zaterdag 9 mei 2015

De doodstraf en het geweten van een strafrechter.

Doodstraf onder het communisme: de galg
De Hongaarse premier Viktor Orbán blijft met de doodstraf spelen. Tegen de EU zegt hij dit, tegen zijn aanhang dat. Ieder volk moet het recht hebben om er zelf over te beslissen, is zijn laatste stelling. Er zijn goede argumenten tegen de doodstraf, met als belangrijkste de kans dat je de verkeerde ophangt. Of de juiste, maar dat de doodstraf een onevenredige strafmaat is. Je kunt trouwens zelfs aanvoeren dat de doodstraf in sommige gevallen misschien milder is dan iemand voor zestig jaar opsluiten.
Maar waar zelden iemand bij stilstaat, is dat er ook nog een rechter is die die straf moet uitspreken. Wat doet het met een mens als je iemand anders tot de galg veroordeelt? Midden jaren tachtig sprak Zoltan Nagy als strafrechter de laatste terdoodveroordeling uit in de regio Györ-Moson-Sopron. Het was de enige keer in zijn leven dat hij dit oordeel velde, en sindsdien laat het hem niet meer los. 
De zaak waarover Nagy moest oordelen is echt zo'n geval waarbij je voor de dader geen enkele sympathie kunt opbrengen. De man, die in de lokale kroeg werkte, werd verliefd op een vrouw uit het dorp. Zij was getrouwd, had twee kinderen en ze was totaal niet in hem geïnteresseerd. Hij was een stalker die simpelweg moordde omdat hij zijn zin niet kreeg. Maar toch. Hieronder het verhaal van de rechter, zoals het regionale blad Kis Alföld dat optekende.  
“Zij deed er alles aan om hem te ontwijken, maar op een dorpsfeest vroeg hij haar ten dans. Hoewel nee zeggen dan eigenlijk niet hoort, deed ze dat toch. De man was diep beledigd. Wie was zij om hem af te wijzen? Onmetelijke woede en haat vervulden hem, en daarbij speelde alcohol zonder enige twijfel een rol. Hij besloot dat de vrouw en haar man een verschrikkelijke wraak verdiend hadden.
Op een avond drong hij hun tuin binnen en stak de man, die naar buiten was gekomen vanwege het lawaai, in het hart. Daarop vermoorde hij ook de moeder, met in het totaal veertig steken. De kleine kinderen waren intussen in huis en hadden niet door wat er gebeurde. Toen hun ouders niet terugkwamen, gingen ze naar de buren, gelukkig zonder te merken wat er gebeurd was. De volwassen buurman vond de lijken de volgende ochtend vroeg.
In de loop van het proces moet ik ook de kinderen ondervragen. Ze kwamen met hun grootouders, en ik vroeg hen, of ze wisten wat er met hun moeder en hun vader was gebeurd. Dat weten we, want we waren bij hun begrafenis, kwam het antwoord. Maar de kleinste, die nog niet eens op school zat, voegde eraan toe: 'Maar wanneer komen ze thuis?'. Dat vergeet ik nooit meer.
In de loop van het proces werd steeds duidelijker in welke richting we gingen. Wat de feiten betreft en juridisch was het een eenvoudige zaak. Er was geen twijfel over de dader, of over de methode van de moord. Het was duidelijk dat die moord vooraf beraamd was, en ook, dat het om meerdere mensen ging. De buitengewone wreedheid stond ook vast. En het motief was ook duidelijk: de moeder van twee kinderen moest simpelweg sterven omdat ze haar ‘minnaar’ had afgewezen. De wet gaf in die tijd, als er meerdere bezwarende omstandigheden waren, ook de mogelijkheid – maar niet de verplichting – om de doodstraf op te leggen. Voor mij was in dit geval de cruciale vraag of de dader toerekeningsvatbaar was. Hij werd onderzocht, en hij was toerekeningsvatbaar.
Er restte maar een kwestie: was ikzelf in staat om de wet toe te passen? Dat was geestelijk geen geringe last. Ik beloofde mezelf dat als deze man in staat was om onder ogen te zien wat hij had gedaan, als hij in staat was om onder het gewicht van zijn eigen daad te breken, dat dan ook zijn straf zou zijn. Dan moest ik hem zijn leven laten behouden. Maar hij gaf me daartoe geen kans. Behalve dat hij medelijden had met zichzelf, en kiespijn en dat hij klaagde over het eten in de gevangenis, zat hij nergens mee.
Toen ik mijn oordeel velde, lette ik speciaal op zijn gezicht. Als ik ooit een houten kop heb gezien, dan was het de zijne. Op dat moment lijdt de rechter minstens net zo zeer als de verdachte. Maar de uitspraak is niet definitief, want er zijn meerdere instanties die er daarna nog over oordelen. De uitspraak is dan ook niets in vergelijking met wat de dienaar van de wet te wachten staat bij de executie.
De zaak doorliep alle beroepsprocedures, maar het doodsvonnis bleef staan. Volgens de toenmalige wet was de executie de taak van de rechter die het oorspronkelijke oordeel had geveld, van mij dus. Ik bracht hem in de gevangenis het nieuws dat zijn gratieverzoek was afgewezen en dat de executie de volgende dag zou plaatsvinden. De ooit totaal onbewogen man stortte in elkaar. Hij schreeuwde ongearticuleerd, maakte gebaren, maar het was niet mogelijk te verstaan wat hij zei. Een psychiater onderzocht hem, nog een keer, de laatste keer.
De volgende ochtend gingen we naar de executie. Ze hadden een gehavende tafel opgezet in een grote schuur. Ze brachten de man binnen, die zich verzette. Hij schopte met opgeheven armen. Zijn laatste wensen waren daarvoor vervuld: hij had met zijn moeder kunnen praten en iets te eten gevraagd. Ik las het hele oordeel nog eens voor, maar vanwege zijn aanhoudende gegil kon ik mijn eigen stem nauwelijks horen. “Het oordeel wordt uitgevoerd” was de instructie die ik moest geven. En zo gebeurde het. Hij werd opgehangen. Daarna wachtten we nog vijftien minuten, in treurige stilte, tot de dokter het resultaat van zijn onderzoek gaf, dat de man werkelijk dood was.
Het was zo’n verschrikkelijke, afschuwelijke zaak, dat ik toen op dat moment tegen mezelf zei: dit doe ik nooit meer. Ik diende de staat, en  de rechter is gehouden om de wet te handhaven. En wat minstens net zo belangrijk is: hij mag niet kiezen! Het kan niet zo zijn dat hij zegt: deze wet bevalt me, maar die niet en die pas ik niet toe. Ik kon slechts hopen dat iets vergelijkbaars mij niet nog eens ten deel zou vallen. Niet vanwege de zaak zelf. Die was overduidelijk. Maar de staat mag niet doden. Toen niet. Nu ook niet."


1 opmerking:

Nieuws uit Hongarije zei

'Maar de staat mag niet doden.'
Daar valt niets aan toe te voegen. Hoe groot de misdaad ook is: 'Maar de staat mag niet doden.'

Jan