Posts tonen met het label staatsbedrijven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label staatsbedrijven. Alle posts tonen

woensdag 1 juni 2016

Deja Vue


Foto Runa Hellinga
Elektriciteit
Toen we in 1990 voor het eerst in Hongarije kwamen wonen, was het communisme net verdwenen. Nutsbedrijven zoals water, gas en licht en telefoon werden nog gerund door de staatsbedrijven die er veertig jaar lang weinig van gebakken hadden, en ik kan alleen maar zeggen, dat was een speciale ervaring. Vooral de elektriciteit en de telefoon lieten het regelmatig afweten. Iedere twee weken hingen we minstens één keer aan de lijn bij de 'klantenservice' omdat we weer eens niet konden bellen. Daarvoor moesten we naar een telefooncel, want als wij niet konden bellen, konden de buren dat ook niet. We deelden namelijk één telefoonlijn (om die reden konden we natuurlijk ook niet bellen, als de buren belden).
Dan hadden wij nog telefoon. Op het platteland was dat een onbekende luxe. Veel dorpen hadden eigenlijk geen telefoon, op één noodlijn na. Ook stromend water en gas waren in de meeste dorpen totaal onbekend. Dat er ook geen riolering was, sprak in dat verband vanzelf. Op veel wat afgelegen boerderijen gold dat trouwens ook voor elektriciteit.
Binnen de kortste keren meldden zich buitenlandse investeerders die de zieltogende staatsbedrijven overnamen. Toegegeven, de prijzen voor gas, licht en water gingen omhoog, maar de kwaliteit en de service ook.Alle dorpen hebben inmiddels stromend water en gas is ook normaal. Internet eigenlijk ook, al is dat niet overal even geweldig.
Dat zijn kostbare investeringen geweest, maar het is de bedrijven niet in dank afgenomen. Veel mensen lijken vergeten hoe het ooit was. Dat er een tijd zonder telefoon was, is in deze tijd van een mobieltje voor ieder gezinslid nauwelijks nog voor te stellen. Gaandeweg heeft de regering de nutsbedrijven de afgelopen jaren weer genationaliseerd,. Gelijktijdig zijn de tarieven voor nutsvoorzieningen verlaagd.
Het zal toeval zijn, maar voor het eerst in vijfentwintig jaar had ik deze week weer klachten over het elektriciteitsbedrijf: een aanmaning voor een rekening die we een maand geleden al betaald hadden.
Het werd dus tijd om me weer eens tot een klantenservice te wenden. Er persoonlijk heengaan leek me het handigste. Volgens de website van het elektriciteitsbedrijf was hun lokale kantoor drie dagen per week open. Of beter, drie halve dagen, waaronder woensdagochtend vanaf tien uur. Dus vanochtend om tien uur stond ik voor de deur.
Tot mijn stomme verbazing stond het voorportaal propvol met wachtenden. De reden w
erd al snel duidelijk: de website werd duidelijk niet goed bijgehouden. Tegenwoordig is het kantoor vanaf acht uur 's ochtends open en bovendien vijf dagen per week. Te zien aan de aanloop in het uur dat ik op mijn beurt wachtte was die verlenging van openingstijden bittere noodzaak.


dinsdag 15 juni 2010

TELEFOONSTORING

Pakweg anderhalve week geleden, toen Vác zich aan het voorbereiden was op de overstroming van de Donau, zakte een auto vol zandzakken door de stoep voor ons huis. Ik had de plek al vaker met argwaan bekijken, er zat een rare holte in het asfalt waarvan de stoep is gemaakt. Zelf dacht ik altijd aan een lekke rioolbuis die het zand wegzoog, maar het bleek een put te zijn met stekkers en draden die iets met de telefoon te maken hadden.
De zandwagen stopte netjes, en legde een paar zandzakken om de put. Dat voorkwam in ieder geval dat er zomaar iemand in zou wandelen. Mijn verwachting dat een open put onze telefoonverbinding niet ten goede zou komen, was terecht. Toen de draden eenmaal onder water stonden, hadden we alleen nog maar gezoem op het toestel. Opmerkelijk genoeg deed onze computerverbinding het nog wel.
Toen het water eenmaal was gezakt, werd het spekgladde slib dat de Donau in de straat had achtergelaten in razend tempo weggeboend. Er kwam ook een ploeg van pakweg vier mensen om het hek rond het park van slib te ontdoen. Op zondag, nog wel. Maar het gat in de stoep bleef onaangeroerd. Nou, niet helemaal: op zeker moment plaatste iemand een verboden-in-te-rijden bord bij. Een nuttig advies, zeker.
Nu misten we die telefoon niet zo, want we gebruiken hem zelden, in deze tijden van Skype en mobiel. Maar gisteren besloot ik de firma Invitel toch eens te bellen. Maar goed ook, want ze wisten van niets. Vanochtend stond er promt een mannetje voor de deur. Er zit een putdeksel over het gat, en we hebben weer telefoon.
Het is de tweede keer binnen vier weken dat ik Invitel nodig had. Onlangs was ons computermodem kapot. En ook daar: binnen 24 uur hadden we een nieuwe. Gratis, en met een router erbij. Over de firma Invitel dus niets dan goeds. Ik herinner me dat uit het verleden, van de voorloper van Invitel, het Hongaarse staatstelefoonbedrijf Matav, wel anders.
Met de Matav hadden we twintig jaar geleden regelmatig van doen. We woonden toen in Boedapest, en deelden onze lijn met iemand anders, zoals trouwens vrijwel iedereen die op dat moment in Hongarije het geluk had überhaupt een telefoon te bezitten. Want dat was nog de tijd dat je tien jaar kon wachten op een aansluiting en huizen in één klap meer waard werden als er een telefoonlijn was
In ons geval deelden we onze lijn met onze buren. Dat was ongebruikelijk, maar zeer gunstig. Als het echt nodig was, konden we bij hen aankloppen met het verzoek of ze konden ophangen. Als je voor de radio werkt en om één uur in de uitzending móet zijn, is dat wel handig. En door onze badkamermuur konden we horen of de buurvrouw aan het kletsen was. Ook handig.
Met de buurvrouw konden we het gelukkig goed vinden, dus dat veroorzaakte weinig problemen. Met de Matav was onze relatie minstens even frequent, maar minder hartelijk. Minstens een keer in de twee weken lag de telefoon eruit. Dat konden we weer naar de telefooncel in de straat om het probleem te melden. Of naar de volgende telefooncel, als die voor de deur het weer eens niet deed. Ons Hongaars was zeer beperkt, maar de term hibabejelentés (storingsmelding) kwam er vlekkeloos uitrollen.
En dan was het afwachten. Het probleem, wisten we al redelijk snel, zat vrijwel altijd in de telefooncentrale. Die dingen waren antiek en staan inmiddels in het telefoonmuseum op de burcht in Boedapest. Maar de vraag was altijd, hoelang het duurde voor de Matav erkende dat de fout daar lag, en niet ergens bij ons in huis. Soms deed onze telefoon het binnen een uurtje weer, soms gingen er dagen over heen.
Toen in Hongarije ergens in 1993 de eerste 'mobiele telefoons' werden geïntroduceerd, waren we er dan ook als de kippen bij om zo'n toestel aan te schaffen. Mobiel is een relatief begrip voor een apparaat dat het formaat had van een fors telefoonboek en dat een stuk meer woog dan dat en om die reden ook eerder werd verkocht als 'autotelefoon'. Maar atijd bereikbaar zijn en niet meer afhankelijk van de Matav, wat een zegen. Daar hadden we wel een zere schouder voor over.