donderdag 25 augustus 2016

Bezoek uit Afrika

Foto Runa Hellinga
Nog nooit een Afrikaan gezien
Ons appartement was afgelopen dagen verhuurd aan een Nederlandse kennis en zijn Afrikaanse vrouw. Zij was haar geboorteland ooit ontvlucht vanwege een burgeroorlog en volgt nu een opleiding tot verpleegkundige in Amsterdam, een wereldstad waar iets van 180 nationaliteiten wonen. Daar valt een zwarte vrouw met een bos lange vlechten op haar hoofd, niet echt op. Hier in Vác was dat bepaald anders.
Julia (niet haar echte naam) was nog nooit ergens geweest waar ze als zwarte vrouw echt uniek was. Toen ze zich de eerste avond realiseerde hoe blank de samenleving was, en het gesprek ook nog op het referendum over migranten kwam, schrok ze even. Moest ze bang zijn op straat?
Al snel bleek dat ze zich daar geen zorgen over hoefde te maken. Reacties kreeg ze inderdaad in overvloed, maar agressie? Nee. Vooral nieuwsgierigheid. Voor heel veel mensen die ze ontmoette, was het echt de allereerste keer dat ze een Afrikaanse tegenkwamen. Zelfs in Boedapest, waar een zwart gezicht niet helemaal ongewoon meer is, werd ze aangestaard. Daarbuiten staken mensen niet onder stoelen of banken hoe interessant ze haar vonden.
Een van de dagen maakten we een tochtje langs de Donau. Toen we in Zebegény in de lokale Spar wat boodschappen deden, raakte de kassière haast ademloos van opwinding. Dit was 'de derde zwarte' die ze in haar leven zag, vertelde ze. De andere twee hadden ook diepe indruk gemaakt, want ze kon precies vertellen waar en wanneer dat was geweest. Die onschuld was eigenlijk wel ontwapenend, net als die van het kind dat wilde wrijven of Julia echt niet afgaf, of van de oude vrouw die haar over haar gezicht streek en stralend meende dat ze mooi was.
Onschuldig of niet, maar op den duur wordt het wel wat vermoeiend, zelfs als je begrijpt waar het vandaan komt. Julia had gelukkig zin voor humor. Niemand was kwaadaardig en ze realiseerde zich bovendien dat een blanke in een Afrikaans provinciestadje waarschijnlijk even veel commotie zou veroorzaken.
De belangstelling had niet alleen maar nadelen, trouwens. Toen ze in een lokaal restaurant geen lege tafel vonden, nodigde een alleen etende klant hen uit om dan maar bij hem te komen zitten, Zonder Julia zou dat waarschijnlijk nooit gebeurd zijn. Zijn reden om zijn belangstelling was namelijk een zekere heimwee: ooit was hij consul in Afrika geweest. Nu was hij weduwnaar en sleet zijn dagen in eenzaamheid.
Na een gezellige avond nodigde hij hen dan ook vol weemoed uit om de volgende dag bij hem te komen eten. Een bonensoep, zei hij, maar toen ze arriveerden, bleek hij op zijn Hongaars behoorlijk uitgepakt te hebben. Er verscheen een complete maaltijd op tafel en ze kregen nog een heel stuk van de zelf gerookte everzwijnham mee naar huis.
Vriendelijk of niet, voortdurend in het centrum van de belangstelling staan is natuurlijk knap vermoeiend. Een week lang kun je erom lachen, dan gaat de lol er wel af. Aan de andere kant: de onwetendheid waarmee mensen Julia benaderden, is natuurlijk dezelfde onwetendheid waarmee ze de hele kwestie van vluchtelingen benaderen. Het is niet voor niets dat mensen in de grote stad minder bang zijn voor nieuwkomers dan mensen in een klein dorp, niet alleen in Hongarije, maar ook in Nederland: Onbekend maakt onbemind.
Zo vermoeiend als het ook was, Julia's lastigste moment in al die dagen was geen opmerkelijke ontmoeting met een nieuwsgierige Hongaar, maar toen ze ergens op straat in Vác een zwarte man zag lopen. Eindelijk een vertrouwd gezicht? Niet echt. Het was h
eel ongemakkelijk, zei ze achteraf. Want wat doe je in zo'n geval? Normaal loop je toch ook niet zomaar op straat op iemand af omdat die toevallig dezelfde huidskleur heeft? Uiteindelijk zijn ze allebei maar doorgelopen.

zaterdag 20 augustus 2016

Referendum tegen vluchtelingen

Wist u? Een stadvol vluchtelingen
Je kunt ze nauwelijks over het hoofd zien, de EU-blauwe reclameborden die sinds twee weken de Hongaarse wegen sieren. Ze hangen in ieder dorp aan de lantarenpalen. De teksten liegen er niet om: "Wist u dat het aantal aanrandingen in Europa scherp gestegen is sinds het begin van de migratiecrisis?" en "Wist u dat Brussel een stad vol aan illegale immigranten in Hongarije wil vestigen?".
'Illegale immigranten' is de standaardterm van Hongaarse regeringspolitici voor asielzoekers. De blauwe borden zijn 'regeringsinformatie' en officieel alleen maar bedoeld om te wijzen op het referendum over de asielzoekersquota die de EU het land oplegt, dat op 2 oktober wordt gehouden. Dan kunnen Hongaren antwoord geven op de vraag: "Wilt u de EU het mandaat geven tot verplichte herhuisvesting van niet-Hongaren in Hongarije, zelfs zonder instemming van het nationale parlement?" Geen idee trouwens waarom in de vraag sprake is van 'niet-Hongaren', wat uiteraard een aanzienlijk breder begrip is dan 'illegale immigranten'.
Dat laatste is wel waar de regeringsborden zich op richten. Alle teksten zijn extreem negatief over asielzoekers en in hoeverre de beweringen kloppen, is soms moeilijk na te gaan. Betrouwbare Europese cijfers over aanrandingen zijn er bijvoorbeeld niet. Iedereen heeft gehoord van excessen, zoals in Keulen. Maar betekent dat dat het aantal aanrandingen in Europa in het totaal scherp gestegen is? Cijfers daarover bestaan simpelweg niet.
Een ding is wel zeker: het quotum van 1294 mensen waartoe Brussel Hongarije dit jaar verplicht, is bepaald geen 'stad vol', zoals de borden beweren.  Hoewel: er bestaan twee officiële Hongaarse steden met minder dan 1300 inwoners. Pálhaza in de provincie Borsod is de kleinste, De 'stad' heeft nog geen 1100 inwoners.
Ook als liefhebber van de Olympische Spelen ontkom je niet aan de negatieve berichtgeving rond het thema. De live sportuitzendingen van het sportkanaal van de Hongaarse staatstelevisie, worden regelmatig onderbroken voor 'één-minuut-nieuwsbulletins' of 'reclame met een maatschappelijk doel'. Tussen roeien en zwemmen door zie je minstens één nieuwsbericht over een Pakistaan die ergens in Europa een meisje heeft aangerand, een vluchteling die klaagt over het eten in een opvangkamp of een politicus over het verkeerde Europese beleid. Of anders verschijnen dezelfde EU-blauwe affiches, op tv aangevuld met passende video's van aanslagen of volgepakte boten.
Het referendum is een initiatief van regeringspartij Fidesz en volgens premier Viktor Orbán slechts bedoeld om Brussel duidelijk te maken wat de Hongaren willen, namelijk geen migranten in hun land. De oppositie ziet het eerder een soort verkapte Brexit, een boodschap van Orbán dat hij lak heeft aan Brussel, terwijl politieke analisten het vooral omschrijven als een poging van de premier om het vluchtelingenthema levend en daarmee zijn populariteitscijfers hoog te houden: voordat hij vorig jaar besloot een hek te bouwen om vluchtelingen buiten te houden, waren die behoorlijk ingezakt.
Hoe dan ook, de aanhoudende stroom negatief nieuws over vluchtelingen mist zijn effect niet. Terwijl van de pakweg 200.000 vluchtelingen die vorig jaar door het land trokken, vrijwel niemand asiel in Hongarije zelf heeft aangevraagd, is de angst voor 'migranten' zoals ze stelselmatig worden aangeduid, groot. Voor veel Hongaren is dat begrip overigens synoniem geworden met moslims uit Syrië, Irak en Afghanistan. Dat merkte een groep Mexicanen die onlangs tijdelijk in een Noord-Hongaars dorpje kwam werken. Het dorp reageerde zeer vijandig op de 'migranten', tot doordrong dat ze niet uit het Midden-Oosten kwamen. Daarna waren ze plots van harte welkom.
Vorig weekend, een week na het verschijnen van de regeringsposters, startte de officiële referendumcampagne en konden andersdenkenden een tegengeluid laten horen. Voorlopig is dat tegengeluid vrij bescheiden, De meeste oppositiepartijen noemen het referendum een propagandastunt en roepen daarom op tot een boycot. Daarmee omzeilen ze ook meteen het probleem van een inhoudelijke reactie. Die ligt nogal gevoelig, want het staat vast dat ook een groot deel van hun eigen aanhang de antimigrantenpolitiek van de regering volmondig.
In hoeverre oppositieaanhangers het boycotadvies volgen, wordt dan ook de grote vraag. Volgens de huidige opiniepeilingen wil 54 procent van alle kiezers gaan stemmen. Daarvan is zo'n 80 procent van plan om 'nee' te stemmen, wat, enigszins verwarrend, het antwoord is dat de voorstanders van het referendum graag willen zien.
Voor een geldig referendum is een opkomst van minimaal vijftig procent nodig. Dat was vroeger 25 procent, maar toen premier Orbán in 2010 aan de macht kwam, stond verhoging van de minimumopkomst bij referenda hoog op zijn agenda. Hij wilde namelijk voorkomen dat de oppositie zijn regeringsbeleid met volksstemmingen zou doorkruisen, een tactiek die hijzelf als oppositieleider succesvol toegepast.
De huidige peilingen uitkomen wijzen overigens op een succesvol referendum, en premier Orbán heeft daar dan ook op ingezet. De de vraag is overigens hoe reëel die peilingen zijn. Bij eerdere referenda die mensen na aan het hart lagen, zoals de toetreding tot de NAVO en tot de EU in 2004, bleef de opkomst uiteindelijk onder de 50 procent.
In praktijk doet de geldigheid er overigens niet echt toe. Per slot van rekening hoeft er helemaal geen wet veranderd te worden, maar is deze stemming uitsluitend bedoeld als 'boodschap aan Brussel' dat Hongaren geen migranten willen. En zo zal Orbán de uitslag zonder enige twijfel gebruiken, zolang de opkomst niet absurd laag is en de overgrote meerderheid daadwerkelijk nee stemt . En het zou zeer verrassend zijn als dat niet gebeurde.

maandag 8 augustus 2016

Op zoek naar een hemel zonder bommen

Foto Runa Hellinga
Maru Kameri en zijn zoon
“Noem het geen kamp,” zegt Saed Muhsan. De textielhandelaar, die in Kaboel hoofddoeken verkocht, is de tijdelijke en informele leider van het noodkampje dat vluchtelingen hebben opgezet in de buurt van het Servische grensplaatsje Horgos. Op een verloren strook land tussen het met NATO-prikkeldraad afgezette grenshek dat de Hongaren vorig jaar bouwden en de officiële Servische grens wachten 600 mensen, vooral Afghanen, wekenlang op toelating tot Hongarije.
Dagelijks mogen vijftien gelukkigen, veertien in familieverband en één alleen reizende man, naar de transitzone aan de andere kant van het hek. Daar is een van containers gebouwd opvangkampje waar ze Hongaars asiel kunnen aanvragen. De families reizen vervolgens door naar andere opvang, de alleen reizende mannen blijven tot dertig dagen in de kale container met luchtkooi. Alles is gedaan om asiel aanvragen zo onaantrekkelijk mogelijk te blijven, al wil niemand sowieso in Hongarije blijven.
Op een lijst houdt Muhsan bij wie wanneer aan de beurt is. Zelf heeft hij nog dertig dagen te gaan. Dat mensen weten wanneer ze verder reizen, maakt het wachten enigszins dragelijk. “Nog 22 dagen,” weet de elfjarige Iraanse Abdulfaz, die met zijn ouders in een door een takkenhek afgeschermde tent verblijft. Hij is een van de weinige kinderen die wat Engels spreekt, en hij is er trots op.
Maar Musan heeft gelijk, een kamp kun je deze verzameling tijdelijke onderkomens uit takken, dekens en wrakke tentjes nauwelijks noemen. Het enige water komt uit twee kranen middenin een modderpoel. Een meertje verderop doet dienst als badfaciliteit. Een Hongaarse hulporganisatie is er met veel moeite in geslaagd toestemming te krijgen om chemische toiletten te plaatsen. Overal smeulen kookvuurtjes. Er is geen elektriciteit, laat staan wifi, broodnodig voor het contact met familie.
Je moet doorzettingsvermogen hebben om hier te blijven. Maar doorzettingsvermogen kun je de mensen niet ontzeggen. Maru Kameri heeft zijn elf jaar oude, zwaar gehandicapte zoon een half jaar lang op zijn rug gedragen terwijl ze te voet uit Afghanistan door Iran en Turkije trokken. Dan kan een paar weken wachten er ook nog wel bij. De jongen zit nu in een rolstoel die hij onlangs van een hulporganisatie kreeg. Zijn toekomst is Kameri's motivatie: in Afghanistan is er voor de jongen geen enkele opvang.
De zon schijnt vandaag en kinderen volleyballen bij een net van takken en touw. De kleinsten zijn aan het bellen blazen, een cadeautje van een hulporganisatie. Degenen die geen bellenblaas hebben gekregen, trekken iedereen die er niet als een vluchteling uitziet, met een vragende blik aan de kleren. Het ziet er allemaal haast ontspannen uit, maar toen het onlangs twee dagenlang goot, was er weinig vrolijkheid. De dekententen raakten doorweekt, de mensen ook. Gelukkig is het zomer. Maar je moet denken niet aan de winter.
Met dat nachtmerriescenario worstelen ook de Servische autoriteiten. Die willen voorkomen dat zich dan aan deze grens vergelijkbare taferelen gaan afspelen als in Macedonië. Recentelijk kreeg Muhsan te horen dat hij geen nieuwkomers meer op de wachtlijst mag zetten. Sindsdien moet hij mensen wegsturen. “Maar waar die heen moeten? De Servische vluchtelingenkampen zijn vol. En mensen kijken mij aan alsof het mijn schuld is.” Hij zucht.
De strook land is officieel Hongarije en de verzorging komt grotendeels op de Hongaren neer. 's Ochtends brengt het Rode Kruis ontbijt. Iedere middag brengt een hulporganisatie helemaal uit Boedapest warm eten. “Een kwestie van beschaving. Je kunt mensen toch niet laten stikken?” zegt vrijwilligster Nikoletta Szöllösi. Ze hielp vorige jaar ook bij de opvang van vluchtelingen die in de Hongaarse hoofdstad waren gestrand.
Bizar is het avondmaal. Dat levert het Hongaarse leger. Eerst nemen bewapende militairen stelling op het dak van de  transitzone. Dan opent een deur in de containerwand. Op vertoon van door een Muhsan verstrekt bonnetje krijgt iedere familie een voedselpakket: brood, melk, beleg, sap en chocolade. Grote families krijgen er twee.
Khaled Khan reist alleen. Zijn Engels is vlekkeloos, hij werkte in Afghanistan drie jaar als tolk voor de Amerikanen. “In Afghanistan ben ik mijn leven niet meer zeker.Voor de Taliban ben ik een verrader.” Eerder heeft hij geprobeerd illegaal de grens over te steken, maar daar begint hij niet meer aan. “Ik ben gepakt, en toen ze me de grens overzetten, hebben ze me twee keer met een elektrische stok geshockt.” Nu wacht hij op zijn beurt om toegelaten te worden tot de transitzone.

Foto Runa Hellinga
Wachten op het avondeten
Hij is niet de enige met een verhaal over mishandeling aan de andere kant van het grenshek. Sinds 5 juli zet Hongarije vluchtelingen die in het binnenland worden aangetroffen, weer over de grens met Servië. Officieel mogen mensen die binnen een zone van acht kilometer worden opgepakt, weer terug worden gezet, in praktijk worden ook mensen die al veel verder weg zijn, teruggestuurd. Volgens de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch gebeurt dat vaak zeer hardhandig. De organisatie interviewde twaalf vluchtelingen die claimden dat ze geslagen zijn, hardhandig door het scheermesjeshek zijn geduwd, met honden opgejaagd of met bijtende vloeistoffen werden bespoten.
Veel mensen hebben maar een flauwe notie wat ze in Europa moeten wachten, maar Khan volgt het het internationale nieuws nauwlettend. Iedere dag loopt hij naar het Servische Horgos om zijn telefoon op te laden en ergens op de wifi in te loggen. Hij is op de hoogte van de recentste aanslagen in Europa. Hij heeft ook alle begrip voor de angst van veel Europeanen. “Dit is hun land, hun leven, ze willen onze problemen niet. Maar ik ben geen terrorist. Ik hou net als ieder ander van het leven. Het enige dat ik wil, is een rustige plek waar je naar de blauwe hemel kunt kijken zonder angst voor een bom.”
Of hij zich zorgen maakt over de vijandige reacties tegenover vluchtelingen? Hij haalt zijn schouders op: “In Afghanistan is ook racisme. Ik weet dat er problemen zijn, ik ken de verhalen van het internet, maar ik denk dat ermee te leven valt, al is het natuurlijk anders wanneer het jezelf overkomt. Maar wat moet ik? De keuze om terug te gaan heb ik gewoon niet.”

zondag 24 juli 2016

Wantrouwen tegen nieuwe museumwijk

Het nieuwe Muziekhuis volgens architectenplannen
Meer dan verkrotte bedrijfspanden waren het niet, de gebouwen van Hunexpo in het Stadspark in Boedapest die onlangs tegen de vlakte gingen. Toch lokte de sloop protest uit van Hongaarse milieuactivisten. Volgens hen is de sloop van de leegstaande panden op de plek waar het nieuwe Hongaarse Muziekhuis is gepland, de eerste stap naar de vernieling van het oudste openbare park ter wereld.
Waar ze zich tegen verzetten zijn de regeringsplannen voor een ambitieuze museumwijk in het rond het Stadspark. Die wijk onderdak moet gaan bieden aan drie musea die nu elders staan: het ethnografisch museum, het Ludwigmuseum voor contemporaine kunst en de Nationale Galerie in het koninklijk paleis op de Burchtheuvel. Ook het naburige Museum voor Schone Kunsten, de Kunsthal, het Transportmuseum en een nieuw muziekcentrum worden onderdeel van de nieuwe wijk.
De plannen zijn grotendeels ontwikkeld door László Baán, de succesvolle directeur van het Museum voor Schone Kunsten. Als voorbeeld keek hij onder meer naar het Museumeiland in Berlijn en het Smithonian in Washington. Volgens zijn verwachtingen sluit de museumwijk goed aan bij internationale toeristische trends en zal de wijk jaarlijks zo'n 2 miljoen extra bezoekers naar Boedapest trekken.
De Ligetvédők, Parkverdedigers, zoals ze zichzelf noemen, voeren sinds maanden actie tegen de plannen. De bomen zijn hun belangrijkste argument Volgens hen dreigt een groot deel van de bomen in het park namelijk omgezaagd te worden en moet veel groen wijken voor de nieuwe gebouwen. Ook menen ze dat de sloop van het Hunexpo-terrein onverantwoord gebeurd is, omdat de gebouwen asbest bevatten.
Bomen omzagen, zo weten stadsbestuurders uit ervaring, ligt heel gevoelig in Boedapest. Plannen voor een parkeergarage in de buurt van de Opera sneuvelden al eens vanwege acties voor behoud van de bomen in de Nagymező utca. Ook de vernieuwing van het Roosevelt tér en (tegenwoordig Széchenyi tér) en de bouw van een parkeergarage onder dat plein stuitte ooit op protesten, al kan achteraf waarschijnlijk niemand ontkennen dat de renovatie, al heeft die misschien een paar bomen gekost, uiteindelijk een verbetering was: de parkeerplaats midden op het plein maakte plaats voor groenvoorziening.
Maar dat er duizenden bomen in het Városliget tegen de vlakte gaan, klopt niet, aldus projectleider Attila Sághi. Volgens hem sneuvelen niet meer dan 200 van de in het totaal 6500 bomen in het park. Voor zover de nieuwe musea in het park komen, vervangen ze bestaande, verwaarloosde gebouwen zoals dat van Hunexpo. Het grootste gebouw komt buiten het park, op de plek waar nu een reusachtige parkeerplaats is. Bovendien komt er volgens Sághi juist meer groen, niet minder, omdat parkeerterreinen en doorgaande wegen plaats maken voor wandelgebieden, waterpartijen en beplanting en ook de museumdaken deels van groen worden voorzien.
Dat het park een opknapbeurt kan gebruiken, leidt geen twijfel. Vooral het zuidelijke deel, waar de nieuwe voorzieningen gepland zijn, is zwaar verwaarloosd. Het is bezaaid met leegstaande of half leegstaande gebouwen, doorsneden door een trolleybusbaan en zo onveilig dat leerlingen van het nabijgelegen Radnótigymnasium jaren geleden al het uitdrukkelijke verbod kregen om alleen het park in te gaan.
Zo'n 94 procent van de Boedapesters steunt de parkrenovatie dan ook van harte. Maar ruim tachtig procent is tegen de museumplannen. Sághi meent dat dat onkunde is. Maar als dat zo is, is die bewust in de hand gewerkt door de regering. Een publieke discussie over de plannen heeft nameljik nooit echt plaatsgevonden. Premier Viktor Orbán is verklaard tegenstander van openbare debatten over grote bouwprojecten, omdat die volgens hem altijd tot problemen leiden. Hij kan het weten: toen hijzelf in de oppositie zat, zorgde zijn partij dat plannen voor een nieuw regeringscentrum op een leegstaand terrein naast het Nyugatistation van tafel gingen.


dinsdag 28 juni 2016

Londen, de tweede Hongaarse stad

Hongaarse winkel in Londen
De Hongaarse spoorwegmaatschappij MÁV zoekt machinisten, electriciens, monteurs, boekhouders, IT-mensen en meer, meldt het omroepsysteem in de trein. Het bedrijf komt honderden vakmensen tekort, maar echt vlotten wil hun zoektocht niet. De personeelsadvertentie schalt al maandenlang door de coupés.
Hongarije worstelt met een enorm tekort aan vakmensen. Een minimumloon van 240 euro en een modaal inkomen van 535 euro netto per maand maken werken in West-Europa zeer aantrekkelijk. Daar kan zelfs de bonus voor MÁV-werknemers, gratis reizen voor het hele gezin, niet tegenop.
Volgens schattingen leeft een half miljoen Hongaren momenteel in het buitenland. Het overgrote deel vertrok in de laatste vijf jaar. Wie een loodgieter belt, mag blij zijn als die binnen vier weken tijd heeft. In Boedapest nemen sommige horecaondernemers bij gebrek aan Hongaarse, inmiddels buitenlandse obers aan. Zelfs autofabrikant Audi, jarenlang 's lands beste werkgever, heeft moeite om mensen te vinden.
Op papier is er best personeel. De officiële werkloosheid is onder de zeven procent, de werkelijke is een stuk hoger. Zo'n 200.000 werklozen die enkele maanden per jaar verplicht in een werkverschaffingsproject werken, worden statistisch namelijk als werkend meegeteld. Eigenlijk hebben 900.000 van de 9,8 miljoen Hongaren geen baan. Helaas heeft een groot deel daarvan ook geen lagere school.
Wie iets kan, gaat weg. Wie Duits spreekt, vertrekt bij voorkeur naar Oostenrijk of Duitsland, wie Engels spreekt, steekt het Kanaal over. Oostenrijkse restaurants draaien op Hongaars personeel. Bejaarden worden verzorgd door verpleegsters die liever in Oostenrijk inwonende thuishulp zijn dan in een Hongaars ziekenhuis voor net iets meer dan het minimumloon wekelijks overuren draaien. Aan Engelse ziekenhuisbedden staan Hongaarse artsen. Website 444 filmde onlangs een afstudeerfeest van medische studenten in Boedapest. De meesten wilden weg. Van de lichting voor hen was 70 procent al vertrokken.
Officiële Hongaarse statistieken zijn er niet. De migratieschattingen berustten op cijfers van de vestigingslanden. Londen, waar 200.000 Hongaren leven, wordt inmiddels gekscherend 'de tweede Hongaarse stad' genoemd. Maar een cijfer dat wel bekend is, suggereert dat een half miljoen emigranten waarschijnlijk krap geschat is.
In 2015 stuurden Hongaren zo'n 2,9 miljard euro naar huis. Met 500.000 emigranten komt dat neer op zo'n kleine zeshonderd euro per persoon per maand. Veel, ook omdat lang niet iedereen daadwerkelijk geld stuurt. Jongeren die elders studeren, krijgen juist eerder geld uit Hongarije. Volgens sommige schattingen is een vertrekcijfer van 800.000, acht procent van de bevolking, waarschijnlijk reëler.
Dat klinkt buitensporig. Maar praat met Hongaren over hun volwassen kinderen en ongeacht hun sociale achtergrond hebben ze vrijwel altijd minstens één zoon of dochter in het buitenland. Een hele generatie verdwijnt. Dat realiseerde de regering zich ook toen ze vorig jaar via social media een campagne begon die jonge Hongaren naar huis moest lokken. Kosten: 320.000 euro. Opbrengt: 150 terugkeerders. Het programma is inmiddels stopgezet.
Dat betekent natuurlijk niet dat iedereen voorgoed weg is. Genoeg mensen weten inmiddels dat hoge lonen een keerzijde hebben: hogere kosten en een hoger werktempo. Om over heimwee maar te zwijgen. Vooral lager opgeleiden die voor hogere lonen gingen, hebben vaak spijt van hun keuze, blijkt uit een recent enquete onder de ruim 13.000 Hongaren in Nederland. Die lager opgeleiden vormen de twintig procent die ontevreden of zeer ontevreden is en binnen een jaar terug naar huis wil.
De overige tachtig procent is tevreden, 55 procent zelfs zeer tevreden over het nieuwe bestaan in Nederland. Ze zijn meestal hoog opgeleid: zo'n 59 procent heeft HBO of universitair onderwijs, 28 procent middelbare school. Driekwart woont sinds hooguit vijf jaar in Nederland. Vaak speelde het politieke en culturele klimaat onder de huidige Hongaarse regering mee in hun besluit te emigreren. Persoonlijke ontwikkeling, een sociale samenleving en kansen voor het gezin vinden ze belangrijker dan geld. En hoewel ze hun vaderland best missen, wil driekwart nooit, of hooguit in de verre toekomst terug naar 'huis', zoals zelfs de meest tevreden emigrant Hongarije altijd aanduidt.



woensdag 8 juni 2016

Dichtbij Oostenrijk

Vluchtelingenkamp in Körmend
Bij de Tesco aan de rand van Körmend lopen vier met machinegeweren bewapende veiligheidsmensen naar binnen, leden van de speciale eenheid die de Hongaarse regering onlangs naar het stadje nabij de Oostenrijkse grens stuurde, met het doel de burgers te beschermen tegen overlast van het lokale vluchtelingenkamp. "Keulse toestanden zullen wij niet tolereren," aldus regeringspartij Fidesz op haar Faceboek-site.
Wie denkt aan hordes verkrachtende asielzoekers komt bedrogen uit. Er ging weliswaar het gerucht dat kampbewoners handballende meisjes in een nabijgelegen stadion hadden lastiggevallen. Volgens sommige media moesten de sportsters zelfs geëvacueerd worden. Ook zouden de asielzoekers een raampje hebben gebroken. 
Körmenders gingen de straat op om te protesteren tegen de onveilige omstandigheden. Maar feitelijk blijkt er helemaal niets gebeurd te zijn. Dat er een raampje kapot was, klopt weliswaar, maar niemand hoe dat precies komt. En de rest van het verhaal is volgens de regionale politiecommissaris János Tiborcz complete nonsens. Ook enkele van de betrokken meisjes hebben inmiddels verklaard dat ze nooit zijn lastiggevallen.
Niet dat daarnaar werd geluisterd. De regering, die asielzoekers als nationaal gevaar afschildert en geen enkele vluchteling wil toelaten, besloot de veiligheidseenheid hoe dan ook te sturen. Die houdt sindsdien strikt oog op ‘wangedrag’. Dat leverde een Afghaan al een boete van zo’n 150 euro op omdat hij naast het zebrapad was overgestoken.
En dat, terwijl de asielzoekers toch al goed in de gaten werden gehouden. Het vluchtelingenkamp, dat begin mei werd geopend, ligt niet toevallig aan het einde van een doodlopende weg op het terrein van de Körmendse politieschool. Vluchtelingen die de stad in willen, moeten eerst langs een sportveld vol politierecruten en langs talrijke politieagenten.
Het kamp zelf bestaat uit zo'n dertig legertenten met stapelbedden, samen goed voor driehonderd slaapplaatsen. Door de tentdaken steken kachelpijpen, maar in de koude nachten in mei was het steenkoud in de tenten, vertelt een Pakistaan. Er zijn zes wc's en zes douches. Om het kamp staat een hek en bij de ingang een kaalgeschoren bewaker. Wie het kamp in- of uit wil, moet zich bij hem melden. Van journalisten moet hij niets hebben.
Samen met een tweede kamp in het nabijgelegen Szent Gotthard dat binnenkort open moet gaan, wordt Körmend volgens de plannen straks het enige Hongaarse vluchtelingenkamp. Beide kampen liggen vlakbij de Oostenrijkse grens. Opvangcentra elders moeten sluiten en de bewoners worden geleidelijk hierheen overgebracht.
De Iraniër Mohamed Ali behoorde tot de eersten die dat overkwam. Hij arriveerde vier maanden geleden in Hongarije, nadat hij bij het drielandenpunt met Roemenië simpelweg om het einde van het beruchte hek langs de Hongaars-Servische grens was heengelopen. De eerste maanden zat hij in Bicske, een redelijk asielzoekerscentrum midden in Hongaren met echte gebouwen, behoorlijke voorzieningen en redelijk eten. "Maar twee weken geleden ben ik met vijftien anderen plotseling hierheen gestuurd."
Niemand heeft uitgelegd waarom hij moest verhuizen, maar Ali heeft zijn vermoedens. De beroerde behuizing, het slechte eten en de extreme controle zijn een goede aansporing om zo snel mogelijk weer weg te willen. "Ze willen gewoon dat we vertrekken. Toen ik hier kwam, waren er tweehonderd mensen. Nu nog maar honderd of zo." De rest? Hij gebaart naar het westen, waar achter glooiende akkers en bossen de Oostenrijkse grens loopt. "Het zijn een paar kilometer, je loopt er zo heen," zegt hij.
Sinds begin dit jaar zijn er meer dan 12000 asielzoekers in Hongarije geregistreerd, maar de meesten verlaten het land zo snel mogelijk. Eind april zaten er in het totaal nog geen 1800 mensen in Hongaarse asielzoekerscentra. De opening van het kamp in Körmend was voor buurland Oostenrijk aanleiding om vanaf 1 mei grenscontroles langs de Hongaarse grens te introduceren. Sommigen, vooral de extreemrechtse FPÖ die in het aan Hongarije grenzende bondsland Burgenland in de regering zit, pleiten ervoor een grenshek te bouwen.
In de eerste vier weken van de controles zijn 1919 mensen aangehouden. Dat is dertig procent meer dan in de hele periode tussen januari en eind april, toen in het totaal 1236 asielzoekers werden betrapt toen ze de grens overstaken.


woensdag 1 juni 2016

Deja Vue


Foto Runa Hellinga
Elektriciteit
Toen we in 1990 voor het eerst in Hongarije kwamen wonen, was het communisme net verdwenen. Nutsbedrijven zoals water, gas en licht en telefoon werden nog gerund door de staatsbedrijven die er veertig jaar lang weinig van gebakken hadden, en ik kan alleen maar zeggen, dat was een speciale ervaring. Vooral de elektriciteit en de telefoon lieten het regelmatig afweten. Iedere twee weken hingen we minstens één keer aan de lijn bij de 'klantenservice' omdat we weer eens niet konden bellen. Daarvoor moesten we naar een telefooncel, want als wij niet konden bellen, konden de buren dat ook niet. We deelden namelijk één telefoonlijn (om die reden konden we natuurlijk ook niet bellen, als de buren belden).
Dan hadden wij nog telefoon. Op het platteland was dat een onbekende luxe. Veel dorpen hadden eigenlijk geen telefoon, op één noodlijn na. Ook stromend water en gas waren in de meeste dorpen totaal onbekend. Dat er ook geen riolering was, sprak in dat verband vanzelf. Op veel wat afgelegen boerderijen gold dat trouwens ook voor elektriciteit.
Binnen de kortste keren meldden zich buitenlandse investeerders die de zieltogende staatsbedrijven overnamen. Toegegeven, de prijzen voor gas, licht en water gingen omhoog, maar de kwaliteit en de service ook.Alle dorpen hebben inmiddels stromend water en gas is ook normaal. Internet eigenlijk ook, al is dat niet overal even geweldig.
Dat zijn kostbare investeringen geweest, maar het is de bedrijven niet in dank afgenomen. Veel mensen lijken vergeten hoe het ooit was. Dat er een tijd zonder telefoon was, is in deze tijd van een mobieltje voor ieder gezinslid nauwelijks nog voor te stellen. Gaandeweg heeft de regering de nutsbedrijven de afgelopen jaren weer genationaliseerd,. Gelijktijdig zijn de tarieven voor nutsvoorzieningen verlaagd.
Het zal toeval zijn, maar voor het eerst in vijfentwintig jaar had ik deze week weer klachten over het elektriciteitsbedrijf: een aanmaning voor een rekening die we een maand geleden al betaald hadden.
Het werd dus tijd om me weer eens tot een klantenservice te wenden. Er persoonlijk heengaan leek me het handigste. Volgens de website van het elektriciteitsbedrijf was hun lokale kantoor drie dagen per week open. Of beter, drie halve dagen, waaronder woensdagochtend vanaf tien uur. Dus vanochtend om tien uur stond ik voor de deur.
Tot mijn stomme verbazing stond het voorportaal propvol met wachtenden. De reden w
erd al snel duidelijk: de website werd duidelijk niet goed bijgehouden. Tegenwoordig is het kantoor vanaf acht uur 's ochtends open en bovendien vijf dagen per week. Te zien aan de aanloop in het uur dat ik op mijn beurt wachtte was die verlenging van openingstijden bittere noodzaak.