zaterdag 28 februari 2009

ABSURDE TIJDEN

Twintig jaar na de val van het communisme heb je twee groepen mensen. Je hebt degenen die zich vooral de rijen voor brood en vlees herinneren, de klop van de geheime dienst op de deur en het algemene gevoel van onvrijheid. En je hebt degenen die zich herinneren dat er altijd werk was voor iedereen, dat je voor een appel en een ei op vakantie kon gaan in een van de vakantieverblijven van je eigen bedrijf, of in dat van je man, je moeder of je tante. En dat iedereen min om meer gelijk was en niemand veel meer, maar ook niet veel minder had dan de ander.
Wat uit de herinnering weg is geglipt is het absurdisme van het systeem. Neem de lotgevallen van de de Hongaarse pop-impressario László Hegedűs, de man die er in de jaren tachtig voor zorgde dat Westerse popartiesten voor het eerst achter het IJzeren Gordijn optraden.
Hegedűs werkte aanvankelijk als journalist op de buitenlandredactie bij de Magyar Nemzet. Die carriere kreeg een plotseling einde toen hij een necrologie over een of andere belangrijke Russische communist moest schrijven. De klus moest snel af, en als bron gebruikte hij de weliswaar verfoeilijke, want Westerse, maar informatieve Neue Züricher Zeitung.
In dat stuk werd verwezen naar een andere toppoliticus die 'dood' was. De krant bedoelde ermee dat de betreffende man politiek op een zijspoor was gezet, maar Hegedűs nam het helaas letterlijk. Per slot van rekening was het in die tijd heel wel mogelijk dat Westerse journalisten iets wisten wat in Oost-Europa zorgvuldig geheim werd gehouden.
Die fout viel in Moskou niet licht. Een dag later was hij ontslagen en mocht hij zijn journalistieke carriere voortzetten bij een vakblad voor de inmaakindustrie. Om wat afwisseling te brengen in een bestaan waarin hij zich vooral met ingeblikte groente moest bezighouden, besloot hij freelance wat bij te klussen met verhalen over pop- en rockmuziek. Dat bracht hem in contact met een Hongaarse popgroep die hem vroeg of hij niet als manager voor hen wilde gaan werken.
"Manager? Ik had geen idee wat een manager was," zegt Hegedűs. Maar nadat ze hem hadden uitgelegd wat dat inhield, besloot hij zijn journalistieke carriere tijdelijk op te schorten - zoveel ging er immers toch niet verloren - en zich in de popmuziek te storten.
Dat ging een jaar of zeven prima, tot hij op het matje werd geroepen: manager van popmusici, dat was een baan die helemaal niet bestond in een communistisch land, en die daarom ook verboden was. Hij kreeg de keuze: ermee stoppen, of het land verlaten. Hij koos voor het laatste.
Dat was ergens begin jaren tachtig. Hegedűs vestigde zich in Duitsland. Hij had inmiddels zoveel contacten opgebouwd in de muziekwereld in heel Centraal-Europa, dat hij besloot van de nood een deugd te maken en te gaan doen wat niemand tot dan toe deed: optredens van Westeuropese popgroepen achter het IJzeren Gordijn organiseren.
Nu was er natuurlijk een reden waarom die popgroepen daar tot nu toe niet kwamen. Popmuziek gold als decadent, en decadent, daar wilden rechtgeaarde communisten niets mee te maken hebben. Er waren wel wat brave popgroepen van eigen bodem, maar je moest op vakantie naar het veel liberalere Joegoslavië om Westerse popmuziek en spijkerbroeken te kopen.
En er was een ander probleem: geen enkele communistische regering wilde kostbare westerse valuta uitgeven aan zoiets als popconcerten. "Ze waren alleen maar bereid tot ruilhandel: twintigduizend liter wijn, of een paar Bechsteinpiano's als betaling voor een optreden van Santana of U2. Dus moest ik niet alleen popgroepen zien te overtuigen om in Oost-Europa op toer te gaan, ik moest ook nog eens de handel in."
Maar de behoefte van het publiek bleek reusachtig. Een Engelse popgroep die in West-Europa allang over zijn hoogtepunt heen was en alleen nog in kleine zaaltjes kon spelen, trok in Roemenië volle stadia met 30.000 bezoekers, zeven dagen achter elkaar. Maar met dat succes kwamen de problemen.
Zo belandde Hegedűs in Roemenië haast in het gevang, omdat een concert de nachtrust van dictator Ceausescu verstoorde. Een concert van Elton John in Praag dreigde niet door te kunnen gaan, omdat de artiest een oorring droeg. Van hoog niveau werd te verstaan gegeven dat dat niet kon. Waarom niet? Omdat een oorring symbool stond voor homosexualiteit. Maar Elton John ís homo, legde Hegedűs uit. Dat op zich was niet het grote probleem, maar die oorring.
Uiteindelijk verklaarde Elton John zich bereid om zonder oorring te komen, maar zijn optreden was nauwelijks begonnen, of een briesende partijbons meldde zich bij Hegedűs: hij had hen voorgelogen. Hoezo? De artiest droeg toch geen oorring? Dat was waar, maar Elton John had in plaats daarvan een diamant in zijn oor gedaan, en daar konden ze in Praag niet over lachen.
In de journalistiek is Hegedűs uiteindelijk nooit teruggekeerd. Hij haalt nog steeds popmusici naar Centraal-Europa. Politiek speelt daar geen rol meer in, op één uitzondering: "Ik heb in de jaren tachtig geprobeerd Prince hierheen te halen. Het antwoord was nee, ik speel niet voor communisten. Begin jaren negentig heb ik het nogmaals geprobeerd. Het antwoord was: nee, ik speel niet voor commies. De uitleg dat het communisme inmiddels verdwenen was, hielp niet. In 2001 heb ik het nogmaals geprobeerd. Ik heb zijn nieuwe manager uitgelegd dat het communisme nu toch echt een hele tijd verdwenen was. Het antwoord was nee, ik speel niet voor ex-commies..."

1 opmerking:

Marcel zei

Over dit stukje moest ik even goed nadenken wat er nu werkelijk veranderd is. Tijdens de koude oorlog ben ik diverse malen achter het ijzeren gordijn geweest. In 1977 in St.Petersburg. Toen heette het nog Leningrad. De eerste ervaring was niet direct bedreigend, zoals ik wel verwacht had. Na enkele dagen werd mij meer duidelijk van het systeem en kon ik eigenlijk alleen maar constateren dat het niets meer was dan een maatschappij waar de belangen van een elite goed geborgd waren, een middenklasse vrijwel ontbrak en het gewone volk met mooie praatjes, indoctrinatie, en willekeur in het gareel werd gehouden. In deze periode heb ik ook Hongarije en Oost Duistland leren kennen. Nu is leren kennen misschien een groot woord maar ik ben er enkele malen geweest en het daar met belangstelling de maatschappij bekeken. Voor ons westeuropeanen was het Oostblok één geheel waar een verfoeilijk regime gold. In werkelijkheid waren het totaal verschillende regimes met twee grote gemene delers. De elite had haar belangen goed beschermd en, met uitzondering van de elite en de russen zelf, had iedereen had een bloedhekel aan de russen.
Dit allemaal onder het mom van het hooggeprezen communisme.
De rust die je uit die tijd beschrijft zou ik meer willen beschrijven als berusting. De mensen waren murw gemaakt door het systeem. Op een enkeling na was men ambitieloos en restte alleen nog maar een soort oerdrang om te overleven in het systeem. Lange termijn denken kwam bij het gewone volk niet voor. Lange termijn wensen wel. Geld was lang zo waardevol niet. Je had genoeg alleen kon je er niets mee kopen. Een goed netwerk was veel belangrijker. Dat leverde op.
Het westen werd geïdealiseerd want daar kon je vrij reizen en alles kopen. Dat die mooie Mercedes of die schitterende cruise voor het gros van de westerlingen ook onbereikbaar was drong niet tot de mensen door.
We zijn nu een paar jaar verder. Ik heb de afgelopen jaren vrij veel in Polen, Tsjechië, Roemenië en Hongarije gewerkt en vraag mij af wat er in het systeem is veranderd. Ogenschijnlijk lijkt het erg veel. Mensen mogen vrij reizen, kunnen dure mercedessen kopen enz. enz., maar is er in Hongarije nu een degelijke middenklasse die de economie onderhoudt? Verdient het gewone volk nu zoveel dat zij goed rond kunnen komen? Is de maatschappij nu zo stabiel dat men langzamerhand aan lange termijndenken kan doen. Is de partijpolitiek in Hongarije corruptievrij en worden bepaalde maatschappelijk cruciale posities objectief en kwalitatief ingevuld?
Misschien is mijn beeld een beetje vertroebeld omdat mijn Hongaars huisje in een klein dorpje in één van de armste gebieden van Hongarije (Cserhat)staat maar ik geloof het niet.
Ik denk dat we nog 20 jaar moeten wachten en heb mijn hoop op de tieners van nu gevestigd.