Posts tonen met het label standbeelden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label standbeelden. Alle posts tonen

vrijdag 13 juni 2014

Het verhaal van twee standbeelden

Tisza
Op 15 maart, drie weken voor de verkiezingen, werd het Kossuth tér voor het parlement feestelijk ingewijd. In werkelijkheid is het nog steeds niet helemaal af. Maar met de recente onthulling van het standbeeld van Graaf István Tisza naderen de werkzaamheden wel hun voltooiing.
Er is heel wat te zeggen over dat beeld, een kopie van een Tisza-monument dat voor de oorlog op dezelfde plaats stond. Om te beginnen dat het esthetisch gezien werkelijk een gruwelijk monster is. De somber kijkende Tisza wordt omringd door een leeuw die worstelt met een slang en door dramatische beeldengroepen van een heldhaftige soldaat met Duitse Stahlhelm en enkele angstige burgers. Pathetische wansmaak zoals de jaren tussen de twee wereldoorlogen die op grote schaal wist te produceren.
Jammer, vooral als je bedenkt wat voor beeld er tot pakweg twee jaar geleden stond: een ingetogen, totaal niet bombastisch beeld van een droefgeestig kijkende, tragische Graaf Mihály Károlyi, een werk van de Hongaarse beeldhouwer Imre Varga.
Maar niet alleen de twee beelden zijn elkaars tegengestelde. De twee afgebeelde mannen, tijdgenoten van elkaar en beiden voor enige tijd premier van het land, waren dat ook. Allebei waren ze aristocraten en eigenaren van enorme landgoederen. Maar dat is hun enige overeenkomst. Terwijl Karólyi landhervormingen wilde en die ook op zijn eigen landgoederen toepaste, was Tisza juist een uitdrukkelijke tegenstander van alles wat de positie van de Hongaarse hoge adel met hun enorme landerijen aantastte. Terwijl Karóyli democratisering wilde, was Tisza tegen uitbreiding van het stemrecht in een tijd dat slechts 10 procent van de Hongaren stemrecht had. Hij deed er alles aan om het spreekrecht van de oppositie in het parlement te beperken en hij dreef omstreden wetten soms binnen luttele uren door. Iets waar de huidige regering trouwens ook een handje van heeft.
Karólyi
Karólyi, premier aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, was een pacifist die - op het totaal verkeerde moment, in 1918 - het besluit nam het hele Hongaarse leger op te doeken, wat de nieuwe buurlanden Roemenië, Joegoslavië en Tsjechoslowakije in gelegenheid stelde steeds weer nieuwe hapjes van het land af te plukken.
Tisza, premier aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, was juist voorstander van een sterk, militaristisch Hongarije. Aan de vooravond van de oorlog pleitte hij voor hard optreden tegen Servië, al was hij na de moord in Sarajevo in eerste instantie tegen een oorlogsverklaring omdat hij meende dat het Oostenrijks-Hongaarse leger daar te zwak was. Maar toen die oorlog een keer was verklaard, steunde hij die met volle overtuiging. Terecht of niet, in het geallieerde kamp werden Tisza - en Hongarije - destijds gezien als de hoofdverantwoordelijken voor de oorlog. Dat leidde er mede toe dat het land na afloop van de oorlog door de geallieerde onderhandelaars buitengewoon vijandig werd benaderd en bij het verdrag van Trianon tweederde van zijn grondgebied kwijtraakte.
Karólyi (een man die overigens zo ongeschikt was voor het vak van premier dat wiens regering door tijdgenoten als 'debatclub' werd omschreven) wordt door veel Hongaren tegenwoordig als landverrader gezien, omdat hij er niet in slaagde aan het einde van de Eerste Wereldoorlog betere vredesvoorwaarden af te dwingen. Tisza daarentegen, een man die vanwege zijn antidemocratische gezindheid en militarisme zo gehaat was dat er maar liefst drie moordaanslagen op hem werden gepleegd voor de vierde in oktober 1918 succes had en die op zijn minst medeverantwoordelijkheid draagt voor de oorlog die Hongarije uiteindelijk zou decimeren, wordt nu dus opnieuw op het plein pal naast het parlement herdacht.
Vertel mij wie uw helden zijn, en ik vertel u wie u bent.




zaterdag 29 oktober 2011

Touwtrekken om standbeelden

De geschiedenis van Hongarije is in steen gehouwen en in brons gegoten. Geen enkele zichzelf respecterende stad heeft niet een paar opvallend geplaatste standbeelden van historische figuren, en de website www.szoborlop.hu, die een overzicht geeft van alle standbeelden van Hongarije, heeft alleen voor Boedapest al 3253 vermeldingen. Niet alle beelden die daar te vinden zijn, zijn overigens nog te bezichtigen. Want behalve dat er beelden worden geplaatst om de geschiedenis vast te leggen, worden er in Hongarije ook regelmatig beelden verwijderd als de politieke kijk op die geschiedenis verandert.
Een beeld dat in dat kader binnenkort gaat sneuvelen, als het aan het Hongaarse parlement ligt althans, is dat van Attila József op het Kossuth tér bij het parlement. Attila is een van Hongarije's gevierde twintigste eeuwse dichters en je vind overal in Hongarije standbeelden van hem. Maar hij was in zijn korte leven ook communist en anarchist, en werd van de universiteit werd geschopt na het schrijven van een gedicht dat begon met de strofe `Ik  ken geen vader-, moederband. Ik heb geen god, geen vaderland.` Niet het soort denkwereld die past bij het nationalistische tijdsgewricht waarin Hongarije leeft.
Zijn beeltenis aan de Donau werd er bovendien in de communistische tijd geplaatst, en de volksvertegenwoordigers besloten onlangs in al hun wijsheid dat het plein voor het parlementsgebouw teruggebracht moet worden in de staat van voor 1944. Of beter, in de staat waarin het was onder het autoritaire staatshoofd, admiraal Miklós Horthy. Waarom juist in die staat, en waarom niet in de situatie van bijvoorbeeld 1906, is een goede vraag. Of, zoals ik iemand in een praatprogramma op de radio hoorde zeggen, waarom maken we er niet weer een akker van, want dat was het heel lang geleden natuurlijk ook. Maar goed, het is geen geheim dat de huidige regering het Horthy-bewind als een positief voorbeeld in de Hongaarse geschiedenis beziet.