zaterdag 24 juli 2010

POLITIEK VOETBAL

Voetbaltrainers worden ontslagen, niets bijzonders aan. Maar het vrijdag officieel bekend gemaakte ontslag van Erwin Koeman als trainer van het nationale elftal van Hongarije is een directe gevolg van de Hongaarse regeringswisseling, en dat de politiek zo direct bij voetbal betrokken is, is wel opmerkelijk.

Koeman, die met de Hongaarse nationale elf de weg omhoog weer leek te hebben gevonden, ook al haalde dat net niet het WK in Zuid-Afrika, had nog een contract tot 2012. Maar hij koos de afgelopen week eieren voor zijn geld en kwam – officieel “in goed overleg” – tot een akkoord met de Hongaarse voetbalbond over de beëindiging van zijn verbintenis.
Een onvermijdelijke stap, want de in mei gekozen nieuwe Hongaarse premier Viktor Orbán heeft twee passies, politiek en voetbal, en die twee lopen nog al eens door elkaar heen. In 2001, toen Orbán ook al premier was, zei hij eens een kabinetszitting af vanwege een wedstrijd van Felcsút, het team van zijn geboortedorp met dezelfde naam dat in de tweede divisie speelde.
In datzelfde 2000 zielen tellende dorp Felcsút staat, op initiatief van Orbán, sinds een aantal jaren ook de nieuwe nationale voetbalacademie. Tot de studenten behoort ook zijn oudste zoon Gaspár, die door trainers wordt omschreven als een “hardwerkende jongen”. Orbán mist geen enkele EK of WK finale en zat ook dit jaar in Johannesburg op de tribune bij de finale Nederland-Spanje. Het verhaal gaat dat hij als student ooit wegliep uit een ziekenhuis waar hij lag met een longontsteking om een belangrijke wedstrijd bij te wonen.
Vorig jaar november, toen Orbán nog leider van de oppositie was, verklaarde hij al herhaaldelijk niets in Koeman te zien en vanaf dat moment speculeerden de Hongaarse kranten, die de binnenlandse politieke verhoudingen kennen en weten wat zo’n uitspraak betekent, al dat het gedaan was met de carrière van de Nederlander. Het ging snel toen kort na de verkiezingen de voorzitter van de Hongaarse voetbalbond - de man die Koeman naar Hongarije had gehaald - werd afgezet en werd vervangen door Sándor Csányi
Csányi is directeur en medeaandeelhouder van de Hongaarse OTP Bank, een van de drie rijkste mannen van het land en een persoonlijke vriend en adviseur van premier Orbán. Met Csányi’s komst kwam ook een geheel nieuw bondsbestuur en dat besloot afgelopen week, in lijn met de nieuwe nationalistische koers van de regering Orbán, dat een nationaal elftal geen buitenlandse trainer kon hebben.
De voorlopige opvolger voor Koeman wordt Sándor Egervári, voormalig Hongaars speler en trainer van het nationale jeugdelftal onder 20 van Hongarije. Aan hem de taak de Hongaren voor te bereiden op het komende EK, waarbij Hongarije is ingedeeld in dezelfde poule als Nederland. En de ondankbare opgave om zich de politiek van het lijf te houden.

woensdag 21 juli 2010

WAKKER VAN DE FORINT

“Vroeger praatten mensen over hun kinderen, nu zijn hypotheken het belangrijkste gespreksonderwerp. Zelfs mijn manicure praat nergens anders over,” verzucht mediaconsulent Margit Kohanecz. Haarzelf vergaat het niet anders. Een paar jaar geleden nam ze een hypotheek om de bouw van een nieuw huis te financieren, in Zwitserse franken omdat de rente veel lager was dan die van een hypotheek in Hongaarse forinten. Een goede deal, leek het. Nu heeft ze er slapeloze nachten van.
Pakweg anderhalf miljoen van de 10 miljoen Hongaren heeft zijn huis, lease-auto, plasma-tv of zelfs een Afrikaanse safari met een lening in buitenlandse munt gefinancierd, lekker gemaakt met een lage rente en onvoldoende gewaarschuwd voor de risico’s. Mensen verdienen forinten. Een lage wisselkoers kost hen veel geld.
Deze week was het zover. Door berichten over mislukte onderhandelingen over een IMF-lening tuimelde de munt in twee dagen van 276 naar meer dan 290 forint voor een euro. Kohanecz volgt het met argusogen. Iedere koersval vergroot haar financiële zorgen.
Volgens de Hongaarse Nationale Bank zitten 300.000 mensen daardoor acuut in nood en steeg het aantal Hongaren met aflossingsproblemen van 170.000 in maart 2009 tot 825.000 een jaar later. Voor de regering was dat onlangs reden om hypotheken in vreemde valuta te verbieden. Kleinere leningen in euro’s, Zwitserse franken of Japanse yens mogen nog wel.
Toen ze haar hypotheek afsloot, was de wisselkoers 250 forint voor een euro. Met 276 forint was ze nog steeds gunstiger uit dan met een forinthypotheek, zegt ze, want dan had ze 16 procent rente betaald. Maar die koers was wel het maximum wat ze kan betalen.
De zwakke munt is niet haar enige probleem. Toen ze begon te bouwen, rekende ze op de verkoop van haar oude huis. Maar dat staat al een jaar op de markt, en de belangstelling is nihil. De vraagprijs is inmiddels met 20 procent gedaald en zit onder het bedrag dat ze geleend heeft.
Onder druk van de regering bieden banken de mogelijkheid om valutaleningen om te zetten in forintleningen. Kohanecz heeft daar serieus naar gekeken, maar het niet gedaan: “Als ik de hypotheek over sluit, is die waardevermindering een probleem. Een vriendin moest haar bank vanwege de waardevermindering zelfs een extra onderpand geven voor haar bestaande hypotheek. Ze heeft inmiddels ook een lening op haar auto. En forinthypotheken hebben nog steeds een hoge rente.”
De Hongaarse regering wil een staatsfonds oprichten om noodlijdende hypotheekhouders te helpen. Maar het IMF wil duidelijke bezuinigingen zien en juist dat fonds was een van de punten waarop de onderhandelingen stukliepen. Kohanecz hoopt dat de zaak uiteindelijk met een sisser afloopt, en zowel de regering als Hongaarse financiële analisten delen die hoop.
“Feitelijk is er niet zoveel gebeurd,” zegt Dávid Németh, macroanalist bij de ING Bank in Boedapest, “De regering had vooraf al gezegd dat ze dit kwartaal toch niet van plan was gebruik te maken van een IMF-lening.” Dat komt anders te liggen, zegt hij, als ze er ook bij de onderhandelingen in het najaar niet uitkomen.
Die kans is groot, aangezien er in september lokale verkiezingen plaatsvinden. Nu al is duidelijk dat de kwestie onderdeel van de binnenlandse politiek is geworden. Premier Viktor Orbán heeft gezegd dat hij “geen stap achteruit zal doen” en dat het IMF Hongarije niet kan voorschrijven hoe het zijn zaken behartigt.
Dat mag natuurlijk zo zijn, maar net zoals een bank bepaalt welke eisen zij stelt voor een hypotheek, zo bepaalt het IMF welke eisen het stelt voor het Hongarije geld verstrekt. En als het IMF Hongarije laat vallen, is de kans groot dat ook andere geldschieters zich terugtrekken of zeer hoge eisen gaan stellen en zeer veel rente gaan vragen.
De grootste zorg, erkent Németh, is de reactie van de internationale financiële wereld. Enkele weken geleden raakte de forint ook in vrije val na uitspraken van topfunctionarissen van regeringspartij Fidesz al dat Hongarije de richting van Griekenland opging. Die rel werd toen gesust, maar voor Margit Kohanecz en anderhalf miljoen anderen zou het slecht nieuws zijn als de financiële markten hun vertrouwen in Hongarije definitief kwijt zijn.

zondag 4 juli 2010

NATIONALE SAMENWERKING

Kort nadat de Hongaarse premier Viktor Orbán in mei werd beëdigd, kwam hij met een 'verklaring van nationale samenwerking', de NMR. Het was een wonderlijk document waarin de overwinning van zijn partij Fidesz werd afgeschilderd als het einde van een tijdperk. In het stemhokje was een einde gemaakt an het communisme en de daarop volgende overgangsperiode van twintig jaar:
Bij deze wat hoogtepunten uit die verklaring: ,,In de lente van 2010 verzamelde het Hongaarse volk wederom zijn overgebleven krachten en bereikte het een succesvolle revolutie via de stembus. Het Hongaarse volk bereikte met deze overwinning het omverwerpen van het oude regiem en het oprichten van een nieuw bewind van nationale samenwerking."
Nu heeft Fidesz tweederde van alle zetels in het parlement, en je kunt je indenken dat dat tot overmoed stemt. Maar die verkiezingsuitslag moet enigszins gerelativeerd worden. De enorme overwinning is grotendeels te danken aan het kiesstelsel. Fidesz haalde feitelijk net iets meer dan de helft van alle stemmen.
Maar goed, het document vervolgt: "Wij, de vertegenwoordigers van het Hongaarse Parlement, verklaren dat wij dat nieuwe politieke en economische systeem, dat tot stand kwam als resultaat van de wil van het volk, op de stevige funderingen zullen plaatsen die noodzakelijk zijn voor welvaart en menselijke waardigheid en die de leden van de Hongaarse natie in zijn diverse kleuren verenigen. Werk, thuis, familie, gezondheid en recht en veiligheid. Dat zijn de pilaren van onze gezamenlijke toekomst. (....) Deze coöperatie, die ongelooflijke energie losmaakt, geeft alle Hongaren het recht tot hoop, ongeacht hun leeftijd, godsdienst, politieke overtuiging, ongeacht waar ze leven."
Het was de bedoeling dat het parlement deze verklaring aannam, wat het natuurlijk ook deed: met een tweederde meerderheid krijg je per slot van rekening alles aangenomen wat je wil. Maar alle oppositiepartijen, van de socialistische MSzP tot de extreemrechtse Jobbik, bedankten voor de eer.
Dat leek het te zijn, tot premier Orbán dit weekend op de verklaring terugkwam in een stijl die doet vermoeden dat het erg moeilijk is om daadwerkelijk afscheid te nemen van een tijdperk: hij verordoneerde dat de NMR in alle regeringsgebouwen moet worden opgehangen, op een plek die goed zichtbaar is voor het publiek. Andere instellingen, zoals de nationale bank en lokale overheden, wordt vriendelijk edoch dringend verzocht het papier op te hangen.
De oppositie, wederom van links tot rechts, dacht eerst dat het een grap was, en reageerde vervolgens geschokt. De MSzP zei dat zo'n verordening deed denken aan het Hitler-vriendelijke Horthy-regiem en aan de communistische dictator Miklós Rákosi. De LMP was het daarmee eens en meende dat Orbáns verordening zelfs als grap een slechte geweest zou zijn. Ook Jobbik haalde het stalinisme aan, toen soortgelijke verklaringen tussen de portretten van Stalin, Lenin en  Rákosi hingen. Zoals een woordvoerder van Jobbik zei: ,,Nationale samenwerking moet uit dagelijkse daden blijken, niet uit papieren op de muur."
En als de oppositie de afgelopen weken één ding heeft ervaren, dan is het dat er in de parlementaire werkelijkheid van alle dag weinig sprake is van nationale samenwerking. Fidesz heeft het land in korte tijd bedolven onder een golf van wetsontwerpen, meer dan zeventig stuks in het totaal, waarvan het overgrote deel zonder enige aankondiging of zonder enig vooroverleg tot stand kwam en binnen luttele dagen ter stemming werd gebracht.
Dat kan, omdat het overgrote deel van al die wetsontwerpen, inclusief een geruchtmakend pakket over de omroepen en over de persvrijheid, werd ingediend door individuele parlementariërs. De reden om die route te bewandelen, aldus de socialistische fractieleider Attila Mesterházy, is dat ministeries hun wetsontwerpen vooraf moet bespreken met de relevante maatschappelijke organisaties, en een financiële en juridische verantwoording mee moeten leveren. Als een parlementariër een wetsontwerp indient, hoeft dat niet. Voor een regering die de nationale samenwerking op alle muren wil spijkeren, is dat op zijn minst opmerkelijk om wetten zo in te dienen dat een maatschappelijk debat erover zoveel mogelijk wordt vermeden en het zelfs voor medeparlementariërs moeilijk wordt een zinvolle bijdrage te leveren.
Het bespaart wel een hoop discussie, in theorie althans: de mediavoorstellen lokten een storm van kritiek uit binnen- en buitenland uit en zijn daarom op punten toch maar aangepast. Maar het vraagt natuurlijk om problemen in de toekomst. En niet alleen, omdat de oppositie klaagt en Europa kritisch meekijkt. Aan vrijwel iedere wet zit een kostenplaatje, maar als nooit de moeite is genomen die kosten uit te rekenen, is de kans op nieuwe gaten in de begroting groot. En dat is iets dat Hongarije zich niet echt kan veroorloven, al kun je er donder op zeggen dat zulke gaten in de begroting voorlopig verklaard zullen worden als lijken in de kast die de socialistische regering heeft achtergelaten.

woensdag 30 juni 2010

FOUT PARKEREN

Ik geef het meteen toe, ik stond verkeerd. Vanwege de overstroming in onze straat hadden we de auto elders in de stad gezet. Tussen allerlei andere auto's, maar, zoals een parkeerwacht constateerde, op de stoep. Nu wordt in Hongarije wel vaker op de stoep geparkeerd, sterker nog, er zijn plaatsen waar een bord je voorschrijft op de stoep te parkeren, maar hier mocht het dus niet.
Omdat de auto op naam van ons bedrijf staat, viel een week geleden een envelop in de brievenbus met een formulier waarop vermeld moest worden wie de auto had gereden. De datum en de tijd stonden er precies bij, samen met een foto van onze fout geparkeerde auto. Nu kon je op die foto ook zien dat er op die tijd helemaal niemand in die auto reed. Dat is over het algemeen een kenmerk van geparkeerde auto's, trouwens. Dus stuurde ik het formulier terug, met precies die mededeling: niemand, want hij stond geparkeerd. Onderop maakte ik nog een opmerking over een straat om de hoek, waar de auto's vaak zo midden op de stoep staan, dat je er met een kinderwagen niet langs kunt.
Twee dagen later ging de bel. Twee heren van de openbare dienst van de gemeente. Met mijn ingevulde formulier. Tja, constateerde de ene, het was natuurlijk wel grappig, die opmerking van mij, maar ik had ongetwijfeld wel begrepen wat de bedoeling was. Hij zei het grinnikend, hij vond het echt wel grappig.
En natuurlijk had ik prima begrepen wat de bedoeling was, maar er zit ook iets ironisch in. Wanneer je als bedrijf geld over moet maken naar de Hongaarse belastingen, moet je heel precies weten naar welke van de vele rekeningen van die dienst dat geld moet. Stuur je het naar de verkeerde, loop je namelijk kans op een boete omdat het geld te laat is aangekomen, zelfs als je kunt bewijzen dat je het wel degelijk op tijd hebt verstuurd, en wat meer is, dat het zelfs bij de belastingdienst is aangekomen. Maar omgekeerd wordt er van jouw als burger wel souplesse verwacht als vadertje staat slordig is met zijn formulieren.
De heren hadden een nieuw formulier voor me meegebracht, dat ik ter plekke invulde. Toen keek de man me nog eens met een verwijtende zucht aan. Die opmerking over die andere fout geparkeerde auto´s, die zat hem dwars. ,,Dat is toch jammer, u wordt veel te Hongaars. Hongaren doen dat ook altijd, de regels overtreden en dan meteen wijzen naar wat anderen fout doen,´´ zei hij, en haalde goede herinneringen op aan de tijd dat hij in Duitsland had geleefd, waar mensen zich gewoon aan de regels hielden. ,,Daarom draait dat land ook zo goed,´´ meende hij, ,,En is dit land een catastrofe.´´
Ik legde hem uit dat ik al had er al veel langer over die auto´s had willen klagen, en dit was zo´n mooie gelegenheid geweest zonder het adres van de parkeerdienst op te hoeven zoeken. Ik geloof trouwens niet dat Hongaren echt vaker met het vingertje wijzen dan anderen. Maar ze zijn zeker soepeler met regels dan Duitsers.
Een paar uur later reed ik langs de kroeg reed waar de plaatselijke aanhang van extreemrechts zich verzamelt. Voor de deur stond midden in het smalle straatje een auto met alle portieren open, zodat niemand er nog langs kon. Ik stapte uit en deed de portieren aan de straatkant dicht, zodat ik verder kon. De eigenaar was in geen velden of wegen te bekennen, maar liet over zichzelf geen twijfel bestaan. ´100 procent Hongaars´ vermeldde een grote sticker op zijn achterruit. In mijn hoofd hoorde ik de parkeerwacht ´zie je wel´ mompelen.

woensdag 23 juni 2010

KLASSENLERAAR

Toen onze zoon voor het eerst naar school ging, kregen we van iedere Hongaar die we kenden het belang van een goede klassenleraar op het hart gedrukt. Sommige mensen gingen zelfs zover om te beweren dat het er eigenlijk niet toe deed of de school goed was, als het met de klassenleraar maar snor zat. Daarom moest je beslist vooraf kennis gaan maken, en als de leraar, of op die leeftijd meestal de juf, niet beviel, kon je beter een andere school zoeken. Zo'n juf gaat de eerste vier jaar mee, dus het is inderdaad van belang dat je kind, en ook jij, met zo iemand kan opschieten.
Maar ook nadat die vier jaar om waren en onze zoon met wisselende leraren werd geconfronteerd, kwam het belang van een goede klassenleraar regelmatig ter sprake.  En toen we een middelbare school zochten, werden we weer gewaarschuwd toch vooral ook op de klassenleraar te letten. Niet voor niets: zo'n Hongaarse klassenleraar of juf is meer dan gewoon een simpel aanspreekpunt, het is een soort plaatsvervangende ouder met een behoorlijke rol in de opvoeding, die bovendien de hele middelbare schooltijd meegaat. Ooit vertelde een vriendin over een ouderavond op een grote Nederlandse scholengemeenschap, waar de klassenleraar van haar zoon nauwelijks wist over welke leerling het eigenlijk ging. Dat is in Hongarije ondenkbaar.
Zelfs op de middelbare school organiseert de klassenleraar van onze zoon regelmatig uitstapjes, deels in zijn eigen vrije tijd. Er is een wekelijks klassenuur waarin van alles wat maar van belang kan zijn in het leven van opgroeiende pubers aan bod komt. Afgelopen jaar zijn een paar medeleerlingen van hun mobieltje beroofd (helaas, dat gebeurt tegenwoordig ook in Hongarije) en dus is er in de klas over gepraat wat je dan het beste kunt doen.
Er is les gegeven over de gevaren van alcohol, er staat voorlichting over drugs op het programma en hij heeft de racistische praat van een aantal kinderen aan de kaak gesteld. Maar hij heeft ook een keer een uur besteed aan beleefde omgangsvormen, toen hij het gevoel had dat het daaraan tekort schoot en hij is niet zuinig met uitbranders als hij dat nodig vindt. Zijn sterkste wapen is een slechte aantekening in het klassenboek. Een aantal van zulke aantekeningen van de klassenleraar, en een leerling mag gaan omzien naar een andere school. Dat hij een leerling daadwerkelijk noteert, komt dan ook niet zo vaak voor.
Iedere week krijgen we als ouders een e-mail van hem waarin hij belangrijke gebeurtenissen aan de orde stelt: examens die komen gaan, maar incidenten in de klas en adviezen voor ouders met moeilijke pubers.
Toen de vader van een van de kinderen vorig jaar plots premier van Hongarije werd, maande de klassenleraar alle ouders ervoor te zorgen dat het meisje geen slachtoffer zou worden van eventuele politieke aversie die er thuis tegen haar vader werden gekoesterd. In Hongarije, waar politieke meningsverschillen vriendschappen en familierelaties doen sneuvelen, bepaald geen overbodige verzoek.

zaterdag 19 juni 2010

PÁLINKA

Hongarije's nieuwe regering gebruikt haar tweederde meerderheid om in razend tempo en zonder enig debat tal van wetten door het parlement te jagen. Het is dat er voorlopig nog een president zit die oplet, anders zouden ambtenaren inmiddels al zonder opgave van reden ontslagen kunnen worden. Zo zorg je dat er vanuit die hoek geen kritiek meer op je beleid is.
Erg lang zal die rem op de hervormingswoede van Fidesz overigens niet duren, want binnenkort loopt president Solyom's termijn af, en dat hij herkozen wordt, is hoogst onwaarschijnlijk.De volgende president wordt zonder enige twijfel een brave Fidesz-aanhanger.
Tussen al die wetten zitten ook zeer verrassende voorstellen. Zoals de wet die het thuis stoken van palinka helemaal vrij wil geven. Geen brandend probleem, lijkt mij, maar volgens Orbán moet daarmee een einde gemaakt worden aan het al negentig jaar durende onrecht dat boeren niet vrij kunnen beslissen wat ze met hun fruit doen: er jam van koken, of sterke drank. Iedereen moet in het vervolg in zijn eigen kelder kunnen distilleren, zonder dat de overheid zich ermee bemoeit.
In dat laatste stukje zit het belang van de wet, want feitelijk is het onzin. Sinds 1850 kunnen Hongaren namelijk al hun eigen alcohol stoken. Misschien niet thuis, maar ze kunnen hun fruit naar de stokerij in het dorp brengen, waar het onder toeziend oog van de belasting én van iemand die er echt verstand van heeft, wordt omgezet in een brouwsel dat soms wel 60 procent alcohol kan bevatten. Per liter ben je, behalve uiteraard de stookkosten, ook nog eens 600 tot 800 forint belasting kwijt, afhankelijk van de sterkte van je brouwsel.
Als de wet erdoor komt, raakt de staat iets van 28,3 miljoen euro aan belastinginkomsten kwijt. Niet niet voor een land dat zwaar moet bezuinigen, maar dat is zeker niet het enige probleem met het voorstel. Want om te beginnen is het zelf stoken van alcohol geen ongevaarlijke bezigheid als je het niet goed doet. Stook je bij de verkeerde temperatuur (en dat luistert behoorlijk nauw) krijg je methylalcohol in je fles, een goedje waar je auto's op kunt laten rijden, ramen mee kunt zemen en waar je blind van kunt worden en zelfs dood aan kunt gaan.
Bovendien kun je je afvragen wat de wijsheid achter een wet die drinken goedkoper maakt en de alcoholconsumptie aanmoedigt in een land tot de grootste alcoholconsumenten ter wereld behoort. Hongaren drinken iets van 13,5 liter zuivere alcohol per hoofd van de bevolking per jaar. Volgens cijfers van de Wereld Gezondheidsorganisatie drinken in Europa alleen de Ieren en de Luxemburgers meer. Levercirrose en andere door overmatig alcoholgebruik veroorzaakte ziekten behoren tot de belangrijkste doodsoorzaken van Hongarije. Je zou eerder verwachten dat de overheid het zelf stoken eerder aan banden zou leggen dan bevorderen.
Zelfs als je je over de alcoholconsumptie geen zorgen maakt: het regeringsplan bedreigt ook nog een behoorlijk aantal arbeidsplaatsen op het platteland. Om te beginnen kunnen de dorpsstokerijen hun deuren sluiten als iedereen thuis een distillateur heeft staan. Daarnaast zie je de laatste tijd steeds meer kleinschalige pálinkaproducenten die ervan profiteren dat Hongaarse pálinka behoort tot de producten die door de EU worden beschermd.
Alleen pálinka uit Hongarije mag pálinka zo worden genoemd. Dat betekent wel dat de drank moet voldoen aan allerlei regels: de grondstof moet voor honderd procent uit vruchten bestaan, bij het stoken moet gedistilleerd water worden gebruikt, en nog zo wat. Hongarije heeft zich verplicht om de naleving van die regels strikt te controleren. De afgelopen jaren zijn talloze kleine producenten zich, vaak met EU-steun, gaan toeleggen op de productie van zuivere peren-, kersen-, pruimen- en andere pálinka's, ook voor de export.
Als iedereen straks in zijn eigen kelder kan gaan stoken, is de kans groot dat die EU-status van pálinka niet te handhaven is. Die thuisstokers kunnen onmogelijk allemaal in de gaten worden gehouden. En je kunt er bovendien donder op zeggen dat ze een deel van de pálinkamarkt inpikken, al mogen ze volgens de wet alleen voor eigen consumptie stoken. En dat betekent dat de prille bedrijfstak van kleinschalige, hoogwaardige pálinkastokers het nakijken heeft.

dinsdag 15 juni 2010

TELEFOONSTORING

Pakweg anderhalve week geleden, toen Vác zich aan het voorbereiden was op de overstroming van de Donau, zakte een auto vol zandzakken door de stoep voor ons huis. Ik had de plek al vaker met argwaan bekijken, er zat een rare holte in het asfalt waarvan de stoep is gemaakt. Zelf dacht ik altijd aan een lekke rioolbuis die het zand wegzoog, maar het bleek een put te zijn met stekkers en draden die iets met de telefoon te maken hadden.
De zandwagen stopte netjes, en legde een paar zandzakken om de put. Dat voorkwam in ieder geval dat er zomaar iemand in zou wandelen. Mijn verwachting dat een open put onze telefoonverbinding niet ten goede zou komen, was terecht. Toen de draden eenmaal onder water stonden, hadden we alleen nog maar gezoem op het toestel. Opmerkelijk genoeg deed onze computerverbinding het nog wel.
Toen het water eenmaal was gezakt, werd het spekgladde slib dat de Donau in de straat had achtergelaten in razend tempo weggeboend. Er kwam ook een ploeg van pakweg vier mensen om het hek rond het park van slib te ontdoen. Op zondag, nog wel. Maar het gat in de stoep bleef onaangeroerd. Nou, niet helemaal: op zeker moment plaatste iemand een verboden-in-te-rijden bord bij. Een nuttig advies, zeker.
Nu misten we die telefoon niet zo, want we gebruiken hem zelden, in deze tijden van Skype en mobiel. Maar gisteren besloot ik de firma Invitel toch eens te bellen. Maar goed ook, want ze wisten van niets. Vanochtend stond er promt een mannetje voor de deur. Er zit een putdeksel over het gat, en we hebben weer telefoon.
Het is de tweede keer binnen vier weken dat ik Invitel nodig had. Onlangs was ons computermodem kapot. En ook daar: binnen 24 uur hadden we een nieuwe. Gratis, en met een router erbij. Over de firma Invitel dus niets dan goeds. Ik herinner me dat uit het verleden, van de voorloper van Invitel, het Hongaarse staatstelefoonbedrijf Matav, wel anders.
Met de Matav hadden we twintig jaar geleden regelmatig van doen. We woonden toen in Boedapest, en deelden onze lijn met iemand anders, zoals trouwens vrijwel iedereen die op dat moment in Hongarije het geluk had überhaupt een telefoon te bezitten. Want dat was nog de tijd dat je tien jaar kon wachten op een aansluiting en huizen in één klap meer waard werden als er een telefoonlijn was
In ons geval deelden we onze lijn met onze buren. Dat was ongebruikelijk, maar zeer gunstig. Als het echt nodig was, konden we bij hen aankloppen met het verzoek of ze konden ophangen. Als je voor de radio werkt en om één uur in de uitzending móet zijn, is dat wel handig. En door onze badkamermuur konden we horen of de buurvrouw aan het kletsen was. Ook handig.
Met de buurvrouw konden we het gelukkig goed vinden, dus dat veroorzaakte weinig problemen. Met de Matav was onze relatie minstens even frequent, maar minder hartelijk. Minstens een keer in de twee weken lag de telefoon eruit. Dat konden we weer naar de telefooncel in de straat om het probleem te melden. Of naar de volgende telefooncel, als die voor de deur het weer eens niet deed. Ons Hongaars was zeer beperkt, maar de term hibabejelentés (storingsmelding) kwam er vlekkeloos uitrollen.
En dan was het afwachten. Het probleem, wisten we al redelijk snel, zat vrijwel altijd in de telefooncentrale. Die dingen waren antiek en staan inmiddels in het telefoonmuseum op de burcht in Boedapest. Maar de vraag was altijd, hoelang het duurde voor de Matav erkende dat de fout daar lag, en niet ergens bij ons in huis. Soms deed onze telefoon het binnen een uurtje weer, soms gingen er dagen over heen.
Toen in Hongarije ergens in 1993 de eerste 'mobiele telefoons' werden geïntroduceerd, waren we er dan ook als de kippen bij om zo'n toestel aan te schaffen. Mobiel is een relatief begrip voor een apparaat dat het formaat had van een fors telefoonboek en dat een stuk meer woog dan dat en om die reden ook eerder werd verkocht als 'autotelefoon'. Maar atijd bereikbaar zijn en niet meer afhankelijk van de Matav, wat een zegen. Daar hadden we wel een zere schouder voor over.

maandag 7 juni 2010

VOORUITZIEN

Regeren is vooruitzien, zeggen ze. Je hoeft echt geen politiek zwaargewicht te zijn om te bedenken dat als je roept dat jouw land er zo slecht aan toe is dat het het voorbeeld van Griekenland zou kunnen volgen, de effecten van zo'n uitspraak dramatisch zijn. Nadat Lajos Kósa, vice-voorzitter van de regeringspartij Fidesz, vorige week aankondigde dat Hongarije aan de rand van het bankroet stond, tuimelde niet alleen de forint. Ook de euro verzwakte en de internationale beurzen reageerden. In Brussel zullen ze waarschijnlijk heel blij zijn met de nieuwe Hongaarse regering.
En dat, terwijl Kosa's partijgenoot en voormalig minister van financiën Mihály Varga vrijdag moest erkennen dat de vorige regering Hongarije in een redelijk goede financiële staat heeft achtergelaten. Er zijn wel wat problemen: er komt minder belasting binnen dan was begroot, en de schulden van een aantal staatsbedrijven als de spoorwegen, het openbaar vervoer in Boedapest en luchtvaartmaatschappij Malev zijn groter dan verwacht. Maar in principe was de vorige regering op de goede weg.
Varga had van premier Viktor Orbán de opdracht gekregen een rapport te maken over de economische stand van zaken. Twee dagen voor de publicatie had hij het er nog over dat een begrotingstekort van meer dan zeven procent onvermijdelijk was. Nu zei hij dat een begrotingstekort van 3,8 procent haalbaar was. In het weekend tuimelden regeringspolitici over elkaar heen om de effecten van Kósa's uitspraak ongedaan te maken. Tevergeefs. De signalen die deze regering in korte tijd heeft afgegeven, zijn zo tegenstrijdig dat niemand nog weet wat hij moet geloven en Hongarije het krediet op de financiële markten, dat de regering Bajnai in tien maanden had weten op te bouwen, weer geheel heeft verspeeld.
Da's een duur geintje, want dat betekent niet alleen dat de EU en het IMF strenger naar 's lands financiën zullen kijken, maar het heeft ook de nodige gevolgen voor de gewone burger. Wie, zoals veel Hongaren, met een hypotheek in buitenlandse valuta zit, zal voor zijn aflossing heel wat meer forinten op tafel moeten leggen dankzij meneer Kósa's uitspraken. En als de internationale financiële markten Hongarije wantrouwen, wordt het ook moeilijker om voor de regering om geld te lenen. En zonder geleend geld kun je een begrotingstekort niet eens financieren. De consequentie kan wel eens zijn dat de regering straks nog minder geld heeft om uit te geven dan het plan was. Of dat Hongarije echt failliet gaat.
Als er al een plan was. Uitspraken als die van Kósa (en eerder die van Varga zelf) geven het gevoel dat Fidesz nog steeds niet door heeft dat de verkiezingscampagne afgelopen is en dat het nu tijd is om serieus aan de slag te gaan. Of dat uitspraken die je als oppositie makkelijk kunt doen, hard worden afgestraft als je ze als regeringspartij doet. Op oppositiepropaganda let de buitenwereld niet. Maar op regeringsuitspraken wel.
De partij was tijdens de campagne muisstil over wat haar regeringsplannen. Maar na twintig jaar parlementaire ervaring én vier jaar regeringservaring had ik toch de hoop dat Fidesz binnenskamers een  professioneel regeringsbeleid aan het voorbereiden was. Inmiddels betwijfel ik dat. De introductie van het dubbele staatsburgerschap luttele weken voor de Slowaakse verkiezingen, alsof Orbán totaal vergeten is wat voor commotie de introductie van een Hongaarse identiteitskaart tien jaar geleden veroorzaakte, en vervolgens de uitspraken van Kósa en andere Fidesz-politici over de economie doen het ergste vrezen.
En tegengas van ambtenaren zullen de ministers niet krijgen. Naar goed gebruik zijn alle topambtenaren van de vorige regering ontslagen, om vervangen te worden door Fidesz-mensen. Niet alleen zitten op al die topfuncties nu dus onervaren mensen, het gaat ook nog eens om partijgetrouwen. Dat is niet ongebruikelijk, in Frankrijk, Italië en Amerika gebeurt hetzelfde. Maar bevorderlijk voor een uitgewogen politiek denkproces is het niet.

zaterdag 5 juni 2010

PLANTJES

Voor onze deur is de Donau overstroomd. Het water staat nog in het park aan de andere kant van de straat, maar het komt zeker hoger. De Donau kabbelt straks door onze voortuin. Eindelijk een zwembad aan huis. En wat voor één. Gelukkig wijst alles erop dat het niet verder dan de voortuin zal komen, als het tenminste niet weer gaat regenen. Maar de weersverwachtingen zijn goed, dus ik blijf optimistisch.
Niemand kan zeggen dat deze overstroming als een verrassing kwam. Hongarije, en heel Centraal-Europa, hadden de afgelopen paar weken ongehoord slecht weer. Het regende letterlijk dagen achtereen. Elders traden de rivieren al veel eerder buiten hun oevers. In Polen, Tsjechië en Oost-Hongarije zijn ze al tijden met zandzakken in de weer. De Donau wist heel wat water te verwerken, maar de afgelopen week zag je het water in razend tempo stijgen.
Wie schetst dus mijn verbazing toen afgelopen donderdag een groep ijverige tuiniers het park introk, met grote kratten plantjes. Bij de ingang zijn een paar bloembedden die altijd liefdevol worden onderhouden. In het vroege voorjaar staan er bolletjes, en viooltjes, en iedere paar maanden gaat er iets anders de grond in. Blijkbaar stond afgelopen donderdag op de kalender voor een nieuwe plantronde. Overstroming of geen overstroming, de plantjes gingen dus de grond in. Ik mag hopen dat canna's en rode basilicum het als waterplant ook goed doen, want op de foto piepen ze nog boven het water uit, maar gezien de verwachtingen komen ze uiteindelijk helemaal onder te staan.
Opdracht is opdracht, en daar heb je je aan te houden. Het kost buitenlandse ondernemers vaak enorme  moeite om Hongaarse werknemers duidelijk te maken dat ze liever hebben dat die zelf denken dan blindelings opdrachten uit te voeren, zelfs als dat misschien een keertje tot fouten leidt. Mensen hebben geleerd gewoon uit te voeren wat hen wordt opgedragen, zelfs al weten ze donders goed dat het onzin is.
Hongaren zijn echt niet stommer dan Nederlanders, en als ze eenmaal begrijpen dat een baas echt geïnteresseerd is in hun eigen visie, komen ze daar graag mee naar voren en zijn ze heel erg creatief. Maar ze maken van jongs af de ervaring dat eigen initiatief niet wordt beloond. Dat begint op op school, waar leraren niet zitten te wachten op kritische leerlingen. Als je doet wat je gezegd is en het gaat fout, kun jij tenminste de baas de schuld geven, en niet hij jou, met alle gevolgen van dien.
Een vriend van ons, een Nederlander, had ooit een klusje om Van Nelle shag bekend te maken aan een Hongaars publiek. Met een groepje mensen gingen ze een lijstje cafés af en in het café staken ze een sjekkie op. De bedoeling was dan dat andere gasten geïnteresseerd raakten.Op zeker moment kwamen ze in een café waar helemaal niemand zat. Onze vriend, als echte Nederlander, stelde voor om dan maar naar het volgende café te gaan en later terug te komen, in de hoop dat er dan wel publiek zou zijn.
De anderen aarzelden even, maar zagen de logica van het voorstel in. Ze staken er in het volgende café van hun lijstje net weer een peuk op toen de deur openging en hun groepsleidster binnenkwam. Woedend. Hoe ze het in hun hoofd haalden van het opgedragen schema af te wijken! Een uitleg mocht niet baten, opdracht was opdracht. Zo leer je het als werknemer wel af om eigen initiatief te tonen. Dus rol je de volgende keer een sjekkie in een leeg café. Of zet je plantjes in de grond terwijl het water al haast om je enkels klotst.

vrijdag 4 juni 2010

TRIANON

Aan de oever van de Donau staan zo’n 200 mensen rond een dikke vierkante zuil met een vlaggenstok erop. Een meisje draagt droeve gedichten over het Hongaars noodlot voor. Dan stappen vier mannen in huzarenpakken naar voren. Plechtig dragen ze een blad met 64 minuscule aardewerken plantenpotjes, gevuld met aarde, afkomstig van alle provincies die Hongarije na de Eerste Wereldoorlog kwijtraakte. Onder toeziend oog van de burgemeester, de bisschop en de dominee worden de potjes in het monument bijgezet. Vooral oudere vrouwen laten openlijk hun tranen vloeien.
Vandaag precies negentig jaar geleden raakte Hongarije, een van de verliezers van de Eerste Wereldoorlog, bij de vredesbesprekingen in Versailles pakweg tweederde van zijn grondgebied kwijt. De geallieerden schonken ruim tweederde van het Hongaarse grondgebied aan de nieuwe staten Tsjecho-Slowakije, Roemenië en Joegoslavië.
In tegenstelling tot de afspraken werden ook gebieden met een zuiver Hongaarse bevolking door de buurlanden ingelijfd. Ruim 3 miljoen Hongaren verloren hun vaderland door Trianon, zoals het verdrag in de volksmond heet naar het paleis waar het werd ondertekend. De vorige week aangetreden conservatieve Hongaarse regering heeft voor vandaag een ‘dag van nationale samenhorigheid’ afgekondigd. Ook is er geld vrijgemaakt voor de vestiging van een Trianonmuseum in Boedapest.
Het mag negentig jaar geleden zijn, maar Trianon is nog steeds springlevend in de Hongaarse belevingswereld. Of weer springlevend. Handelaars in bumperstickers van Groot-Hongarije doen goede zaken en het Donaustadje Vác is slechts een van de plaatsen waar in de afgelopen jaren het vooroorlogse Trianonmonument weer in ere werd hersteld. Een constante toestroom van Hongaarse migranten uit de buurlanden draagt ertoe bij dat de banden met de minderheden in het buitenland sterk blijven. “Trianon doet iedere echte Hongaar pijn. Ze hebben ons huis gestolen” zegt winkelierster Anna Uhlar.
Voor de Tweede Wereldoorlog beheerste Trianon de Hongaarse politiek. De schooldag begon met het Hongaarse credo: “Ik geloof in de wederopstanding van Hongarije”. Hongarije koos de kant van Hitler in de hoop met zijn hulp de verloren landen terug te krijgen.
Tijdens het communisme was het onderwerp taboe. János Széky, hoofdredacteur van het liberale opinieweekblad Élet és Irodalom (Leven en Literatuur), kon als jongetje in de jaren zestig eindeloos bladeren in een oude wereldatlas met kaarten van ‘Hongarije’ en ‘Verminkt Hongarije’. “Ik tekende hele strategische aanvalsplannen in de atlas om verloren steden terug te veroveren.” Maar op school werd het onderwerp doodgezwegen.
Links Hongarije heeft het er nog steeds moeilijk mee, aldus Széky tijdens een debat over het verdrag. De meeste linkse intellectuelen zien Trianon als een trauma van rechts. Maar dat vindt hij onterecht. “Links is evenzeer de gevangene van het verdrag als rechts, in die zin dat men er gewoon niet over durft te praten. Maar Trianon een historische onrechtvaardigheid waar je niet om heen kunt, zelfs al is er geen uitzicht op een oplossing.”
Dat er geen oplossing is is iets waar rechts Hongarije niet aan wil. Hoe rechtser, hoe extremer de oplossingen. Een van de eerste maatregelen van de nieuwe regering was de invoering van een dubbel staatsburgerschap voor Hongaren in de buurlanden, wat tot furieuze reacties van de Slowaakse regering leidde. Maar premier Orbán heeft in het verleden ook herhaaldelijk benadrukt dat de open EU-grenzen in zekere zin het antwoord op Trianon zijn, omdat het onderlinge contact daardoor veel makkelijker wordt.
Radicalen vinden dat ronduit slap. Zij willen minstens autonomie voor de Hongaarse minderheden in de buurlanden, en eigenlijk zelfs totale revisie van het verdrag. “We laten Trianon neerstorten en heroveren de vlag,” zingt de extremistische muziekgroep Romantisch Geweld. En de fans gaan uit hun dak.

vrijdag 28 mei 2010

STAATSBURGERSCHAP 2

Sinds begin deze week lonkt mij het Hongaarse staatsburgerschap. De wet op het dubbele staatsburgerschap die het parlement afgelopen maandag aannam en waar buurland Slowakije razend over is, is  namelijk zo ruimhartig dat ik er ook gebruik van kan maken. Volgens de nieuwe wet, die op 20 augustus van kracht moet worden, moet je met enige redelijkheid kunnen aantonen dat je een voorouder had die Hongaars staatsburger was. Verder moet je over enige kennis van de Hongaarse taal beschikken, geen strafblad hebben en de openbare veiligheid van Hongarije niet bedreigen.
Mijn overgrootmoeder kwam uit Varazdin, een stadje dat nu in Kroatië ligt, maar destijds deel uitmaakte van het Hongaarse deel van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Ze was dus een staatsburger van het Hongaarse koninkrijk. Ze sprak zelfs Hongaars, al was Duits in de familie de belangrijkste taal en kende ze ook Kroatisch. In Varazdin sprak iedereen in die tijd meerdere talen.
Daarmee is aan de hoofdvoorwaarde voldaan: ik heb een voorouder die Hongaars staatsburger was. Verder heb ik, op een enkele verkeersboete na, nog nooit enige aanvaring gehad met de autoriteiten, spreek ik redelijk, zij het helaas bepaald geen vloeiend Hongaars en ben ik mijns inziens geen gevaar voor de openbare veiligheid. Kortom, niets dat me let behalve de Nederlandse overheid die niet staat te juichen over Nederlanders die vrijwillig een andere nationaliteit aannemen. En om er mijn Nederlanderschap voor op te offeren, gaat me voorlopig wat te ver.
Toch roept die ruime definiëring vragen op. Hoe staat het eigenlijk met die 15 miljoen Hongaren waar altijd sprake van is? Tien miljoen (net tien miljoen, de verwachting is dat de bevolking deze zomer onder die grens zakt) wonen in Hongarije zelf. In de buurlanden leven er iets van 2,2 tot 2,5 miljoen. Dan mis ik er toch zo'n 2,5 miljoen.
Er zijn de afgelopen anderhalve eeuw nogal wat mensen geëmigreerd. Om verschillende redenen. De weinig rooskleurige levensomstandigheden van veel pachters op het platteland en de armoede van veel stedelingen waren in de negentiende eeuw een reden om het ruime sop naar Amerika te kiezen.
In de jaren twintig speelde politiek een grote rol: als je niet voor Horthy was, dan was je tegen hem en dat werd je niet in dank afgenomen. Als je joods was, was het in die jaren ook niet zo prettig toeven, dus dat was ook een goede reden om weg te gaan. Voor veel emigranten was dat een hard gelag, een man als Béla Bartok kwijnde letterlijk weg in Amerika, maar het is een goede vraag in hoeverre nakomelingen zichzelf nog echt Hongaars voelen. In Amerika zoekt iedereen zijn roots, maar als je roots half Hongaars, half iets anders zijn, ligt dat ingewikkeld. Een half Hongaars paspoort?
Na de Tweede Wereldoorlog vluchtten veel mensen voor het communisme, en nadat de Russen in 1956 de opstand hadden neergeslagen, volgde er een nieuwe golf vluchtelingen. Een deel van die mensen leeft nog, en zal zich inderdaad Hongaars voelen. Maar hoeveel generaties kun je doortellen? Is de Franse president Sarkozy een Hongaar, omdat zijn vader Hongaar was? Of is hij een Griek (zijn moeder was Grieks, per slot van rekening). Of is hij een Fransman? Toen hij gekozen werd, waren de Hongaarse media er zo trots op alsof er een rasechte Hongaar eerste man van Frankrijk was geworden. Voor zover ik weet, denkt Sarkozy zelf daar anders over.
En ik, zou ik meetellen bij die vijftien miljoen Hongaren, alleen omdat mijn overgrootmoeder uit een voormalig Hongaars gebied kwam? Ik ben er altijd vanuit gegaan dat dat niet het geval was. Ik voelde me ook niet persoonlijk aangesproken toen ik Viktor Orbán in 1998 hoorde verklaren dat hij premier was van alle vijftien miljoen Hongaren. Maar misschien heb ik me heel erg vergist.

zaterdag 22 mei 2010

EETBAAR SEIZOEN

Net voorbij het park in Vác ligt een wat verwilderd terrein, waar egelantier, vlier, bramen en hop hoog opschieten. Dezer dagen zwerven er allerlei mensen met plastic zakken en een schaar rond: de vlier bloeit, en dus is het tijd om vlierbloesemdrank te maken, een geurige frisdrank die je maakt door een flinke schaal bloemen een dag lang te laten trekken met een paar flinke scheppen suiker en citroensap of citroenzuur. Meer suiker, en de boel laten opkoken levert je vlierbloesemsiroop. Samen met de eerste aardbeien een van de pleziertjes van de vroege zomer.
Voor Nederlanders is natuur iets om naar te kijken en af te blijven, voor Hongaren is het iets om te gebruiken. Dat verklaart waarschijnlijk mede de enorme populariteit van vissen. En de jacht is hier ook nog niet in diskrediet geraakt.
Niemand kijkt er begin mei van op als groepen jongeren in het park massaal de seringen van de struiken plukken. Het is ballagás, het officiële afscheid van de eindexamenkandidaten, en dan moet de school worden versierd. En waarom zou je geld spenderen aan veel te dure bloemen als de natuur ze in diezelfde tijd zo vrijgevig aanbiedt?
Hongaren zijn geen Italianen, die werkelijk ieder wild kruid kennen en eten. Brandnetels worden wel geplukt, maar toch vooral voor de thee. Maar wilde vruchten verzamelen is een nationaal tijdverdrijf. Na de vlierbloesems komen lindebloesems, paddenstoelen, bramen, allerlei soorten bessen, kamille (goed voor alle kwalen) en later natuurlijk noten. Als laatste in het jaar zijn er de rozenbottels van de egelantier om te oogsten, die pas echt lekker worden als de vorst er een keer overheen is geweest.
Voor veel zigeuners is het verzamelen (en verkopen) van dit soort producten van oudsher een belangrijke bron van inkomsten. Op de markt in Vác staan twee keer per week een paar mannen met wilde paddenstoelen, netjes met een keuringsbriefje erbij anders mag je ze niet verkopen. Hongaarse wijngaardslakken vinden (net als ganzenlever) hun weg naar Frankrijk om daar met knoflook en peterselie als Franse wijngaardslakken op tafel te verschijnen.
Zelf maak ik er een sport van om in dit jaargetijde iedere wandeling wel iets te snoepen te vinden. Op dit moment is de keuze nog wat beperkt en saai: jonge hopscheuten hebben best wat, maar zijn gestoofd lekkerder dan rauw. Maar een mens moet toch wat. Gelukkig duurt het niet meer lang, of de bomen in het park zijn vol met kleine kwetsen die verder niemand eet. Daarna komen de bramen, en later de wilde appels, voor een groot deel waarschijnlijk het resultaat van ooit weggegooide klokkenhuizen. Dat is het voordeel als niet alles constant netjes wordt aangeharkt.
Ik dacht altijd dat wilde appels niet eetbaar waren, maar inmiddels weet ik beter: sommige wilde appelbomen zijn lekkerder dan de appels in de winkel. Het is gewoon een kwestie van uitproberen, en als een bepaalde boom een melige hap serveert, sla ik die daarna over. Maar het aanbod is fantastisch. Sommige bomen zou je zo kunnen commercialiseren. Ik ken er één met pingpongbal grote, friszure appeltjes die je zo bij Albert Hein zou kunnen aanbieden als 'kinderappeltjes'. eindelijk een formaat dat de kleintjes helemaal op kunnen eten.
Dankzij de enorme verscheidenheid aan soorten is het wilde appelseizoen heel erg lang. Daarna zijn er alleen nog rozenbottels. En dan de lange winter zonder iets te snoepen....

woensdag 19 mei 2010

STAATSBURGERSCHAP

Een erkenning door het moederland. Zo ziet de gepensioneerde bedrijfsleider Károly Udvardy het plan van de nieuwe Hongaarse regering om Hongaarse minderheden in de buurlanden het Hongaarse staatsburgerschap aan te bieden. In het Slowaakse Stúrovo, of Párkány, zoals de Hongaren het stadje noemen, maken Hongaren tweederde van de bevolking uit. Velen delen Udvardy’s visie. Slechts een enkeling voorziet dat een dubbele nationaliteit het leven alleen maar moeilijker maakt.
Afgelopen maandag loste Hongarije's nieuwe regeringspartij Fidesz een verkiezingsbelofte in met het indienen van een wetsontwerp dat de pakweg tweeeneenhalf miljoen Hongaren in de buurlanden recht op Hongaars staatsburgerschap geeft. Daarmee wil de partij recht doen aan een in 2004 gehouden referendum, waarin net iets meer dan de helft van de kiezers vóór staatsburgerschap voor Hongaren over de grenzen stemde.
Nog geen derde van de bevolking ging destijds naar de stembus, reden waarom dat referendum niet geldig was, maar Fidesz hecht toch aan de - overigens tamelijk minimale - meerderheid die het opleverde. Aangezien de partij nu een tweederde meerderheid in het parlement heeft, is het vrijwel zeker dat de wet wordt aangenomen.
Vanuit Roemenië, dat de grootste Hongaarse minderheid heeft, blijft het opmerkelijk stil, waarschijnlijk omdat dat land een tijd geleden zelf een dubbel staatsburgerschap voor Roemenen in Moldavië invoerde. Maar Slowakije, net zelf verwikkeld in een verkiezingscampagne, staat op zijn achterste benen.
Premier Robert Fico noemt de Hongaarse wet ,,een gevaar voor de Slowaakse staatsveiligheid'' en heeft overduidelijk gemaakt dat hij een dubbele nationaliteit voor Hongaren niet accepteert. Hij riep zijn ambassadeur uit Boedapest terug en dreigt te zijner tijd mensen met twee paspoorten de Slowaakse nationaliteit af te nemen. Of hij overweegt een verbod op staatsdienst voor Hongaren met een dubbele nationaliteit, aangezien onduidelijk is waar hun loyaliteit ligt.
Als zijn Slowaakse nationaliteit daadwerkelijk in gevaar komt, zou hij afzien van een Hongaars paspoort, zegt Udvardy naar aanleiding van Fico's dreigement. ,,Zo’n levensbelangrijke kwestie is het nou ook weer niet. En dit is mijn huis, de plaats waar ik leef, dat gaat dan toch voor.’’ Aan de andere kant begrijpt hij niet waar de Slowaakse premier zich zo druk over maakt. ,,Wat is nou het probleem met twee staatsburgerschappen? Politici zien altijd wel een reden om campagne te voeren,” zegt hij schouderophalend.
En trouwens, voegt hij eraan toe, als de Hongaren verweten wordt dat ze niet loyaal zijn, moeten de Slowaakse politici de hand in eigen boezem steken. ,,In de grondwet staat dat Slowakije de staat van de Slowaken is. Daarmee zijn wij feitelijk tot tweederangsburgers verklaard.”
Csaba Molnár, werknemer bij een beveiligingsbedrijf, is onverholen tegen het Hongaarse plan. Waanzin noemt hij het. ,,Ik heb geen Hongaars paspoort nodig om me Hongaar te voelen. In mijn omgeving wonen vooral Hongaren, mijn familie spreekt Hongaars, mijn vrienden ook. Dat bepaalt wat je bent, niet zo’n papiertje. Maar dat papiertje veroorzaakt wel een hoop rotzooi. Verzinnen ze in Boedapest dit, dan de Slowaken wel weer dat. Politici doen alles om stemmen te trekken, maar uiteindelijk zitten wij gewone mensen met de brokken, bijvoorbeeld door de nieuwe taalwet die het voor Hongaren in Slowakije moeilijker maakt. Buurlanden moeten niet op zo’n manier met elkaar omgaan, daar komen alleen maar problemen van.’’
Veel mensen willen overigens helemaal niet over de kwestie praten, kopschuw door de harde uitspraken van Fico. ,,Ik wil de gevangenis niet in,’’ roept een van de vrouwen die in het grensdorpje Szalka het Hongaarse dorpsmuseum beheren. Ze zegt het slechts half schertsend, want volgens haar is er de Slowaakse regering, waarin ook de nationalistische, anti-Hongaarse Slovaakse Nationale Partij zitting heeft, weinig goeds te verwachten.
Maar even later zeggen de vrouwen dat ze zeker voor een Hongaars paspoort gaan. Ook als ze hun Slowaakse nationaliteit kwijtraken? Ook dan, ja. Dat Fico een punt heeft met zijn gebrek aan loyaliteit tegenover de Slowaakse staat wordt duidelijk als een van de vrouwen zich uitspreekt voor Groot-Hongarije en de hereniging van alle Hongaarse gebieden. Wat haar betreft ligt het puur Hongaarse Szalka simpelweg in het verkeerde land. De rest knikt instemmend.

zaterdag 8 mei 2010

WINKEL

De schappen van de winkel in het centrum van het dorp zijn opmerkelijk leeg. Meestal is Anna goed bevoorraad, maar het lijkt vandaag wel uitverkoop. Dat blijkt het ook te zijn: ze gaat ermee stoppen. Ze kan de concurrentie niet meer aan en zoekt een huurder die het pand over wil nemen.
Even bereid ik mij voor op een tirade tegen de grootwinkelbedrijven. Per slot van rekening is Anna een openlijke sympathisant van de extreem-rechtse Jobbik, een partij die met de buitenlandse grootwinkelbedrijven weinig opheeft. In de etalage hangt al tijden een verkiezingsaffiche van die partij en haar zoon liep vorig jaar met een t-shirt van de Hongaarse Garde door de zaak.
Voor de klandizie leek me dat toen al niet zo handig. Ik mag haar wel, en weet dat ze haar hart op de goede plek heeft zitten. Ooit zei ze dat ze in Amerika voor Obama zou stemmen, omdat die voor de gewone man opkomt. Maar als ik een van de lokale zigeuners of socialistische kiezers was, zou ik toch naar een andere zaak gaan.
Maar grootwinkelbedrijven blijken niet de boosdoener. De concurrentie, dat zijn de pakweg vier andere kruidenierswinkeltjes die het dorp telt. Anna heeft ooit de oude staatswinkel overgenomen, en ze had lange tijd de enige winkel in het dorp, maar inmiddels is de concurrentie groot. Vijf winkels in een dorp met duizend inwoners, dat vraagt om problemen.
Dat teveel andere winkels zijn, is niet het enige, zegt ze. Zij heeft zich een tijd geleden aangesloten bij de CBA, een landelijke keten van kleinere winkels die deels een gezamenlijk inkoopbeleid voeren en een eigen huismerk hebben. De andere winkels in het dorp zijn veel kleinschaliger: een paar schappen in de schuur naast het huis, een heel beperkt aanbod van het hoogst noodzakelijke, en moeder de vrouw die de zaak naast het huishouden draaiende houdt. Maar als je net verlegen zit om een pak melk, een brood of een paar blikjes bier, heb je geen reden om verder te lopen. Een groot deel van de handel gaat er zwart. Een concurrent handelt volgens haar zelfs in illegaal gestookte alcohol.
Omdat ze de enige grotere winkel is, letten de autoriteiten volgens Anna veel meer op haar zaak dan op die van anderen. Zij doet alles legaal, en heeft de afgelopen jaren veel moeten investeren om aan alle wettelijke regels te voldoen. Net als ieder bedrijf heeft ze een kleedruimte voor 'het personeel', te weten haar schoondochter die officieel in dienst is. In die ruimte staat niet alleen volgens voorschrift een afsluitbare kast, maar er is ook de wettelijk verplichte douche die nooit wordt gebruikt. De schoondochter gaat liever thuis, twee minuten verderop, onder de douche.
Vanwege de strengere gezondheidsvoorschriften van de EU heeft Anna verder een spoelkeuken voor de winkelmandjes moeten installeren, en aparte opslagruimtes voor verse waren en droge waren. Allemaal kopzorgen waar de concurrentie nooit mee lastig gevallen wordt, zegt ze. Twee huizen verderop zit een bloemenhandel. Althans, dat is het officieel. In werkelijkheid verkoopt de winkel naast bloemen ook groenten en kruidenierswaren. ,,Maar omdat ze als bloemenhandel ingeschreven staan, krijgen ze de gezondheidsinspectie nooit langs".
Voor zichzelf vindt Anna het allemaal niet zo erg. Ze is al lang gepensioneerd, de lange dagen vallen haar zwaar en ze droomt ervan om bij haar huis dieren te gaan houden, kippen, ganzen, kalkoenen, mangalicavarkens, geiten, voor de verkoop, als bijverdienste. Ook nu heeft ze al allerlei beesten om haar huis scharrelen en haar groentetuin zorgt ervoor dat haar bord niet leeg zal blijven. Maar voor haar schoondochter vindt ze het sneu. Want waar moet die in deze tijd een nieuwe baan vinden?

woensdag 5 mei 2010

DE RECHTSE REVOLTE

Rechts-extremisme is trendy onder Hongaarse jongeren. Niet alleen skinheads en voetbalsupporters, maar ook veel studenten en jonge intellectuelen zijn enthousiaste aanhangers. Het keerpunt was een golf van antiregeringsrellen in de herfst van 2006. ,,Voor veel studenten hadden die weken dezelfde betekenis als de linkse studentenrellen in 1968 in Parijs voor de studenten in West Europa,” zegt politiek analist Mark Szabó. ,,Zij zagen het als het begin van een revolutie die nu nog afgemaakt moet worden.’’
,,Wij willen toch niet dat buitenlanders en Joden alles in handen krijgen? Wij laten toch niet toe dat we een tweede Palestina worden? De Amerikanen willen de hele wereld overheersen, ons ook. Als Jobbik aan de macht komt, is het gedaan met de macht van de multinationals in ons land. En reken maar dat die er ook voor zorgt dat de buitenlandse TV zenders RTL en TV2 dichtgaan. En nog een paar andere tv-stations ook. En dan zetten we deze corrupte regering achter slot en grendel.” Zsolt, gekleed in soldatenlaarzen, camouflagebroek en met een vlaggetje met Groot-Hongarije op zijn mouw, is niet te stuiten. Zijn gespreksgenoot krijgt er geen woord tussen terwijl de twintigjarige hogeschoolstudent als een volleerd partijpropagandist reclame maakt voor zijn partij, de extreemrechtse Jobbik.
Jobbik, wat in het Hongaars zowel de Rechtsen als de Beteren betekent, leek drie jaar geleden nog een onbetekenend randverschijnsel in de Hongaarse politiek, één van een handvol extremistische splintergroeperingen. Maar de partij is bezig aan een stormachtige opmars. Vorig jaar juni veroverde de Eurosceptische partij met de slogan ‘Hongarije voor de Hongaren’ opeens met bijna 15 procent van de stemmen drie zetels in het Europese Parlement. Bij de parlementsverkiezingen in april eindigde Jobbik met twaalf procent van de zetels in het parlement als derde, net achter de zwaar verslagen socialisten.

maandag 26 april 2010

GOUDSCHAT

Niemand weet precies hoeveel Aziatische kunstvoorwerpen István Zelnik heeft, hijzelf ook niet. Hij is een gepassioneerde verzamelaar, maar bijhouden waar alles vandaan komt heeft hij nooit gedaan. Het is hoogste tijd, vindt hijzelf, reden waarom Zelnik een eigen museum wil oprichten en daarnaast een Azië-afdeling gaat financieren aan de ELTE-universiteit in Boedapest. Studenten die zich daar inschrijven, kunnen de komende decennia aan de slag met het onderzoeken van zijn collectie.
Onderdeel van die verzameling is een unieke collectie van 24 gouden maskers, die momenteel te zien zijn in het etnografisch museum in Budapest. Zoals bij een groot aantal van Zelnik's stukken is de herkomst en de datering van de stukken lang niet altijd duidelijk, maar dat is niet nodig om te beseffen dat het om een indrukwekkende goudschat gaat. Het is de grootste collectie van dit soort maskers ter wereld. Ter vergelijking: het Brits Museum heeft er ook een paar. Drie, om wel te verstaan.
De meest opmerkelijke maskers zijn twee pakweg vijftig centimeter grote gouden schorpioenen, met op hun rug het gezicht van een man en een vrouw gegraveerd. De herkomstplaats van de rijk versierde stukken is waarschijnlijk een hoogvlakte in Vietnam, de enige plek waar de betreffende schorpioenensoort daadwerkelijk voorkomt. Dat maakt de maskers nog opmerkelijker, want op de hoogvlakte komt nauwelijks goud voor, en niemand weet wat de betekenis van deze kostbare stukken is.
Midden jaren zeventig was Zelnik een jonge Hongaarse diplomaat, kersvers van de diplomatieke opleiding in Moskou, waar hij zich had gespecialiseerd in Zuid-Oost-Azië. Hij behoorde tot een nieuwe generatie diplomaten, opgegroeid in een goed-communistische familie, maar zonder de last van een Stalinistisch verleden.
Zijn liefde voor Azië dankte hij aan een buurman uit zijn jeugd, een Hongaarse oriëntalist die hem als jongen uitnodigde voor Japanse theeceremoniën.
Eenmaal in Moskou bleek er alleen plek te zijn aan de Vietnamese opleiding, en in 1975 arriveerde hij in Hanoi, precies aan het einde van de Vietnamoorlog. De hele Zuid-Vietnamese elite was op de vlucht, en deed haar kunstschatten voor een prikkie van de hand.
Toen Zelnik later, begin jaren negentig, als consulent in Brussel werkt, wist hij zijn collectie aan te vullen met tal van stukken die de nakomelingen van Belgische, Nederlandse en Franse koloniale ambtenaren op de markt brachten. Het waren vaak de kleinkinderen die van al die koloniale 'rommel' afwilden in een tijd dat Aziatische kunst nog niet erg gewild was. De vlooienmarkt was destijds een prima plek om te grasduinen.
Niet alle stukken komen waarschijnlijk uit privécollecties. Een collega van Zelnik die kort na hem in Vietnam kwam, betaalde rond dezelfde tijd geld aan Vietnamese museumsuppoosten om te voorkomen dat die delen van de collecties kapotmaakten of verscharrelden en zonder enige twijfel zijn op die manier museumstukken in Zelnik's verzameling terecht gekomen. Hij realiseert zich dat ook, en heeft al gezegd dat hij alle stukken waarvan aangetoond kan worden dat ze uit een museum stammen, terug zal geven aan Vietnam.
Maar daarvoor moeten ze eerst geïnventariseerd worden, en dat is een heidense klus. Zijn collectie beperkt zich al lang niet meer tot Zuid-Oost-Azië, maar bevat inmiddels ook stukken uit China en andere delen van Azië. Naast een collectie gouden voorwerpen van de Vietnamese Cham heeft hij ook een grote collectie Chinees porselein, afkomstig uit scheepswrakken die voor de Vietnamese kust werden gevonden.
Terwijl de leeftijd en herkomst van het porcelein duidelijk is, zijn er veel stukken in de collectie waarover niets bekend is. Om alles in kaart te brengen, werkt hij inmiddels samen met de Universiteit van Singapore, het Vietnamese Archeologisch Instituut, het Vietnamese Historische Museum en Azië-instituten in Londen.
Waar inmiddels wel een schatting van bestaat, is de waarde van zijn collectie. Pakweg 100 tot 150 stukken zijn zo uniek, dat de waarde niet te bepalen is. De waarde van de rest wordt op ruim 1,1 miljard euro becijferd. Niet slecht voor een Hongaarse diplomaat wiens eerste 'Aziatische stuk' een versierde klerenhanger was die hij als jongen kocht.

maandag 19 april 2010

OPEN DOEL

Gábor Vona, de voorzitter van Jobbik, is geboren en opgegroeid Gyöngyös, een klein stadje aan de voet van het Matragebergte. Hij schijnt als jongen geen diepe indruk op zijn stadsgenoten gemaakt te hebben, maar bij de verkiezingen heeft hij desondanks zijn geboorteplaats uitgekozen als district waar hij verkiesbaar is voor zijn partij, klaarblijkelijk niet helemaal tot genoegen van lokale Jobbik-vertegenwoordigers, die daardoor een kans misliepen.
Tijdens de eerste ronde van de verkiezingen eindigde Vona met 26 procent van de stemmen op de derde plaats, ruim twee procent achter de socialisten en ruim 13 procent achter de Fidesz-kandidaat. De kans om in Gyöngyös een directe zetel te winnen, leek dan ook gering. Op zich maakt dat niet zoveel uit, want hij komt toch wel in het parlement, maar op persoonlijke titel gekozen te worden streelt natuurlijk de ijdelheid. Zeker als je partijvoorzitter bent, staat het wel goed, want het geeft toch aan hoe populair je bij het electoraat bent.
Maar wie weet, krijgt Vona alsnog zijn zin. Dit weekend deed de politie in Gyöngyös een inval bij een Fidesz-gemeenteraadslid. De man werd verdacht van heling, nadat eerder twee inbrekers hadden bekend dat ze hun gestolen waar naar hem doorsluisden. In zijn kelder bleek voor enkele duizenden euro's aan gestolen spullen te staan.
De man is niet alleen gemeenteraadslid, maar ook voorzitter van de Samen voor Gyöngyös Roma-Hongaarse Vereniging. En inderdaad, zelf is hij ook zigeuner. Vorig jaar heeft hij als voorzitter van de vereniging nog een prijs uitgereikt aan een medewerkster van de Amerikaanse ambassade voor haar inzet voor Roma-integratie. Bij die gelegenheid benadrukte hij het belang van de individuele opstelling van mensen en individuele acties "die een belangrijk verschil kunnen uitmaken in het vreedzame naast elkaar bestaan van Roma en niet-Roma".
Hoe waar. Je zou haast denken dat Vona het zelf in elkaar gezet heeft, zo mooi komt het uit: een Fidesz-politicus, een zigeuner, die wordt gearresteerd wegens heling precies in het kiesdistrict waar de Jobbik-voorzitter kandidaat staat. Je hoeft geen campagnemanager van Jobbik te zijn om te bedenken waar Vona's campagne in Gyöngyös om zal draaien.
Het vinden van goede Roma-vertegenwoordigers is voor politieke partijen niet simpel. Daarbij wreekt zich het gebrek aan een intellectuele bovenlaag. Zeker in de provincie moet je het op lokaal niveau doen met de mensen die er zijn. En Zsolt L. leek helemaal niet zo'n gekke keuze. Gezien de dankbetuigingen op zijn website heeft hij heel wat mensen uit de problemen geholpen.
Maar een politieke carrière trekt in Hongarije wel vaker mensen die het niet uit idealisme doen. Of in ieder geval niet uitsluitend uit idealisme. De Jobbik-leider in Bicske werd door de politie gearresteerd omdat hij in de illegale wapenhandel zou zitten. En in Gyöngyös schijnen mensen het niet zo leuk te vinden dat een Jobbik-man de lokale speelautomaten in handen heeft. Dat is weliswaar geen inbreken, maar een vorm van diefstal is het net zo goed.

donderdag 15 april 2010

ANDERE POLITIEK

In alle commotie over het feit dat de extreem-rechtse Jobbik met ruim zestien procent het Hongaarse parlement is binnengestapt, zou je haast vergeten dat ook een andere partij vanuit het niets meer dan zeven procent wist te halen: Lehet Más a Politika (LMP), oftewel Een andere Politiek is Mogelijk. De LMP heeft het aanzienlijk beter gedaan dan opiniepeilers hadden voorzien, de peilingen vooraf hielden het er lange tijd op dat ze 'misschien' de kiesdrempel van vijf procent zouden halen.
Hun succes verbaasde mij niet echt, want voor veel aanhangers van de liberale, inmiddels min of meer ter ziele gegane SzDSz was de LMP eigenlijk het enige denkbare alternatief, al ben ik ook wel mensen tegengekomen die uiteindelijk, zeer tegen hun zin, op de socialisten zijn gaan stemmen. Toch is de LMP bepaald geen liberale partij. Ze komt voort uit de milieubeweging en concentreert zich in de eerste plaats op groene onderwerpen.
Wat de partij met de SzDSz gemeen heeft, is respect voor mensenrechten, en LMP is dan ook de enige partij die zich sterk maakt voor vrouwenrechten en voor de positie van Roma. Gelijktijdig constateert de LMP overigens, geheel terecht, dat er zeer serieuze problemen zijn waar niet alleen de Roma onder te lijden hebben en het niet opgaat om het land simpelweg te verdelen in zielige Roma en racistische Hongaren.
Maar op andere vlakken lijkt de partij helemaal niet op de SzDSz. Economisch staat de LMP bepaald geen liberaal beleid voor. Van multinationals moeten ze, net als Jobbik en Fidesz, niet zoveel hebben. Economisch richten ze hun hoop eerder op de ontwikkeling van een groene, kleinschalige Hongaarse landbouw. Een politiek analist noemde hen deze week 'een hippiepartij' en af en toe roepen ze inderdaad een beetje de sfeer van de Nederlandse Kabouterbeweging uit de jaren zeventig op. Een partijstructuur hebben ze niet, alle besluiten worden 'gezamenlijk' genomen.
Hoewel de LMP de kleinste fractie is, kan de partij in het parlement straks een interessante rol gaan spelen. De partij is nieuw, onbesproken, en bestaat hoofdzakelijk uit jonge intellectuelen die er alleen al vanwege hun leeftijd al niet van verdacht kunnen worden dat ze ooit ook maar iets te maken hebben gehad met de communistische partij of een van diens mantelorganisaties.
Ze hebben geen rol gespeeld in de politieke debatten van de afgelopen jaren en er is dus weinig oud zeer tussen hen en anderen. Ze zijn in principe bereid tot samenwerking met andere partijen. Met haar te verwachten tweederde meerderheid in het parlement heeft de toekomstige regeringspartij Fidesz weliswaar niet heel veel reden om straks naar de LMP te luisteren, net zomin als Fidesz naar andere partijen hoeft te luisteren. Maar ze heeft ook weinig reden om niet naar hen te luisteren. Een LMP-voorstel zou daarom nog wel eens een gewillig oor kunnen vinden.
Te hopen is alleen dat de LMP haar eigen succes kan dragen. Op dit moment is het eerder een goedwillende vriendenclub dan een echte partij. Besluiten gezamenlijk nemen is leuk zolang je klein bent, elkaar allemaal graag mag en weinig te doen hebt met de grote, boze buitenwereld. Maar bij grotere organisaties betekent het of dat er geen besluiten worden genomen, of dat ze wel worden genomen, maar niemand nog weet wie er precies achter zit. En als je in een parlement iets voor elkaar wilt krijgen, zul je enige slagvaardigheid moeten tonen.
Voorlopig is het dus afwachten wat er uiteindelijk uitkomt. Maar een nieuw geluid is de LMP in ieder geval zeer zeker. En dat is zeker verfrissend in het Hongaarse politieke klimaat.

maandag 5 april 2010

VERKIEZINGEN

Het is geen vraag wie er wint bij de Hongaarse verkiezingen komende zondag. Dat is de huidige conservatieve oppositiepartij Fidesz. De vraag is hooguit, hoeveel met zetels. Opiniepeilingen voorspellen al jaren een absolute meerderheid voor de partij. Fidesz zelf hoopt op tweederde van alle zetels. Zoveel zijn er nodig om de grondwet, en een aantal andere belangrijke wetten, aan te passen. Het makkelijkste is natuurlijk als je eigen fractie zo groot is dat je met niemand hoeft te onderhandelen.
Dat verklaart misschien waarom de partij zich ondanks haar zekere overwinning opmerkelijk kinderachtig opstelde bij het inzamelen van handtekeningen ter ondersteuning van de kandidaten. Het Hongaarse verkiezingsstelsel is buitengewoon gecompliceerd. Om het mee te kunnen doen, en om het goed te doen, moet een partij in ieder kiesdistrict kandidaten hebben. Als dat niet lukt, is de kans om de kiesdrempel van vijf procent te halen en daadwerkelijk in het parlement te komen, een stuk kleiner. Iedere kandidatuur moet ondersteund worden door 700 handtekeningen van kiezers uit het betreffende kiesdistrict.
Die regels leken ooit zo mooi bedacht. De kiesdrempel was bedoeld om extreme versplintering van het parlement te voorkomen. Als je dat niet doet, zoals in Nederland, eindig je af en toe met eenmansfracties van Boer Koekoek in de Tweede Kamer. Als je, zoals Hongarije, 386 zetels te verdelen hebt, is de kans op versplintering zonder kiesdrempel natuurlijk nog veel groter.
Zevenhonderd handtekeningen per kandidaat lijkt ook geen onoverkoombaar obstakel voor een serieuze partij, en schrikt voldoende af om te voorkomen dat onzinpartijen zoals de Bierpartij (ooit kandidaat in Tsjechië) of de Partij voor de Planten (klaarblijkelijk een gegadigde bij de Nederlandse verkiezingen en géén één-arpil-grap) zich opwerpen.
Wat niemand had voorzien, is dat je het systeem ook kunt misbruiken. Iedere kiezer mag maar één keer tekenen. Een grote partij heeft die zevenhonderd handtekeningen inderdaad zo bij elkaar. Maar kleine partijen lopen zich een ongeluk en, zoals hun activisten de afgelopen maanden in weer en wind ondervonden, vaak voor niets: in veel gevallen bleek iemand hen voor te zijn geweest. Met name Fidesz heeft veel meer handtekeningen opgehaald dan nodig, bewust, om te verhinderen dat anderen die kregen.
Utieindelijk kon dat niet voorkomen dat de socialisten overal in het land kandidaten op wisten te stellen, net overigens als de extreem-rechtse Jobbik. Met veel moeite is het ook een nieuwkomer in de Hongaarse politiek, de ’Andere Politiek is Mogelijk’ (LMP) gelukt om overal kandidaten op te stellen.
Maar de kans is groot dat een oudgediende, de centrum-rechtse Hongaarse Democratische Partij (MDF) het parlement niet haalt, omdat het de partij te weinig handtekeningen binnen wist te halen. Even dreigde het MDF zelfs in Boedapest niet in alle districten kandidaten te hebben, omdat de andere partijen in de kiescommissie meenden dat een deel van de handtekeningenlijsten niet klopten. In hoger beroep werd beslist dat die lijsten toch goed waren.
Een beetje kinderachtig, maar het maakt wel duidelijk waar het in deze verkiezingen eigenlijk alleen nog maar om gaat: om de stemmen in het midden. De socialisten, het MDF en LMP lonken allemaal naar de kiezers in het midden met een waarschuwing tegen de absolute macht die Fidesz dreigt te krijgen. Fidesz op zijn beurt werpt zich op als de enige kracht die Hongarije economisch en sociaal weer op het goede spoor kan krijgen en daarmee het rechts-extremisme kan indammen.
Fidesz is altijd goed in geweest in het vernieuwen van het imago. Ooit begonnen als links-liberaal schoof de partij in 1998 op naar rechts van het centrum omdat daar de grootste kansen lagen. Jaren heeft Viktor Orbán geprobeerd om dé partij voor zowel gematigd als extreem-rechts te worden, waarbij hij nationalistische retoriek niet schuwde om de extremistische kiezer te lokken. Maar met de opkomst van de Jobbik lijkt die strijd verloren. Jobbik-leider Gábor Vona was ooit Orbán’s politieke ontdekking, maar heeft zich al lang aan diens invloed ontworsteld. Zoals Vona recent in een open brief aan Orbán schreef: wij zijn geen vliegen die u met een klap op uw wang kunt verjagen.
Van een potentiële bondgenoot is Jobbik, gesteund door zijn paramilitaire Hongaarse Garde, veranderd in een geduchte concurrent. Bij de Europese parlementsverkiezingen haalde de partij vorig jaar 15 procent van de stemmen. Nu kan Jobbik wel eens de tweede kracht in het parlement worden. En niemand verwacht dat parlementslidmaatschap een matigende invloed zal hebben. ,,Jobbik is extremistisch, gewelddadig en gevaarlijk voor Hongarije, ’’ aldus Orbán’s rechterhand Péter Szíjjárto onlangs op een bijeenkomst voor buitenlandse journalisten.
En dus is het ditmaal vooral het politieke midden waar Fidesz zijn basis probeert te versterken. Datzelfde politieke midden waar de anderen het van moeten hebben. Vandaar dat de strijd toch nog venijniger is dan je zou verwachten met zo’n zekere overwinning op zak.

vrijdag 26 maart 2010

TE WATER

Er is er inmiddels ook één in Rotterdam, en in Engeland schijnen er ook een paar rond te rijden, maar Boedapest was vorige herfst de eerste stad op het Europese continent waar je met een amfibiebus het water in kon. De tocht duurt twee uur en voert eerst (over straat) langs de belangrijkste bezienswaardigheden van Pest, om vervolgens de Donau in te rijden. De duik het water in met de bus is een grappige ervaring, hoewel het haast nog leuker is om de bus van de kant af door het water te zien varen. Eenmaal te water heb je in de bus zelf eerder het gevoel gewoon in een boot te zitten.

De varende koektrommel is een merkwaardig gezicht, maar voordat hij het water in mocht, is er heel wat aan vooraf gegaan. Het heeft initiatiefnemer Gábor Galla meer hoofdbrekens gekost dan hij vooraf had verwacht.
De in Malta gebouwde bus moest zowel voor wegverkeer als voor de vaart worden goedgekeurd. Het voertuig vaart op een waterjetstraal, is voorzien van ankers, aanlegtouwen en radiocommunicatie. De buschauffeur heeft een rij- en vaarbewijs en er vaart zelfs een matroos mee, wiens voornaamste functie zitten in een stoel is.
Galla hoopte zijn bus al voor de zomer te water te laten, maar daarbij had hij buiten de vergunningsprocedure gerekend.
Het leger, de brandweer, de gezondheidsinspectie, je kunt het zo gek niet bedenken of ze moesten toestemming geven. Om de bus het water in te laten rijden, moest hij een afrit naar de Donau bouwen. Daarvoor had hij onder meer vergunningen nodig van de deelgemeente, de gemeente, de rivierautoriteiten en de gezondheidsinspectie, vanwege het riool.
Om de bus in de stad te laten rijden, had hij ondermeer vergunning nodig van de gemeente en de verkeersinspectie, en het bleek helemaal niet simpel om de eisen voor een toerbus en een boot in één voertuig te verenigen. In toerbussen moet je tegenwoordig gordels hebben, op een boot mag dat juist niet. Dat probleem werd opgelost door de bus te kwalificeren als stadsbus, wat betekende dat er een snelheidsbeperking moest worden ingebouwd, want stadsbussen mogen niet sneller dan 70 kilometer per uur kunnen rijden.
Bij een stadsbus moet je ook in geval van nood ook makkelijk kunnen uitstappen, een lastige eis bij een bus die zo hoog is dat je met een soort vliegtuigtrappetje in moet. Dat kun je ingeklemd in het verkeer niet zomaar uitklappen. Een aparte noodladder bracht de oplossing. En natuurlijk moesten er zwemvesten komen, en nooduitgangen om de boot snel te kunnen verlaten in geval van een ongeluk op het water.
Negen maanden, haast een half miljoen euro en 52 vergunningen later kon Galla het vehikel eindelijk op pad sturen. Typisch Hongaarse bureaucratie? Niet echt. De plannen voor de amfibiebus in Rotterdam stammen al uit 2007. Daar kostte het zoveel moeite de zaak echt te realiseren, dat dat voertuig pas dit voorjaar in gebruik genomen kon worden.
De bus vaart het hele jaar. Alleen als er ijs op de rivier is, wordt de tocht afgelast. ,,Dan raken de waterjets verstopt,'' zegt Galla. In de eerste zes maanden trok de Riverride in Boedapest 10.000 bezoekers, niet slecht voor de winter, vindt hij. Met 20.000 bezoekers in de zomer is de bus volgens hem winstgevend. Rond oud en nieuw was het voertuig permanent volgeboekt. Reserveren is sowieso aanbevolen, vooral in het weekend.
Het voertuig trekt begrijpelijkerwijs altijd enorme belangstelling van voorbijgangers. Hoewel de rondleiding in het Duits en Engels is en de prijs met 7500 forint (pakweg 25 euro) bepaald niet goedkoop, melden zich tot Galla's verrassing ook regelmatig Hongaren aan.
Maar die zijn, zegt hij, eigenlijk vooral in de tewaterlating geïnteresseerd. Om hen tegemoet te komen, was er deze winter iedere middag om vijf uur een speciale Hongaarse tocht, een uur korter en tegen een gereduceerde prijs. Voor toeristen misschien ook interessant: een tochtje over de avondlijke Donau met al zijn verlichting is waarschijnlijk de meest romantische busrit die je kunt maken.

zaterdag 20 maart 2010

RIJBEWIJS VERNIEUWEN

Bij de afrit van het vliegveld Ferihegy stond politie. Papieren, wat anders? Heel af en toe moet je in Hongarije blazen, maar meestal willen ze alleen maar al je papieren zien: rijbewijs, groene kaart, technische keuring, verzekering, de hele rataplan. Niet echt iets waar je na een paar uur vliegen voor in stemming bent, maar goed.
Ik zat zelf niet achter het stuur en voelde me niet echt bij de controle betrokken. Maar het gesprek buiten de auto kreeg al snel een wending waaruit ik afleidde dat er iets niet helemaal in orde was. Nieuwsgierig stapte ik uit. De overigens uiterst vriendelijke agente wees op het rijbewijs van mijn man, draaide het om en wees nog eens. Op de voorkant mocht weliswaar een datum tot 2015 staan, maar kijk, dat, die datum op de achterkant, gaf aan tot wanneer het rijbewijs echt geldig was. April 2010... als ze ons nu niet had aangehouden, hadden we ergens in de komende maanden zeker problemen gekregen.
Lang leve Europa, had ik nog gedacht toen we onze rijbewijzen vijf jaar geleden vernieuwden en de geldigheidsduur van tien jaar zagen. Een kennis van ons loopt zelfs rond met een rijbewijs waar voorop op staat dat het vijftig jaar geldig is. Nooit meer naar het gemeentehuis, wat een luxe.
Niet dus. Iedereen die een Hongaars rijbewijs heeft, zij gewaarschuwd: de geldigheidsduur op de voorkant is niet de echte geldigheidsduur. Die staat bij de B (en wie vrachtwagen mag rijden, waarschijnlijk bij de C) op de achterkant. Wat er dan wel tien jaar geldig is, is mij nog steeds onduidelijk. T, M en K, maar waar die letters voor staan? Niet voor een voertuig, dat is zeker.
Waarschijnlijk gaat het om je theorie, en verder om EHBO en techniek, twee onderdelen waarvoor je bij een Hongaars rijbewijs een proeve van bekwaamheid in moet afleggen. Dat wil onder meer zeggen dat je moet kunnen aanwijzen waar je de motorolie moet verversen.
Het nut van EHBO kan ik me nog indenken, al vraag ik me af of iedere Hongaarse chauffeur daar echt zoveel verstand van heeft. Maar techniek is duidelijk een restant van een tijd dat iedereen hetzij in een Trabant, hetzij in een Wartburg rondreed, auto's die allemaal op elkaar leken en die zo doodsimpel waren dat iedereen ze zelf kon onderhouden. Tegenwoordig heb je er weinig aan te weten waar je in een Volkswagen de olie moet verversen als je vervolgens Toyota gaat rijden. Gelukkig kun je dat in de handleiding nakijken. Los van het feit dat het nauwelijks nog voorkomt dat je zelf de olie moet verversen.
Het is natuurlijk mooi meegenomen als dat examen tien jaar lang niet verloopt, zeker voor ons Nederlanders die die vakken om te beginnen al nooit hebben gedaan. Maar een ding is helaas zeker: wil je met een Hongaars rijbewijs blijven autorijden, moet je het wel degelijk om de vijf jaar vernieuwen. Wat de datum op de voorkant van dat roze kaartje ook mag beweren.

dinsdag 2 maart 2010

MUSEUMWIJK

Een museumwijk, met een nieuw ethnografisch museum, een centrum voor Europese cultuur en een museum voor moderne Hongaarse kunst. Dat wil István Tarlós, kandidaat voor het burgemeesterschap van Budapest voor de rechtse oppositiepartij Fidesz, bouwen als hij in het najaar gekozen zou worden.
De museumwijk moet het gat naast het Nyugatistation vullen, waar de socialistische regering enkele jaren geleden een nieuw regeringscentrum wilde bouwen. Dat plan werd door destijds door Fidesz afgeschoten. De oppositiepartij noemde het plan van de socialistische premier Gyurcsány destijds enorme geldverspilling.
De idee om de bouw van het nieuwe regeringscentrum te financieren uit de verkoop van de prachtige, maar vaak zeer onpraktische historische gebouwen waarin de ministeries nu gevestigd zijn, was volgens de oppositie alleen maar bedoeld om met onroerend goed speculaties de zakken van socialistische politici te vullen. De regering liet het plan vanwege alle tegenwerking uiteindelijk vallen.
Slechts een enkeling, zoals de internetkrant Hírszerző, wist zich nog te herinneren dat Fidesz zelf bij in de verkiezingscampagne in 2006 ook de bouw van een nieuw regeringscentrum had bepleit. Toen waren donumentale oude ministeries volgens partijleider en oud-premier Viktor Orbán duur en ongeschikt voor hun functie. De partij had de bouw van zo'n regeringswijk willen bekostigen uit, juist ja, de verkoop van de monumentale panden.
Maar met een regeringscentrum kun je natuurlijk niet aankomen als je die plannen net krachtig hebt afgeschoten. En als Fidesz al met nieuwe plannen voor een regeringscentrum komt, zal dat hoogst waarschijnlijk op een andere plek zijn. Er zijn grenzen aan hoezeer je kiezers voor de mal kunt houden. Blijft een feit dat er rond het Nyugatistation midden in de stad een enorm leeg terrein ligt, en dat is natuurlijk een kapitaalverspilling waar wat mee zou moeten gebeuren.
Maar voor een partij die zich zo keerde tegen de kosten van een regeringscentrum is het plan voor een nieuwe museumwijk op dezelfde plaats toch wel verrassend. Het is geen bescheiden opzet die Tarlós presenteert. Zo wil hij het Nyugatistation zelf, een constructie van het Franse architectenbureau Eiffel, naar voorbeeld van het Parijse Musée d'Orsay laten ombouwen.
Nu is het Nyugatistation nog volop in gebruik. Ten tijde van de regeringswijkplannen was ook sprake van een nieuw, ondergronds station, een park op de plek van de huidige spoor en zelfs een ondergronds verkeersplein voor het station. Maar dat bleek onbetaalbaar. En dat was nog vóór de crisis die Hongarije hard heeft getroffen.
Kon de bouw van het regeringscentrum nog gefinancierd worden uit de verkoop van de oude ministeries, Tarlós kan zijn museumwijk niet financieren uit de verkoop van bestaande musea. Private investeerders zouden volgens hem een deel van het geld moeten ophoesten, wat in moeilijke financiële tijden waarschijnlijk niet echt eenvoudig wordt.
En dan rest nog de vraag hoe die nieuwe musea te vullen. Geld voor de aanschaf van nieuwe stukken is er al jaren nauwelijks. En musea zonder tentoonstellingen, daar heb je weinig aan. Weliswaar heeft het museum voor schone kunsten meer werken in de opslag dan aan de muren, maar ik ben wel eens in die opslag geweest en een flink deel van die stukken worden niet voor niets niet tentoongesteld.
Misschien moeten museumdirecteuren zich voorbereiden op gedwongen verhuizingen. Het zou niet voor het eerst zijn. Het overkwam het contemporaine Ludwigmuseum, dat ooit centraal op de burcht gevestigd was. Enige jaren geleden moest het, zonder enig overleg, op last van het ministerie van cultuur verhuizen naar het fraaie, maar totaal uit de loop liggende Paleis der Kunsten. Sindsdien adverteert het museum met aanbiedingen als 'twee toegangskaartjes voor de prijs van één' om bezoekers te trekken.
Wie weet, misschien mogen ze straks naar de Museumwijk, al was het maar om het door de socialisten gebouwde Paleis der Kunsten een hak te zetten. Al moeten we eerst maar eens afwachten of Tarlós' plannen meer zijn dan verkiezingsretoriek.

zondag 28 februari 2010

KANTINE

Op de internet-discussiegroep voor de ouders van de klasgenoten van mijn zoon loopt al langer een discussie over de kwaliteit van het eten in de schoolkantine. Die is belazerd, daar had de directeur ons al voor de eerste schooldag voor gewaarschuwd. Het eten is zo slecht, dat menige klasgenoot zijn bord laat staan en met lege maag thuiskomt.
Ons deert dat niet, want onze zoon neemt iedere dag zijn broodtrommel mee, maar brood in de middag? Hongaren hebben daar veel moeite mee. De discussie op de e-maillijst maakt duidelijk dat menigeen ervan overtuigd is dat een warme maaltijd 's middags een eerste levensbehoefte is.
's Middags brood en 's avonds warm eten? Vreselijk ongezond. Er zijn zelfs ideeen geopperd om een magnetron in de klas te zetten, zodat kinderen hun van thuis meegebrachte maaltijd kunnen opwarmen. 35 kinderen die hun maaltijd moeten opwarmen... dat wordt een lange pauze.
De overtuiging dat je 's middags warm moet eten, is zo sterk dat een vriendin van ons iedere ochtend om zes uur op staat om te zorgen dat haar man en zonen 's middags een (opgewarmde) warme maaltijd hebben terwijl zij op haar werk is. Menig middenstander leeft van de afhaalmaaltijden in plastic bakjes die personeel van kleine kantoren iedere middag weglepelen, in de overtuiging dat een opgewarmde magnetronmaaltijd uit een goedkoop restaurant gezonder is dan je warme maaltijd uitstellen tot 's avonds.
De slechte kwaliteit van schoolkantine in mijn zoon's school is geen uitzondering. Het eten, dat zoals bij alle scholen wordt aangevoerd uit een of andere centrale keuken, mag niets kosten. De ouders betalen er 300 forint per maaltijd voor, en voor 1,10 euro kun je nu eenmaal geen feestmaaltijd op tafel zetten, zeker niet als er ook nog eens een soep, hoofdmaaltijd en toetje moeten worden gemaakt. Zelfs Jamie Oliver zou het er moeilijk mee hebben, al zou hij misschien wel iets beter weten te verzinnen. Maar de school kan er niets aan doen. Die heeft niets te zeggen over de leverancier: waar het eten vandaan komt, wordt voorgeschreven door de gemeente.
De nieuwswebsite Index.hu stuurde onlangs een verslaggever met camera vijf dagen naar een school om daar iedere middag mee te eten. Ze interviewden ook een voedingsdeskundige, die wist te melden dat kinderen op school vier keer (!) zoveel zout binnenkrijgen als verantwoord is. Om over vet en onduidelijke ingredienten maar te zwijgen.
De verslaggever zat vijf dagen lang achter maaltijden vol zetmeel, maar met nauwelijks groente. De groente die op tafel kwam, was of in zuur gelegd, niet de beste methode om vitamines te behouden, of kwam in de vorm van főzelek, een soort dikke soep of gebonden stoofpot van één soort goed doorgekookte groente. Ook niet de ideale manier om groente te serveren, en bovendien, zo bleek uit de serie, niet erg populair bij de leerlingen.
Vlees was er zelden, en dan hooguit in de vorm van knakworstjes. Een keer waren er gehaktballen, maar de kokkin (als je een opwarmdame zo kunt noemen) vermoedde dat die eerder van soja dan van vlees waren gemaakt. Veelal bestond de maaltijd uit een of andere vorm van pasta, dat vult lekker. Dan moet je denken aan een hoofdmaaltijd van macaroni bestrooid met suiker en walnoten, of suiker en maanzaad.
Een flink deel van de kinderen weigerde bij de balie al een deel van het eten en at vervolgens hooguit een deel van de rest echt op. Dat hoeft niet eens met de kwaliteit te maken te hebben, want hoeveel kinderen eten hun bord leeg als er géén ouder naast zit die zegt dat het moet? Dan gaat er alleen maar in wat ze echt lekker vinden. De schoolkantines hebben dan ook allemaal een toetje, en dat doet het meestal goed. Een puddingbroodje als hoofdmaaltijd van de dag... daar schiet je echt mee op. Er waren trouwens ook een keer appels. Maar voorspelbaar: dat toetje kon op weinig enthousiasme rekenen.
Ik hou het dus maar op een broodtrommel met boterhammen met kaas. 's Avonds samen avond eten heeft trouwens ook sociaal zekere voordelen, om maar te zwijgen over het feit dat ik weet dat onze zoon zijn groente eet, en als hij die een keer echt niet lust (wat zelden voor komt, maar ook een goede kok kan wel eens blunderen) dan biedt wat fruit uitkomst. Gezonde eetgewoonten beginnen in de jeugd. Zo raar is het dus niet dat Hongaren in Europa tot de top behoren als het om hartinfarcten en kanker gaat.

woensdag 24 februari 2010

NAAM

De politiek is niets, daar zijn de twee mannen in de trein het roerend over eens. Kun je, vraagt de een aan de ander, nou één politicus opnoemen die je echt in staat acht Hongarije fatsoenlijk te leiden?
Er valt even een stilte. Nou, zegt de een dan peinzend, die Fidesz-burgemeester van Debrecen, Lajos Kósa, misschien? Ja, zegt de ander na even nadenken. En dat kleine mannetje, die burgemeester van het vijfde district van Boedapest, ook van Fidesz, die Antal Rogan. Die doet het ook goed daar.
Zijn gesprekspartner knikt. Rogan is inderdaad ook een mogelijkheid. En dan veert hij plots op. Of misschien hoe heet-ie, de minister-president, hoe heet hij toch ook al weer? Ze denken even na. Die doet het best goed, vinden ze beiden, maar zijn naam? Een beetje iets raars, klinkt buitenlands. Gor... Gor.. Bajnai, zegt de een opgelucht. Ja, Gordon Bajnai.
Dat ze Bajnai's naam niet meteen weten is niet echt verbazingwekkend. De man is per slot van rekening pas sinds afgelopen mei premier. Pakweg tien procent van de Hongaren kent de naam van oppositieleider Viktor Orbán niet EENS, en een even groot aantal blijft in gebreke bij de voormalige premier Ferenc Gyurcsány, en dat zijn onmiskenbaar de bekendste politici van het land. Iets van zestig procent van de Hongaren kijkt nooit een krant in, dus zo raar is dat niet.
Maar dat de twee Bajnai als premier zien zitten, is opmerkelijk. Ze hebben even eerder flink op de politiek zitten kankeren. Hun voorkeur voor Fidesz-politici Kósa en Rogan doet vermoeden dat hun vertrouwen in oppositieleider Orbán weliswaar niet overweldigend is, maar dat hun sympathie toch eerder bij zijn partij dan bij de huidige regering ligt.
Bajnai hield gisteren zijn laatste speech als premier in het parlement. Anderhalve maand voor de verkiezingen houden de parlementariërs het voor gezien, omdat ze op campagne moeten. De man heeft in luttele maanden meer voor elkaar gekregen dan iemand vorig jaar mei voor mogelijk had gehouden. Anderhalf jaar geleden werd Hongarije in één adem met IJsland genoemd.
Nu buigt Europa zich over de redding van Griekenland en geldt Hongarije plotseling weer als kredietwaardig en als een serieuze kandidaat voor de snelle invoering van de euro. De forint is weer stabiel, het begrotingstekort overzichtelijk, en de stijging van de werkloosheid is tot stilstand gekomen. Voor het eerst in jaren wordt er weer over de kans op serieuze economische groei gepraat.
De huidige oppositie zal nooit lovende woorden aan Bajnai wijden, maar binnenskamers moet de opluchting groot zijn dat iemand zo netjes heeft opgeruimd voordat Viktor Orbán na de verkiezingen in april vrijwel zeker het roer overneemt. Binnenskamers moet de opluchting ook groot zijn dat Bajnai niet kandidaat staat, zoals hij vorig jaar mei al aankondigde.
Dat hij Orbán de overwinning gekost zou kunnen hebben, is onwaarschijnlijk. Maar de twee mannen in de trein zijn zeker niet de enigen die het gevoel hebben dat deze premier het helemaal niet zo slecht heeft gedaan.

woensdag 10 februari 2010

SLAG OM BUDAPEST


Een Hongaarse vriend van me meende onlangs dat wij Nederlanders de Tweede Wereldoorlog mythologiseren. Hij vond onze aandacht voor het onderwerp overdreven groot. Daar kun je over twisten, maar zeker is dat de Hongaren het omgekeerde doen: de oorlog is eerder een onderwerp om over te zwijgen. De Hongaarse rol in die periode is een ongemakkelijk en gecompliceerd debat waar mensen liever hun mond over houden.
Dat is misschien de reden waarom zo weinig mensen nog weten dat de slag om Boedapest in de winter van 1944 en 1945 een van de zwaarste veldslagen van de Tweede Wereldoorlog was, in verwoestende kracht min of meer vergelijkbaar met die van de slag om Berlijn. De foto's van Berlijn kennen we allemaal: een stad gereduceerd tot puinhopen, met daartussen een geslagen bevolking die probeert weer iets op de bouwen. In Budapest was het niet veel anders.
Het gevecht om Budapest duurde 102 dagen, in het midden van een zeer strenge winter. Het Rode Leger, gesteund door een Roemeense eenheid, had de stad ingesloten, maar de Duitsers en de Hongaarse Pijlkruisers hielden stand in Buda, waar ze de Russische troepen vanaf de burchtheuvel en later de heuvels van Buda bleven bestoken.
Toeristen verbazen zich altijd over de lelijke hotels langs de Donau-oever, maar voor die lelijkheid is een verklaring: de gebouwen die er oorspronkelijk stonden, stonden in de vuurlinie en zijn in de slag met de grond gelijkgemaakt. Ze hadden er natuurlijk iets mooiers neer kunnen zetten, maar de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw waren ook in Nederland geen periode van architectonische hoogstandjes.
Een groot deel van de stad is nadien weer liefdevol hersteld, maar hoe enorm de verwoesting was, is goed te zien op bijgaand Youtube-filmpje. Het is overigens een van de weinige filmpjes over het onderwerp dat duidelijk niet gemaakt is door nazi-aanhangers die achteraf de heldendaden van het Duitse leger en Hongaarse Puijlkruisers willen glorificeren.
De tussenteksten zijn helaas in het Hongaars, maar het filmpje geeft een mooi beeld van de laatste oorlogsmaanden, beginnend met de geallieerde bombardementen en de deportaties van en moorden op joodse stadsgenoten. De meeste Budapesters waren om begrijpelijke redenen niet blij met de komst van de Russen, maar de joden hadden zeer goede redenen om het Rode Leger als bevrijders te zien.
Aan het einde somt het filmpje de materiële en humanitaire verliezen op. Drieduizend mensen verloren het leven door de geallieerde bombardementen in de herfst van 1944. 25000 Budapester joden werden in die laatste maanden door de Pijlkruisers vermoord of keerden niet van deportatie terug (al met al overleefde overigens de helft van de pakweg 200.000 Budapester joden de Tweede Wereldoorlog niet). Tachtig procent van de gebouwen in Boedapest raakte beschadigd. 13588 woningen waren totaal vernietigd. Alle bruggen over de Donau waren door de Duitsers opgeblazen.
38000 burgers kwamen om tijdens de gevechten om het leven, als gevolg van gevechtshandelingen of simpelweg van honger en kou. 17500 Hongaarse, 30000 Duitse, 60000 Russische en 7000 Roemeense soldaten verloren het leven in de gevechten. Meer dan 100.000 mensen raakten gewond. Zeventig procent van de vrouwen boven de 12 werd verkracht of op zijn minst aangerand. 25000 mannen die naar Rusland werden gevoerd, keerden daar nooit vandaan terug.
Er zijn in Budapest meerdere monumenten ter herdenking van de vermoorde joodse bevolking, maar een herdenkplaats voor de slachtoffers van de slag is er niet. Onder het communisme kon dat niet, omdat zo'n monument ook een aanklacht tegen de Russen geweest zou zijn. Nu zou zo'n monument waarschijnlijk een verzamelplek worden van al wat extreem rechts is, zoals de filmpjes op Youtube ook laten zien. Misschien wordt het toch tijd om die Tweede Wereldoorlog serieuze aandacht te geven.