Posts tonen met het label antisemitisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label antisemitisme. Alle posts tonen

zondag 29 juni 2014

Een volle synagoge in de Hongaarse provincie

Concert in de synagoge van Albertirsa
“Joden in Albertirsa?” Het piepkleine oude dametje fronst nadenkend. “We hadden natuurlijk de winkelier, dat was een jood, maar die is dood. En verder? Volgens mij hebben we geen joden in het dorp, nee.” Ze kijkt haar dochter aan, maar ook die schudt haar hoofd. Of ze iets weten van de joden die er vroeger hebben gewoond? “Er waren hier in de negentiende eeuw veel joden, geloof ik. Mijn grootmoeder, die had er vast meer over kunnen vertellen, maar die leeft natuurlijk niet meer,” zegt de oude dame.
Ze heeft echt geen idee. Ze is geboren in 1940, toen er nog honderden joden in het Hongaarse Albertirsa woonden. Ze moet als klein kind regelmatig joden op straat tegen zijn gekomen, en met haar moeder boodschappen hebben gedaan bij een joodse winkelier. De massieve synagoge in het centrum van het dorp getuigt van een gemeenschap die stevig geworteld was. Maar in juni 1944, zij was hooguit vier, werden alle joden naar Auschwitz gestuurd. Slechts twintig mensen overleefden, en met de gemeenschap stierf de herinnering aan hen uit. Vandaag is de eerste keer dat ze echt worden herdacht.
Decennialang stond de synagoge in Albertirsa leeg. Na de oorlog is ze lange tijd als opslag gebruikt. De afgelopen jaren kreeg het gebouw een iets waardigere functie en werd enkele malen als tentoonstellingsruimte gebruikt. Af en toe komen er wandelaars langs die in de geschiedenis geïnteresseerd zijn.
Maar veel dorpelingen komen hier voor het eerst. Ze zijn duidelijk onder de indruk van de grote ruimte met zijn gewelfde korenblauw plafond, bezaaid met honderden kleine Davidsterren. Op de oostelijke muur is nog vaak de afdruk te zien van de Thoraschrijn en het baldakijn dat daarboven hing. Grotere, wat onregelmatig geschilderde Davidsterren rond de lampen verraden de boerse hand van een lokale schilder.
De dorpelingen zijn hier op uitnodiging van het Boedapest Festival Orkest (BFO) en de orthodoxe rabbijn Slomo Köves voor een concert en een voordracht over het Hongaarse jodendom. Het is een gemeenschappelijk project van de rabbijn en BFO-dirigent Iván Fischer. Met een serie optredens in leegstaande synagoges in de provincie hopen ze mensen bekend te maken met een vergeten stuk verleden en zo vooroordelen uit de weg te helpen.
Niet alleen hier in Albertirsa, ook in andere plaatsen is de belangstelling tot blijschap van de organisatoren overweldigend. “Het is zeventig jaar geleden dat deze ruimte voor het laatst zo vol met mensen zat als vandaag, en het is fantastisch om te zien dat dit gebouw weer tot leven komt,” zegt Fischer als hij de bomvolle zaal toespreekt.
De burgemeester kondigt aan dat de gemeente de synagoge gekocht heeft met de bedoeling er een herdenkingscentrum te maken. Als het aan rabbijn Köves ligt, zal de nadruk in dat centrum meer op het joodse leven dan op de Holocaust liggen. Hij is ervan overtuigd dat onbekendheid onbemind maakt en een belangrijke oorzaak is van het luider wordende antisemitisme in Hongarije.


vrijdag 22 november 2013

Onzin om een standbeeld

Toen de Roemeense dictator Nicolae Ceausescu op 22 december 1989 de benen nam, was ik toevallig vlak bij de Roemeense grens. Een paar uur later stond ik in in het pikkedonker in de Roemeense stad Arad. Echt pikkedonker. Straatverlichting was er niet, en iedereen hield de gordijnen potdicht om de weinige warmte die de verwarming gaf, binnen te houden. Bovendien mocht je per kamer maar één veertig watt gloeilampje hebben. Voor de generatie van de spaarlamp: veertig watt is echt niet veel.
Roemenië was mijn kennismaking met Het Gerucht en Het Complot. De eerste avond al stonden we op zeker moment voor een van de twee hotels die Arad telde, omdat het gerucht ging dat Nicu, de zoon van Ceausescu, zich daar met een aantal mensen van de Roemeense geheime dienst, de Securitate, verschanst zou hebben. Of het waar was, weet ik tot vandaag de dag niet, hoewel het baliepersoneel van dat hotel wel erg schichtig was en zich even na onze komst een eenheid van het Roemeense leger om het gebouw installeerde. Dat leger had de kant van de opstandelingen gekozen.. Misschien zat er dus wel iets in, in dat verhaal.
Timisoara 1989, kerkhof
De volgende dag waren we getuige van een bijna-lynchpartij. Een man die eruit zag als een priester, dreigde door een woedende menigte te worden opgeknoopt omdat het gerucht ging dat het eigenlijk een vermomde Securitate-agent was. Gelukkig greep een echte agent in, en nam de man mee. Geen idee hoe het verder afliep.
Een dag later werd er vanuit ons eigen hotel geschoten. Niemand had een idee wie daarvoor verantwoordelijk was en waar de schoten heengingen. Alle journalisten die zich in dat hotel verzameld hadden, zochten dekking in de hal. Op zeker moment kwam er een legereenheid binnen, die naar de bovenste verdieping vertrok en korte tijd later terugkeerde met een jongen die letterlijk aan zijn oor werd meegevoerd door een razende officier. Hij was misschien dertien, veertien jaar oud, en had een geweer bij zich dat pakweg net zo groot was als hijzelf. Hij had op het andere hotel geschoten, vanwege - nog steeds - het gerucht dat de Securitate zich daar verschool.
Maar het was in het naburige Timisoara dat me meest duidelijk werd ingepeperd dat een mensniet alles moet geloven wat hem wordt verteld. Op 16 december waren in die stad de protesten begonnen die uiteindelijk tot de vlucht van de Ceausescu's hadden geleid. Op het kerkhof van Timisoara waren lijken gevonden. In behoorlijke staat van ontbinding en allemaal met een vreemde snee over hun borstbeen.
Het waren, werd ons verteld, de lijken van demonstranten die een week eerder gearresteerd waren en daarna doodgemarteld. Die snee was het gevolg van martelingen, en de ontbinding ook: ze zouden met kokend water overgoten zijn, aldus een arts die de journalisten rondleidde. Ik was wat wantrouwend, maar iedereen schreef erover, dus wie was ik om het verhaal in twijfel te trekken?
Mijn wantrouwen was terecht. Het was een flauwekul-verhaal. De lijken, zo bleek achteraf, waren van mensen waar autopsie op gepleegd was, en sommigen waren vele maanden oud. Blijft misschien de vraag waarom er zoveel lichamen lagen waar autopsie op gepleegd was, en die blijkbaar nooit door iemand waren opgeëist om behoorlijk begraven te worden. Maar met de demonstranten had dit kerkhof niets van doen.
Ik moest aan het verhaal denken toen ik eerder deze week de berichten zag over een beeld van de joodse dichter Radnóti dat door onverlaten in duigen was gereden. De berichten repten over een antisemitische daad en brachten het in verband met andere gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Ik zag een foto in de krant van de auto die bij de aanslag was gebruikt. Een Mercedes die - het beeld was van graniet - behoorlijk in de kreukels lag. Zou ik, vroeg ik me af, zelfs als ik een enorme antisemiet was, mijn Mercedes opofferen om een beeld van een joodse dichter omver te rijden? Om maar te zwijgen van het risico voor mijzelf als chauffeur? Mijn wantrouwen was terecht: de bestuurder was de macht over zijn stuur verloren.
Wie dit blog volgt, weet dat ik me regelmatig behoorlijk bezorgd maak over het politieke klimaat in Hongarije. Maar gelijktijdig moet ik constateren dat de Roemeense ziekte - een geloof in ieder gerucht en iedere samenzweringstheorie - behoorlijk om zich heen heeft gegrepen in Hongarije. Van beide kanten, overigens. Dat begon al in 2006, toen de huidige regeringspartij Fidesz nog in de oppositie zat en een wat hardhandig (en vooral onhandig) politieoptreden tegen antiregeringsdemonstraties tot een massale schending van mensenrechten bombardeerde (let wel, een radicaal deel van die antiregeringsdemonstranten was kort daarvoor met een uit een tentoonstelling gestolen tank op agenten afgereden). Recent nog beschuldigde Fidesz oud-premier Gyurcsany er weer van dan dat hij persoonlijk opdracht van het harde politieoptreden zou hebben gegeven. Zonder daar het nodige bewijs bij te leveren, overigens.
En omgekeerd gebeurt het net zo hard.. Een paar weken geleden was ik met iemand van een menserechtenorganisatie in een dorp om te praten over een kleinschalig woonproject voor geestelijk gehandicapten. De dorpelingen waren mordicus tegen, want wie "wil er nou schreeuwende gekken in de straat" hebben lopen? De extremistische Jobbik bleken in de protesten een belangrijke rol te spelen, en een lokale aanhanger van die partij vertelde ons ook nog dat er sprake was van enorme corruptie, waar ook Fideszpolitici bij betrokken zouden zijn.
Als je de rekensom van het project nauwkeuriger bekeek, bleek het om 25.000 euro per persoon te gaan. Dat klinkt als een behoorlijke som geld, maar voor dat geld moet niet alleen onroerend goed worden gekocht, maar moeten de huizen ook nog eens zo worden verbouwd dat er zes tot acht personen in kunnen leven. Dat is echt iets anders dan een huis renoveren voor een doorsnee-gezin.
Bovendien gaat het om mensen die de nodige begeleiding behoeven, en moet de bestaande instelling waar ze nu verblijven, geschikt worden gemaakt voor dagopvang van mensen die thuis door hun familie verzorgd werden, of tijdelijke opvang, zodat familieleden ook eens op vakantie kunnen. Als je dat allemaal bij elkaar optelt, is 25.000 euro per persoon helemaal niet zoveel. En toch, de man van de mensenrechtenorganisatie, bepaald geen Jobbik-aanhanger, was de hele terugweg vervuld van dit corruptieschandaal.
Wat mij verbijstert, is hoe makkelijk weldenkende mensen in zulke verhalen meegaan. Deze week vertelde een collega mij dat ze met analisten had gesproken die meenden dat Jobbik wel eens 26 procent van de stemmen zou kunnen halen. Toen ik haar vroeg waar die analisten dat op baseerden (in opiniepeilingen staat Jobbik op 7 procent of zoiets) kwam er een vaag verhaal over alle activiteiten die de partij ontwikkelt. Nu denk ik zelf ook dat Jobbik meer dan zeven procent gaat halen. Maar de kloof tussen 7 en 26 is wel erg groot. Er kan uiteraard van alles gebeuren, maar op dit moment is zo'n cijfer toch vooral bangmakerij.

zondag 12 mei 2013

Antisemitisme: een verdiend imago?

Synagoge in Budapest
Honderden extremisten, protesterend tegen het Joodse Wereldcongres afgelopen week in Boedapest: het was geen fraai gezicht en bevestigde de internationale zorg over groeiende antisemitisme in Hongarije. Die zorg was zelfs de aanleiding geweest om de zitting van het congres van Jeruzalem naar Hongarije te verplaatsen. “Vandaag vragen joden in dit land zich opnieuw af of ze weg moeten gaan,” zei voorzitter Ronald S. Lauder in zijn openingsspeech.
Wie met het beeld van tierende skinheads op zijn netvlies de joodse wijk van Boedapest inloopt, ziet ook een andere werkelijkheid. Met 100.000 zielen heeft de Hongaarse hoofdstad de derde joodse gemeenschap van Europa. Er is een bloeiend cultureel leven, een toenemend aantal koosjere restaurants en winkels, en niemand ziet reden om de 14 synagogen of de drie joodse scholen in Boedapest speciaal te bewaken.
Zoals premier Viktor Orbán tijdens het congres constateerde: “Ik weet dat hier joodse leiders komen uit landen waar antisemitisme het leven van schoolkinderen heeft geëist. En van landen waar mensen zijn omgekomen bij bomaanslagen op synagogen. Niets van dat alles is tot nu toe in Hongarije gebeurd.”
Antisemitisme in Hongarije is vooral verbaal, bevestigt Péter Feldmajer, leider van de Hongaarse joodse gemeenschap. Maar dat verbale geweld neemt toe. En dat resulteert uiteindelijk vaak in echt geweld, zoals de voorzitter van het Hongaarse Raoul Wallenbergcomitée (en medeoprichter van regeringspartij Fidesz) afgelopen week ondervond toen hij door voetbalsupporters werd neergeslagen omdat hij hen aansprak op hun Sieg Heil-gebrul.
Orbán benadrukt graag de reeks maatregelen tegen antisemitisme, zoals de wet tegen hatespeech, die zijn regering heeft aangenomen. Onder zijn bewind kwam ook het Holocaust-herdenkingscentrum tot stand, waar schoolkinderen minstens één keer in hun schoolcarrière heen moeten. Hongarije is een van de weinige landen met een officiële Holocaust-herdenkingsdag en het onderwerp is sinds kort verplichte eindexamenstof. Volgens een nieuw plan kunnen scholen subsidie krijgen als ze naar Auschwitz willen. Dat was wel eens anders, zegt regeringswoordvoerder Ferenc Kumin: “Vroeger sloegen geschiedenisleraren de Holocaust vaak over of ontkenden hem zelfs.”
Toch wordt het Orbán vaak verweten, ook tijdens het Wereldcongres, dat hij geen afstand neemt van Jobbik, de antisemitische partij die sinds 2010 zitting heeft in het Hongaarse parlement. In een Israëlische krant deed de premier dat afgelopen week wel: “Als we de democratie willen beschermen, moeten we een duidelijk standpunt tegen Jobbik innemen. Jobbik heeft een ideologie ontwikkeld die de mensenrechten van joden duidelijk schendt, zowel als personen, en als gemeenschap.”
Tegenover die heldere taal staat de dubbele houding waarmee zijn partij het historische antisemitisme in Hongarije benadert en de rol die het land in de oorlog speelde. Aan de ene kant was er Fidesz-fractievoorzitter Antal Rógan, die samen met oppositieleiders Gordon Bajnai en Attila Mesterházy sprak bij een demonstratie tegen de oproep van een extremistische Jobbik-parlementariër die had opgeroepen om lijsten te maken joden op belangrijke functie.


maandag 3 december 2012

Tienduizend op de been tegen antisemitisme


De aanleiding was meer dan triest, maar dat zowel politici van oppositiepartijen als regeringspartij Fidesz de antifascisme-demonstratie gisteren op het Kossuth tér toespraken, en in alle gevallen respectvol werden aangehoord, gaf even het gevoel dat normale politieke verhoudingen toch nog mogelijk zijn, ook in Hongarije waar zelfs de oppositiepartijen in veel gevallen niet samen door één deur kunnen. Maar, zoals gezegd, de aanleiding, het feit dat een parlementariër van de extremistische Jobbik vorige week maandag in het parlement opriep om lijsten te maken van joodse parlementariërs en leden van de regering, is meer dan triest.


Op de demonstratie werd onderstaande film van regisseur András Salamon vertoond. Zeer indrukwekkend, maar wees gewaarschuwd, de beelden laten je niet onberoerd.
 


Nu is het niet echt verbazingwekkend dat Jobbik-woordvoerder Márton Gyöngyösi zulke gedachten koestert en uitspreekt. De partij heeft haar antisemitisme nooit onder stoelen of banken gestoken. Maar dat niet meteen de hele parlementszaal opstond om hem het zwijgen op te leggen, is minstens even triest. Hou me ten goede, ik ga niet beweren dat alle parlementariërs die bleven zitten en op dat moment niets zeiden, antisemieten zijn. Ik denk eerder dat het illustreert hoe alledaags antisemitische opmerkingen in Hongarije zijn.
En dan heb ik het niet over antisemitisme in de zin van "alle joden moeten aan het gas", maar meer opmerkingen in de trant van: "ach joden, die zijn altijd op geld uit." Iets waar Nederlanders ook niet vrij van zijn, trouwens. Ik was wel eens met een groep Nederlanders op stap in de joodse wijk, toen iemand verbaasd opmerkte: "Wat is het hier arm. Alle joden zijn toch rijk?"
Iemand voor jood uitschelden is in verkiezingstijd een populaire bezigheid, joden de schuld geven als het met je bedrijf slecht gaat ook en het aantal incidenten waarbij joden op straat lastig worden gevallen, neemt helaas toe. Het Horthy-regiem, dat voor de Tweede Wereldoorlog een reeks antisemitische wetten invoerde, wordt door de regering als historisch voorbeeld gezien, waarbij het antisemitisme als een onaangenaam verschijnsel in de kantlijn wordt afgehandeld. Het ministerie van onderwijs zag er onlangs geen been in drie antisemitische schrijvers toe te voegen aan het nationale curriculum. Niet als verplichte literatuur, maar toch.
Jobbik-parlementariërs hebben zich in het verleden vaker antisemitisch uitgelaten op het spreekgestoelte. Dat hoort inmiddels zo'n beetje bij de negatieve folklore van dit huis van afgevaardigden. Het is een klimaat waarin bij velen waarschijnlijk pas in tweede instantie doordrong dat met Gyöngyösi's oproep tot het maken van een lijst met joodse politici ("omdat ze een gevaar voor de staatsveiligheid kunnen vormen) een nieuwe grens overschreden was.
Wat vertraagd kwamen - ook van regeringszijde - de verontwaardigde reacties wel degelijk op gang, en het gezamenlijke optreden van de belangrijkste oppositieleiders en Fidesz-parlementariër Antal Rogan zondag was een hoopgevende gebeurtenis. Zo zagen de naar schatting tienduizend demonstranten op het Kossuth tér het duidelijk ook, want hoewel oppositieleider Bajnai onmiskenbaar de populairste van de drie sprekers was, werd de toespraak van Rogan met enthousiasme beluisterd.
Het was overigen duidelijk dat Rogan niet zozeer namens zijn partij, maar vooral namens zichzelf sprak. Terwijl beide andere sprekers het verband legden met de huidige politieke cultuur in Hongarije, waarin schelden en grove beschuldigingen aan de orde van de dag zijn, had hij het er vooral over dat hij persoonlijk bij een gebeurtenis als deze niet kon blijven zwijgen. Hij had het over de anti-joodse wetgeving van voor de Tweede Wereldoorlog en over het feit dat de vervolging van mensen altijd begint met het maken van lijsten. Hij sprak over zijn eigen kinderen, Daniel en Áron, die hij mee naar Auschwitz had genomen en die niet moesten leven in een wereld waar mensen om hun afkomst vervolgd werden. Maar hij zweeg over de rol die zijn partij speelt in het legitimeren van het Horthy-regiem, en over de rol die Fidesz met zijn tweederde meerderheid zou kunnen spelen om daadwerkelijk iets te doen.
Terecht constateerde de socialist Mesterhazy even later dat Fidesz-leider en premier Viktor Orbán tot nu toe gezwegen heeft. Hij riep Orbán op om vandaag in het parlement, persoonlijk, met zijn eigen woorden en zijn eigen stem,  de uitspraken van Gyöngyösi  te veroordelen, en hij riep Fidesz op haar twee derde meerderheid te gebruiken om Jobbik daadwerkelijk aan te pakken.
Dat de problemen dieper gaan dan alleen extreemrechts, daar legde Gordon Bajnai, leider van de nieuwe oppositiebeweging Samen 2014, vooral de nadruk op. Hij constateerde dat het feit dat iedereen het bijzonder vond dat oppositie- en regeringspolitici beiden het woord voerden, en konden voeren, tekenend is voor het Hongarije van vandaag: Wat eigenlijk zou zoiets heel normaal moeten zijn, maar "Wij zijn geen normaal land".
Een politiek klimaat waarin iedereen opponenten als regelrechte vijanden behandelt, en waar angst en haat regeren, maakt de democratie kapot en geeft extremisten een kans, was de kern van zijn boodschap: "Een leven zonder angst is een basisrecht voor iedereen. Je bent alleen democraat als je zelf geen angst hebt, maar ook bij anderen geen angst opwekt." Bajnai herinnerde er ook aan dat enkele jaren geleden, toen in een reeks aanslagen zes zigeuners opkomen en anderen hun huizen kwijtraakten, de reactie aanzienlijk gelatener was. "We hebben toen geen nationale rouw afgekondigd, en dat was een fout. Zulke fouten mag Hongarije niet meer maken."



zaterdag 28 juli 2012

Worstelen met antisemitisme


Holocaust monument aan de Donau
"Vergeleken met andere joodse gemeenschappen verkeren we in een goede positie. Maar als je de huidige situatie in Hongarije vergelijkt met die van twintig jaar geleden, gaat het duidelijk in een verkeerde richting." Péter Feldmajer, jurist en sinds 1991 afwisselend voorzitter en vicevoorzitter van de Hongaarse Vereniging van de Joodse Geloofsgemeenschap (MAZSIHISZ), wil geen paniek zaaien met verhalen over Hongarije als antisemitisch bolwerk. Maar zorgen heeft hij wel: "Het aantal gewelddadige incidenten kun je op één hand tellen, maar het antisemitisme wordt luider en virulenter."
Weinigen realiseren het zich, maar de Hongaarse joodse gemeenschap is, na Frankrijk en Engeland, in omvang de derde van Europa. Alleen in Boedapest al wonen zo’n 100.000 joden. In Duitsland wonen tegenwoordig weer ongeveer even veel joden, maar het overgrote deel daarvan zijn immigranten. Hongaarse joden hebben veelal wortels in het land die teruggaan tot de 19de eeuw of eerder.
Onder het communisme was de joodse gemeenschap een vrij onzichtbare bevolkingsgroep, want openlijke geloofsbeleving werd in die tijd sterk ontmoedigd. Maar de laatste jaren is er sprake van een sterke joodse opbloei. In de Hongaarse hoofdstad zijn 25 actieve synagogen, en op het platteland nog eens 20 tot 25. De joodse wijk met zijn rijk versierde godshuizen en een toenemend aantal koosjere winkels en restaurants behoort tot de belangrijkste toeristische attracties van Boedapest.
Antisemitisme is er zeker. Uit onderzoeken naar tolerantie in Hongarije blijkt bijvoorbeeld dat twintig procent van de Hongaren geen joodse buren wil hebben. Maar in tegenstelling tot Parijs of Antwerpen hebben de synagogen in Boedapest geen permanente bewaking nodig en is antisemitisch geweld zeldzaam.
Misschien dat het juist daarom opvalt als binnen luttele weken een vooraanstaande rabbijn op straat wordt uitgescholden, een joodse man in elkaar wordt geslagen, een Holocaustmonument wordt beklad en een parlementariër van de extremistische Jobbik zich antisemitisch uitlaat in het parlement.
Die incidenten zijn verontrustend, maar het blijven voorlopig incidenten, waarvoor de verantwoordelijkheid gezocht moet worden bij een harde kern van extreemrechts. Dat ligt anders met de groeiende conservatieve herwaardering voor het vooroorlogse Hongaarse staatshoofd admiraal Miklós Horthy, een bondgenoot van Hitler.


zondag 17 juni 2012

Raszuivere Hongaar


Holocaust-monument langs de Donau
De Hongaarse Medische Onderzoeksraad deed afgelopen week aangifte tegen een genetisch diagnostisch bedrijf dat een Jobbik-parlementariër op raszuiverheid heeft getest. De man, wiens naam onbekend is gebleven, kreeg op papier de garantie dat hij 100 procent zeker geen joodse of zigeunervoorouders had.
Zuiver bloed is belangrijk bij de extremistische Jobbik. Ze danken hun aanhang vooral aan hun hetze tegen zigeuners, maar als die het niet gedaan hebben, kun je altijd nog de joden de schuld geven: antisemitisme is het tweede stokpaardje van de partij. Van partijvoorzitter Gábor Vona is ook ooit beweerd hij joods bloed had. Hij nodigde partijgenoten prompt uit op de wc te komen kijken of hij besneden was.
Het document dat de Jobbik-afgevaardigde  raszuiver was, werd al in 2010, kort voor de lokale verkiezingen, afgegeven. Nagy Gén, een bedrijf dat gevestigd is in de gerenommeerde ELTE-universiteit in Budapst, testte het genoom van de parlementariër op achttien punten die volgens het bedrijf uitsluitsel geven over de aanwezigheid van  joodse of zigeunervoorouders. Het was een extremistische website die de zaak aan het rollen bracht. Uiteraard niet omdat ze tegen die test waren. Ze prezen de nobele stap van de Jobbik-afgevaardigde.
In Hongarije leidde de kwestie behalve tot aangifte en morele verontwaardiging ook tot een debat of zulk onderzoek technisch eigenlijk mogelijk is. Maar dat is uiteraard niet de essentie. Waar het om gaat, is wat de vraag hoe het kan dat een bedrijf überhaupt bereid kan zijn tot zo'n onderzoek en blijkbaar zelf niet inziet dat met zo'n onderzoek een grens overschreden wordt.