De Hongaarse
schrijver György Konrád (78) overleefde twee totalitaire systemen. Als kind ontliep
hij in 1944 samen met zijn zusje als enigen een razzia in zijn geboorteplaats Berettyóújfalu. In 1988 behoorde hij als dissidente
schrijver tot de oprichters van de eerste anticommunistische oppositiepartij,
de liberale SzDSz. Nu heeft hij het gevoel dat het verleden zich herhaalt.
“Hongarije is een partijstaat in de maak”.
Toen Hongarije
zich in 2004 bij de EU aansloot, was u optimistisch. Volgens u was Hongarije
eindelijk thuis gekomen in de Europese grootfamilie. U sprak over een natie die
zich nuchter en behaaglijk in haar omgeving nestelt. Daar is weinig van over.
Waar is het misgegaan?
Waar het fout ging, is dat de politieke
partijen onderling oorlog voeren, geen dialoog. Sinds de Tweede Wereldoorlog leven
we in een permanente staat van strijd. Direct na de oorlog maakten van iedere criticus de
communisten een vijand. Daarna kwamen de vervolgingen na de
opstand van 1956. Ook de oppositie van de jaren zeventig werd permanent als
vijand afgeschilderd. De andere kant criminaliseren was een hele gewone methode. En die mentaliteit is na 1989 overeind gebleven.
Het is een probleem dat diepe wortels heeft in onze
geschiedenis. Door de eeuwen heen hebben Hongaren elkaar bestreden. Het is
typerend dat onze woorden voor oppositie
(ellenzék) en vijand (ellenség) nauwelijks van elkaar verschillen.