golven van gevaar, strek uw beschermende arm uit over de zee van hun misère, lang verscheurd door het noodlot, breng hen een tijd van opluchting, zij die geleden hebben voor alle zonden van het verleden en de toekomst’’.

De inbreng van een van zijn conservatieve discussiepartners was typerend. De man klaagde over de vreselijke toestand waarin het land was, en sprak over twintig verloren jaren. Verloren? In tegenstelling tot twintig jaar geleden is Hongarije een democratisch land waar je mag zeggen wat je wilt en waar je de vrijheid hebt om te gaan en te staan waar je wilt. Het is in de afgelopen jaren lid geworden van de NAVO en de EU. Ten opzichte van 1990 zijn de reële lonen in 2008 met 22,8 procent gestegen. Zelfs als je in ogenschouw neemt dat de reële lonen het afgelopen jaar een paar procent gedaald zijn, hebben mensen nog steeds echt meer te besteden dan twintig jaar geleden.

Dat mensen het beter hebben gekregen, blijkt ook uit andere cijfers: Hongaren worden tegenwoordig ruim vier jaar ouder dan in 1990: mannen worden nu 69,8 inplaats van 65,1 jaar en vrouwen 77,8 inplaats van 73,7. Als Hongaren armer geworden zouden zijn, zoals de grootste zwartkijkers beweren, zou hun gemiddelde levensverwachting niet zijn gestegen, maar gedaald. Dat was midden jaren negentig, toen de lonen echt naar beneden gingen, inderdaad het geval was. Maar dit zijn allemaal argumenten die zelfs bij een groot deel van de middenklasse die zichtbaar beter leeft dan twintig jaar geleden, geen gehoor vinden. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat alle dorpen tegenwoordig stromend water hebben, en meestal ook gas, dat iedereen een telefoon heeft en bijna ieder gezin wel een auto, zaken die onder het communisme ondenkbaar waren. Het is waar dat veel mensen het de afgelopen jaar door de wereldwijde crisis moeilijker hebben gekregen dan in, pakweg, 2006. Maar dat zijn dat verworvenheden die blijven staan.

Helaas, aldus socioloog Elemer Hankiss onlangs in het weekblad HVG, kennen maar weinig Hongaren het internationale Gallup-onderzoek. Zelfs de grootste pessimisten volgens hem op basis daarvan zouden moeten inzien dat er iets scheef zit in het Hongaarse zelfbeeldbeeld.

ACHTTIEN MINUTEN

Achttien minuten duurde de ceremonie waarin president Szürös na een korte militaire parade de opheffing van de Hongaarse Volksrepubliek bekend maakte. De ‘kameraden’ van weleer hadden in zijn toespraak plaatsgemaakt voor ‘landgenoten’ en de rood-wit-groene driekleur die bij de plechtigheid gehesen werd, was ontdaan van de korenschoven en industriële machinerie van zijn communistische voorganger. Iedere keer als het woord communist viel, floten de pakweg 100.000 toeschouwers op het plein. De woorden Amerika en democratie leidden tot groot gejuich.

De Hongaarse Republiek kwam tot stand dankzij een besluit van het door communisten beheerste parlement, dat gelijktijdig instemde met vrije parlementaire verkiezingen een half jaar later. De Hongaarse anticommunistische oppositie was als gesprekspartner weliswaar bij de ontwikkelingen betrokken, maar was op dat moment niet krachtig genoeg om zelf een omwenteling tot stand te brengen. Pas twee en een halve week na Szürös’ toespraak viel de Berlijnse Muur en tuimelde het ene communistische regiem na het andere. Het zou overigens nog tot 1991 duren voor de Russische troepen zich uit Hongarije terugtrokken.

woensdag 21 oktober 2009

POSTBODE

Net als ik de deur uitstap, komt de postbode aanrijden. Het is duidelijk niet zijn gewone ronde, aan zijn stuur hangt het stapelbakje waarin zijn lunch heeft gezeten, en hij heeft een rugzakje op zijn rug. Hij is klaarblijkelijk op weg naar huis, maar is speciaal omgereden om nog even twee brieven bij ons af te geven die om een of andere reden in het ongerede waren geraakt en die hij op zijn bureau had aangetroffen.
Hongaren hebben weinig geloof in hun politici. Maar samen met de dokter kan de postbode op hun volle vertrouwen rekenen. Blijkbaar hebben ze allemaal onze postbode. Vandaag kwam hij de brieven nabezorgen, gisteren had hij een pakje boeken handig door ons hek weten te werken, zodat we niet naar het postkantoor hoefden om het op te gaan halen, en iedere maand komt hij langs om ons het geld te brengen dat onze afwezige buurman ons stuurt om een oogje in het zeil te houden bij zijn huis.
De Hongaarse posterijen zijn nog niet geprivatiseerd. En als naar ik de situatie met Nederland kijk, mag ik hopen dat dat nog lang zo blijft. Een tijd geleden zag ik in Amsterdam drie Polen met TNT-fietsen en een kaart in hun hand staan puzzelen waar ze hun brieven moesten bezorgen. Op de een of andere manier gaf me dat weinig vertrouwen dat het wel goed zou komen met die post. En lang niet iedereen is blij met die steeds wisselende gezichten aan de voordeur, waarvan je dan maar moet hopen dat ze niets anders doen met je post dan hem netjes bezorgen.
Een vaste postbode is goud waard, als hij betrouwbaar is tenminste. De Hongaarse postbode is trouwens sowieso goud waard, letterlijk, want die wordt dagelijks op pad gestuurd met een tas vol geld: pensioentjes, uitkeringen, overboekingen aan privépersonen: de postbode komt het allemaal thuis brengen. Dat er niet regelmatig eentje wordt beroofd, mag een wonder heten, maar heeft misschien te maken met het feit dat iedereen zoveel vertrouwen in de postbode stelt.
Dat vertrouwen is niet helemaal terecht trouwens, want er schijnt wel eens een postbode de verleiding van die dikke geldtas niet kon weerstaan. En in Budapest zijn wij wel degelijk wel eens post kwijtgeraakt, al vermoed ik dat de postbode daar geen schuld aan was. Toch vraag ik me nog steeds af, wie zich tegoed heeft gedaan aan het stuk oude kaas dat een vriendin ooit voor mijn verjaardag had opgestuurd. Of dat ze zich in het distributiecentrum maandenlang hebben afgevraagd waar die vreemde lucht toch vandaan kwam.

donderdag 8 oktober 2009

WATEROVERLAST

Je burgers een lagere waterrekening beloven maakt je als burgemeester natuurlijk al snel populair. Maar de prijs die Hongarije mogelijk moet gaan betalen voor de acties van Zsolt Páva, lid van de conservatieve oppositiepartij Fidesz en burgemeester van Pécs, zou wel eens een behoorlijke hoge kunnen zijn. Op last van de burgemeester werd deze week beslag gelegd op het hoofdkantoor van de Pécs Waterwerken en werd de directeuren de toegang tot het gebouw ontzegd. Op die manier wil Páva de minderheidsaandeelhouder, het Franse bedrijf Suez, buiten spel zetten.
De reden? Het drinkwater van Pécs is volgens de burgemeester te duur. Hij beroept zich er bovendien op de wil van de bevolking uit te voeren. Zo'n 94 procent van de Pécsers vindt dat Pécs zelf eigenaar moest zijn van het waterleidingbedrijf, zo bleek uit een door een telefoonautomaat uitgevoerde enquête onder 18.000 mensen die Páva liet uitvoeren.
Even was er sprake van dat de gemeente de Suez-aandelen terug zou kopen. Maar al snel bleek dat de meningen over de prijs van die aandelen behoorlijk uiteen lagen, en de geschatte prijs van pakweg 13 tot 15 miljoen euro is hoe dan ook meer dan het vrijwel failliete Pécs zich kan veroorloven. Klaarblijkelijk had de burgemeester geen zin de uitkomst van die besprekingen verder af te wachten.
Om Pécs van water te voorzien, heeft Páva inmiddels een nieuw gemeentelijk waterbedrijf opgericht. Probleem is dat de stad diep in de schulden zit. De nieuwe onderneming heeft dan ook vrijwel geen geld. Het bedrijf heeft weliswaar het hoofdkantoor van de Pécs Waterwerken ingepikt, maar de enigen die aan de bankrekening van die onderneming kunnen komen, zijn de uitgesloten directeuren. Onduidelijk is dus, wie de 360 werknemers gaat betalen, en wie er eigenlijk voor gaat zorgen dat de burgers van Pécs straks in plaats van duur, helemaal geen water meer hebben.
Páva's actie tegen Suez is helemaal opmerkelijk, omdat hij in 1995 nota bene zelf de burgemeester was die 48 procent van de gemeentelijke waterwerken aan de Franse onderneming verkocht. Dat was in een tijd dat zijn partij Fidesz nog niet zoveel moeite had met buitenlandse investeerders.
Juridisch heeft de actie van de burgemeester geen enkele basis, en tenzij Páva op zeer korte termijn bij zinnen komt, zit het er dik in dat Pécs over enkele jaren een behoorlijke schadevergoeding zal moeten ophoesten, want geen rechter zal de gemeente in deze gelijk geven. Maar belangrijker nog dan de waarschijnlijke financiële strop is de potentiële schade dei Páva aanricht aan Hongarije's imago als betrouwbaar investeringsland.
Zijn actie bevestigt namelijk dat Fidesz, Hongarije's grootste oppositiepartij en nu al de gedoodverfde winnaar van de verkiezingen volgend jaar mei, niet alleen maar verkiezingsretoriek bedrijft als haar politici uithalen naar de vele buitenlandse bedrijven in het land. Het is trouwens niet voor het eerst dat Fidesz zich tegen buitenlandse investeerders keert. Nadat de partij in 1998 aan de macht was gekomen, zette premier Viktor Orbán een streep door het verkoopcontract van Ferihegy, het vliegveld van Boedapest dat eerder aan een Canadese investeerder was verkocht.
Het was een besluit dat de Hongaarse schatkist uiteindelijk veel geld kostte. In 2006, toen de conservatieve Orbán-regering al lang plaats had gemaakt voor een socialistisch kabinet dat het vliegveld alsnog verkocht, veroordeelde een rechtbank in Londen Hongarije tot een schadevergoeding van 65,5 miljoen euro wegens contractbreuk.

dinsdag 29 september 2009

McDonalds Hongaarse stijl

Als er wereldwijd één bezwaar tegen McDonalds is, dan is het wel dat de komst van het bedrijf iedereen de Amerikaanse cultuur door de strot duwt: een snelle, vette, overal gelijke hap in een omgeving die ook overal dezelfde is en die erop is gericht om iedereen zo snel mogelijk de deur uit te werken. Het heet niet voor niets fast food.
Behalve in Hongarije. McDonalds Hongarije heeft er alles aan gedaan, echt waar, maar Hongaren weigeren de Amerikaanse visie op McDonalds over te nemen en het restaurant te behandelen als een plek waar je zo snel mogelijk weer weg hoort te zijn te zijn. Ze gebruiken de keten eerder als een soort goedkoop, modern koffiehuis. En koffiehuizen zijn in Hongarije plaatsen waar je eindeloos kunt verblijven, waar niemand je stoort als je met een kop koffie voor je neus een uur lang een boek leest. Hongaren spreken in de McDonalds af voor vergaderingen, zitten er met een laptop te werken en houden tijdenlang tafeltjes bezet waar volgens het oorspronkelijke concept van het concern al lang een volgende klant had moeten zitten.
Om mensen weg te krijgen heeft het bedrijf een tijd lang overal storende televisies neergezet. Ze hebben het ook geprobeerd met zichzelf steeds herhalende, klassieke muziek, een probaat middel om mensen te verjagen dat in Nederland ook wel tegen hangjongeren wordt ingezet. Maar vergeefs. Uiteindelijk was het McDonalds dat overstag is gegaan. Een aantal Hongaarse McDonalds hebben inmiddels een koffiehoek die in geen enkel goed café zou misstaan.
Die in de voormalige stationsrestauratie op het Nyugatistation in Budapest is vermoedelijk wel de fraaiste. Toen het pand begin jaren negentig aan McDonalds werd verkocht, spraken velen er schande van: een fastfood restaurant in zo'n historische omgeving. Daar had iets veel mooiers kunnen. De McCafé die McDonalds inmiddels er inmiddels heeft geopend, komt critici zeker tegemoet. Niet alleen is de koffie er goed, het gebak is ook prima, de sinaasappelsap vers uitgeperst, de stoelen comfortabel en je krijgt je consumpties in echt servies en glaswerk. Het is nog wel zelfbediening, maar met fast food heeft het allemaal niets meer te maken.
De andere Hongaarse McCafés die ik ken, zijn weliswaar niet zo fraai, al is het maar omdat ze meestal in minder mooie gebouwen zitten. Maar ze zijn allemaal ingericht op een langduriger verblijf, met prettige zitjes, een mooie counter en koffie in echt servies. Ze zijn duidelijk een concessie aan de Hongaarse koffiehuiscultuur.
Met die ervaring in mijn achterhoofd stapte ik een tijd geleden een keer een McCafé in Parijs binnen, op zoek naar een kop koffie die iets minder zou kosten dan de vijf euro die ze in het centrum van die stad al snel vragen. De kale ruimte met zijn roestvrije couter, zijn ongemakkelijke barkrukken en de kartonnen bekers waren een behoorlijke koude douche. Het uitzicht op de Champs Élysées maakte wel iets goed, maar niet alles. Ik was er in tien minuten weg. Wat natuurlijk ook precies de bedoeling was.

zondag 27 september 2009

GRAFOPSCHRIFT


Dit is het graf van Gyula Kurnász. Gyula is in 1954 geboren. Dat weet ik, want dat staat op de steen. Wanneer hij doodgaat, is nog onbekend. Maar zijn graf is er al. Je kunt maar beter op de toekomst voorbereid zijn.
Als het om de dood gaat, zijn Hongaren dat zeker. Het graf van Gyula ligt naast dat van zijn ouders. Zijn vader is al langer dood, maar zijn moeder is vorige week gestorven, vandaar de verse bloemenweelde. Ook zij stond al sinds de dood van haar man op de steen gebeiteld.
Ik was niet bij de begrafenis, maar ik probeer me voor te stellen hoe Gyula daar staande naast zijn eigen graf stond te treuren over de dood van zijn moeder. Ik probeer me ook voor te stellen, trouwens, hoe zijn moeder de afgelopen jaren bij iedere Allerzielen, bij de naamdag van haar man János, bij zijn sterfdag en bij nog wat gelegenheden met bossen bloemen naar het graf trok waar haar eigen naam ook al op stond.
Althans, haar eigen naam.... de vrouw van János Kurnász is min of meer naamloos haar graf ingegaan, althans volgens onze Nederlandse opvattingen. Hoe ze heet, weet ik niet. Op haar graf wordt ze vermeld als Kurnász Jánosné, mevrouw János Kurnász. Zo heeft ze zich waarschijnlijk ook de afgelopen decennia voorgesteld aan onbekenden. En niemand van het nageslacht zal ooit nog weten dat ze eigenlijk Mária, of Erzsébet of Tereza heette.
Dat op het graf van hun zoon alleen zijn naam vermeld is, doet vermoeden dat hij niet getrouwd is. Het feit dat zijn ouders voor zijn graf hebben gezorgd, ook. Ze wilden ongetwijfeld zeker weten dat hij niet alleen en berooid zou sterven en van de armen begraven zou worden.
De Kurnászen zijn geen uitzondering. Als je op Hongaarse kerkhoven rondloopt, zie je regelmatig stenen waarop de vrouw alleen onder de naam van haar man is vermeld of waar een tweede, of zelfs derde naam op is gebeiteld, met vermelding van een geboorte-, maar geen sterfdatum. Een enkele keer komt het trouwens voor dat de geboortedatum meer dan een eeuw geleden is en er toch geen sterfdatum is. Dat maakt nieuwsgierig. Is de ontbrekende partner op latere leeftijd met iemand anders gelukkig geworden? Of was hij (of zij) blij zo verlost te zijn van een echtgenoot die bij leven onverdraagbaar was dat hij fluks een ander graf heeft aangeschaft?
Dat Hongaren een andere verhouding met de dood hebben, blijkt al uit het einde van ieder Hongaars sprookje: ze leefden lang en gelukkig tot ze dood gingen. Dat het leven eindig is, word je van kindsaf ingepeperd. Dat is nog eens iets anders dan onze geruststellende woorden 'dat papa en mamma nog lang niet doodgaan', de eerste keer dat ons kroost het bestaan van de dood gewaar worden.
De dood staat de Hongaren naderbij dan ons, en de doden spelen dan ook een veel belangrijkere rol in het familieleven dan in Nederland. Dat moeder na haar begrafenis geen visite meer krijgt, is ondenkbaar. Allerzielen is een nationale feestdag, waarop iedereen de graven van zijn dierbaren met bloemen en kaarsen bezoekt. In de bloementuin van onze buurvrouw in het dorp krijgt geen plant een plaatsje als die niet ook een goede snijbloem oplevert die je in een grafboeket kunt verwerken.
Ook Gyula Kurnász is geen goede zoon als hij in de komende jaren niet regelmatig bloemen op het graf van zijn ouders gaat leggen. Tegen de tijd dat hij er gebruik van maakt, is zijn laatste rustplaats hem vermoedelijk net zo vertrouwd als zijn eigen bed.

woensdag 23 september 2009

MONUMENTENZORG

Het Schossberger Kasteel in Tura, dat was volgens een Hongaarse kennis een echte aanrader als we het paleis van Keizerin Sissi in Gödöllő al iets te vaak hadden gezien. Het gebouw werd op de snelweg al aangekondigd als een interessant monument. Maar in Tura zelf, een slaperig dorp op de Hongaarse laagvlakte waar verder niets te beleven is, was het even zoeken. We hadden er makkelijk langs kunnen rijden, als een vrijwel lege parkeerplaats ons niet de weg gewezen had.
Al bij de ingang van het kasteelpark werd duidelijk dat het hier om een attractie van een iets ander kaliber ging dan Sissi's opgeknapte buitenverblijf. Uit een vervallen caravan kwam een even vervallen mannetje, dat ons vroeg of we Hongaren waren. Toen dat niet het geval bleek te zijn, verdubbelde de toegangsprijs onmiddellijk. Ons betoog dat dat volgens de wet niet mocht, stuitte aanvankelijk op dovemansoren. Maar toen hij erachter kwam dat we in Hongarije woonden, streek hij met zijn hand over het hart en mochten we er toch voor de Hongaarse prijs is.
Het Schossberger Kasteel bleek een negentiende eeuws gebouw, ontworpen door Miklós Ybl, dezelfde man die de Opera in Budapest bouwde. Het is een wonderlijk bouwwerk, een beetje zoals een kind zich een kasteel voorstelt, met veel torentjes en andere uitsteeksels. Het was ooit eigendom van de Schossbergers, de eerste Hongaars-joodse familie die door de Habsburgse keizer Franz-Jozef in de adelstand werd verheven. In de hal is een bescheiden tentoonstelling met foto's van Ybl's bouwtekeningen en foto's van de familie, die deels omkwam in de Tweede Wereldoorlog, deels immigreerde naar het buitenland.
De hal met zijn vervaagde fresco's verraadt nog een beetje de vroegere glorie van het bouwwerk. Maar verder is daar weinig van over. Het Schossberger Kasteel is namelijk net geen ruïne. Je kunt alleen de onderste verdieping bekijken, want de trap naar boven is gevaarlijk. De zalen zijn kaal, het stucwerk is van de muren afgekomen en in een zijvleugel zijn kamertjes met half afgebouwde muurtjes, de overblijfselen van een poging enkele jaren geleden om het gebouw tot een hotel om te bouwen.
Die poging is blijven steken in onenigheid over de eigendomsverhoudingen van het gebouw, vertelt de aardige dame die als een soort suppoost dienst doet. Haar moeder was ooit in het kasteel werkzaam, zelf is ze in het gebouw, dat na de oorlog onteigend werd, naar school gegaan. De huidige eigenaar schijnt een Indiase zakenman te zijn, maar klaarblijkelijk is niet iedereen het daarmee eens. Gevolg: het kasteel, een erkend monument, staat nu al jaren te vervallen.
Het is niet het enige monument in Hongarije dat door dit soort ruzies staat te verkommeren. In een buitenwijk van Budapest staat de Balász Vendéglő, een 200 jaar oude herberg sinds jaren te verbrokkelen, omdat niet duidelijk is van wie het gebouw precies is. De enigen die daar blij mee zijn, zijn de daklozen die er inmiddels onderdak gevonden hebben. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het gebouw in de afgelopen decennia al zo vertimmerd is, dat er van het oorspronkelijke monument weinig meer resteert.
Hongarije heeft een monumentenzorg, en die stelt ook eisen zodra een eigenaar begint te verbouwen. Zolang eigenaren niets doen, kan een pand echter ongestraft in elkaar storten. Dat gebeurde bijvoorbeeld met het Muslay kasteel in Rád, dat ooit als dokterspraktijk en bibliotheek diende, maar dat in 2001 verkocht werd. De huidige eigenaar is een stichting die al jaren belooft de zaak te gaan opknappen.
Inmiddels staat het gebouw sinds jaren leeg, is het dak ingestort en is het bouwwerk in zo'n slechte staat, dat sloop waarschijnlijk de enige oplossing is. In de provincie Pest is zo'n 20 procent van alle kastelen en landhuizen feitelijk niet meer dan een ruïne. Nog eens 20 procent is in zo'n slechte staat dat er snel wat moet gebeuren, wil totaal verval voorkomen worden. Maar gebouwen onteigenen heeft vermoedelijk ook niet zoveel zin. Vadertje staat is in Hongarije niet zo rijk dat hij geld over heeft voor het opknappen van dit soort panden.

dinsdag 15 september 2009

OUDE VOOROUDER

,,De kleinste vondsten zijn soms de belangrijkste”. Glunderend pakt de Canadese antropoloog David R. Begun van de Universiteit van Toronto een zwart versteend botje en legt het op zijn pols. ,,Dit is een polsbotje van de Rudapithecus hungaricus, een aapachtige die 10 miljoen jaar geleden hier in Hongarije leefde. Mensen hebben op dezelfde plaats net zo’n botje, net als gorilla’s en chimpansees. Alle andere moderne apen hebben twee polsbotjes. Dat wij dit botje met de Rudapithecus delen, wijst erop dat hij een directe voorouder van ons en de Afrikaanse mensapen is.”
Voor Begun en zijn Hongaarse collega László Kordos, directeur van het Nationaal Geologisch Instituut in Boedapest, is het botje dat deze zomer tevoorschijn kwam bij een opgraving in het Noord-Hongaarse Rudabánya, een wetenschappelijke triomf. Op basis van andere aanwijzingen betogen ze al jaren dat de in Hongarije gevonden aapachtigen de ontbrekende schakel zijn in de ontwikkeling van aap tot mensaap en mens. Als ze gelijk hebben is Gabi, zoals het team hun eerste Rudapithecus jaren geleden liefkozend doopte, meteen de oudste directe menselijke voorouder die ooit gevonden werd.
Hun theorie is niet onomstreden. De eerste apen leefden in Afrika en daar ontstond 7 miljoen jaar geleden ook de eerste mens. Dat er 16,5 tot 8 miljoen jaar geleden ook primaten op het Europese continent leefden, staat vast. Voor Begun en Kordos levert het polsbotje het overtuigende bewijs dat onder die primaten directe voorouders van de mens zaten en dat hun nazaten weer teruggingen naar Afrika toen het klimaat in Europa en Azië verslechterde.
De algemene theorie tot nu toe is dat de Euraziatische aapachtigen simpelweg uitstierven toen het hier te koud voor hen werd en dat de lijn waaruit de mens voortkomt, zich altijd in Afrika heeft opgehouden. Maar Begun en Kordos wijzen erop dat er in Afrika geen resten zijn gevonden die wijzen op een directe voorouder ouder dan zeven miljoen jaar geleden.
Het Rudapithecus-vrouwtje Gabi en haar familie zijn opgegraven op een landje van zo’n 30 vierkante meter, een drie meter dikke laag botten en plantenresten, in een duizend jaar oude zilver- en kopermijn. Op het terrein zijn tot nu toe overblijfselen van 21 Rudapithecus en een andere apensoort gevonden, plus resten van neushorens en tal van andere dieren.
,,Dit was een subtropisch moeras. Alles wat doodging, zonk naar de bodem en stapelde daar op,’’ verklaart Kordos de rijkdom van de vindplaats. Sinds 1971 komt er iedere zomer een groep paleontologen naar Rudabánya. Het is minutieus werk dat veel geduld vraagt. Ieder jaar wordt pakweg een halve vierkante meter afgegraven. Deze zomer leverde dat uiteindelijk een oogst van 25 dierlijke resten op.
Na het graven begint pas het eigenlijke onderzoek van passen, meten, vergelijken en conclusies trekken. Die kunnen ook wel eens fout zijn. Toen Gabi’s schedel jaren geleden werd opgegraven, werd ze Gábor gedoopt. Een jaar later dook een kaak op die precies bij de schedel paste. Uit de tanden bleek dat het veronderstelde mannetje een vrouwtje was. Maar dat het polsbotje zo’n verrassing op zou leveren, lijkt Kordos niet waarschijnlijk.
Het belang van de opgraving in Rudabánya is zo groot, dat de National Geographic sinds kort een deel van de kosten financiert. Dat geld, en de steun uit Canada, zijn hard nodig, zegt Kordos, want Hongaars budget is er nauwelijks. ,,Het enige Hongaarse geld dat erin gaat, zijn mijn werkuren en de kilometers die mijn auto maakt. Volgens mij beschouwt iedereen in Hongarije dit eigenlijk een beetje als mijn persoonlijke hobby. ’’ zegt Kordos.
Hongarije telt meer belangrijke paleontologische vindplaatsen. Twee jaar geleden werden in een bruinkoolmijn in Bükkábrány vijftien acht miljoen jaar oude stompen van cipressen gevonden die door omstandigheden niet waren versteend. Een deel daarvan is tentoongesteld in het Noord-Hongaarse Ipolytarnóc, in het paleontologisch museumpark dat daar is opgezet rond een groot aantal prehistorische dierensporen en andere lokale vondsten.

dinsdag 1 september 2009

DE ROMANTIEK VAN HET VOOROORLOGSE BUDAPEST

Het golfslagbad bij het Gellért Hotel was er al, het reuzezwembad op het Margit-eiland is niet meer, en de elegante hotels langs de Donau hebben plaats gemaakt voor betonnen monsters. Budapest 1938: een romantische, herkenbare stad, maar toch net anders. Wie kan zich nog serveersters in dirndeljurkjes voorstellen?

IJZIGE RELATIES

Een molotovcocktail naar de Slowaakse ambassade in Boedapest, de Hongaarse president die met een forse politiemacht de toegang tot Slowakije wordt verboden, nationalistische demonstraties aan beide zijden: de verhoudingen tussen buurlanden Slowakije en Hongarije waren al langer koel, maar ijzig is sinds afgelopen week een beter woord. Sinds 1 september is er nog wat nog wat olie op het vuur gegoten met de invoering van een nieuwe Slowaakse taalwet die het gebruik van Hongaars en andere minderheidstalen in het openbare leven moet inperken.
Nu was het idee van de Hongaarse president László Sólyom om uitgerekend op 21 augustus, een Slowaakse nationale feestdag, in het Slowaakse Komarno een monument van de heilige Hongaarse koning István te willen onthullen, misschien niet het meest tactische. Maar Grigorij Mesežnikov, directeur van het Slowaaks politiek onderzoeksinstituut IVO, wijt de poolkou toch vooral aan de Slowaakse regeringpartijen.
Coalitiepartners SNS (de Slowaakse Nationale Partij) en en HZDS (Beweging voor een Democratisch Slowakije) zijn openlijk anti-Hongaars, maar ook premier Robert Fico’s Smer (Richting) heeft een nationalistische inslag, aldus Mesežnikov.
Tien procent van de Slowaakse bevolking is Hongaarstalig. Retoriek tegen de minderheid maakt deel uit van het binnenlandse politieke spel. ,,De regeringspartijen trekken de etnische kaart zodra hen dat goed uitkomt. Bij de presidentsverkiezingen werd oppositiekandidate Iveta Radicova bijvoorbeeld verweten dat ze steun van de Hongaren kreeg en dus niet Slowaaks genoeg was.’’
De weigering om Sólyom toe te laten past volgens Mesežnikov in dat spel. ,,Zijn bezoek was al lang bekend. Het besluit om hem op het laatste moment de toegang te ontzeggen, moest de aandacht van problemen in de regering af te leiden. Een dag eerder had Fico de SNS vanwege een reeks corruptieschandalen het ministerie van milieu afgenomen. De kranten stonden daar uiteraard bol van. Maar een dag later schreef iedereen alleen nog maar over Sólyom’s bezoek en de Hongaren”. En de tactiek werkt, zegt hij. ,,Zelfs mensen die kritisch zijn over de corruptieschandalen onder deze regering, zijn nu positief over het doortastende optreden ten opzichte van Hongarije.”
De anti-Hongaarse kaart leidt ook af van andere problemen zoals de economische crisis, waarvan de gevolgen pas nu echt duidelijk beginnen te worden. Mesežnikov: ,,De aanhangers van deze regering horen economisch tot de meest kwetsbare groepen, dus hebben de coalitiepartijen er alle belang bij om de aandacht af te leiden met de introductie van het idee van een etnische natie met de Slowaken als echte eigenaren van het land. ”
De omstreden taalwet onderstreept de gedachte van een etnische staat eens. De beperking van het gebruik van het Hongaars in het onderwijs en het openbare leven moet Hongaren op hun plaats zetten, zegt Mesežnikov. Zo mogen Hongaarse kinderen straks niet meer de Hongaarse namen van Slowaakse steden leren. In gebieden waar minderheden minder dan 20 procent van de bevolking uitmaken, moet bij officiële instanties, van gemeentehuizen en rechtbanken tot aan ziekenhuizen en dokterspraktijken, het vervolg Slowaaks worden gegebruikt.
Dat kiezers gevoelig zijn voor zulke anti-Hongaarse retoriek, verklaart Mesežnikov uit de kloof die er toch al tussen beide bevolkingsgroepen bestaat. ,,Er is van oudsher weinig contact tussen Hongaren en Slowaken. Dat maakt het makkelijk mensen te bespelen,’’ zegt hij.

zaterdag 22 augustus 2009

ZIGEUNERMOORDEN

Ontelbare uren geduldig en ongetwijfeld bij tijd en wijle ook zeer saai politiewerk lijken afgelopen dagen resultaat te hebben gebracht: vrijdagochtend vroeg arresteerde de Hongaarse politie vijf mensen die verdacht worden van de reeks aanslagen in zigeunerwijken het afgelopen jaar.
Enkele weken geleden had de politie 100 miljoen forint uitgeloofd voor de beslissende tip. Maar de arrestaties waren uiteindelijk het resultaat van eigen politiewerk, waarbij de Hongaren hulp hebben gekregen van de in seriemoorden veel ervarenere FBI. Het was de mobiele telefoon die de daders fataal geworden schijnt te zijn. De onderzoekers hebben alle mobiele gesprekken rond de tijd van de aanslagen, zo'n 4,5 miljoen in het totaal, geanalyseerd. Dat leverde een patroon op dat uiteindelijk naar de daders leidde.
Hoewel de politie tot nu toe weinig over de gearresteerden heeft losgelaten, is inmiddels wel duidelijk uit welke hoek ze komen. Een van hen is een uitsmijter in een café in de Oosthongaarse stad Debrecen, een man met een kaalgeschoren kop die volgens ooggetuigen tal van Nazi-tatoeages draagt. Ook zijn broer werd aangehouden. Het café schijnt een vaste stek te zijn van de harde kern van de voetbalclub in Debrecen. Het is, ironischerwijze, gevestigd in de kelder van het gebouw van de lokale rechtbank.
Daarmee kunnen we alle theorieën over de moorden die het afgelopen jaar in de rechtse Hongaarse pers de ronde deden, gevoegelijk naar de prullenbak verwijzen. De eerste was dat de daders in kringen van woekeraars gezocht moesten worden. Had best gekund, na de eerste moord. Woekeraars, die rentepercentages van 50 tot 100 procent per maand berekenen, zijn vaak inderdaad niet mals met hun strafmaatregelen. Een aardige bijkomstigheid is dat ze, net als hun slachtoffers, meestal zigeuner zijn. Alleen, na de tweede aanslag, tweehonderd kilometer verderop, werd die theorie al minder waarschijnlijk, want woekeraars werken zeer plaatselijk.
De tweede theorie die in rechtse kring opgang deed, was dat het om afrekeningen in de drugs- en prostitutiewereld ging. Die theorie werd onhoudbaarder naarmate er meer slachtoffers vielen, waaronder een man van een jaar of 45 die al 25 jaar iedere dag braaf naar zijn werk ging. Niet alleen geen waarschijnlijke drugshandelaar, maar ook nog eens een zigeuner die absoluut niet voldeed aan het clichébeeld dat rechtse media zo graag verspreiden: dat van een arbeidschuwe minderheid die leeft van uitkeringen en verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de Hongaarse misdaad.
Dat clichébeeld is waarop de extreemrechtse Jobbik gedijt en bij de afgelopen Europese verkiezingen 15 procent van de stemmen wist binnen te slepen. Die partij zat afgelopen tijd wat met de moorden in de maag. Het is moeilijk propaganda voeren dat zigeuners de bron zijn van alle misdaad, als ondertussen met de regelmaat van de klok zigeunerhuizen de fik ingaan en de uit de vlammen vluchtende inwoners in koelen bloede worden afgeknald. Prettig voor Jobbik was dat die zigeuners uit bezorgdheid burgerwachten gingen vormen die af en toe op negatieve wijze de pers halen, bijvoorbeeld als ze een paar jagers in een zwarte SUV hebben aangehouden, omdat de seriemoordenaars ook een donkere SUV reden.
Hongaren hebben het niet zo op zigeuners, maar de reeks moorden begon de laatste tijd ook gewone burgers zorgen te baren, zeker toen onlangs een moeder werd doodgeschoten en haar 13-jarige dochter levensgevaarlijk gewond in het ziekenhuis terechtkwam. Maar Jobbik vond de volgende theorie: ze hadden aanwijzingen dat de moorden werden gepleegd door een buitenlandse geheime dienst die Hongarije wilde destabiliseren.
Dat idee vatte zelfs buiten Jobbik post. Een gematigd conservatieve politicoloog vertelde mij niet zo lang geleden serieus dat hij uit betrouwbare bron had vernomen dat dat van die geheime dienst echt waar kon zijn. Er zouden zelfs al twee Roma zijn gearresteerd die banden hadden met Slowakije en die de wapens hadden geleverd (zo kun je toch de zigeuners zelf weer schuld geven van de moorden).
De achtergrond zou zijn dat het de Slowaken een argument zou geven om de omstreden taalwet in te voeren die het spreken van Hongaars in Slowakije moeilijker maakt. Je kunt als Hongarije niet klagen over discriminatie van Hongaren in Slowakije als je eigen zigeunerminderheid zo bedreigd wordt. Zoiets, in elk geval. De Hongaarse regering zou er erg mee in zijn maag zitten, want het naar buiten brengen van de kwestie zou de relaties met het buurland zeer verslechteren.
Een vierde mogelijkheid die in rechtse kring werd geopperd, was dat de linkse regering zélf achter de moorden zat, om op die manier rechts in diskrediet te brengen en de spanning in de samenleving in leven te houden.
Helaas voor de bedenkers van al deze theorieën: de daders zijn blijkbaar precies het soort mensen die je achter zo'n reeks moorden zoekt. Dat schijnt sommigen oprecht te verbazen. De rechtse nieuwszender Hír TV bracht de arrestaties in elk geval onder de kop: ,,De seriemoordenaars zijn geen Roma''.

woensdag 19 augustus 2009

PICKNICK

Het had een Hongaars-Oostenrijks feestje moeten worden, met wat toespraken en muziek, met bier en wijn, ketels met goulash en gebarbecuede worsten: de Pan-Europese Picknick die Hongaarse oppositieleden en hun Oostenrijkse sympathisanten op 19 augustus 1989 organiseerden bij Sopronkőhida, op de Oostenrijks-Hongaarse grens. De picknick was bedoeld als vredesdemonstratie die de afbraak van het IJzeren Gordijn tussen Oost- en West-Europa moest ondersteunen. Niemand verwachtte dat honderden Oostduitsers de gelegenheid zouden grijpen om de grens te bestormen en het communistische systeem te ontvluchten.
De overrompelde initiatiefnemers zagen het geschrokken aan, want ze hadden geen idee wat voor gevolgen de massavlucht voor henzelf zou hebben. De picknick had weliswaar de steun van Imre Pozsgay, een hervormingsgezind lid van het communistische politbureau. Maar veel organisatoren wachtten desondanks nog wekenlang angstig op de klop op de deur van de geheime dienst. ,,De wetenschap dat ik Pozsgay’s geheime telefoonnummer op zak had, was heel geruststellend,’’ aldus László Nagy, een van de organisatoren in een herdenkingstoespraak. Pas toen de Hongaarse regering op 11 september de grens officieel voor Oostduitsers openstelde, durfde iedereen weer opgelucht adem te halen.
Hongarije was sinds jaren een geliefde vakantiebestemming waar Oost- en Westduitsers elkaar ontmoetten. Maar in 1989 besloten duizenden Oostduitsers na afloop van hun vakantie niet naar huis terug te keren. De Hongaren hadden inmiddels reisvrijheid en ze waren begonnen met de ontmanteling van hun deel van het IJzeren Gordijn. Andere Oost-Europeanen mochten de grens weliswaar niet zomaar over, maar toch gaf het de DDR-burgers hoop.
Massaal sloegen ze hun tenten op: op campings, bij kerken, midden in Boedapest. De Hongaarse regering wist er niet goed raad mee. Communistische broederstaten vonden toch al dat de Hongaren gevaarlijk ver gingen. De DDR-burgers hun zin geven en ze zomaar laten gaan was dan ook een probleem. Maar hen met geweld terugsturen, daar was de stemming in Hongarije van 1989 niet meer naar. En dus veranderden de kampeerterreinen geleidelijk in spontane vluchtelingenkampen waar niemand raad mee wist.
De grensbestorming maakte een abrupt einde aan deze patstelling. De picknick was nog niet eens officieel begonnen toen enkele honderden Oostduitsers simpelweg de hekken van de grenspost openduwden. Commandant Arpád Bella had geen orders voor zo’n gelegenheid, maar besloot niet te laten schieten, omdat hij, zoals hij later verklaarde, anders een bloedbad voorzag. Overigens zouden latere vluchtelingen niet zo gelukkig zijn. Voordat de regering op 11 september besloot de grenzen open te stellen, kwam er nog één Oost-Duitser om omdat een grenswacht wel op hem schoot.
De picknickorganisatoren schitterden op het moment van de doorbraak door afwezigheid, want die gaven net een persconferentie aan honderden internationale en welgeteld één Hongaarse journalist. De Hongaarse kranten zouden het nieuws de volgende dag allemaal melden op basis van wat de internationale pers erover had geschreven.
Ook de Sopronse parlementariër Dezső Szigeti miste door de persconferentie de eigenlijke doorbraak. Toen hij een kwartier arriveerde, stond er een schier eindeloze reeks achtergelaten Oostduitse Trabanten langs de weg naar de grens. ,,Tegen de tijd dat ik bij de grens aankwam, waren er al honderden mensen overheen gegaan. De grenssoldaten waren enorm opgelucht dat ze niet hoefden te schieten.”
Volgens Szigeti, destijds lid van de juridische commissie van het Hongaarse parlement, hing eigenlijk al in de lucht dat de regering de grens op zou stellen. Het uitreisverbod druiste in tegen alle ontwikkelingen die sinds twee jaar in Hongarije gaande waren. ,,Het begon in 1987-1988 met de afschaffing van de wet dat een familie maar één huis mocht bezitten. Sommigen waarschuwden dat dat de feitelijke afschaffing van het communisme inluidde. De reactie was toen: nou, dan is dat maar zo.”
De echte Hongaarse bolsjewisten waren inmiddels vrijwel uitgestorven, zegt Szigeti. Er was een neiuwe generatie partijleiders aan de macht die verandering wilde. ,,Die hadden hun opleiding in Londen gehad, niet in Moskou. Ze waren partijlid omdat je anders geen goede baan kreeg, maar ze hadden niets meer met het systeem. De picknick was in feite het eindspel van een ontwikkeling die al lang gaande was.”
De massadoorbraak heeft onmiskenbaar het einde van het communisme versneld. Toen de Oostduitsers eenmaal weg konden, werd de val van de Berlijnse Muur, het belangrijkste symbool van de Koude Oorlog, onafwendbaar. Maar het systeem liep op zijn laatste benen en ook zonder de picknick zou de kaart van Europa uiteindelijk zijn veranderd, menen zowel Szigeti als László Nagy. ,,Alleen misschien op een latere dag, of op een andere wijze, bloediger,” aldus Nagy.

zondag 16 augustus 2009

CONCERT

Neonazi's wilden demonstreren, gisteren in Budapest. Het was de sterfdag van Hitler, Rudolf Hess, en in vorige jaren hadden extremisten uit heel Europa ook al succesvol herdenkingen in de Hongaarse hoofdstad georganiseerd. Hongarije hecht erg aan vrijheid van meningsuiting, een erfenis uit het communisme, toen die vrijheid niet bestond, en in het verleden werd de bijeenkomst dan ook gedoogd.
Dit jaar liep het anders. Afgelopen mei konden aanhangers van de Hongaarse Garde nog demonstreren tegen de 'Holocaustleugen', maar afgelopen week waarschuwden diverse Hongaarse politici, waaronder - voor het eerst - president Sólyom, voor het eerst dat Hongarije niet de neonazi-vergaarbak van Europa moet worden en drongen bij de politie aan op een verbod van de herdenking. De Hongaarse politie heeft daarvoor niet zo heel veel middelen, juist vanwege het belang van de vrijheid van meningsuiting, maar ze verwees de demonstratieaanvraag toch naar de prullenbak, met als argument dat die het verkeer zou hinderen. Er werden in het totaal dertien of veertien verschillende aanvragen ingediend, door allerlei personen en organisaties, maar stuk voor stuk werden ze met hetzelfde argument afgewezen.
Er werd uiteraard wel rekening mee gehouden dat de neonazi's alsnog zouden proberen om een illegale bijeenkomst te houden. Als dat zou gebeuren, zou de politie hard optreden, werd vooraf al gezegd. Maar dat bleek uiteindelijk niet nodig, want geen skinhead deed een poging Hess alsnog in het openbaar te herdenken. Wat wel door zou gaan, kondigen de extrmeisten op diverse websites aan, was het concert dat ze 's avonds gepland hadden. Waar dat plaats zou vinden, hielden ze geheim.
Een dagje naar het platteland leek de beste garantie om gegarandeerd niet in politiecharges of traangaswolken terecht te komen. Wie schetst dus onze verbazing, toen zich rond het middaguur een stuk of tien politiewagens en een ambulance op een landweggetje vlak bij ons huis verzamelden. Het leek een beetje een scène uit een film en mijn eerste gedachte was dat er bij de buren een ernstig misdrijf was gepleegd. Maar de agenten die uit de auto's kwamen, droegen het soort laarzen dan bij skinheads, militairen en mobiele eenheid geliefd is en dat je niet direct met een moordonderzoek associeert.
Elders in het dorp stonden politiewagens. Het wemelde van de agenten in de anders zo rustige gemeente. Ook buiten het dorp bleken politieagenten te staan, die iedere auto die naar het dorp toereed, aanhielden en controleerden.
Het kwartje viel. Een aantal jaren geleden heeft een leider van de Hongaarse tak van de internationale neonaziorganisatie Bloed en Eer een gebouw van de voormalige landbouwcoöperatie gekocht, waar af en toe bijeenkomsten worden gehouden. Een perfecte plek voor een concert.
Overal op straat volgenden mensen de gebeurtenissen, die overigens niet erg spannend waren. De agenten hielden zich vooral onledig met eindeloos ouwehoeren en met langdurige telefoongesprekken via hun mobieltjes. Ze waren duidelijk aan het wachten.
Volgens de buurvrouw waren de agenten gestuurd, omdat skinheads een dag eerder in een ander dorp mensen hadden lastiggevallen. Ze was er behoorlijk ongelukkig over dat zulke mensen in haar dorp rondliepen. Waarom mocht zo'n gebouw eigenlijk aan dat soort volk worden verkocht. In het verleden hadden ze ook al eens voor overlast gezorgd met luidruchtige bijeenkomsten. Dat zou toch verboden moeten worden?
De agenten bleken inderdaad in het dorp te zijn vanwege de neonazi's, die er 's avond hun herdenkingsconcert wilden houden. Traangas en politiecharges heb ik overigens niet gezien. De aanwezigheid van een paar honderd agenten was genoeg om de skinheads ver te houden. Uiteindelijk zijn op de sterfdag van Rudolf Hess alleen enkele honderden antifascisten in Budapest bij elkaar gekomen.

maandag 27 juli 2009

WEG KWIJT

Bij het kerkje van Mogyórod stopt een dubbellange stadsbus met Hungaroring-bezoekers. Als de chauffeur de deuren opent, gaat een luid gejuich en geklap op. "We hebben er anderhalf uur over gedaan. We waren verdwaald," zegt een man die vermoeid en bezweet min of meer uit de bus tuimelt. Verdwaald? In een stadsbus?
Even later komt de chauffeur de bus uit. Verdwaald, inderdaad, bevestigt hij. Het was de erste keer dat hij de route, een speciale dienst tussen de Arpádbrug en Mogyórod die alleen in tijden van Grand Prix wedstrijden bestaat, reed. "Ze hadden gezegd dat er overal bordjes stonden. Nou, mooi niet, natuurlijk" verzucht hij. Gelukkig was er een passagier in de bus geweest met een GPS, die hem de weg kon wijzen, grinnikt hij wat schaapachtig.
De organisatoren van het evenement zijn er groot voorstander van dat zoveel mogelijk bezoekers met het openbaar vervoer komen. Dat scheelt files in het dorp, dat niet echt berekend is op zulke massa's bezoekers. Er is zelfs een speciale halte Hungaroring van de voorstadstrein, de HÉV, die alleen bij dit soort gelegenheden open is. Alleen jammer dat informatie over die halte in de HÉV zelf vrijwel ontbreekt, wat vooral lastig is voor reizigers die niet uit Boedapest, maar van de andere kant komen.
Maar met Hongaars improvisatievermogen is daar een oplossing voor gevonden: voor passagiers die de halte Mogyórod uitstappen, staat een bus klaar om hen naar het parcours te brengen. Die werkt prima, maar zou volslagen overbodig zijn als er iets meer tijd in goede organisatie was gestopt.
Improviseren, daar zijn Hongaren sterren in. Beter dan in organiseren. Bij grootscheepse evenementen vraag je je tot het laatste moment af hoe het ooit goed moet komen. En als het dan echt mis dreigt te gaan, wordt alle creativiteit uit de kast getrokken om alle problemen toch nog recht te trekken. Als je er op ingesteld bent, heeft het zijn voordelen, want je hoeft je pas druk te maken op het allerlaatste moment. Want als de bordjes ontbreken, en je de route niet van tevoren hebt gereden om hem even te kennen, is er gelukkig wel een passagier met een GPS in de bus.

vrijdag 17 juli 2009

KLEDINGVOORSCHRIFT



Het is zo heet dat buiten de mussen van het dak vallen, maar dat schijnt voor tal van Hongaarse bedrijven geen aanleiding te zijn om hun kledingvoorschriften te versoepelen. Ik kan me herinneren dat begin jaren negentig heel Hongarije in trainingspak rondliep, maar die tijden zijn veranderd. Veel bedrijven hebben een expliciet instructieboek met kledingvoorschriften.
Voor mannen zijn ze voorspelbaar: zonder pak, lange mouwen en stropdas hoeven ze niet op kantoor te verschijnen, ook niet als het buiten haast veertig graden is. Voor vrouwen zijn de voorschriften vaak net zo streng:
nette rok tot over de knieën, dichte schoenen, nylon kousen, blouse met bedekte schouders (in sommige gevallen zelfs lange mouwen). Minirokken, diep decolleté, blote schouders, buiken en ruggen, de zomerdracht van een groot deel van de jonge meisjes, zijn imeestal taboe.
Sommige bedrijven, vooral banken, gaan nog verder. Die verplichten hun vrouwelijke personeel om zich op te maken en hun nagels te manicuren en te lakken en schrijven voor dat mannen leren horlogebandjes moeten dragen. En die regels gelden niet alleen voor baliepersoneel, maar ook voor mensen die nooit met klanten in aanraking komen.
Aan de andere kant zijn er ook bedrijven, met name kledingwinkels, die hun personeel juist verplichten sexy mogelijk uit te zien. Niet dat dat echt slim is, zoals de Hongaarse modeontwerpster Kati Zoob ooit opmerkte. Zij neemt in haar eigen winkel juist doorsneevrouwen aan die zich bovendien onopvallend moeten kleden. Tenzij ze zelf oogverblindend zijn, raken vrouwelijke klanten namelijk vooral gefrustreerd als ze moeten concurreren met een bloedmooi jong meisje achter de kassa. Zelfs in dat leuke nieuwe bloesje word je nog niet zo mooi als zij en dat komt de kooplust niet ten goede.
Hongaars personeel is dus gewend aan kledingvoorschriften, maar een Fidesz-gemeenteraadslid in Budapest ging ooit te ver toen hij een kledingcode voor vrouwelijke ambtenaren wilde voorschrijven. Daarin moest wat hem betreft komen te staan dat alleen vrouwen met perfecte benen een rok boven de knie mochten dragen. En blouzen en truitjes moesten bij voorkeur wat langer zijn ,,want maar weinig vrouwen hebben een buik die het verdient getoond te worden.'' Het voorstel heeft het niet gehaald.

woensdag 8 juli 2009

PARKONDERHOUD

De ochtendstilte, en mijn slaap, wordt om kwart over zeven ruw verstoord door het geluid van een gemotoriseerde snoeischaar. Voor de firma Remondis, in Vác verantwoordelijk voor vuilnis ophalen, parkonderhoud en dat soort zaken, is de ochtend begonnen en dezer dagen houdt het bedrijf zich onledig met het snoeien van de heggen in de laan voor ons huis.
Kwart over zeven is vroeg, maar waar klaag ik over? Ze hebben ons in het verleden wel eens vroeger weten te verrassen. We hebben ook al snoeiwerkzaamheden om zes uur 's ochtends meegemaakt en twee maanden geleden tuften Remondis-medewerkers luid ronkend op een grote straatstofzuiger met schrapende borstels over de stoep. Om vier uur 's ochtends, wel te verstaan.
Omdat dat toch echt wat te gek was, schreven we de firma een brief, met een afschrift naar de gemeente. Na een paar weken kregen we antwoord van Remondis, dat simpelweg schreef dat ze de werkzaamheden in opdracht van de gemeente verrichtten en er dus niets aan konden doen. Al was dat antwoord niet echt wat we ervan gehoopt hadden, toch lijkt onze klacht geholpen te hebben, want sindsdien beginnen ze nooit meer voor zevenen, wat voor Hongaarse begrippen een hele schappelijke tijd is.
Eerlijk is eerlijk, er is over de firma Remondis ook heel wat goeds te zeggen. Het park voor onze deur wordt over het algemeen prima onderhouden. Regelmatig trekken er schoonmaakploegen door om gestolen prullenbakken te vervangen of om rondslingerende bierblikjes, plastic flessen, glasscherven en babyluiers te verwijderen, want een deel van de gebruikers sgeeft helaas minder om een schoon park dan de gemeente.
De grasvelden zijn meestal netjes gemaaid, de rozenperken gewied en de bloemperken worden regelmatig van nieuwe plantjes voorzien. Toen hele park onlangs door de overstomende Donau met een dikke sliblaag was bedekt, waren er zelfs in het weekend mensen in de weer om de paden schoon te maken. Ook andere delen van Vác, zoals het hoofdplein, zien er dankzij het werk van Remondis altijd schoon en vriendelijk uit.
De werknemers van Remondis schijnen sowieso nooit te beroerd om te werken. Behalve om vier uur 's ochtends en op weekenden na een overstroming verschenen ze tot onze stomme verbazing afgelopen jaar ook op Tweede Kerstdag en Nieuwjaarsdag om het huisvuil op te halen. Om zeven uur 's ochtends, uiteraard. En dat is voor het Remondis-personeel al heel erg laat.

zaterdag 4 juli 2009

ZIGEUNERMUZIEK

Zigeunerstrijkjes. Samen met paardenshows en meisjes in kleurige klederdracht zijn ze de molens, klompen en tulpen van Hongarije. Maar het traditionele zigeunerstrijkje met violen en cimbaal, dat melancholische Hongaarse tonen aan de restauranttafel komt spelen, dreigt te verdwijnen. Restaurants hebben er geen geld meer voor. En een nieuwe generatie musici geeft de voorkeur aan authentieke Romamuziek, jazz of hiphop.
Musici behoren tot de elite van de Hongaarse Roma. Veel families spelen al generaties lang op bruiloften en partijen of in restaurants. Componist Franz Liszt, zelf Hongaar, noemde de orkestjes ooit ,,een wezenlijk onderdeel van onze cultuur.” Onder het communisme waren restaurants staatseigendom en kregen een budget om zigeunermusici in te huren. Maar die staatsteun is weg en toeristen vinden de orkestjes vaak oubollig.
,,De muziek van restaurantorkestjes heeft weinig met zigeunermuziek te maken, behalve dat hij door zigeuners wordt gespeeld. Het is eigenlijk een mengsel van Hongaarse volksmuziek en oude internationale tophits dat tegenwoordig weinig populair is,” zegt Gusztáv Varga. Hij is oprichter van Kalyi Jag, een Roma groep die wereldbekendheid kreeg met een totaal ander muzikaal geluid, en van de gelijknamige Kalyi Jag School, een middelbare school voor vooral Romajongeren met veel nadruk op kunst.
Varga, zanger, gitarist en componist, stamt uit een oude muziekdynastie. Als jongen flirtte hij kort met de popmuziek, maar een kroegincident deed hem anders besluiten. ,,Thuis hadden we een heel repertoire aan overgeleverde echte Romamuziek en op goed moment zong mijn vader in een café een Romani lied. De kroegbaas verstond de tekst niet en wilde daarom dat hij stopte. Ik maakte een vertaling en de man bleek verbijsterd dat zigeuners zulke prachtige eigen muziek hadden. Toen dacht ik: daar moet ik iets mee doen.”
Dat werd Kalyi Jag, een muziekgroep die oude Romani melodieën nieuw leven inblies, aangevuld met Varga’s eigen composities en met motieven uit de Balkan, Rusland en andere gebieden waar Roma leven. Het leverde een geluid op dat eerder aan India of het Midden-Oosten doet denken dan aan Centraal-Europa en dat navolging kreeg van jonge, succesvolle groepen als Mitsoura en Ando Drom.
,,Het was het hetzelfde moment waarop Roma in Catalonië de flamencojazz ontwikkelden. In Moldavië kwam rond die tijd ook een vernieuwingsbeweging op gang,” zegt Varga. Maar de traditionele Hongaarse zigeunerorkestjes moesten niets hebben van al die nieuwigheden en thuis kreeg Kalyi Jag eerst geen poot aan de grond.
Internationaal brak de groep echter al bij het eerste album door. Er werden twee miljoen exemplaren van verkocht en de restaurantstrijkjes kregen van toeristen plotseling zo vaak de vraag om iets te spelen ,,zoals Kalyi Jag’’ dat ze uiteindelijk bij Varga aanklopten om bijles.
Intussen kiezen nog maar weinig jonge musici voor een traditionele opleiding tot primás, eerste violist. ,,De instrumenten, violen en cimbalen, zijn duur, de toekomstperspectieven zijn te onzeker en de smaak van de jongeren is inmiddels een totaal andere,’’ zegt Varga, die zelf zijn eerste gitaar bouwde. ,,Maar dat betekent niet dat die jongeren geen muziek meer maken. Dat stopt niet. Muziek zit diep in onze cultuur, die komt niet uit ons hoofd, maar uit ons hart.”

woensdag 1 juli 2009

HOOGWATER

Onzinnige verboden zijn ervoor om overtreden te worden. Dat geldt dus ook voor het bordje 'Overstromingsgebied - verboden te betreden' dat sinds vorige week op een boom aan het begin van onze straat hangt. Het maakte onderdeel uit van de 'werkzaamheden ter bescherming tegen overstroming' die ergens vorige week donderdag begonnen en waarvoor vrijwilligers werden gevraagd hun schep mee te nemen. Dat betekende dus zandzakken vullen, theoretisch althans: aangezien het hoogwater dat verwacht werd, nou ook weer niet zó hoog was, zijn er erg weinig zandzakken gevuld.
Maar iets moest er toch gebeuren, moeten lokale ambtenaren hebben gedacht. Dus werd dat bordje opgehangen, samen met een paar rood-witte linten, van die politielinten, die de ingangen naar het park voor onze deur moesten afsluiten. Want ja, stel je voor dat iemand niét door zou hebben dat dat park langzaam maar zeker onder water liep en natte voeten op zou lopen. Zou kunnen, toch? Van een overheid die er normaal gesproken maanden over doet om enorme kuilen in de weg te repareren, was het wel een opmerkelijk zorgzaam en onzinnig gebaar.
De linten hielden het dan ook niet langer dan een paar uur. De vele dagjesmensen, ramptoeristen kon je ze gezien de beschaafde hoogte van de overstroming niet noemen, trokken zich uiteraard niets aan van lint of bordje, en zolang het water niet hoger komt dat nu, levert het hoogwater vooral een hoop gratis zomerplezier voor het hele gezin.
Aanvankelijk zag je een enkeling, meestal jong en wat alternatief gekleed, die de schoenen uittrok en plensend door het water ging, verbaasd aangestaard door de rest van de voorbijgangers. Onze ene hond vond het ook fantastisch (andere honden moesten van hun baas helaas aan de lijn blijven, opdat ze niet nat werden) en joeg met enthousiasme door het water achter ballen en onduidelijk ongedierte aan.
Maar in de loop der dagen durfden steeds meer mensen. Inmiddels lijkt het park haast een alternatief strand geworden, waar kinderen in hun zwembroek door het water rollen en ouders hun peuter-in-luier laten voetje baden, terwijl bejaarde dames op weer drooggevallen grasvelden in het zonnetje liggen. Maar goed dat ze niet weten dat wij dezer dagen nog een waterslang hebben gesignaleerd.
Bij de kabelbaan in de speeltuin, waar de overheid in het kader van de overstromingswerkzaamheden het zitje heeft weggehaald (net als bij de schommels, trouwens) in heeft een ondernemend persoon met een stevig touw een eigengemaakt zitje aan het katrol bevestigd, zodat kinderen weer naar hartelust kunnen roetsjen.
Het zal vast nog een keer erger worden met die overstromingen. Iedereen die ons huis ziet, vindt het fantastisch, maar begint meteen over de kans op hoogwater. Terecht: onze buurman heeft de afgelopen jaren al twee keer de kelder uit moeten pompen en toen kwamen de ratten door de wc naar boven. Op echt hoogwater zit ik dus niet echt te wachten, al hebben we geen kelder. Maar als het zo is als nu, is het best gezellig, moet ik zeggen.

zondag 28 juni 2009

DAKLOZEN

Volgens recente schattingen zijn zo'n 25.000 tot 35.000 Hongaren dakloos. Vrijwel iedere Hongaar die ik ooit over dat probleem heb gesproken, denkt dat het aantal daklozen de afgelopen jaren enorm is gestegen en wijt dat aan de slechte economische omstandigheden. Dakloos worden is naast je baan verliezen voor veel Hongaren dan ook het schrikbeeld van de economische crisis.
Nu herinner ik me uit het begin van de jaren negentig ook daklozen, maar of het er meer of minder waren dan nu, daar durf ik niets over te zeggen. Maar het daklozenprobleem blijkt al veel ouder te zijn dan de systeemwisseling. Volgens een in 1980 gehouden volkstelling leefden op dat moment 120.000 Hongaren niet in een echte woning. 90.000 van hen woonden in weinig opwekkende arbeidershotels, waar ze met een aantal man een spartaanse kamer deelden.
Een deel van die mensen had wel een woning, maar die zover van hun arbeidsplaats vandaan dat ze hun familie thuis moesten achterlaten. Echt dakloos waren ze weliswaar niet, maar het scheelde niet veel. Dat was een van de prijskaartjes was die aan de socialistische garantie op een baan hing. Je had immers niet alleen een werkgarantie, maar ook een werkverplichting. En als je in eigen dorp of direct in de buurt geen baan kon vinden, was een baan ver van huis en een leven in een arbeidershotel de enige oplossing.
Volgens diezelfde volkstelling waren er in 1980 ook nog eens 30.000 mensen die in een garage, hut of grot leefden. Een deel van hen had ook een baan, hoewel in deze groep ook mensen waar zelfs het socialisme geen raad mee wist. In de jaren daarna zou het daklozenprobleem alleen maar toenemen, omdat een aantal arbeidershotels dichtging. Een studie uit 1987 schatte het aantal daklozen op 30.000 tot 60.000, en eind 1989 was er sprake van 45.000 mensen zonder eigen huis.
Ook nu heeft een deel van de daklozen wel degelijk een huis, alleen niet op de plaats waar ze leven. Er is nog steeds een groep mensen die uit hun dorp zonder enig perspectief op werk naar de stad trekken in de hoop daar iets te vinden. Bij gebrek aan sociale woningbouw komen ze vaak op straat of op zijn best in een daklozenopvang terecht.
Het idee dat het aantal daklozen is toegenomen komt misschien daardoor dat ze zichtbaarder zijn dan vroeger. Het Maltezer Kruis en andere hulporganisaties hebben bijvoorbeeld dagelijkse soepkeukens op diverse punten in de stad, waar zich rond etenstijd hele menigtes verzamelen, niet alleen daklozen trouwens, maar ook bejaarden die op die manier hun pensioentje oprekken.
Bovendien blijkt de mentale en fysieke toestand van de daklozen te verslechteren. Een veel groter deel van de daklozen dan vroeger heeft psychiatrische problemen of is alcoholist. Dat is ook de groep die zich niet aanmeldt voor de daklozenopvang die Budapest wel degelijk kent. Iedere ncht blijkt een deel van de bedden in die opvang leeg te staan. In het merendeel van de opvangplaats is alcohol verboden, en dat houdt verstokte drinkers buiten de deur en op de straat en in de metrostations.
Overigens is de angst van Hongaren om dakloos te worden niet helemaal irreeel. Eind vorig jaar schatte Miklós Vecsei van het Maltezer Kruis dat zo'n 3 miljoen mensen op de drempel van de dakloosheid leven. Dat cijfer is zeer ruim genomen: Vecsei telde daarbij mee iedereen die een hypotheek op zijn woning heeft, in onderhuur zit of bij familie leeft.
Maar wie een hypotheek heeft en zijn baan kwijtraakt, heeft inderdaad een serieus probleem. Volgens de directeur van een opvanghuis in Budapest melden zich tegenwoordig haast iedere dag wel mensen aan die werkloos zijn geworden en daardoor ook hun huis zijn kwijtgeraakt.

maandag 22 juni 2009

HOOGSTE RECHTER

Het is gelukt. Hongarije heeft weer een voorzitter van het Constitutionele Hof, de hoogste rechtbank van het land, die ondermeer toetst of parlements- en regeringsbesluiten wel voldoen aan de grondwet. De post was sinds het vertrek van de vorige voorzitter Zoltán Lomnici juni vorig jaar juni onbezet. Tot vier keer toe stemde het parlement tegen de kandidaat die president Solyom had voorgedragen. En daarmee bleef het Hof, dat in Hongarije een beetje dezelfde functie heeft als in Nederland de Eerste Kamer, zonder voorzitter.
Ironisch genoeg was András Baka, de kandidaat die er bij de vijfde stemronde eindelijk in slaagde voldoende stemmen achter zich te krijgen, dezelfde man die in juni 2008 door een meerderheid van het parlement werd afgewezen. Het waren destijds de socialisten die tegen hem stemden. Ze stonden daarin niet alleen. Eerder had ook het Nationale Juridische Comité, een orgaan dat ondermeer bestaat uit rechters, de minister van justitie en de hoofdofficier van justitie hem hadden afgewezen wegens gebrek aan ervaring in het Hongaarse juridische systeem. Baka had op dat moment 17 jaar doorgebracht bij het Europese Hof voor Mensenrechten in Straatsburg.
Dat comité is er natuurlijk niet voor niets, maar dat weerhield de president er niet van om Baka toch voor te dragen. Zonder overleg met het parlement. Want van overleg en compromissen houdt Solyom niet. Op zijn Nederlands polderen zou hem slecht afgaan. Het is zijn recht om voor te dragen wie hij wil, en dat doet hij dus. Het is ook het recht van het parlement zo'n keuze af te wijzen, zoiets noem je democratie, maar als het dat ook doet, reageert de president, die zelf overigens oud-voorzitter van het Constitutionele Hof is, inmiddels met voorspelbare verontwaardiging.
Dat gebeurde dus ook toen zijn tweede keuze werd afgewezen: de juriste Mária Havasi. Wat tegen mevrouw Havasi pleitte, was dat ze geen buitenlandse taal spreekt, wat op zo'n toppositie in het huidige tijdsgewricht inderdaad wel wat merkwaardig is. Je mag toch verwachten dat een rechter in zo'n functie ook in staat is buitenlandse vakliteratuur bij te houden, om maar wat te noemen. Wat ongetwijfeld ook een rol speelde, is dat ze de naam had dicht bij de oppositiepartij Fidesz te staan. Dat geldt trouwens voor de meeste rechters in het Constitutionele Hof.
Dat het parlement mevrouw Havasi afwees, deerde Solyom niet: drie maanden stelde hij haar simpelweg nog een keer kandidaat. Toen ook dat faalde, pruilde de president, maar hij week niet van zijn standpunt: hij had het recht een kandidaat te benoemen, en van overleg met het parlement om uit de impasse te komen, kon geen sprake zijn.
Een week geleden kwam Solyom tot veler verbazing opnieuw met Baka op de proppen. Ditmaal, betoogde hij, had zijn kandidaat wel voldoende ervaring in Hongarije, aangezien hij daar sinds een jaar als jurist werkt. De socialisten vonden er wat in zitten en verklaarden zich bereid ditmaal Baka te steunen. Maar toch werd hij in een geheime stemming afgewezen. Solyom was ziedend, en verklaarde dat ,,het geen zin heeft om een kandidaat te stellen met dit parlement!''
Oppositiepartij Fidesz deed alsof haar neus bloedde en gaf de socialisten de schuld van het nieuwe debakel, want waarom zou Fidesz, die vorige keer toch ook voor Baka had gestemd, nu tegen hem zijn? Nu is Baka voor zover bekend geen Fidesz-sympathisant, en als hoogste rechter kan hij straks een lastig obstakel worden voor een eventuele Fidesz-regering, net zoals het Constitutionele Hof nu vaak een struikelblok is voor het socialistische kabinet.
De vraag is dus de partij ooit wel echt voor de rechter uit Straatsburg is geweest. Maar een jaar geleden wist Fidesz dat de socialisten tegen hem zouden stemmen, dus konden ze veilig voor hem stemmen om bij de president in een goed blaadje te blijven. Inmiddels zou het ze goed uit zijn gekomen als de zetel nog een jaartje leeg was gebleven.
Na de volgende verkiezingen uiterlijk volgend jaar mei is Fidesz zonder enige twijfel sterk genoeg om op die post benoemd te krijgen wie ze maar willen. Niet onbelangrijk, want een belangrijke taak voor de nieuwe opperrechter wordt de hervorming van de rechtelijke macht in Hongarije. Iemand die gepokt en gemazeld is in Europese mensenrechten heeft daar misschien toch andere ideeën over dan een Fidesz-kandidaat.
De socialisten, die heel goed wisten dat zij ditmaal niet schuldig waren, stelden Solyom voor Baka opnieuw te kandideren, en kwamen bovendien met het voorstel een open stemming te organiseren. En waarempel, de president luisterde en stemde toe. Veelzeggend genoeg weigerde Fidesz overigens mee te werken aan een openbare stemming. Maar blijkbaar durfde de fractie dezelfde truc niet twee keer uit te halen: ditmaal stemde vrijwel het hele parlement voor de presidentiële kandidaat.

zaterdag 20 juni 2009

NIEUW STADHUIS MET HOLLANDSE INSLAG

Na jaren van plannen maken, plannen verwerpen en nogmaals plannen maken heeft de gemeenteraad van Boedapest eindelijk een besluit genomen: de Nederlandse architect Erick van Egeraat mag het nieuwe stadhuis in het hart van de stad gaan bouwen. Zijn succes staat niet op zich. Nederlandse architecten zijn opmerkelijk succesvol in de Hongaarse hoofdstad.
Erick van Egeraat is haast twintig jaar in Boedapest actief en veel jonge Hongaarse architecten zijn ooit bij hem begonnen. Hij won een nationale prijs voor een restauratieproject op de Andrássy út en zijn ontwerp van het Hongaarse hoofdkantoor van de ING Bank is in menige toeristengids opgenomen als opmerkelijk voorbeeld van moderne architectuur in de hoofdstad.
Dat zal in toekomst ongetwijfeld ook gaan gelden voor het ontwerp van Kas Oosterhuis, die de renovatie van een oud industrieel complex langs de Donau combineerde met een enorme, futuristisch aandoende bolle glasconstructie. Van Egeraat, die Oosterhuis’ ontwerp als jurylid moest beoordelen, vindt de acceptatie van het plan typerend voor de Hongaarse denkwijze over architectuur. ,,De houding tegenover moderne architectuur is heel positief en open. Er is echt waardering voor dingen die anders zijn,” zegt hij.
Even dreigde een faillissement Van Egeraat’s stadhuisplannen te dwarsbomen. ,,Een direct gevolg van de crisis,” zegt de architect, ,,Maar we hebben gelukkig een doorstart kunnen maken en dat deze opdracht nu doorgaat, is natuurlijk buitengewoon gelukkig.”
Zijn ontwerp is meer dan een simpele uitbreiding van het bestaande stadhuis, een kazerneachtig voormalig militair hospitaal uit de 18de eeuw. In plaats van een louter bestuurlijk gebouw kwam hij met een Hongaarse variant van de Amsterdamse Stopera: een multifunctioneel complex, dat naast het gemeentehuis plaats biedt aan cultuur, winkels, kantoren en woningen en een directe verbinding heeft met de nabijgelegen metro.
“Het is zo opgezet dat functies kunnen verschuiven. Mocht de omvang van het gemeentebestuur inkrimpen, dan kan een deel van de kantoorruimte gemakkelijk een andere bestemming krijgen,” zegt Van Egeraat. Het ontwerp moet de burger dichter bij het bestuur brengen. Terwijl het huidige stadhuis burgers eerder buitensluit, moet de lichte, open, multifunctionele nieuwbouw juist uitnodigen binnen te komen en komt er bijvoorbeeld ook ruimte voor publieke debatten.
Behalve een oud theater, dat in een nieuwe vorm een plek krijgt in het complex, hoeft er niets gesloopt te worden. Het is uniek, zegt Van Egeraat, dat een grote stad op zo’n centraal punt nog de ruimte heeft voor dergelijke omvangrijke nieuwbouw. Het is ook een gouden gelegenheid. Boedapest heeft geen geld voor een nieuw stadhuis, maar de plannen kunnen gefinancierd worden uit de verkoop van de commerciële delen van het complex.
Van Egeraat noemt zijn ontwerp pragmatisch. Dat blijkt uit de flexibiliteit, maar ook uit de manier waarop het plan rekening houdt met de omgeving en met de functie van het plein voor het stadhuis als verbinding tussen het stadscentrum en de oude joodse wijk.
Dat pragmatisme is typerend voor Nederlandse architecten, denkt hij. ,,Andere inzendingen waren veel meer op zichzelf staande gebouwen zonder directe relatie met de omgeving. In steden als Wenen en Boedapest is een gebouw meer een op zichzelf staande eenheid, wat die steden ook een zekere strengheid geeft. Wij zijn juist geneigd om veel rekening met de omgeving van een bouwwerk te houden. Soms misschien wel te zeer,” zegt hij.
Ook Dick Sikkes van architectenbureau Roeleveld-Sikkes ziet de aanpak waarbij stadsontwikkeling vanzelfsprekend deel uitmaakt van het architectonische ontwerp, als een belangrijk punt waarop Nederlandse architecten zich onderscheiden. Zijn bureau is in Boedapest ondermeer betrokken bij een stadsvernieuwingsproject en de ontwikkeling van een businesspark. Elders in Hongarije bouwt Sikkes een restaurant en parkeergarage bij het historische Pannonhalmaklooster.
,,Dat gebouw staat op de UNESCO-Werelderfgoedlijst, maar de abt kiest bewust voor moderne architectuur omdat het volgens hem bij de ontwikkeling van het gebouw hoort dat iedere eeuw sporen nalaat die bij de tijd passen,” aldus Sikkes. ,,Datzelfde zie je in Boedapest. Nederlanders hebben de neiging om oude stadscentra zo veel mogelijk bij het oude te laten. Maar in Boedapest zien ze het centrum een gebied dat zich architectonisch blijft ontwikkelen. Dat verklaart de Hongaarse openheid voor nieuwe ideeën.”

zondag 14 juni 2009

STOFZUIGERS

Wat zeggen stofzuigers over de stand van zaken in de Hongaarse economie? Meer dan je zou denken. Ik kocht mijn eerste Hongaarse stofzuiger in 1992. Nou ja, het was geen Hongaars product, maar een Tsjechisch, maar het was wel het gangbare model dat je toen overal in de winkels zag. Het apparaat had de hoekige vorm van een casinobrood, bleef dus achter iedere stoelpoot steken, had die vage kleur beige die je ook bij Trabanten en andere producten uit de (post-)communistische industrie tegenkwam en zoog voor geen meter. Maar goed, het weekendhuisje waar die stofzuiger voor bedoeld was, moest het er maar mee doen.
Toen in 1998 onze gewone stofzuiger, ooit in Nederland gekocht, na weet ik veel hoeveel jaar trouwe dienst toch wat in kwaliteit begon na te laten, ging die naar het weekendhuis, want hij zoog nog altijd beter dan de Tsjech.
Er kwam een nieuwe stofzuiger, vrolijk modern rood en met een prettige vormgeving waarmee hij makkelijk langs stoelpoten gleed. Wederom geen Hongaars product, maar ditmaal een Duits, dat ook nog claimde ekologisch te zijn, wat dat bij een stofzuiger ook moge betekenen. Hij zoog naar tevredenheid, al hadden we iedere keer wel moeite de stofzuigerzakken te vinden, want voorraadbeheer was - en is - een probleem voor de meeste winkels, zodat de zakken regelmatig op zijn.
De Duitser doet nog steeds dienst, maar door omstandigheden hebben we onlangs een tweede stofzuiger gekocht, ontworpen in Nederland, gefabriceerd in China, ik laat het aan uzelf over om te bedenken welk merk. Het was de duurste stofzuiger uit de winkel, en ik vond het een supermodern ding. Hij zuigt beter dan alle stofzuigers die we ooit eerder hadden, en zachter ook. Een topproduct, dacht ik.
Tot ik een recente Consumentengids zag met een onderzoek naar stofzuigers. De onze staat er ook bij. In Nederland kost hij pakweg net zoveel als in Hongarije, maar de duurste is hij zeker niet. Eerder een van de goedkoopste, en qua prestaties valt hij in de middenmoot.
Het is niet voor het eerst dat ik dat meemaak. Wat in Hongarije tot het duurste marktsegment behoort, is in Nederland meestal een goedkoper product. De goedkoopste producten in Hongaarse winkels tref je op de Nederlandse markt niet eens aan. En niet voor niets, want meestal stellen die echt weinig voor.
Er is één EU, maar nog steeds produceren fabrikanten voor twee markten: de koopkrachtige West-Europese, en de veel minder koopkrachtige Centraal-Europese. Toen ik laatst een nieuwe wasmachine kocht, wilde ik een Nederlandse, of Engelse gebruiksaanwijzing downloaden op het internet, want wat bijgeleverd was, was Hongaars, Tsjechisch, Pools, Slowaaks, Roemeens, Kroatisch, Grieks en Turks. Of iets dergelijks. Nou kom ik ook wel uit de Hongaarse handleiding, maar Nederlands is toch nog steeds makkelijker.
Aanvankelijk leek dat geen probleem. Ik vond de wasmachine die ik zocht, dacht ik. Het typenummer dat vermeld was, week iets af, maar ik ging ervanuit dat het pakweg op hetzelfde neer zou komen.
Maar toen ik de gebruiksaanwijzing beter bekeek, bleken de verschillen toch groter dan ik dacht. Het Nederlandse type was voorzien van een digitaal display en allerlei electronica, de Centraal-Europese variant moest het zonder doen. Dat verklaarde meteen waarom mijn model enkele honderden euro's goedkoper was geweest dan zijn Nederlandse broertje. En de enige gebruiksaanwijzingen die ik voor mijn machine vond, waren allemaal in talen van landen met een minder koopkrachtige markt.
Klaag ik? Zeker niet. De apparaten die tegenwoordig op de markt zijn, zijn over het algemeen onvergelijkbaar veel beter dan wat er twintig jaar geleden in Hongarije te krijgen was. Een Hongaars gastoestel dat ik samen met mijn Tsjechische stofzuiger kocht, kon voor mijn gevoel eigenlijk meteen bij de vuilnis: zodra je de oven gebruikte, zetten de knoppen zodanig uit dat je het gas niet meer uit kon draaien. En de oven brandde zeer onregelmatig en werd gloeiend heet, een probleem dat veel Hongaren oplosten door een paar dakpannen op de bodemplaat te leggen. Daardoor verdeelde de hitte beter.
We zijn dus vooruitgegaan, maar het blijft een tweederangs markt, waar het aanbod nog steeds kleiner is dan in West-Europa. Vandaar dat ik me, twintig jaar na dato, nog steeds erop betrap dat ik bij ieder bezoek in Nederland naast kaas, drop en stroopwafels een hele boodschappenlijst aan andere dingen insla. Maar laat iemand me nou verteld hebben dat ze in Hongarije tegenwoordig óók electrische vliegenmeppers hebben...

woensdag 10 juni 2009

EEN VAT VOL TEGENSTRIJDIGHEDEN

Mensenrechtenactiviste en voorvechtster voor vrouwenrechten. Nationaliste en antiglobaliste. Hoogleraar strafrecht Krisztina Morvai, lijsttrekster van de Hongaarse extreemrechtse Jobbik die zondag bij de EU-verkiezingen uit het niets haast 15 procent van de stemmen binnenhaalde, is moeilijk onder één noemer te vangen. Ze schreef ooit een baanbrekend boek over vrouwenmishandeling in Hongarije. Ze won de Freddy Mercury-prijs voor haar inzet tegen discriminatie van mensen met HIV en AIDS. En nu maakt ze zich sterk om te voorkomen dat Hongarije een nieuw Palestina wordt.

Antisemitisch? Niet als je Morvai moet geloven. Die beschuldiging is goed voor zéér stekelige reacties. Palestina is gewoon een goede vergelijking omdat iedereen dat land kent. ,,De Palestijnen werden ook gedwongen hun land af te staan.’’ Net als de Hongaren nu, vindt Morvai. Zei Simon Peres onlangs niet zelf dat de Israëli’s Manhattan, Polen en Hongarije opkopen? Over een recente email waarin ze een Amerikaanse jood adviseerde om met zijn besneden piemel te gaan spelen, wil ze het niet hebben. Dat was privécorrespondentie en het is schandalig dat die in de openbaarheid kwam.

Ooit was Morvai juriste bij het Europese Hof voor Mensenrechten. Tot 2006 werkte ze bij de CEDAW, de VN-conventie voor eliminatie van alle vormen van discriminatie. Nu steunt ze de Hongaarse Garde, de door de Jobbik opgerichte extreemrechtse geüniformeerde militie die in mei demonstreerde tegen de ‘Holocaustleugen’ en regelmatig door Roma-wijken marcheert en protesteert tegen ‘zigeunermisdaad’.
Morvai vergelijkt de toestand van Hongarije met Zuid-Amerika: een kleine elite die achter hoge hekken woont, zwaar beveiligd door gewapende bewakingsbedrijven, en een groot deel van de bevolking die in bittere armoede leeft en blootgesteld is aan niets ontziende criminelen. En die criminelen zijn volgens de Jobbik vrijwel allemaal van zigeunerafkomst.

Tegenover buitenlandse journalisten noemt Morvai zigeuners evenzeer slachtoffers als daders. Ze heeft oprechte compassie met zigeunermeisjes die als slachtoffers van mensenhandelaars in West-Europa in de prostitutie terechtkomen, en ze zegt groot belang te hechten aan onderwijs voor Roma-kinderen, zodat die de fouten van hun ouders niet hoeven te herhalen. Maar haar oplossing van dat probleem is veelzeggend: in een open brief riep ze joodse scholen in Boedapest op hun deuren te openen voor zigeunerkinderen van het platteland ,,opdat ze elkanders cultuur, gebruiken en gewoonten kunnen leren kennen.”

De Hongaarse Garde omschrijft ze als beschermers van de Hongaarse waardigheid en als verdediging van vreedzame demonstraties tegen de ,,door de dictatuur gestuurde politie.” Bij de herdenking van de Hongaarse opstand in oktober 2006 kwam Morvai met twee van haar drie dochtertjes in een rel terecht, waarbij de politie met traangas en rubberkogels op de menigte inschoot. Ze moest uiteindelijk een portiek invluchten om haar kinderen in veiligheid te brengen.

Het is een gebeurtenis die haar leven heeft bepaald, want sinds die dag zet ze zich in voor de mensenrechten van Hongaren, die volgens haar in eigen land worden verdrukt en worden uitverkocht aan de multinationals. Eerst voerde ze een kruistocht tegen de agenten die verantwoordelijk waren voor het politiegeweld. Let wel, demonstranten pikten die dag een tentoongestelde tank en reden daarmee richting politie, misschien mede een verklaring voor het paniekerige optreden van de voor relbestrijding totaal niet opgeleide agenten.
Hongarije voor de Hongaren was Jobbik’s slogan bij de EU-verkiezingen inging. Dat betekent voor Morvai: een blijvend verbod op de verkoop van landbouwgrond aan buitenlanders. Inperking, of zelfs nationalisering van buitenlandse bedrijven in Hongarije. Een einde aan de globalisering en de dictatuur van de multinationals in Hongarije, die zij verantwoordelijk stelt voor de derde wereld armoede waarin volgens haar een groot deel van de Hongaarse bevolking leeft.

vrijdag 29 mei 2009

EUROPESE CAMPAGNE ZONDER EUROPA

"Verkiezingen, wat voor verkiezingen?" Szandra kijkt me stomverbaasd aan. Ze weet van niets. Ik zie op een lantarenpaal een Fideszaffiche en stop. Nee, die affiches waren haar eerder niet opgevallen. Maar op mijn vraag of ze nu weet waarom ze 7 juni week naar de stembus zou moeten, schudt ze haar hoofd. Geen wonder, want dat het bij deze verkiezingen om het EU-parlement gaat, staat nergens.
De EU-verkiezingscampagne in Hongarije stelt weinig voor, en wat er aan campagne wordt gevoerd, gaat niet of nauwelijks om Europa. Het Europese parlement is zó onbelangrijk als campagnethema, dat de rechtse oppositie niet eens de schijnt ophoudt dat het ze daar om gaat. De conservatieve oppositiepartij Fidesz behandelt de verkiezingen als een referendum over de vraag of er vervroegde parlementsverkiezingen moeten komen. 'Genoeg’ staat er met koeienletters op hun affiches, en 'stem' en daaronder: ‘een nieuwe richting’. Meer niet. O ja, de datum.
Volgens opiniepeilingen steunt ruim 60 procent van de kiezers de oppositiepartij en Fidesz-leider Viktor Orbán praat maar over één ding: dat 7 juni zal bewijzen dat deze regering geen steun heeft en dat daarom kort daarna parlementsverkiezingen moeten plaatsvinden. Hij zegt daarmee natuurlijk weinig nieuws. Er zijn geen Europese verkiezingen nodig om te weten dat deze regering op weinig steun kan rekenen. En Viktor Orbán zegt al sinds de verkiezingen die hij in 2006 verloor, dat de regering niet legitiem is en er nieuwe verkiezingen nodig zijn.
De ijverigste plakkers is overigens de extreemrechtse Jobbik. Zij gebruiken de campagne uitsluitend om meer naamsbekendheid te krijgen. Klaarblijkelijk heeft 35 procent van de Hongaren nog nooit van ze gehoord. Weliswaar prijkt op hun posters hun kandidate voor het Europese parlement, maar het schijnt niet echt de bedoeling te zijn dat mensen daarop gaan stemmen, want ook Jobbik vermeldt niet dat het om Europese verkiezingen gaat. Sterker nog, Jobbik vermeldt helemaal niet dat het om verkiezingen gaat. Ze noemen zelfs de datum niet.
Maar een campagneslagzin hebben ze wel: “Hongarije voor de Hongaren”. Jobbik heeft weinig op met zigeuners, joden, buitenlanders of buitenlandse investeerders. Hun kandidate Krisztina Morvai, een voormalige mensenrechtenactiviste die mensenrechten tegenwoordig zeer eenzijdig opvat, lijkt op het punt van die buitenlandse bedrijven soms een vastgelopen plaat.
Als je haar moet geloven, zou Hongarije het gelukkigste worden zonder buitenlandse investeerders en met een economie die zoveel mogelijk zelfvoorzienend is. Om te zien hoe dat uitpakt, hoef je geen helderziende te zijn, want zo'n beleid hebben economische geniën als de vroegere Roemeense communistische leider Nicolae Ceausescu en diens Albanese collega Enver Hoxha ook al eens uitgeprobeerd. Daar werden de Roemenen en de Albanezen érg blij van.
Dat de partij de EU, waar veel van de in Hongarije aanwezige buitenlandse bedrijven vandaan komen, niet vermeldt, is dus niet zo vreemd. Toch maakt Jobbik volgens de peilingen wel kans op een zetel in het Europese parlement. Dan kunnen ze gezellig met de PVV in een fractie gaan zitten, en met al die andere partijen die het Europese parlement vooral als een platform zien om hun eigen nationalisme te etaleren.

vrijdag 22 mei 2009

TOMATENSLA? NINCS!

Nincs! Dat was het eerste woord dat ik leerde toen ik in 1989 voor het eerst in Hongarije kwam. Ik was net benoemd tot correspondent Centraal-Europa. We zouden pas maanden later verhuizen, maar omdat we niets wisten van het land waar we gingen wonen, wilden we onze vakantie gebruiken voor een kennismaking. Het was de zomer voor de val van het IJzeren Gordijn. De verandering hing in de lucht, maar niemand besefte dat het enkele maanden later gedaan zou zijn met het communistische systeem.
Hongarije was geen land van echte schaarste, zoals veel andere Oostbloklanden. Alle eerste levensbehoeften, inclusief wc-papier en koffie waren makkelijk te krijgen, al was de kwaliteit vaak minder en de keuze beperkter dan wij gewend waren. Als het aardbeidentijd was, waren die in grote bergen te koop, de slager had vlees en worst. Maar ook zonder echte schaarste kreeg je regelmatig te horen dat iets er niet was.

Planeconomie

We ontdekten al snel dat je beter meteen kon vragen wat een restaurant echt in de aanbieding had, inplaats van watertandend het menu, meestal een pagina's lang boekwerk, door te neuzen om vervolgens te ontdekken dat tachtig procent niet verkrijgbaar was. Aan verse, en dus bederfelijke producten hadden restauranthouders duidelijk een broertje dood: zelfs al lagen de tomaten hoog opgetast bij de groenteman aan de overkant, een verse tomatensla stond vaak wel op de kaart, maar was meestal ‘nincs’.
Een planeconomie is een lastig ding. De bekende communistische schaarste was echt niet alleen kwaadwillendheid. Je zou maar die bureaucraat wezen die ergens aan een bureau in Boedapest moest bedenken dat ze in Szeged bh’s nodig hadden, in Győr wc-papier en in Biatorbágy fietsen. Winkels waren staatseigendom en de beheerder verdiende gewoon een salaris, of hij zijn voorraadbeheer nou op orde had of niet. In dat licht bezien is het nog een wonder dat de meeste zaken meestal wel verkrijgbaar waren.
Keuze was er niet, maar dat is logisch: zo’n bureaucraat kon zich toch niet met frivoliteiten als modieus ondergoed bezighouden? Wie modieuzere kleding wilde, ging naar Joegoslavië, dé plek voor echte spijkerbroeken en de nieuwste langspeelplaten. Toen begin 1990 de eerste Westerse lingeriewinkel naar Boedapest kwam, stonden de kopers de eerste maanden tot om de hoek te wachten op hun kans op een kanten bh. Zo ook bij de Adidas-winkel op de Váci utca en bij de eerste McDonald’s, waar je vier jongeren rond één beker Cola zag zitten.

Telefoon

Toen we eenmaal verhuisd waren, ontdekten we al snel dat er ook zaken bestonden waaraan wél een permanent tekort was: telefoonlijnen bijvoorbeeld. Dorpen hadden helemaal geen telefoon, op een vooroorlogs slingertoestel bij de burgemeester na. Dat was verbonden met een telefooncentrale waar telefonistes de verbinding tot stand brachten met behulp van ingewikkelde schakelborden en stekkers die in Nederland al lang in het museum stonden. Dorpsbewoners konden alleen in noodgevallen van dat toestel gebruik maken. Telefoons waren overigens niet het enige dat ontbrak in de meeste dorpen. Het communisme had iedereen electriciteit gebracht, maar was er in pakweg veertig jaar niet in geslaagd het platteland van stromend water, gas, riolering of verharde straten te voorzien.
Ook in Boedapest was het gewoon dat je jarenlang op de wachtlijst stond voor je eindelijk een telefoonaansluiting kreeg. En dan moest je je lijn delen met iemand anders. Als die ander belde, kon jij niet bellen. Om ruzies daarover te voorkomen, wisten mensen meestal niet met wie ze hun lijn deelden. Vanwege de schaarste aan telefoonaansluitingen bracht een flat met telefoon aanzienlijk meer op dan een flat zonder.
De algemene schaartste aan voorzieningen en goederen maakte het buitengewoon verleidelijk om dingen 'te regelen'. Als je een kennis van een kennis had die je aan een snellere aansluiting kon helpen, of aan moeilijk verkrijgbare auto-onderdelen, bouwmateriaal of een gespecialiseerde medische behandeling, dan zou je toch gek zijn om niét in te gaan op zo'n aanbod. Maar voor wat hoorde natuurlijk wel wat. Dat was meestal geen geld, maar het regelen van een of andere tegendienst. Geen mens die dat als corruptie zag. Maar dat was het natuurlijk wel.
We woonden in een appartement in een oude villa in het twaalfde district. Het pand was ooit eigendom geweest van een juweliersfamilie die in 1948 de hete adem van het communisme in de nek had gevoeld en de benen genomen had toen het nog kon. De staat had de genationaliseerde villa opgedeeld in vijf woningen en verhuurd aan families die van het platteland naar de stad waren gekomen.Wij konden het uitstekend vinden met onze buren, maar onderling waren de verhoudingen een stuk minder vriendelijk. De buurman onder ons zei dat de buurman rechts van ons onder het communisme bij de politie had gewerkt, terwijl de buurman rechts onze benedenbuurman ervan beschuldigde een informant van de geheime dienst te zijn geweest.
Beroepsmatig waren het geweldige tijden voor journalisten. We reisden van Polen tot Albanië. We spraken met mensen als Lech Walesa, leider van het anticommunistische verzet in Polen, maar ook met Todor Zsivkov, de inmiddels ziekelijke communistische ex-dictator. We ontmoetten een mallotige psychiater in Bosnië genaamd Radovan Karadzic die enkele maanden later helaas probeerde waar te maken wat hij ons toen al vertelde: namelijk dat heel Bosnië eigenlijk Servisch grondgebied was.

Liberaal

In Hongarije spraken we ondermeer met een jonge, veelbelovende liberale politicus, wiens partij Fidesz zich in 1992 aansloot bij de Liberale Internationale. Viktor Orbán had internationale bekendheid verworven toen hij in juni 1989 tijdens de herbegrafenis van Imre Nagy (leider van de Hongaarse opstand van 1956) opriep tot vrije verkiezingen en terugtrekking van de Russische troepen uit Hongarije. De jonge liberaal, die later een deel van zijn kinderen gereformeerd en een deel katholiek zou laten dopen, was destijds een van de meest antikerkelijke politici van het land. Zijn partij stemde bijvoorbeeld tegen de teruggave van kerkelijke bezittingen.
Net als andere Centraal-Europeanen waren de Hongaren in die dagen optimistisch gestemd. De verwachtingen waren hooggespannen. Iedereen keek naar Duitsland en Nederland en hoopte binnen luttele jaren ook zo te leven. Die verwachting maakte het voor mensen ook makkelijker om de moeilijke tijden waarmee ze zich geconfronteerd zagen, te accepteren. Want de val van het communisme bracht zeker niet alleen bevrijding.
De Hongaarse staatsindustrie kon niet op tegen de westerse concurrentie. De zwaar verouderde bedrijven leverden producten van veel mindere kwaliteit dan de westerse import. De arbeidsomstandigheden waren vaak slecht en van milieu hadden de bedrijven nog nooit gehoord. Op onze eerste rondreis door het land kampeerden we in Matazalka, waar onze tent iedere ochtend bedekt was met een witte laag vlokkige as die in dikke wolken door een lokale fabriek werd uitgebraakt. Onze werkster zou ons later vertellen van de tijd dat zij in een fabriek werkte, in een hal waar de temperatuur regelmatig boven de veertig graden was omdat ventilatie geheel ontbrak.
De leider van het christendemocratische MDF en eerste niet-communistische premier, József Antall, besloot tot gedurfde oplossingen voor deze problemen. Hij stemde in met de grootscheepse privatisatie van de staatsindustrieën. Veel van de verkochte bedrijven werden buitenlands eigendom, en het eerste dat de nieuwe eigenaren deden, was reorganiseren. Duizenden verloren hun werk, maar Antall's beleid zorgde er wel voor dat Hongarije het meest gewilde land van Centraal-Europa werd voor investeerders, en die investeerders brachten ook weer nieuwe banen.

Welvarender

Het leidt geen twijfel dat Hongarije twintig jaar later welvarender en schoner is dan destijds. Maar het leidt ook geen twijfel dat veel van de hoop en verwachting van toen niet is uitgekomen. Hongaren zijn nog lang niet zo rijk als Duitsers of Nederlanders. Maar wat misschien nog meer steekt, is dat sommigen wél zo rijk zijn, en anderen niet.
Natuurlijk waren er onder het communisme ook inkomstenverschillen, maar die waren veel kleiner. En bovendien: in een land waar weinig keuze aan producten is, kan de een de ander niet de ogen uitsteken met een auto van 100.000 euro of een Armanipak. Het is niet zo dat Hongaren twintig jaar geleden wel van hun inkomen konden rondkomen en nu niet. De salarissen waren zo laag dat het heel gewoon was om meerdere baantjes te hebben of als gepensioneerde te werken. In de musea werkten gepensioneerde vrouwen als suppoost of toiletjuffrouw, electriciens klusten 's avonds bij (met het gereedschap van hun baas) en onderwijzers verdienden extra met bijlessen. Maar dat gold destijds voor bijna iedereen, en dat is het grote verschil.

donderdag 7 mei 2009

WETENSCHAPPERS

Wetenschappers in Hongarije verdienen voor West-Europese begrippen niet uitzonderlijk goed. De 250 volledige leden van de Hongaarse Academie voor Wetenschappen, de creme de la creme van de Hongaarse wetenschap zogezegd, moeten het doen met een salaris van 455.ooo forint per maand, ruim 1600 euro. De 75 corresponderende leden krijgen nog minder: 354.ooo forint per maand. Dat is niet veel, maar het staat wel in verhouding tot de salarissen van de rest van de bevolking, die ook weinig verdient voor West-Europese begrippen. Daarnaast krijgt ieder lid maandelijks nog 90.000 forint 'eergeld'.
Te weinig, zeggen sommigen, want het gevaar is groot dat Hongaarse wetenschappers naar beter betalende posten in het buitenland vertrekken. Maar het is de grote vraag hoe groot dat gevaar is, en of het salaris daarbij de doorslaggevende rol speelt, althans waar het om de leden van de Academie gaat. Een groot deel van hen heeft vermoedelijk geen enkele behoefte om naar het buitenland te vertrekken. De gemiddelde leeftijd van de MTA-leden is 56,1 jaar (dat is al ruim twee jaar minder dan in 1998, toen het gezelschap nog veel vergrijsder was). Van de vaste leden zijn er slechts 18 onder de zestig jaar, en 74 boven de 80. Dat die staan te trappelen om hun koffers te pakken en naar Harvard te vertrekken, lijkt onwaarschijnlijk.
De betaling mag niet top zijn, maar daar staat wel tegenover dat als je eenmaal lid van de Academie bent, je voor je rest van je leven onder de pannen bent. Een deel van de heren (er zullen ook wel dames tussen zitten, maar ik ben ze nog niet tegengekomen) publiceert nooit meer iets en geeft ook geen les. Kortom, Hongarije spendeert een aardig deel van zijn wetenschappelijke budget aan een regeling die in een aantal gevallen simpelweg niet meer is dan een fraaie pensioensvoorziening.
Dat zou op zich niet zo erg zijn, als het niet meteen betekende dat er van doorstroming dus geen sprake is. In Nederland gaat een hoogleraar met emiraat en maakt plaats vrij voor een nieuwe man. Zo'n systeem bestaat in Hongarije niet. Dat lijkt me een minstens even belangrijke motivatie voor een wetenschapper om naar het buitenland te vertrekken: het feit dat de topregionen van de Hongaarse academische wereld verstopt zit met oude heren die hun opleiding nog in de communistische tijd hebben gehad en die pre-communistische opvattingen hebben over hun eigen positie in het stelsel.
De academische vernieuwing die in de jaren zeventig door veel Westerse universiteiten raasde, heeft Hongarije (en de rest van het voormalige Oostblok) geheel gepasseerd. Een professor is in Hongarije nog een echte autoriteit. Geen student zou het in zijn hoofd halen de professor met de voornaam aan te spreken. Die spreek je aan met Meneer de Professor en met ön, de beleefdere van de twee vormen van U die de Hongaarse taal telt. Die spreek je niet tegen en je gaat geen debat met hem aan.
Er is in het verleden wel eens gesuggereerd om in ieder geval de uitbetaling van het eergeld in toekomst te koppelen aan een jaarlijkse proeve van bekwaamheid, bijvoorbeeld in de vorm van een publicatie. Maar, zoals de Hongaarse wetenschapshistoricus Gábor Palló aanvoert, dat heeft eigenlijk geen zin, zolang niet het hele financieringssysteem wordt omgebouwd. Maar daarvoor bestaat onder leidinggevende academici om begrijpelijke redenen niet zoveel animo.