Posts tonen met het label musea. Alle posts tonen
Posts tonen met het label musea. Alle posts tonen

vrijdag 8 maart 2013

Een Hongaarse doener

Een nieuw museumkwartier met alle belangrijke nationale musea bij elkaar en daarnaast een heringericht stadspark met talloze voorzieningen voor gezinnen. Als László Baán, directeur van het Museum voor Schone Kunsten in Boedapest, plannen maakt, dan doet hij dat meteen groots. Maar hij weet ze zo te presenteren, dat je erin gelooft. Dat komt misschien, omdat Baán als econoom de haalbaarheid wel degelijk in de gaten houdt. En vooral vanwege het doel dat hem voor ogen staat:  Boedapest veranderen in een aantrekkelijke vakantiebestemming voor ouders met kinderen.
Budapest, Museum of Fine Arts
Museum voor Schone Kunsten
Hij wist niet alleen de Hongaarse regering van zijn ideeën te overtuigen, ook de oppositie protesteert niet of nauwelijks. Baán, ooit zes jaar lang vak-staatssecretaris op het ministerie van financiën onder de vorige Fidesz-regering én onder de socialistische regering die daarop volgde, is gepokt en gemazeld als het om Hongaarse politici gaat. De stilte aan oppositiezijde beschouwt hij als zwijgende instemming.
Dit voorjaar wordt de architectonische prijsvraag uitgeschreven voor ontwerpen voor het museumkwartier. Internationaal, wel te verstaan. Daar staat hij op. Sinds het verdwijnen van de Habsburgse monarchie is er in Boedapest geen belangrijk gebouw meer neergezet door een internationale architect. Dat wordt hoogste tijd,  zegt hij, want een land dat zichzelf nationaal op de kaart wil zetten, moet interessante internationale architectuur kunnen tonen. En musea lenen zich bij uitstek voor opvallende architectuur. Komend jaar moet de bouw wat hem betreft van start gaan. Een belangrijke financier wordt, als alles goed gaat, de EU. Maar mocht dat niet lukken, is de regering volgens hem bereid het project uit eigen zak te betalen.
Baán heeft eerder bewezen dat hij zaken weet aan te pakken. Toen hij in 2004 directeur werd van het Museum voor Schone Kunsten, was dat instituut een spreekwoordelijk Doornroosje: diep in slaap. Er gebeurde niets en er kon niets. Er was sinds mensenheugenis geen tentoonstelling georganiseerd, en de bestaande collectie werd totaal levenloos en saai gepresenteerd. Een museum van wereldformaat is het nog steeds niet. Dat zal Baán ook nooit beweren. Daarvoor ontbreken simpelweg de collectie en het geld. Maar met regelmatige tentoonstellingen van internationaal niveau, museumprogramma's, Engelstalige rondleidingen en tal van activiteiten doet het museum op Europees niveau mee en is er van een Doornroosje zeker geen sprake meer.
Bovendien wist Baán Hongaarse kunst ook internationaal een gezicht te geven, zodat buitenlandse tentoonstellingen van Hongaarse schilders van rond de vorige eeuwwisseling, een bloeiperiode in de Hongaarse schilderkunst, geen uitzondering meer zijn. Hij heeft goede persoonlijke contacten met de directeuren van grote internationale musea, en dat resulteert binnenkort bijvoorbeeld in een tentoonstelling in het Parijse Musée d'Orsay over de Hongaarse avant garde van 1900 tot pakweg 1914. Daarbij gaat het niet alleen om de schilderkunst, maar ook aan een componist als Bártok en een dichter als Endre Ady.
Als zijn museumkwartier er echt komt, zal dat de Hongaarse nationale musea flink op hun kop zetten. De bedoeling is dat de wijk behalve aan het Museum voor Schone Kunsten dat er nu al staat, onderdak gaat geven aan de Nationale Galerie, het Museum voor Etnografie, het Fotomuseum en een Huis van Muziek. Bovendien komt er een nieuw gebouw van het belangrijkste museum voor contemporaine kunst, het Ludwig Museum, al zal dat een onafhankelijk instituut blijven.
Een van Baáns argumenten voor de noodzaak van een museumwijk is dat het overgrote deel van de betreffende musea nu feitelijk gehuisvest is in totaal ongeschikte gebouwen. Het Museum voor Etnografie is bijvoorbeeld gevestigd in een gebouw dat ooit als rechtbank gebouwd werd en beschikt over een enorme, imposante, maar onverwarmbare hal en over buitengewoon weinig tentoonstellingsruimte. De Nationale Galerie zit in het paleis op de burcht, wat prachtig klinkt, tot je ziet hoe liefdeloos en lelijk het gebouw van binnen werd opgeknapt. "Dat is niet alleen niet goed voor de kunst, maar ook niet voor de bezoekers," zegt hij.
Een ander argument is de opzet van de huidige musea. Baán beoogt niet zomaar een simpele verplaatsing van de collecties, maar een totaal reorganisatie.


vrijdag 18 januari 2013

Om technische redenen gesloten

Om technische redenen gesloten, staat er op de deur van het Italiaanse restaurant op het centrale plein in Vác. Om technische redenen gesloten, staat er ook op de deur van het museum pal er naast. Met daaronder de vermelding dat alleen groepen nog toegang hebben, na aanmelding. Met vermelding van een telefoonnummer.
Om technische redenen gesloten... je komt dat bordje vaak voor in Hongarije. Maar zelden is daarbij daadwerkelijk sprake van een technisch probleem zoals gebarsten waterleidingen, een kapotte verwarmingsketel of gevaarlijke elektrische bedrading. In de meeste gevallen betekent dat bordje zoiets van "we zijn dicht, en hebben eigenlijk geen idee of we ooit weer open gaan. Maar we houden hoop, je weet maar nooit."
Dat de Italiaan gesloten is, kan ik me voorstellen. De winter is geen makkelijke tijd voor de lokale restaurants, en in de zomer redde hij het nog wel, niet dankzij zijn fabuleuze kaart, maar wel dankzij een aardig terras, dat altijd wel toeristen trok. Maar als er geen toeristen zijn, en geen terras, dan is de concurrentieslag om de lokale klant hard. En dan leg je het als matig restaurant al snel af. Misschien hoopt de eigenaar dat deze sluiting inderdaad niet meer is dan een "technische" winterstop en dat hij de boel in mei of zo weer kan openen.
Maar het Momento Mori museum? De "technische reden" is mij bekend. Maar om falend regeringsbeleid als zodanig te omschrijven, vind ik origineel, moet ik zeggen. Want dat is de werkelijke reden dat dit museum dicht is: een regeringsbeleid dat solt met musea, klein en groot. Binnen één jaar, of misschien iets meer, is het beheer van dit museum verkast van de provincie naar de staat, vervolgens weer naar de provincie, en daarna, zonder enig overleg, naar de gemeente. Afgelopen oktober besloot het parlement tot de zoveelste hervorming van het museumwezen, en nu moet de gemeente dus maar zien, waar ze het geld vandaan haalt om het museum open te houden.
Nergens vandaan dus, blijkbaar. Critici hadden al gevreesd dat dat het lot zou zijn van die musea die in handen van de lokale overheid terecht zouden komen. En als een gebouw gevuld is met ploegen, emmers en ander landbouwtuig, dan is dat misschien niet zo erg, zo'n tentoonstelling kan wel wat hebben. Maar in het museum liggen mummies, die voor hun behoud afhankelijk zijn van de juiste temperatuur en luchtvochtigheid.
Het beheer van een museum bestaat niet alleen uit kaartjes verkopen en af en toe de wc schoon maken. Een museum heeft een staf nodig, restaurateurs, opslag, deskundigheid, mensen die een tentoonstelling kunnen samenstellen. Vroeger werden die kosten op provinciaal niveau door meerdere instellingen gedeeld. Dat was logisch: een klein museum kan geen eigen restauratiedienst bekostigen. Maar waar zou de gemeente, met zijn beperkte middelen, dat geld in hemelsnaam vandaan moeten halen? Wat tragisch is, want behalve voor het museum zelf is het voor het toerisme, toch een belangrijke inkomstenbron, ook niet goed als de deuren dicht zijn.
Wegens technische redenen gesloten...hoeveel overheidsinstellingen gaan dat bordje de komende tijd ophangen? Scholen, bijvoorbeeld, die dit jaar grotendeels in staatshanden zijn overgegaan, zonder dat er nagedacht lijkt te zijn over het beheer en bestuur. Er is onduidelijkheid over salarissen en over budgetten en er zijn scholen die gestopt zijn met schoonmaken, omdat ze niet weten waar ze dat nog van moeten betalen. Veel onderwijzers, toch al niet de best verdienende groep in het land, zijn tot de ontdekking gekomen dat ze minder verdienen dan voorheen, maar een contract hebben ze nog niet gezien.
Niemand weet hoe het moet als de krijtjes opraken. Moeten die dan centraal worden besteld? Want alle scholen worden vanaf nu door één centrale organisatie bestuurd. Ze hebben geen eigen bankrekening meer, geen eigen kleine kas. Ze zijn geheel afhankelijk geworden van een aantal ambtenaren in Boedapest. "We hebben geen geld meer om brieven te posten, en daarom gaat een collega dagelijks bij de gemeente langs, waar ze onze post verzorgen," aldus een onderwijzer tegenover het weekblad HVG.
Je zou zeggen dat dit land centralisatie na vijftig jaar communisme zat zou moeten zijn, maar deze regering kan er geen genoeg van krijgen. En het lijkt erop dat dat precies daartoe leidt waar het in die vijftig jaar ook toe leidde: een gebrek aan wc-papier en andere noodzakelijke zaken. De scholen zul je niet horen klagen, althans niet al te openlijk. Schoolhoofden van scholen die onder het nieuwe, centrale Klebelsberg-instituut vallen, hebben namelijk te horen gekregen dat ze niet met de pers mogen praten.
Je hebt natuurlijk kans dat het zo gaat als vorig jaar bij de musea. Ook toen eindigde de overname door de staat in chaos, en een paar maanden later kwam er een nieuwe wet. En toen weer een nieuwe wet. En toen dus dat bordje... wegens technische redenen gesloten.

vrijdag 11 mei 2012

Crisis in Europa 4: de directeur als garderobejuffrouw

Het dagblad Trouw heeft dezer maanden een serie over de gevolgen van de crisis voor gewone families in zes Europese landen. In Hongarije volgen we de familie Újvári. Aflevering 1 verscheen op 14 maart,aflevering 2 op 15 april, aflevering 3 op 29 april. Vandaag aflevering 4: een directeur als garderobejuffrouw


In het hof van de Újvári’s liggen rollen glaswol. Emil is bezig het dak te isoleren. Zelf, een timmerman is te duur. De museumsector, waar Emil en Máriá beiden werken, is bepaald geen vetpot. Gelukkig hebben ze onlangs de Zwitserse frankenlening afgelost waarmee ze een paar jaar geleden een nieuwe auto hebben gekocht. Net als veel Hongaren werden ze verleid door de lage rente, maar niet gewaarschuwd voor het risico van koersstijgingen. Uiteindelijk losten ze in forinten ruim het dubbele af van wat hen was voorgespiegeld.
Een jaar geleden stond Emil, nu 61, op het punt om met pensioen te gaan. Twee weken voor zijn laatste werkdag verhoogde de regering de pensioensgerechtigde leeftijd van de ene op de andere dag naar 62 jaar. Nu wacht hij maar af of hij er volgend jaar alsnog uit kan stappen. Als hij een ding geleerd heeft, is het dat regeringsbesluiten dezer dagen als een donderslag uit heldere hemel kunnen komen, zonder voorafgaand maatschappelijk overleg.
Dat treft ook de musea waar ze werken. Drie maanden geleden werden alle provinciale musea plots door de staat overgenomen. Begin april werd dat even onverwacht weer teruggedraaid. Nu moeten steden en regio’s voor de kosten opdraaien. Beiden hebben er een hard hoofd in, want de meeste gemeenten zitten diep in de schulden.
Emil werkt bij het Nationale Museum voor Volkskunst. Staatsbezit, maar dat betekent niet dat er geen problemen zijn. Het huidige budget is zo krap, dat het instituut nauwelijks weet te overleven.



maandag 26 april 2010

GOUDSCHAT

Niemand weet precies hoeveel Aziatische kunstvoorwerpen István Zelnik heeft, hijzelf ook niet. Hij is een gepassioneerde verzamelaar, maar bijhouden waar alles vandaan komt heeft hij nooit gedaan. Het is hoogste tijd, vindt hijzelf, reden waarom Zelnik een eigen museum wil oprichten en daarnaast een Azië-afdeling gaat financieren aan de ELTE-universiteit in Boedapest. Studenten die zich daar inschrijven, kunnen de komende decennia aan de slag met het onderzoeken van zijn collectie.
Onderdeel van die verzameling is een unieke collectie van 24 gouden maskers, die momenteel te zien zijn in het etnografisch museum in Budapest. Zoals bij een groot aantal van Zelnik's stukken is de herkomst en de datering van de stukken lang niet altijd duidelijk, maar dat is niet nodig om te beseffen dat het om een indrukwekkende goudschat gaat. Het is de grootste collectie van dit soort maskers ter wereld. Ter vergelijking: het Brits Museum heeft er ook een paar. Drie, om wel te verstaan.
De meest opmerkelijke maskers zijn twee pakweg vijftig centimeter grote gouden schorpioenen, met op hun rug het gezicht van een man en een vrouw gegraveerd. De herkomstplaats van de rijk versierde stukken is waarschijnlijk een hoogvlakte in Vietnam, de enige plek waar de betreffende schorpioenensoort daadwerkelijk voorkomt. Dat maakt de maskers nog opmerkelijker, want op de hoogvlakte komt nauwelijks goud voor, en niemand weet wat de betekenis van deze kostbare stukken is.
Midden jaren zeventig was Zelnik een jonge Hongaarse diplomaat, kersvers van de diplomatieke opleiding in Moskou, waar hij zich had gespecialiseerd in Zuid-Oost-Azië. Hij behoorde tot een nieuwe generatie diplomaten, opgegroeid in een goed-communistische familie, maar zonder de last van een Stalinistisch verleden.
Zijn liefde voor Azië dankte hij aan een buurman uit zijn jeugd, een Hongaarse oriëntalist die hem als jongen uitnodigde voor Japanse theeceremoniën.
Eenmaal in Moskou bleek er alleen plek te zijn aan de Vietnamese opleiding, en in 1975 arriveerde hij in Hanoi, precies aan het einde van de Vietnamoorlog. De hele Zuid-Vietnamese elite was op de vlucht, en deed haar kunstschatten voor een prikkie van de hand.
Toen Zelnik later, begin jaren negentig, als consulent in Brussel werkt, wist hij zijn collectie aan te vullen met tal van stukken die de nakomelingen van Belgische, Nederlandse en Franse koloniale ambtenaren op de markt brachten. Het waren vaak de kleinkinderen die van al die koloniale 'rommel' afwilden in een tijd dat Aziatische kunst nog niet erg gewild was. De vlooienmarkt was destijds een prima plek om te grasduinen.
Niet alle stukken komen waarschijnlijk uit privécollecties. Een collega van Zelnik die kort na hem in Vietnam kwam, betaalde rond dezelfde tijd geld aan Vietnamese museumsuppoosten om te voorkomen dat die delen van de collecties kapotmaakten of verscharrelden en zonder enige twijfel zijn op die manier museumstukken in Zelnik's verzameling terecht gekomen. Hij realiseert zich dat ook, en heeft al gezegd dat hij alle stukken waarvan aangetoond kan worden dat ze uit een museum stammen, terug zal geven aan Vietnam.
Maar daarvoor moeten ze eerst geïnventariseerd worden, en dat is een heidense klus. Zijn collectie beperkt zich al lang niet meer tot Zuid-Oost-Azië, maar bevat inmiddels ook stukken uit China en andere delen van Azië. Naast een collectie gouden voorwerpen van de Vietnamese Cham heeft hij ook een grote collectie Chinees porselein, afkomstig uit scheepswrakken die voor de Vietnamese kust werden gevonden.
Terwijl de leeftijd en herkomst van het porcelein duidelijk is, zijn er veel stukken in de collectie waarover niets bekend is. Om alles in kaart te brengen, werkt hij inmiddels samen met de Universiteit van Singapore, het Vietnamese Archeologisch Instituut, het Vietnamese Historische Museum en Azië-instituten in Londen.
Waar inmiddels wel een schatting van bestaat, is de waarde van zijn collectie. Pakweg 100 tot 150 stukken zijn zo uniek, dat de waarde niet te bepalen is. De waarde van de rest wordt op ruim 1,1 miljard euro becijferd. Niet slecht voor een Hongaarse diplomaat wiens eerste 'Aziatische stuk' een versierde klerenhanger was die hij als jongen kocht.

dinsdag 2 maart 2010

MUSEUMWIJK

Een museumwijk, met een nieuw ethnografisch museum, een centrum voor Europese cultuur en een museum voor moderne Hongaarse kunst. Dat wil István Tarlós, kandidaat voor het burgemeesterschap van Budapest voor de rechtse oppositiepartij Fidesz, bouwen als hij in het najaar gekozen zou worden.
De museumwijk moet het gat naast het Nyugatistation vullen, waar de socialistische regering enkele jaren geleden een nieuw regeringscentrum wilde bouwen. Dat plan werd door destijds door Fidesz afgeschoten. De oppositiepartij noemde het plan van de socialistische premier Gyurcsány destijds enorme geldverspilling.
De idee om de bouw van het nieuwe regeringscentrum te financieren uit de verkoop van de prachtige, maar vaak zeer onpraktische historische gebouwen waarin de ministeries nu gevestigd zijn, was volgens de oppositie alleen maar bedoeld om met onroerend goed speculaties de zakken van socialistische politici te vullen. De regering liet het plan vanwege alle tegenwerking uiteindelijk vallen.
Slechts een enkeling, zoals de internetkrant Hírszerző, wist zich nog te herinneren dat Fidesz zelf bij in de verkiezingscampagne in 2006 ook de bouw van een nieuw regeringscentrum had bepleit. Toen waren donumentale oude ministeries volgens partijleider en oud-premier Viktor Orbán duur en ongeschikt voor hun functie. De partij had de bouw van zo'n regeringswijk willen bekostigen uit, juist ja, de verkoop van de monumentale panden.
Maar met een regeringscentrum kun je natuurlijk niet aankomen als je die plannen net krachtig hebt afgeschoten. En als Fidesz al met nieuwe plannen voor een regeringscentrum komt, zal dat hoogst waarschijnlijk op een andere plek zijn. Er zijn grenzen aan hoezeer je kiezers voor de mal kunt houden. Blijft een feit dat er rond het Nyugatistation midden in de stad een enorm leeg terrein ligt, en dat is natuurlijk een kapitaalverspilling waar wat mee zou moeten gebeuren.
Maar voor een partij die zich zo keerde tegen de kosten van een regeringscentrum is het plan voor een nieuwe museumwijk op dezelfde plaats toch wel verrassend. Het is geen bescheiden opzet die Tarlós presenteert. Zo wil hij het Nyugatistation zelf, een constructie van het Franse architectenbureau Eiffel, naar voorbeeld van het Parijse Musée d'Orsay laten ombouwen.
Nu is het Nyugatistation nog volop in gebruik. Ten tijde van de regeringswijkplannen was ook sprake van een nieuw, ondergronds station, een park op de plek van de huidige spoor en zelfs een ondergronds verkeersplein voor het station. Maar dat bleek onbetaalbaar. En dat was nog vóór de crisis die Hongarije hard heeft getroffen.
Kon de bouw van het regeringscentrum nog gefinancierd worden uit de verkoop van de oude ministeries, Tarlós kan zijn museumwijk niet financieren uit de verkoop van bestaande musea. Private investeerders zouden volgens hem een deel van het geld moeten ophoesten, wat in moeilijke financiële tijden waarschijnlijk niet echt eenvoudig wordt.
En dan rest nog de vraag hoe die nieuwe musea te vullen. Geld voor de aanschaf van nieuwe stukken is er al jaren nauwelijks. En musea zonder tentoonstellingen, daar heb je weinig aan. Weliswaar heeft het museum voor schone kunsten meer werken in de opslag dan aan de muren, maar ik ben wel eens in die opslag geweest en een flink deel van die stukken worden niet voor niets niet tentoongesteld.
Misschien moeten museumdirecteuren zich voorbereiden op gedwongen verhuizingen. Het zou niet voor het eerst zijn. Het overkwam het contemporaine Ludwigmuseum, dat ooit centraal op de burcht gevestigd was. Enige jaren geleden moest het, zonder enig overleg, op last van het ministerie van cultuur verhuizen naar het fraaie, maar totaal uit de loop liggende Paleis der Kunsten. Sindsdien adverteert het museum met aanbiedingen als 'twee toegangskaartjes voor de prijs van één' om bezoekers te trekken.
Wie weet, misschien mogen ze straks naar de Museumwijk, al was het maar om het door de socialisten gebouwde Paleis der Kunsten een hak te zetten. Al moeten we eerst maar eens afwachten of Tarlós' plannen meer zijn dan verkiezingsretoriek.