zondag 1 december 2013

Eindexamenperikelen III: een snufje adel

"Ik moet bekennen, ik begrijp nog steeds niet waarom dit voor Hongaren zo belangrijk is," zeg ik tegen de vader van de klasgenoot van mijn zoon, terwijl we foto's staan te nemen van onze kinderen die net het schoollintje opgespeld hebben gekregen, het officiële teken dat ze eindexamenkandidaten zijn. Ze staan, de jongens in hun nieuwe nette pakken, de meisjes in strakke en o zo sexy jurkjes die op een enkele cocktailparty zouden misstaan, netjes in rijen opgesteld klaar voor de foto, omringd door stralende, trotse ouders. Alsof ze het examen al gehaald hebben.
Hij haalt zijn schouders op. "Ik ook niet," zegt hij, wat grinnikend, "Ik mag dan wel Hongaar zijn, maar dit hadden we Joegoslavië niet." Dat was ik even vergeten: hij komt uit de Vojvodina, tegenwoordig een deel van Servië. Dit spektakel, constateert hij, is weliswaar een nationale, maar geen algemeen Hongaarse gewoonte.
Ouders, grootouders, broers, zussen, ooms en tantes, ze zijn in drommen komen opdagen om deze belangrijke dag mee te maken. Iedere keer als een naam wordt afgeroepen en een kandidaat een lintje opgespeld krijgt, gaat ergens in de zaal gejuich op, alsof betrokkene een bijzondere prestatie heeft geleverd. Misschien is dat ook wel zo: twaalf jaar lang Hongaars onderwijs is zeker niet niets. Grote klassen, lange dagen, veel huiswerk, vaak ouderwetse leraren met ouderwetse onderwijsopvattingen. Je mag er best bewondering voor hebben. Nu dat examen nog.
Maar we hebben de hoofdmoot van het programma nog voor ons: het bal. Of beter, de ingestudeerde dansen. Wekenlang hebben ze geoefend, tijdens de gymles, tijdens het wekelijkse klassenuur, voor school, na school, in het weekend. Onze zoon doet twee dansen, een Russische volksdans en de Weense wals of wat daar volgens zijn dansleraar voor door moet gaan, want de dans lijkt meer op een minuet denken met af en toe wat walspassen tussendoor. Aan de hiphopdans van de gezamenlijke jongens doet hij niet mee.
Als het bal een ding bewijst, dan is het wel dat kleren de man (of vrouw maken). De gehuurde baljurken en rokkostuums veranderen iedere puber, hoe puistig ook, in een prins of prinses, of op zijn minst een graaf of gravin. Zelfs hun manier van bewegen verandert, ook als ze niet dansen. Statig schrijden ze voort, geconcentreerd zetten ze hun stappen, bevallig spreiden ze hun jurk uit als ze knielen voor een bewonderende peuter.
Ik realiseer me plotseling: we kijken hier naar een wonderlijke afspiegeling van het adellijke debutantenbal. Het is niet zozeer een Hongaarse gewoonte, maar een vorstelijke gewoonte die hier in stand wordt gehouden, behalve dat er natuurlijk geen sprake is van een echt bal. Er wordt niet geflirt, er zijn geen balboekjes, geen flonkerende kristalluchters of glazen champagne en niemand is hier in de hoop een geschikte huwelijkskandidaat tegen het lijf te lopen, want iedereen kent elkaar al jaren. En op een echt bal heb je natuurlijk ook geen tribunes van waaraf ouders en de rest van de familie toekijken.
Maar net als het debutantenbal wordt dit bal door de aanwezige ouders duidelijk als het begin van een nieuwe fase in het leven gezien. Als de officiële dansen afgelopen zijn en de toeschouwers zich ook op de dansvloer mogen begeven om te dansen met hun zoon of dochter, feliciteert iedereen elkaar. Met wat eigenlijk? "Nu zijn het geen kinderen meer, maar volwassenen," zegt een moeder trots tegen me.
Er klinkt een wals uit de luidsprekers, het begint steeds meer op een echt bal te lijken en ik zie een jongen met een handkus een oudere dame ten dans vragen. Volgens mij klikt hij er zelf even met zijn hakken bij. Ze begeeft zich stralend in zijn armen. Anderen kleden zich alvast om, voor de afterparty: ze gaan met zijn allen naar een club.
Mijn zoon gaat ook. Tot nu toe hield hij het bij feesten op cola, en kwam daarna altijd licht geschokt over het bezopen gedrag van anderen thuis. Maar sinds een paar maanden drinkt hij af en toe een cider en de tijd van alleen maar frisdrank is duidelijk voorbij. Ik kan niet klagen, hij is haast achttien. Volwassen dus, inderdaad. Ik hoop alleen dat hij dat niet met zijn eerste kater betaalt.
(Als ik hem daar later naar vraag, kijkt hij me verbijsterd aan. "Kater, hoezo? Ik heb iets gedronken, ja, maar echt niet veel.")





vrijdag 22 november 2013

Onzin om een standbeeld

Toen de Roemeense dictator Nicolae Ceausescu op 22 december 1989 de benen nam, was ik toevallig vlak bij de Roemeense grens. Een paar uur later stond ik in in het pikkedonker in de Roemeense stad Arad. Echt pikkedonker. Straatverlichting was er niet, en iedereen hield de gordijnen potdicht om de weinige warmte die de verwarming gaf, binnen te houden. Bovendien mocht je per kamer maar één veertig watt gloeilampje hebben. Voor de generatie van de spaarlamp: veertig watt is echt niet veel.
Roemenië was mijn kennismaking met Het Gerucht en Het Complot. De eerste avond al stonden we op zeker moment voor een van de twee hotels die Arad telde, omdat het gerucht ging dat Nicu, de zoon van Ceausescu, zich daar met een aantal mensen van de Roemeense geheime dienst, de Securitate, verschanst zou hebben. Of het waar was, weet ik tot vandaag de dag niet, hoewel het baliepersoneel van dat hotel wel erg schichtig was en zich even na onze komst een eenheid van het Roemeense leger om het gebouw installeerde. Dat leger had de kant van de opstandelingen gekozen.. Misschien zat er dus wel iets in, in dat verhaal.
Timisoara 1989, kerkhof
De volgende dag waren we getuige van een bijna-lynchpartij. Een man die eruit zag als een priester, dreigde door een woedende menigte te worden opgeknoopt omdat het gerucht ging dat het eigenlijk een vermomde Securitate-agent was. Gelukkig greep een echte agent in, en nam de man mee. Geen idee hoe het verder afliep.
Een dag later werd er vanuit ons eigen hotel geschoten. Niemand had een idee wie daarvoor verantwoordelijk was en waar de schoten heengingen. Alle journalisten die zich in dat hotel verzameld hadden, zochten dekking in de hal. Op zeker moment kwam er een legereenheid binnen, die naar de bovenste verdieping vertrok en korte tijd later terugkeerde met een jongen die letterlijk aan zijn oor werd meegevoerd door een razende officier. Hij was misschien dertien, veertien jaar oud, en had een geweer bij zich dat pakweg net zo groot was als hijzelf. Hij had op het andere hotel geschoten, vanwege - nog steeds - het gerucht dat de Securitate zich daar verschool.
Maar het was in het naburige Timisoara dat me meest duidelijk werd ingepeperd dat een mensniet alles moet geloven wat hem wordt verteld. Op 16 december waren in die stad de protesten begonnen die uiteindelijk tot de vlucht van de Ceausescu's hadden geleid. Op het kerkhof van Timisoara waren lijken gevonden. In behoorlijke staat van ontbinding en allemaal met een vreemde snee over hun borstbeen.
Het waren, werd ons verteld, de lijken van demonstranten die een week eerder gearresteerd waren en daarna doodgemarteld. Die snee was het gevolg van martelingen, en de ontbinding ook: ze zouden met kokend water overgoten zijn, aldus een arts die de journalisten rondleidde. Ik was wat wantrouwend, maar iedereen schreef erover, dus wie was ik om het verhaal in twijfel te trekken?
Mijn wantrouwen was terecht. Het was een flauwekul-verhaal. De lijken, zo bleek achteraf, waren van mensen waar autopsie op gepleegd was, en sommigen waren vele maanden oud. Blijft misschien de vraag waarom er zoveel lichamen lagen waar autopsie op gepleegd was, en die blijkbaar nooit door iemand waren opgeëist om behoorlijk begraven te worden. Maar met de demonstranten had dit kerkhof niets van doen.
Ik moest aan het verhaal denken toen ik eerder deze week de berichten zag over een beeld van de joodse dichter Radnóti dat door onverlaten in duigen was gereden. De berichten repten over een antisemitische daad en brachten het in verband met andere gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Ik zag een foto in de krant van de auto die bij de aanslag was gebruikt. Een Mercedes die - het beeld was van graniet - behoorlijk in de kreukels lag. Zou ik, vroeg ik me af, zelfs als ik een enorme antisemiet was, mijn Mercedes opofferen om een beeld van een joodse dichter omver te rijden? Om maar te zwijgen van het risico voor mijzelf als chauffeur? Mijn wantrouwen was terecht: de bestuurder was de macht over zijn stuur verloren.
Wie dit blog volgt, weet dat ik me regelmatig behoorlijk bezorgd maak over het politieke klimaat in Hongarije. Maar gelijktijdig moet ik constateren dat de Roemeense ziekte - een geloof in ieder gerucht en iedere samenzweringstheorie - behoorlijk om zich heen heeft gegrepen in Hongarije. Van beide kanten, overigens. Dat begon al in 2006, toen de huidige regeringspartij Fidesz nog in de oppositie zat en een wat hardhandig (en vooral onhandig) politieoptreden tegen antiregeringsdemonstraties tot een massale schending van mensenrechten bombardeerde (let wel, een radicaal deel van die antiregeringsdemonstranten was kort daarvoor met een uit een tentoonstelling gestolen tank op agenten afgereden). Recent nog beschuldigde Fidesz oud-premier Gyurcsany er weer van dan dat hij persoonlijk opdracht van het harde politieoptreden zou hebben gegeven. Zonder daar het nodige bewijs bij te leveren, overigens.
En omgekeerd gebeurt het net zo hard.. Een paar weken geleden was ik met iemand van een menserechtenorganisatie in een dorp om te praten over een kleinschalig woonproject voor geestelijk gehandicapten. De dorpelingen waren mordicus tegen, want wie "wil er nou schreeuwende gekken in de straat" hebben lopen? De extremistische Jobbik bleken in de protesten een belangrijke rol te spelen, en een lokale aanhanger van die partij vertelde ons ook nog dat er sprake was van enorme corruptie, waar ook Fideszpolitici bij betrokken zouden zijn.
Als je de rekensom van het project nauwkeuriger bekeek, bleek het om 25.000 euro per persoon te gaan. Dat klinkt als een behoorlijke som geld, maar voor dat geld moet niet alleen onroerend goed worden gekocht, maar moeten de huizen ook nog eens zo worden verbouwd dat er zes tot acht personen in kunnen leven. Dat is echt iets anders dan een huis renoveren voor een doorsnee-gezin.
Bovendien gaat het om mensen die de nodige begeleiding behoeven, en moet de bestaande instelling waar ze nu verblijven, geschikt worden gemaakt voor dagopvang van mensen die thuis door hun familie verzorgd werden, of tijdelijke opvang, zodat familieleden ook eens op vakantie kunnen. Als je dat allemaal bij elkaar optelt, is 25.000 euro per persoon helemaal niet zoveel. En toch, de man van de mensenrechtenorganisatie, bepaald geen Jobbik-aanhanger, was de hele terugweg vervuld van dit corruptieschandaal.
Wat mij verbijstert, is hoe makkelijk weldenkende mensen in zulke verhalen meegaan. Deze week vertelde een collega mij dat ze met analisten had gesproken die meenden dat Jobbik wel eens 26 procent van de stemmen zou kunnen halen. Toen ik haar vroeg waar die analisten dat op baseerden (in opiniepeilingen staat Jobbik op 7 procent of zoiets) kwam er een vaag verhaal over alle activiteiten die de partij ontwikkelt. Nu denk ik zelf ook dat Jobbik meer dan zeven procent gaat halen. Maar de kloof tussen 7 en 26 is wel erg groot. Er kan uiteraard van alles gebeuren, maar op dit moment is zo'n cijfer toch vooral bangmakerij.

woensdag 6 november 2013

Eindexamenperikelen II: keuzes, keuzes, keuzes

Rood geblokte kleedjes
Mijn zoon en ik hebben gisteren een eindexamenkostuum gekocht. Hoogste tijd, want het lintjesbal, het eerste officiële onderdeel van  zijn Hongaarse eindexamenjaar, nadert met rasse schreden en daar moet dit pak voor het eerst dienst doen. Het is prachtig en hij ziet er elegant in uit, al zeg ik het zelf, maar dat mag dan ook wel voor dat geld.
Bij het bal zelf heeft dat pak overigens eigenlijk helemaal geen functie. Het enige moment dat hij het aan heeft, is tijdens de ceremonie vooraf, bij het overhandigen van een lintje dat eindexamenkandidaten het hele jaar mogen dragen om de buitenwereld te tonen dat ze bij een bepaalde school eindexamen doen. Voor het bal krijgen ze een rokkostuum. Dat wordt gehuurd en daar heeft onlangs iemand op school de maat voor genomen. En verder dansen ze in Russische klederdracht. Mijn zoon moet sinds weken iedere donderdagochtend om zeven uur op school zijn om een kozakkendans in te studeren. De andere dansles valt in de gym-uren en dan oefenen ze een Weense wals. Af en toe staat hij thuis pasjes te oefenen.
Terwijl het bal nadert, woeden er per e-mail al heftige discussies tussen de ouders over de volgende onderdelen van dit feestjaar. Want er moeten belangrijke keuzes gemaakt worden. Over het afsluitende eindexamenbanket bijvoorbeeld. Waar dat plaats moet vinden, lijkt mij tamelijk simpel: in een restaurant waar de examenkandidaten enthousiast over zijn. Het is per slot van rekening hun feest. De klassenleraar had Troféa gesuggereerd, een favoriete bestemming voor scholieren als er iets te vieren valt. Een buffet waar je onbeperkt van kan kiezen, met voor elk wat wils: vis, acht soorten soep, vlees dat je ter plekke laat grillen, een keur aan toetjes. De kwaliteit is goed, de aankleding modern, de prijzen vriendelijk. Wat wil een hedendaagse jongere meer? De meeste leerlingen steunen het idee van harte.
Zo niet de ouders, althans, niet alle ouders. De groep heeft zich duidelijk in twee kampen gesplitst: diegenen die menen dat het eindexamenbanket er voor de eindexamenkandidaten is, en die dus zelf moeten beslissen, en die ouders die zich met hand en tand verzetten tegen deze all-you-can-eat-optie. Wat hen drijft, is mij een raadsel, want we zijn niet eens uitgenodigd, dus het kan er niet om gaan dat ze zelf liever ergens anders eten. Prestige? Niet deftig genoeg?
Wat die ouders dan wel willen? Er is bij enkelen enthousiasme ontstaan voor een restaurant genaamd de Pollepel, waar een van de vaders blijkt te werken. Het is gevestigd in de Grote Markthal en adverteert zichzelf als een plek voor bedrijfsbijeenkomsten en huwelijken, en prijst daarbij zijn traditionele rood-wit geblokte tafelkleedjes en Hongaarse keuken aan: salami, trapista-kaas, kaantjescreme, ingelegd zuur, karbonade op de wijze van de Pollepel (bedolven onder spek, kaas, ham, champignons en doperwtjes), gegratineerde groente. En room, veel zure room. Ik heb het nu over hun speciale feestmenu.


donderdag 24 oktober 2013

Fidesz, alvast gefeliciteerd!

Tekenen voor een lagere energierekening
Ergens komen voorjaar gaat Hongarije naar de stembus. Ik denk dat ik niet voorbarig ben om regeringspartij Fidesz bij deze al te feliciteren met de overwinning. Niet omdat ik verkiezingsfraude voorzie, hoewel ik wat geknoei niet wil uitsluiten als je de gebeurtenissen bij tussentijdse verkiezingen in Baja van de afgelopen weken bekijkt. Daar moest in één district opnieuw worden gestemd, omdat uit een bij het stembureau opgenomen filmpje bleek dat een man zigeuners kwam brengen die overduidelijk waren betaald om op Fidesz te stemmen.
Vervolgens verscheen er een ander filmpje op het internet waarin te zien was hoe iemand voor 50.000 forint stemmen voor Fidesz kocht. Maar die video op zijn beurt is waarschijnlijk een vervalsing, naar het schijnt een privaat initiatief van wat overijverige oppositieaanhangers. Hoewel je natuurlijk ook nog kunt verzinnen dat Fidesz dat filmpje heeft gemaakt om de MSzP ervan te beschuldigen dat ze valse beschuldigingen aan het adres van Fidesz doen. Kunt u hem nog volgen? Als je eenmaal in complottheorieën gaat denken, houdt het nooit op. Hoe dan ook, politiek op hoog niveau, van beide zijden.
Maar ook zonder geknoei (waarom zou je eigenlijk knoeien als je overwinning al vaststaat?) lijkt het me tamelijk onwaarschijnlijk dat Fidesz de komende verkiezingen verliest, tenzij er iets heel opmerkelijks gebeurt. En dat niet eens omdat de regeringspartij zo razend populair is. In de peilingen is Fidesz weliswaar verreweg de grootste partij, maar als je de hele bevolking bekijkt, inclusief alle mensen die niet gaan stemmen, heeft de regeringspartij pakweg een derde van alle Hongaren
achter zich.
Natuurlijk heeft Fidesz de beste uitgangspositie. Om te beginnen heeft de partij het overgrote deel van de media mee. De staatsmedia zouden het niet meer durven kritisch over de regering te zijn, alle kritische journalisten daar zijn al lang hun baan kwijt. En zoals je in een verkiezingsjaar kunt verwachten, is de regering begonnen leuke dingen voor de mensen te doen. Meest opvallende onderdeel is de korting van de energieprijzen. Opdat mensen dat cadeautje op kosten van de energiebedrijven vooral niet al te snel vergeten, zijn afgelopen maanden door de regering ondersteunde handtekeningenacties gehouden ter ondersteuning van deze regeringsverordening.Wat curieus, maar het werkt natuurlijk wel aardig als onofficiële verkiezingscampagne.
Die korting heeft de populariteit van Fidesz een boost gegeven, onmiskenbaar. Er komt deze winter nog een tweede korting aan, dus dat zit wel snor. Ook is er al wat extra geld beloofd aan gepensioneerden. Voor geld zijn veel kiezers te koop. Maar ook zonder zulke leuke dingen voor de mens lijkt de kans momenteel miniem dat de oppositie wint. En daar hoef je echt de media of Fidesz niet de schuld van te geven. De oppositiepartijen hebben het momenteel namelijk ontzettend druk met het graven van hun eigen graf.
Voor een hanengevecht hoef je niet naar Mexico, of waar ze die 'sport' ook mogen beoefenen. De haantjes in de Hongaarse oppositie gaan misschien iets minder bloedig met elkaar om, maar hun onderlinge strijd leidt net zo goed als een echt hanengevecht tot een slachtpartij. "Om te verliezen heb ik geen samenwerking met anderen nodig," zei de socialistische leider Attila Mesterházy enkele maanden geleden tegen buitenlandse correspondenten. Wat hij bedoelde, was dat zijn partij hoe dan ook groot genoeg is om als tweede in het parlement te eindigen. De Hongaarse kieswet kent een kiesdrempel. Partijen moeten minimaal vijf procent van de stemmen krijgen, verkiezingscoalities zelfs 10 procent. Anders krijg je gewoon helemaal geen zetel in het parlement. De MSzP haalt dat wel, de rest van de oppositiepartijen hebben het een stuk moeilijker.


woensdag 16 oktober 2013

Orbáns dure voetbaldroom

Orbáns sauna met het stadion op de achtergrond
Klein maar fijn, zeer fijn is het voetbalstadion dat in het Hongaarse Felcsút verrijst. Het sportpaleisje, een ontwerp van toparchitect Imre Makovecz, wordt het duurste en modernste van Hongarije. En zeer exclusief: onder de overkapping van hardhouten boomstructuren, een kermerk van Makovecz, is straks slechts plaats voor 3500 toeschouwers. Nog veel trouwens voor een dorp met 1800 inwoners.
Het stadion is onderdeel van de Ferenc Puskas Voetbalacademie, in 2006 opgericht door de huidige Hongaarse premier Viktor Orbán. Hij hoopt er een nieuwe generatie topvoetballers op te leiden die de tijden van het Gouden Hongaarse voetbalteam uit de jaren vijftig kunnen laten herleven. Er is, liet de recente uitslag tegen Nederland zien, nog wat werk te verrichten.
De academie is gevestigd in een landhuis, omringd door een aantal  door Makovecz ontworpen bouwwerken die meer aan een kerk dan aan een sportopleiding doen denken. Er worden pupillen vanaf 14 jaar opgeleid, onder wie ooit ook Orbáns eigen zoon.
Pal naast de academie ligt de vakantiewoning die Orbán in 2005 midden in het dorpscentrum liet bouwen. De uit traditionele leemstenen opgetrokken namaakboerderij is omringd door bijgebouwen, waaronder een gastenverblijf en een Finse sauna. Hij ontvangt er politieke en zakelijke vrienden. Dan worden er varkens geslacht, waarbij Orbán niet te beroerd is om zelf het uitbeenmes ter hand te nemen, en worden politieke beslissingen genomen.
De premier groeide op in Felcsút, in een armelijk huisje aan de rand van het dorp. Waar nu het stadion verrijst, lag het sportveld waar hij zijn eerste voetbalschoenen versleet als speler bij FC Felcsút, de dorpsclub die dankzij zijn inspanningen sinds dit jaar in de eredivisie zit. Er spelen pupillen van de academie in de club, maar de helft van FC Felcsút bestaat uit aankopen, voor een deel uit het buitenland.
Politiek en voetbal zijn Orbáns twee passies. Liever nog dan het premierschap had hij naar eigen zeggen in het nationale team gespeeld. Een voetbalopleiding, een eredevisieclub en een luxe voetbalstadion: het zijn aardige compensaties voor een mislukte jongensdroom. Maar het dertien miljoen euro kostende stadion trekt veel kritiek, ook bij aanhangers van regeringspartij Fidesz. “Voetballiefhebber verheugen zich misschien, maar wat zou Fidesz als oppositiepartij in een vergelijkbare situatie gezegd hebben?” aldus de conservatieve politicoloog Gábor Török in zijn blog.


vrijdag 11 oktober 2013

Zigeuners in cel voor anti-Hongaarse hetze



Je kunt als zigeuner in Hongarije maar beter uitkijken wat je over Hongaren zegt. De kreet ‘Dood aan de stinkende Hongaren’ leverde negen Roma afgelopen week een gevangenisstraf van 3,5 jaar wegens racisme op. Beroep is onmogelijk, want het ging al om een beroepszaak. Een lagere rechter had hen eerder tot 2,5 jaar veroordeeld. Dat oordeel leek toen zo absurd dat ze meteen in hoger beroep gingen. Een fout dus, want de hogere rechter vond de eerdere straf veel te laag. Geen fijnzinnig kreet, oké, maar even ter verduidelijking: de betrokken Hongaren waren leden van de Hongaars Garde, een verboden paramilitaire organisatie die door de zigeunerwijk in Sajóbábony wilde marcheren.
Het begon allemaal in november 2009, toen de Hongaarse Jobbik in Sajóbábony, een dorp met 2700 inwoners in Oost-Hongarije, een bewonersforum organiseerde. Ook in normale tijden zou een bijeenkomst van de rabiate anti-zigeunerpartij in een dorp met een grote Roma-minderheid tot spanningen hebben geleid, maar het waren geen normale tijden.
In de veertien maanden daarvoor had een rechtsextremistische bende in heel Hongarije willekeurig Roma vermoord en huizen in brand gestoken. Daarnaast hield de Hongaarse Garde, een aan Jobbik gelieerde organisatie, regelmatig intimiderende marsen in zigeunerwijken. De angst was enorm en de spanning te snijden. In veel dorpen hadden Roma zelfverdedigingsgroepen opgericht.
Toen de burgemeester van Sajóbony de plaatselijke school ter beschikking stelde aan Jobbik, ervoeren de lokale Roma die bijeenkomst dan ook als openlijke provocatie. Ze organiseerden een demonstratie voor het gebouw, waarbij flink over en weer werd geschreeuwd, maar de politie echte problemen wist te voorkomen.
Tentoonstelling Die Gedanken sind frei
Pas de volgende dag liep het echt uit de hand, toen de Garde een mars door de lokale zigeunerwijk aankondigde. Hoewel die mars verboden werd, greep de politie niet in. Eenmaal in de wijk werd een auto met Jobbik-aanhangers door woedende buurtbewoners omringd. Bewapend met stokken, schoppen en ijzeren pijpen en onder het roepen van de gewraakte leuze sloegen ze het voertuig kort en klein. De inzittenden belandden met lichte verwondingen in het ziekenhuis.
Eigenrecht, en absoluut onaanvaardbaar. Daar zijn ook mensenrechtenorganisaties die zich met de zaak bemoeien, het wel over eens. Als de negen veroordeeld zouden zijn wegens mishandeling zouden ze er geen echte moeite mee hebben gehad, hoewel de intimidatie die uitgaat van een groep kaalhoofdige, geüniformeerde mannen wel een verzachtende omstandigheid genoemd mag worden. Maar eigenrecht bleek voor de rechter niet het wezenlijke probleem. De dreigementen tegen de Hongaarse natie waren veel belangrijker. De organisatoren van de mars gingen vrij uit, maar negen Roma werden wegens hetze tegen het Hongaarse volk veroordeeld.
Ophitsing tegen ‘maatschappelijke groeperingen’ is in Hongarije strafbaar. Ter bescherming van minderheden, zou je denken, en zo was deze wet destijds ook bedoeld. Maar niet voor het eerst is de wet niet ten gunste, maar juist tegen de meest gediscrimineerde minderheid, namelijk de Roma, gebruikt. Eerder werden elf zigeuners uit Miskolc vanwege een vrijwel gelijksoortig incident tot meerdere jaren celstraf veroordeeld.
Dat al dan niet vermeende discriminatie van Hongaren gevoelig ligt, merkte ook Oostenrijk dezer dagen. De Hongaarse ambassadeur in dat land protesteerde afgelopen week tegen de tentoonstelling ‘Die Gedanken sind frei’ die maandag in het stadhuis van Linz werd geopend. Het gaat om posters van schilderijen en cartoonachtige fotocollages rond het thema zigeunerdiscriminatie in Europa.
Op die plakkaten werden, naast Europa en vele anderen, ook Hongaarse toppolitici op de korrel genomen. Volgens de ambassadeur was er sprake van racisme tegen Hongaren, volkshetzerij, gevaar voor de openbare orde en schending van het internationale recht. Hij dreigt met een proces. Het is niet voor het eerst dat de ambassadeur tegen de tentoonstelling protesteert. Dit voorjaar werden de posters al een keer op een bouwschutting getoond. Na protesten van de ambassade en een aantal Hongaarse organisaties in Oostenrijk werden de plakkaten door de politie verwijderd en verscheurd.
Hongarije doet volgens de ambassadeur in Oostenrijk juist ontzettend veel tegen discriminatie van Roma. Laten we het er dan maar op houden dat er af en toe met verschillende maten wordt gemeten. In de zomer van 2012 marcheerden rechtsextremisten door het stadje Devecser. Na wat toespraken waarin sprake was van de genetische criminele aanleg van zigeuners en van de noodzaak 'om het vuil het land uit te vegen', trok de veelal kaalkoppige menigte door het stadje. Er klonken leuzen als ‘jullie gaan hier sterven” en er vlogen stenen naar huizen waar Roma woonden. De politie weigert zelfs maar onderzoek te doen, want het ging, aldus een woordvoerder, niet om doordachte hetze, maar om losse kreten als gevolg van de lokale stemming en van primaire instincten.


zondag 6 oktober 2013

Klantenservice bij de Hongaarse spoorwegen

Add caption
"Dames en heren, de MÁV hoopt dat u als reiziger tevreden bent met onze service en wij doen er alles aan om onze dienstverlening te verbeteren. Wij wensen u een prettige reis." Een jongen naast me barst in gelach uit en ik grinnik met hem mee. We staan per slot van rekening pas drie kwartier te wachten op onze vertraagde trein.
Na een kwartier vertraging zonder dat daarover een enkele mededeling werd gedaan, kregen we te horen dat onze trein tien minuten vertraagd zou zijn. Die mededeling, een standaardbandje, eindigde zoals altijd met de zin "wij danken u voor uw geduld en uw begrip".  Maar dat begrip is zo langzamerhand wel op, het geduld trouwens inmiddels ook. Het is de zoveelste trein deze week met zware vertraging. En een kwartier na de eerste aankondiging volgt een tweede. Ditmaal beweert het bandje dat de trein eraan komt. Kleinigheidje: een kwartier geleden was het nog een sneltrein, inmiddels is het een boemeltje geworden. Niet alleen hebben we een half uur vertraging, de rest van de reis staan we ook nog eens bij ieder station stil. Maar ook deze mededeling blijkt voorbarig, want een kwartier later is hij er nog niet. In plaats daarvan krijgen we het verrassende omroepbericht waarin de MÁV hoopt dat we tevreden zijn met hun service.
Een beetje vertraging, ach, daar raak je als treinreiziger wel aangewend. Ik plan het in, en ik heb altijd wat te lezen bij me, of werk dat ik nog moet afmaken, dus vervelen doe ik me niet en in de auto sta je ook in de file, zonder dat je daar iets nuttigs kunt doen. Maar sinds de MÁV begin september begonnen is met de renovatie van het station in Vác loopt het totaal de spuigaten uit.
Over die renovatie hoor je me niet klagen. We krijgen nieuwe perrons en een onderdoorgang, en dat is hoognodig. Het station is hopeloos verouderd, reizigers lopen kriskras over de sporen en de perrons zijn deels zo laag dat ik me altijd weer verbaas hoe oude dametjes erin slagen de vaak zeer hoge treinen in te komen.
Maar onderdeel van de vernieuwing zijn nieuwe rails, en daarom is er op dit moment slechts een enkelspoorsverbinding met Boedapest. Dat enkele spoor is maar een paar kilometer lang. Maar treinen moeten natuurlijk wel op elkaar wachten, en dus rijdt er in plaats van de normaal acht treinen van en naar Boedapest, ieder uur slechts één trein heen en één terug, met af en toe komt een internationale trein er tussendoor. Je zou zeggen, dat moet te overzien zijn. Het is voor ons reizigers lastig genoeg, maar als die treinen gewoon netjes rijden, is het een kwestie van plannen. Maar dat is het punt: zelfs die twee treinen rijden zelden op tijd. Er valt niets te plannen.
Wie, zoals onze zoon, 's ochtends om acht uur op school móet zijn om geen problemen te krijgen (iedere minuut te laat wordt officieel geregistreerd, en theoretisch word je bij pakweg twintig keer te laat komen van school gestuurd) heeft het zwaar. We hebben de school weliswaar op de hoogte gesteld van de vervoersproblemen, maar steeds vaker besluiten we 's ochtends hem toch maar met de auto te brengen, bijvoorbeeld vanwege een proefwerk, of omdat uit de online-kaart met vertraagde treinen al duidelijk wordt dat zijn trein 15 minuten (een half uur, drie kwartier?) vertraging heeft. Het is per slot van rekening wat veel gevraagd dat hij de trein van half zes neemt om om acht uur op school te zijn.
Dat doet een kennis van ons die in Boedapest werkt, overigens wel als ze om acht uur iets dringends heeft. En in die gevallen is de trein natuurlijk wel op tijd en staat ze om zes uur in de stad. Veel mensen gaan voor de zekerheid met de auto, hoewel dat een stuk duurder is. Eind november moet de vernieuwing van het spoor klaar zijn, en zouden de treinen weer gewoon moeten gaan rijden. De MÁV mag hopen dat ze die klanten dan weer terugkrijgen.
Maar het kan erger. Wij komen tenminste nog op onze bestemming. Dat wil ook wel eens anders lopen. Een vriendin die bij het Balatonmeer woont, komt één keer per week naar Boedapest voor haar werk. Haar laatste trein naar huis gaat 's avonds om 19.20. Dat de MÁV een paar weken geleden plots besloot om die trein wegens werkzaamheden aan het spoor op zekere avond gewoon een half uur vroeger te laten vertrekken, bracht niet alleen haar in de problemen. Zij kon nog in Boedapest blijven slapen. Maar wat moest het oude dametje dat met die trein nog naar huis, naar Keszthely moest? In een hotel overnachten? De dame achter het loket haalde haar schouders op.
Kan dat zomaar? Nee, dat kan niet. Volgens EU-regels had de MÁV alle gestrande passagiers een maaltijd en een hotel moeten aanbieden, of anders alternatief vervoer naar hun bestemming. Je hebt trouwens ook recht op compensatie als je trein langer dan een uur vertraagd is. Ik betwijfel eerlijk gezegd of er ooit iemand van die EU-regels heeft gehoord, laat staan dat iemand waarschijnlijk ooit een beroep op compensaties doet. Want dan zou er waarschijnlijk wel iets harder aan getrokken worden om twee treinen per uur wél op tijd te laten rijden.
Alle informatie over vertragingen vindt u op het internet, vertelde me een MÁv-employee toen ik ooit  over het gebrek aan informatie. Misschien daarom dat steeds meer MÁV-treinen een WIFI-verbinding hebben: dan kun je jezelf als reiziger met je smartphone informeren over hun vertragingen. Of natuurlijk een spelletje kan spelen tijdens het wachten, email lezen of youtube kijken. Tijd genoeg, en het is nog gratis ook, dus wat klaag ik eigenlijk? Prima service toch, van de MÁV, en ze geven je alle
tijd om ervan te genieten.