Op 8 juli wordt Gyula Horn, de man die de schaar in het IJzeren Gordijn zette, in Boedapest
begraven. Horn wordt bijgezet op de Kerepesi- Erebegraafplaats, waar alle grote Hongaren tegenwoordig een plek. Oppositiepartij DK heeft burgemeester István Tarlos gevraagd een straat te benoemen naar de man die in het Westen algemeen erkend werd vanwege zijn rol in de val van het communisme, maar die in Hongarije door velen als communist wordt verguisd.
![]() |
| 1992: Russische troepen verlaten Hongarije |
Een kopje kamillethee.
Daarmee begon de Hongaarse minister van buitenlandse zaken Gyula Horn de dag
waarop hij in september 1989 feitelijk een einde maakte aan het communistische
Oostblok. Zoals iedere morgen. Hongaren beschouwen kamillethee als panacee voor
alle kwalen en ooit had een arts hem een ochtendlijk kopje aangeraden. Het was zo’n
gewoonte geworden dat hij niet meer zonder kon.
Horn is de geschiedenis
ingegaan als de man die in juni 1989 letterlijk de schaar in het IJzeren Gordijn
zette. Maar die actie, opgezet door een Oostenrijkse pr-man die Horns Oostenrijkse collega Alois Mock zo in het zonnetje wilde zetten, was eigenlijk de
minst betekenisvolle van alles wat Horn in die zomer deed. De Hongaren waren twee maanden eerder al begonnen met de ontmanteling van het prikkeldraad langs de grens,
nadat ze, grotendeels op zijn initiatief, hadden besloten hun burgers de
vrijheid te geven om te reizen en het daarom onzin vonden verder geld te steken in het onderhoud van de grensinstallaties.
Dat deed bij de communistische broederlanden al de wenkbrauwen fronzen. Maar wat de geschiedenis echt
op zijn kop zette, was Horns besluit enkele maanden laten om duizenden DDR-burgers
een uitreisvergunning te geven. Aangelokt door die opengeknipte grens hadden
duizenden Oost-Duitsers in Hongarije hun tenten opgeslagen in de hoop naar
West-Duitsland te kunnen.
Oost-Duitsland eiste dat
die mensen teruggestuurd zouden worden, zoals Hongarije per verdrag ook verplicht was. Maar Horn vond dat antihumaan en meer iets voor dictaturen
in zwart Afrika. De tijden waren veranderd, en duizenden gaan niet om niets weg, meende hij. Als de DDR zijn burgers thuis wilde houden, moesten ze wat aan hun systeem doen. Hoewel de Oost-Duitsers zeiden dat teruggestuurde burgers niets zou overkomen, wist hij uit informele
gesprekken met mensen van de veiligheidsdienst dat ze bij terugkeer hun werk, en hun toekomstige
mogelijkheden om te reizen, zouden kwijtraken.
En dus weigerde hij niet alleen om hen terug te sturen, maar overtuigde hij de Hongaarse partijleiding ook om het verdrag met de DDR te negeren en de grens open te stellen. Hij ging persoonlijk naar Berlijn om dat daar te vertellen. Daarmee trotseerde hij
niet alleen de Oost-Duitse communisten, maar ook Praag, Boekarest en Moskou, wat de Hongaarse
partijleiding behoorlijk zenuwachtig maakte.
