Posts tonen met het label communisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label communisme. Alle posts tonen

dinsdag 6 november 2018

Geen Mandelaplein in Boedapest. En Ady Endre?

Ady dichter:
te weinig vaderlandslievend?
Boedapest krijgt toch geen Nelson Mandelaplein. Eind augustus besloot de gemeenteraad unaniem dat een tot dan toe naamloos parkje in het elfde district de naam van de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar en president zou krijgen. Maar protesten van extreemrechts gooiden roet in het eten. Een Hongaars park benoemen naar een ‘zwarte Afrikaanse communist’ kon niet, meende László Toroczkai, leider van de extremistische ‘Ons Huis’-beweging, die eerder bekendheid verwierf met acties tegen zigeuners en asielzoekers.
De Kervel- en de Kardemomstraat waar de gemeenteraad die dag ook over besloot, zorgden voor geen enkel probleem, maar dat het Mandelapark lastiger lag, bleek meteen al: de burgemeester van de deelgemeente wilde de nieuwe naam zekerheidshalve ook aan de deelgemeenteraad voorleggen.
Nog voor die zich erover kon buigen, beschuldigde Toroczkai Mandela van antiblank terrorisme. Met succes. Dat Mandela in Zuid-Afrika juist als verzoener geldt en hem zeker niet voorgeworpen kan worden dat hij ooit, zoals Toroczkai beweerde,  'kill the whites' heeft geroepen, voorkwam niet dat veel deelgemeenteraadsleden begonnen te twijfelen. Daarom besloot de raad de bewoners te raadplegen.
Zover kwam het uiteindelijk niet: István Tarlos, burgemeester van Boedapest, greep in en besloot dat het parkje beter gewoon een andere naam kon krijgen. De keuze viel Etele Park. ‘Een anticommunistische overwinning!’ juichte Toroczkai op Facebook. Maar of het park daarmee een vreedzamere naamgever heeft gekregen dan Mandela, mag zeker worden betwijfeld. Etele is de oude naam van Attila - de Hunnenleider wiens naam mensen in Europa eeuwen later nog schrik injoeg.
Over de doden in principe niets dan goeds, maar als ze iets met politiek of cultuur te maken hebben, doen ze er tegenwoordig beter aan niet links te zijn. Deze zomer kwam een tentoonstelling van de Mexicaanse schilderes Frida Kahlo onder vuur te liggen. Reden: haar trotskistische sympathieën. Volgens regeringskrant Magyar Idök was haar werk communistische propaganda en daarom was het een schande dat er staatssubsidie naar de organisatie van die tentoonstelling was gegaan.
De Mexicaanse ambassade protesteerde en Kahlo blijft tot sluitingsdatum in de Nationale Galerij. Maar museumdirecteuren weten dat ze zich zulke kritiek beter kunnen aantrekken, gezien de ervaringen van de directeur van het literatuurmuseum die onlangs ‘vrijwillig opstapte’ na aanhoudende beschuldigingen in dezelfde regeringskrant dat hij (ook) aandacht aan links-liberale schrijvers gaf.
Sommige burgemeesters zullen zich achter hun oren krabben over de Ady Endrestraat die je in haast iedere gemeente aantreft, nu Magyar Idök ook deze dichter en journalist onder schot heeft genomen. Ady, die in 1919 overleed, was noch zwart, noch communist. Zijn populariteit dankte hij vooral aan zijn vernieuwende liefdesgedichten. Daarnaast was hij een pacifist die weinig op had met het rabiate nationalisme van die dagen. Hoogste tijd, aldus de krant, om meer vaderlandslievende kunstenaars naar voren te schuiven, want met zulke voorbeelden bouw je geen christelijk Hongarije op.

maandag 24 september 2018

Held van 1956 verdwijnt bij parlement.

Foto Runa Hellinga
Het bruggetje van Imre Nagy
“Om politieke redenen gesloten” meldde een handgeschreven bordje op het Imre Nagy monument in Boedapest begin september. Het was een van een reeks acties die afgelopen weken zijn gehouden voor behoud van het bedreigde monument. Toeristen begrepen er weinig van, want niets weerhield hen, om zoals de duizenden voor hen, het bronzen bruggetje te beklimmen en naast het beeld van een vriendelijke oude man met hoed en snor een selfie te maken.
Maar iedere Hongaar weet: als een winkel of restaurant ‘om technische redenen gesloten’ is, zijn de laatste dagen van dat bedrijf geteld. En dat geldt ook voor dit monument voor Nagy, de man die in 1956 tijdens de Hongaarse opstand tegen de Russen kortstondig premier was en daarom twee jaar later werd opgehangen en samen met andere leidende opstandelingen in een massagraf werd gedumpt. Onlangs besloot de regering namelijk dat Nagy weg moet van het pleintje vlak bij het parlement waar hij nu staat.
“Nagy was een held. Weet u dat?” meldde een ander bordje dat actievoerders uit protest op het bruggetje hingen. Maar veel Hongaren willen dat niet meer weten. Onder hen premier Viktor Orbán, de man die nota bene nationale faam verwierf toen hij in 1989 tijdens de plechtige herbegrafenis van Nagy en de zijnen de nog steeds aanwezige Sovjet-troepen opriep het land te verlaten.
Maar dat was toen. Vandaag de dag ligt Nagy moeilijk in regeringskringen. Belangrijker dan de vooraanstaande rol die hem zijn leven kostte, is inmiddels dat hij communist was.
En hij was bepaald niet de enige communist die in die dagen de barricade opging. Acht van de negen aangeklaagden die in juni 1958 na een geheim proces samen met Nagy werden opgehangen vanwege hun rol in de opstand, waren communisten. Maar dat is iets dat rechtse Hongaarse historici en politici tegenwoordig liever vergeten. Ze stellen 1956 graag voor als een puur anticommunistische beweging.
Vandaar dat Nagy zijn prominente plek bij het parlement kwijtraakt. In de plaats daarvan wordt het monument herbouwd dat midden jaren dertig door Hitlers bondgenoot Miklós Horthy werd onthuld om de kleine 500 slachtoffers van de kortstondige communistische Hongaarse radenrepubliek van 1919 te herdenken. Of toeristen straks ook dringen om een selfie met die dramatische kolos te maken, blijft afwachten.
Eigenlijk had de regering het bruggetje zes jaar geleden al weg willen hebben, maar dat stuitte toen op problemen, want het beeld was in 1996 betaald door Sándor Demján, een zakenman die ook regeringspartij Fidesz financierde. Demján zei dat hij zijn geld terug zou eisen als de het beeld zou verdwijnen. Aangezien hij in april van dit jaar overleed, kan hij nu niet meer protesteren.
Helemaal verdwijnen doen Nagy en zijn bruggetje overigens waarschijnlijk niet. Er wordt een nieuwe plek gezocht, mogelijk op een nabijgelegen plein waar tot de jaren negentig een standbeeld van Marx en Engels stond. Als overtuigd communist zou Nagy daarmee vast kunnen leven.



woensdag 1 juni 2016

Deja Vue


Foto Runa Hellinga
Elektriciteit
Toen we in 1990 voor het eerst in Hongarije kwamen wonen, was het communisme net verdwenen. Nutsbedrijven zoals water, gas en licht en telefoon werden nog gerund door de staatsbedrijven die er veertig jaar lang weinig van gebakken hadden, en ik kan alleen maar zeggen, dat was een speciale ervaring. Vooral de elektriciteit en de telefoon lieten het regelmatig afweten. Iedere twee weken hingen we minstens één keer aan de lijn bij de 'klantenservice' omdat we weer eens niet konden bellen. Daarvoor moesten we naar een telefooncel, want als wij niet konden bellen, konden de buren dat ook niet. We deelden namelijk één telefoonlijn (om die reden konden we natuurlijk ook niet bellen, als de buren belden).
Dan hadden wij nog telefoon. Op het platteland was dat een onbekende luxe. Veel dorpen hadden eigenlijk geen telefoon, op één noodlijn na. Ook stromend water en gas waren in de meeste dorpen totaal onbekend. Dat er ook geen riolering was, sprak in dat verband vanzelf. Op veel wat afgelegen boerderijen gold dat trouwens ook voor elektriciteit.
Binnen de kortste keren meldden zich buitenlandse investeerders die de zieltogende staatsbedrijven overnamen. Toegegeven, de prijzen voor gas, licht en water gingen omhoog, maar de kwaliteit en de service ook.Alle dorpen hebben inmiddels stromend water en gas is ook normaal. Internet eigenlijk ook, al is dat niet overal even geweldig.
Dat zijn kostbare investeringen geweest, maar het is de bedrijven niet in dank afgenomen. Veel mensen lijken vergeten hoe het ooit was. Dat er een tijd zonder telefoon was, is in deze tijd van een mobieltje voor ieder gezinslid nauwelijks nog voor te stellen. Gaandeweg heeft de regering de nutsbedrijven de afgelopen jaren weer genationaliseerd,. Gelijktijdig zijn de tarieven voor nutsvoorzieningen verlaagd.
Het zal toeval zijn, maar voor het eerst in vijfentwintig jaar had ik deze week weer klachten over het elektriciteitsbedrijf: een aanmaning voor een rekening die we een maand geleden al betaald hadden.
Het werd dus tijd om me weer eens tot een klantenservice te wenden. Er persoonlijk heengaan leek me het handigste. Volgens de website van het elektriciteitsbedrijf was hun lokale kantoor drie dagen per week open. Of beter, drie halve dagen, waaronder woensdagochtend vanaf tien uur. Dus vanochtend om tien uur stond ik voor de deur.
Tot mijn stomme verbazing stond het voorportaal propvol met wachtenden. De reden w
erd al snel duidelijk: de website werd duidelijk niet goed bijgehouden. Tegenwoordig is het kantoor vanaf acht uur 's ochtends open en bovendien vijf dagen per week. Te zien aan de aanloop in het uur dat ik op mijn beurt wachtte was die verlenging van openingstijden bittere noodzaak.


donderdag 28 januari 2016

Een half varken

Foto Runa Hellinga
Roemenië, 24 december 1989
Het was 35 graden buiten, en in de flat op de zoveelste verdieping van een communistisch woonblok in de Roemeense hoofdstad Boekarest was het nog veel warmer. We logeerden bij Irina en Cornel, jonge studenten dat we hadden leren kennen toen we een Roemeense tolk zochten. Of beter, we logeerden in de driekamerflat die het stel met Irina's ouders deelde. Die waren, om plek te maken voor ons, naar hun buitenhuis in de Karpaten vertrokken.
We zaten net te lunchen toen de bel ging. Irina stond op, opende de deur en kwam even later terug. "Hoff, kun je even komen, ik heb een probleem," zei ze met een wat verbijsterde uitdrukking op haar gezicht tegen Cornel. Het probleem, zo ontdekten we al snel, bestond uit een half varken, netjes van snuit tot staart doormidden gesneden, dat onverpakt en wel rustte op de schouder van de man die het kwam afleveren.
Het was de zomer van 1990. De winkels in Roemenië waren slechts marginaal voller dan ze een half jaar eerder waren geweest toen dictator Ceausescu op een koude decemberavond vlak voor kerst de biezen had gepakt. Potten ingemaakte vruchten en naar meel smakende worsten vulden de schappen. Als Roemenen lekker aten, kwam dat vooral omdat ze buiten de gewone winkels om hun voorraadkamers vulden met alles waar ze hun hand op konden leggen.
In dat kader had Irina's vader een half jaar eerder op de zwarte markt dit varken op de kop weten te tikken. Maar omdat het beest nooit was afgeleverd (en klagen heeft weinig zin als je iets op de zwarte markt koopt) had hij de stokoude diepvries in de keuken inmiddels maar gevuld met andere waar, vooral vis. Heel veel vis.
"Wilt u dat vlees of niet," bromde de man ongeduldig toen Irina hem wat besluiteloos bleef aankijken. Ze had weinig keuze. Het varken was al betaald en zeggen dat hij het halve beest weer mee kon nemen, was uitgesloten. Dus sjouwden we het karkas de keuken in en legden het op de kleine keukentafel die we in alle haast leeg hadden geruimd. Poten, staart en kop hingen aan alle kanten over de rand.
Met zijn vieren stonden we er wat radeloos naar te kijken. Er moest iets gebeuren, want het was veertig graden in huis en de flat over een paar uur te moeten delen met een bedorven half varken was een weinig aantrekkelijk perspectief.
Ons voorstel was om het vlees in de kofferbak van onze auto te laden en ermee naar de bergen te rijden. Daar, bij het weekendhuis, waren haar ouders die ervaring met slachten hadden en bovendien beschikten over een rookoven waarin het vlees verwerkt kon worden. Het was weliswaar een paar uur rijden, maar alles beter dan het varken in de keuken laten liggen.
Irina wilde het toch eerst zelf proberen. Ze verdween naar de slaapkamer en kwam terug in de oudste pyjama die ze had kunnen vinden. Met de moed der wanhoop opende ze de vriezer en begon vissen te herschikken. Vervolgens pakte ze het scherpste mes dat ze kon vinden en begon aan haar pogingen het varken in stukken te snijden. Een paar stukken vlees wist ze inderdaad in de diepvries te proppen, maar tegen de tijd dat er echt geen vis meer verschoven kon worden, lag het overgrote deel van het varken nog steeds op het tafeltje. Ze erkende dat dit niet ging werken. Het varken naar haar ouders brengen was de enige oplossing.
Terwijl we - een beetje zenuwachtig, want politiecontroles waren niet ongewoon en ook in het post-Ceausescu-tijdperk kon je problemen krijgen met een illegaal geslacht varken in je kofferbak - naar de koele bergen reden, verzuchtte Irina: "In wat voor land leven we als het toppunt van geluk is als je erin geslaagd bent een half varken op de kop te tikken?"

Bovenstaand stuk is een wat langere versie van een verhaal uit "De Geit van mijn Buurman, Hoop en Teleurstelling na de val van het IJzeren Gordijn" van Runa Hellinga en Henk Hirs. Het boek verscheen in 1994 en is als pocket (€7,40) en ebook (€4,95) heruitgegeven via Boedapest op Maat Boeken.

vrijdag 24 juli 2015

Sloophamer in socialistisch monument


Foto Runa Hellinga
Alleen voor communisten: deur naar VIP-loge
Nog houden de watersproeiers de grasmat groen, maar de laatste wedstrijd is gespeeld en het laatste concert gegeven: eind deze maand gaat het oude Népstadion (Volksstadion), tegenwoordig Puskás Ferencstadion, op slot. Ergens dit jaar zal het historische stadion plaatsmaken voor een moderne constructie. Er waren ooit plannen om het oude bouwwerk in het nieuwe stadion te verwerken. Maar wat daarvan terecht gaat komen, weet niemand behalve het bureau van premier Orbán, dat de nieuwbouw organiseert en muisstil is over het hoe, wat en wanneer van de geplande bouwwerkzaamheden. Daarmee is ook onduidelijk wat behouden blijft van een van de meest opmerkelijke socialistische monumenten die Boedapest nog heeft.
Maar het is zeer waarschijnlijk dat niemand ooit nog door de ondergrondse gang zal lopen, gebouwd voor leden van het politbureau, die zo per auto veilig en wel direct bij de VIP-loge konden worden afgezet. Die loge wordt al decennia niet meer gebruikt, maar boven de toegang prijkt nog steeds het socialistische staatswapen. De U-vormige toegangstunnel had als bijkomende voordeel dat er een permanente koude luchtstroom uitkwam die zelfs op de heetste dagen voor verkoeling in de VIP-zetels kon zorgen.
Je mag hopen dat er geluisterd wordt naar de sporthistorici die een lijst hebben opgesteld van zaken die ze graag bewaard willen zien. Daaronder bijvoorbeeld de volledige inrichting van de telefooncentrale waarvandaan journalisten decennia lang hun verhalen naar de krant doorbelden. nadat telefonistes met de hand de verbinding tot stand hadden gebracht. Boven de geluidsdichte cabines hangen nog steeds de reclameborden van de bedrijven die er de socialistische tijd toe deden: reisbureau IBUSZ, luchtvaartmaatschappij Malév, de internationale handelsonderneming Technoimpex, worstenmaker Pick en elektronicaproducent Orion.
De bouw van het Népstadion begon in 1948. Het was bedoeld als Olympisch stadion en onderdeel van de Olympische droom die Hongarije al koestert sinds de eerste moderne Spelen in Athene. Of eigenlijk al sinds voor die Spelen: er was namelijk kortstondig sprake van dat de Spelen van 1896 van Athene naar Boedapest verplaatst zouden worden. Griekenland - what's new - was bijna failliet en had geen geld voor de bouw van het  Panathinaiko Stadion. Gelukkig voor de Grieken schoot een steenrijke Griekse magnaat te hulp en daardoor hadden de Hongaren het nakijken. Vierentwintig jaar later ging het weer mis: Hongarije had de Spelen van 1920 zullen organiseren, maar de Eerste Wereldoorlog gooide roet in het eten.
In 1948 besloot Hongarije dus weer een poging te wagen, en de bouw van het Népstadion maakte daar onderdeel van uit. Maar de communisten, die in 1948 de volledige macht in handen wisten te krijgen, grepen de bouw ook aan voor een waarlijk socialistisch vrijwilligersproject. Duizenden arbeiders en studenten uit Boedapest en de rest van het land offerden - al dan niet echt vrijwillig - hun vrije tijd op om mee te helpen bij de bouw. Ook sportlieden staken de handen uit de mouwen.
Hongarije dong mee naar de Spelen van 1960, en de officiële opening in 1953 was een goede gelegenheid om dat bod kracht bij te zetten. Helemaal klaar was het stadion toen nog niet: om de geplande openingsdatum te halen, werd afgezien van twee van de bovenste tribunes. Op 20 augustus 1953, een bloedwarme zomerdag, was het zover. De feestelijkheden omvatten optochten, het hijsen van de vlag, het vrijlaten van tienduizend duiven en uiteraard sport, en ze duurden de hele dag.
Foto Runa Hellinga
Rakosi's VIP-tribune
Er was één klein smetje op het geheel: weliswaar was de voorzitter van het IOC, de Amerikaan Avery Brundage uitgenodigd, maar de gedachte om de hele dag in gezelschap van deze imperialistische bourgeois door te brengen was voor de communistische partijtop onverdraaglijk. Brundage kreeg daarom geen plek in de koele, overdekte VIP-loge, maar op de perstribune net daarboven, met harde banken en de brandende zon op zijn hoofd. Daar moesten de internationale diplomaten het trouwens ook mee doen.


maandag 12 augustus 2013

Vrijwilligerswerk

Engelse vrijwillgers aan het werk
Op het nachtkastje van onze slaapkamer ligt het lokale blaadje van Sonning Common, het Engelse dorp waar we vakantie houden. Vijfduizend inwoners die, als je het blaadje moet geloven, ongeveer allemaal actief zijn als vrijwilliger. Er staan artikelen in over de groep die de bloembedden verzorgt (met dank voor de gereedschappen en materialen die ze zelf meenemen), en een uitgebreid verhaal over het mozaiek dat de leerlingen van de lagere school hebben gemaakt ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan, met de hulp van een lokale kunstenares die ook voor de tegels heeft gezorgd. En de vrijwilligers die de lokale ouderen helpen worden in het zonnetje gezet.
Engeland drijft op vrijwilligers. Je komt ze overal tegen. Ieder landhuis dat zijn deuren heeft opgesteld voor bezoekers wemelt van de vriendelijke dames en heren allesw van het huis afweten en je er graag over vertellen. Ook het theehuis en de museumwinkel worden veelal bemand door mannen en vrouwen met op hun borst een button met 'volunteer' die, vaak met opmerkelijke stunteligheid, zorgen voor de scones en worstelen met de electronische kassa.
Bij natuurparken staan enthousiaste vrijwilligers klaar om uitleg te geven over de natuurverschijnselen om je heen, en vind je boekenkasten met tweedehands natuurgidsen, afkomstig van een of andere goede gever die de opbrengst van de verkoop van die boeken bestemd heeft als bijdrage voor het onderhoud van het natuurgebied. Heel wat scholen maken dankbaar gebruik van vrijwilligers voor naschoolse activiteiten, handenarbeidlessen en leeslessen.
Uiteraard kom je ook in Hongarije wel vrijwilligerswerk tegen. Ik heb ooit meegedaan aan een actie om een bosgebied in de buurt van Boedapest te ontdoen van de werkelijk schokkende hoeveelheid troep die zich tussen het lover verborg, tot en met een oude Trabant aan toe. Ook dorpen organiseren af en toe zulke schoonmaakacties, waarbij de hele bevolking meedoet. Met name buitenlandse bedrijven stimuleren hun personeel ook steeds vaker om iets aan vrijwilligerswerk te doen.
Maar het is geen echte traditie. En dat is niet zo gek, want in de jaren van het communisme werd het hardhandig tegengewerkt. Aan de ene kant eiste de partij  weliswaar 'vrijwilligerswerk'. Maar daar was weinig vrijwilligs aan was: onder leiding van een gestaald kader verplicht-vrijwillig bepaalde klussen uitvoeren leidt er niet toe dat dat soort activiteiten populair worden.
Aan de andere kant werd echt vrijwilligerswerk door de partijleiding met wantrouwen bekeken. Ooit hoorde ik een verhaal van iemand die in een van die enorme hoogbouwwijken in Boedapest woonde. Zoals dat gaat in dat soort wijken waar niemand zich verantwoordelijk voelt voor de omgeving: bij de ingang en om de flats was het een zootje. Een aantal bewoners besloot dat daar iets aan gedaan moest worden. Ze plakten posters op om mensen  op te roepen op een zekere dag gezamenlijk de wijk schoon te maken. Prompt kregen ze de geheime dienst op hun dak: een initiatief om buiten controle van de partij om iets in groepsverband te organiseren werd niet gewaardeerd.


vrijdag 3 mei 2013

Vrijheid is niet totalitair

Grondwetstaat... mag blijven
Het Vrijheidsplein in Boedapest mag zijn naam behouden. Hoewel veel mensen die naam met het
communisme associëren hoeft de gemeente die niet te veranderen, want de term vrijheid verwijst niet per se naar een totalitair politiek systeem. Tot die conclusie komt een commissie van wijzen van de Hongaarse Academie van Wetenschappen. De commissie was om haar mening gevraagd, omdat een gemeente twijfelde of haar Vrijheidsstraat voldeed aan de wet op ongewenste totalitaire straatnamen die de regering vorig jaar aannam en die vooral bedoeld was om een einde te maken aan straatnamen uit de communistische tijd.
Openbare plaatsen mogen sinds vorig jaar niet meer worden vernoemd naar personen die betrokken waren bij de totstandkoming of instandhouding van het totalitaire regime van de 20ste eeuw, of naar termen en organisaties die met zo’n regime te maken hebben. Daarom werd het Moskouplein eerder al omgedoopt en verloor ook de Amerikaanse president Roosevelt zijn plein in Boedapest: hij ondertekende het verdrag van Jalta, waardoor Hongarije in het communistische kamp terechtkwam.
Maar veel gemeenten wisten niet precies waar ze aan toe waren. Daarom kwam de Academie op verzoek van de regering onlangs met een officiële lijst van bruikbare, onwenselijke en twijfelachtige namen. Vrijheid mag dus. Ook vrede, vooruitgang en republiek zijn door het oog van de naald gekropen, net als constitutie. Constituties zijn niet uitsluitend het voorrecht van dictaturen en een verbod betekent bovendien dat het Grondwettelijke Hof zijn naam moet veranderen, aldus de Academie.
De 1 Meistraat mag ook, maar Bevrijdingsstraat en Raadsplein gaan echt te ver, want de bevrijding verwijst naar de komst van het Rode Leger in januari 1945 (voor veel joden destijds zeker een bevrijding) en bij de raden gaat het om arbeidersraden en dergelijke. Communistische politici mogen natuurlijk niet, maar ook kunstenaars zijn gesneuveld, zoals de Russische schrijver Maxim Gorki. Maar de Hongaarse dichter Attila József mag blijven, ondanks zijn communistische sympathieën.
Net zo interessant als de namen op de lijst zijn de namen die ontbreken. En dan valt op dat de nadruk wel zeer eenzijdig op het communisme ligt. Hongaarse en buitenlandse fascisten komen niet op de lijst voor. Er staan twee mensen uit rechtse hoek op de lijst, en in beide gevallen ziet de academie geen probleem. Afwezig zijn de Nazisympathisanten Albert Wass en József Nyír, schrijvers over wie veel commotie ontstond, toen hun werk op een lijst met aanbevolen schoolliteratuur verscheen. Naar Wass, ooit veroordeeld wegens de moord op een aantal joden, zijn inmiddels al meerdere straten vernoemd. Dat geldt ook voor admiraal Miklós Horthy, Hongarije's staatshoofd voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog en tot 1944 een bondgenoot van Hitler. Ook over hem zwijgen de wetenschappers.
Nieuwe straatnamen zijn overigens een dure grap, niet alleen voor gemeenten, maar ook voor bewoners. Denk aan alle inschrijvingen bij kadasters, burgerlijke standen en kamers van koophandel. Daarom doen tientallen gemeenten tot nu toe alsof ze zich niet realiseren dat hun Lenin- en Jonge Arbeidersstraat ongewenst zijn. De vraag is hoe lang nog, met deze officiële lijst.

zondag 30 september 2012

Hongaarse poesta worstelt nog met schade communisme

Overwoekerde rijstvelden op de Hortobágy

Katoen, thee, pinda’s en sinaasappels. Het zijn maar enkele van de nieuwe landbouwproducten die de Hongaarse communisten begin jaren vijftig wilden invoeren in hun streven om niet alleen de landbouw te hervormen, maar ook een nieuwe mens en een nieuwe natuur te creëren. Hun vernieuwingspogingen grepen diep in in de Hongaarse ziel, het Hongaarse landschap en het milieu. Op de Hortobágy, de Hongaarse poesta, moet een herstelplan de schade van het verleden weer ongedaan maken.
Met zijn eindeloze horizon, af en toe onderbroken door het silouet van een hefboom en een waterput, wordt de Hortobágy poesta wel omschreven als het meest Hongaarse van alle Hongaarse landschappen. Het is binnen Europa een uniek gebied, de grootste steppe ten westen van de Oeral en een gebied van eindeloze grasvlakten, afgewisseld met moerassen en semi-woestijn. De Hortobágy behoort tot belangrijkste vogelgebieden van Europa en huisvest zeldzame, en zelfs unieke plantensoorten.
Maar in delen ervan is de schade van de grootschalige communistische landbouwprojecten nog steeds zichtbaar. Net buiten het dorp Hortobágy wordt de vlakte doorkruist door rechte kanalen en dijken, waar in de jaren vijftig ooit rijstvelden werden aangelegd. Graafmachines zijn bezig de kunstmatige waterlopen weer dicht te gooien, zodat de natuurlijk waterloop weer  kans krijgt.
Het Hongaarse woord puszta betekent leeg en ook veel Hongaren menen dat er op de Hortobágy weinig te beleven valt. Grote delen hebben een alkalische bodem, waar vooral zoutminnende planten zoals de Hongaarse zeelavendel zich thuisvoelen. De kale steppe met zijn stugge grassen die bestand zijn tegen droogte en overstromingen, extreme warmte en extreme kou, waren van oudsher graasgebied voor runderen en schapen die onder het toeziend oog van een herder vrij graasden.


woensdag 12 september 2012

De eerste afrekening met een hoge communist

Volgens Béla Biszku was het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956 volkomen terecht. De 91-jarige Biszku, minister van binnenlandse zaken van 1957 tot 1961, ontkent zijn verantwoordelijkheid voor de beschieting van demonstranten. Maar enkele jaren geleden meende Biszku, nog steeds een overtuigd communist, dat die opstand een contrarevolutie was geweest en dat het geweld tegen de opstandelingen en de veroordelingen achteraf (inclusief zo’n 235 doodsvonnissen) daarom volkomen gerechtvaardigd waren.
Demonstratie in Salgótarján
Na Russische troepen in november 1956 Hongarije bezetten, werd in diverse steden nog maandenlang geprotesteerd. Vaak greep het leger in, met honderden doden als gevolg. Omdat Biszku de order daartoe mee ondertekende, werd hij deze week aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden. Daarmee is hij vrijwel de enige, en zeker de hoogste Hongaarse communist die na de val van het communisme voor een rechtbank is verschenen.
Bij eerdere processen, zoals in 1994 in het Noord-Hongaarse Salgótarján, ging het alleen om de bij de schietpartijen betrokken soldaten. In in het mijnstadje Salgótarán kwamen december 1956 zo’n 136 mensen om toen er op een demonstratie werd geschoten. Bij het proces  daarover werd Biszku alleen als getuige gehoord. Een gemiste kans, meent Ádam Gellért, voormalig jurist van het internationale strafhof in Den Haag. Was Biszku toen ook destijds aangeklaagd, hadden er nog getuigen geleefd en had de zaak tegen hem veel meer kans gemaakt. Nu is de aanklacht enkel nog op documenten gebaseerd en dat maakt de kans op een succesvolle afloop veel geringer.
Gellért houdt zich al jaren bezig met Biszku, maar onderzocht ook een andere geruchtmakende zaak, die van de 97-jarige László Csatáry, commandant van het getto in het Slowaakse Kosice. Csatáry werd na de oorlog bij verstek veroordeeld voor moord op 12000 joden.. Onder druk van het Simon Wiesenthal-instituut startte Hongarije deze zomer een nieuw onderzoek tegen hem. Eind augustus zei de aanklager dat in Hongaarse archieven geen spoor te vinden is van Csatáry’s schuld, waarmee de kwestie op dood spoor is. Echt veel moeite heeft de aanklager duidelijk niet gedaan, want even over de grens, in Slowaakse archieven, zijn de bewijzen volgens Gellért simpel te vinden. Bovendien leven er nog getuigen.
Het is niet helemaal toevallig dat het openbaar ministerie in de kwestie Biszku harder lijkt te trekken dan bij Csatáry. Het past in de afrekening van deze regering met het communisme.


zaterdag 18 augustus 2012

Niets veranderd? 3. Grote porties

Een goed restaurant? De ogen van onze zeer gezette campingbaas glimmen. In dat en dat restaurant, daar kon je echt goed eten, meent hij enthousiast: "Zulke porties," zijn handen gaan wijd uit elkaar, "Ze hebben de plastic bakjes om de resten mee te nemen, standaard klaar staan. Ik heb daar laatst gegeten, en van de resten konden we de volgende dag nog middageten en heb ik de dag erna ontbeten."
Tweepersoonsmaaltijd in Alsopetény
Het is zeker geen uitzondering, dat restaurant. Een paar jaar geleden kwam het restaurant in het dorpje Alsopetény enkel en alleen vanwege de enorme omvang van zijn maaltijden in de top honderd van beste Hongaarse restaurants. Op de honderste plaats, dat wel. Maar grote porties zijn voor veel Hongaren het bewijs van kwaliteit, en heel wat restaurants lokken hun klanten met maaltijden waar je makkelijk een heel gezin van kunt voeden.
Dat is nu zo, en dat was 25 jaar geleden niet anders. Weliswaar konden restaurants in de communistische tijd meestal de helft van wat op de kaart stond, niet opdienen, maar wat ze konden opdienen, kwam over het algemeen in zeer ruimhartige porties. Geen enkel restaurant keek, of kijkt, raar op als je de resten van je maaltijd mee naar huis wilt nemen. Dat doet iedereen namelijk.
Daarin onderscheidde Hongarije zich van buurlanden als Tsjecho-Slowakije, Polen en Roemenië, waar ze driekwart van de kaart niet konden serveren, en de kwart die er wel was, werd - in Tsjecho-Slowakije letterlijk - tot op de gram uitgewogen. Iedere Tsjechoslowaakse menukaart vermeldde precies: "Spaghetti met tomatensaus. 200 gram spaghetti, 150 gram saus, 50 gram kaas". Zo staat het in Slowakije nog steeds op de kaart, trouwens.
Ooit kwam ik mensen tegen die ergens in de jaren tachtig hadden bedacht dat een kampeertrektocht door Oost-Europa een leuke vakantie zou zijn. Simpel was dat zeker niet: je had voor ieder land aparte visa nodig, de onderlinge grenzen werden zo goed bewaakt dat je het gevoel had een frontlijn te kruisen, niet de grens tussen twee socialistische broederlanden, en Westerlingen die zomaar van de ene camping naar de andere trokken, werden zeer wantrouwend bekeken. Maar het lukte hen, desondanks.
Tegen de tijd dat ze in Hongarije kwamen, hadden ze niet anders meegemaakt dan dat restaurants nauwelijks iets te eten hadden, en dat de porties zo krap waren, dat ze meestal hongerig vertrokken. Ze hadden zichzelf dan ook aangeleerd om in ieder restaurant simpelweg alles wat er echt  verkrijgbaar was van de kaart te bestellen. Dat leverde meestal net een voldoende maaltijd op.
Bij hun eerste maaltijd in Hongarije keek de ober hen wat verbijsterd aan. Alle gerechten die verkrijgbaar waren? Ja, alle. Hij haalde zijn schouders op en verdween in de keuken om de bestelling door te geven. Even later kwam het eerste eten door en raakte hun tafel langzaam bedolven onder enorme schalen met voedsel. Zulke porties hadden ze nog nooit gezien, zeker niet in Oost-Europa, maar ook niet daarbuiten. Vermoedelijk hebben de families van de ober en de kok nog dagen gratis kunnen eten.
Gelukkig zijn er inmiddels ook restaurants die het meer in de kwaliteit dan in de kwantiteit zoeken. Zo een was er ook in de buurt van de camping. De porties waren niet overdreven groot, maar precies goed. De eendenborst was perfect rosé met een knapperig velletje. We kregen onze borden schoon op. Waardeloos dus waarschijnlijk, in de ogen van onze campingbaas.

vrijdag 3 augustus 2012

Niets veranderd? 2. Koude koffie

Of ze limonade heeft? De serveerster kijkt even nadenkend. Limonade, in zijn simpelste vorm citroensap, suiker(stroop) en water en de beste dorstlesser die een mens zich kan wensen, staat duidelijk eigenlijk niet op haar kaart. Maar dan licht haar gezicht op. "Citroensap heb ik wel," mompelt ze en even later komt ze terug met een groot glas vers gemaakte limonade.
Dat was ooit anders. Het eerste woord dat ik eind jaren tachtig in het Hongaars leerde, was "nincs", is er niet. Menukaarten in restaurants waren eindeloos lang, boekwerken met honderden gerechten die mij een onzeker gevoel bezorgden, want hoe hield een restaurant dat allemaal vers? Maar al snel wist ik dat die zorgen voor niets waren en dat een mens zich veel tijd kon besparen door de ober te vragen wat er wél was, want van al die aanbevolen gerechten was minstens driekwart meestal "nincs".
Dat had vaak niets te doen met de werkelijke verkrijgbaarheid van producten. Wij kregen ooit te horen dat tomatensla "nincs" was, terwijl we uitkeken op een groentewinkel aan de overkant met bergen tomaten in zijn etalage. Toen we de ober daarop wezen, haalde hij zijn schouders op. Restaurants waren staatsbezit en de klant is koning was in die dagen niet direct de drijfveer van het bedienend personeel.
In tegenstelling tot de meeste communistische landen kende Hongarije geen echte schaarste. WC-papier, vlees, chocolade, het was allemaal verkrijgbaar, al was de keuze beperkt, Vijf minuten twijfelen tussen tientallen soorten koffie was er niet bij, maar koffie was er, in tegenstelling tot landen als Polen, altijd wel. Gemalen koffie was een andere zaak, maar iedere supermarkt had na de kassa grote koffiemolens staan waar je als klant zelf je koffie kon malen.
Ook in café's was koffie nooit "nincs", maar wel heel vaak koud. Opmerkelijk, omdat de Hongaren - als enigen in de regio - traditioneel espressokoffie drinken. De koffiebarretjes overal in het land heetten niet voor niets 'presszó'. De koffie kwam uit machines die op het eerste oog sprekend leken op koffieapparaten in Italië. Op het tweede oog was er één belangrijk verschil: de drank die eruit kwam, was namelijk weliswaar pikzwart en loeisterk, maar in de regel ook koud, of op zijn best lauwwarm. Technisch is het volgens mij niet mogelijk sterke koffie te zetten met koud water, maar die Hongaarse machines hadden er geen moeite mee.
Maar koffie kon makkelijk nog kouder. In het Roemeense Timisoara bijvoorbeeld, waar zich op het hoofdplein van de stad een voor Oost-Europa ongekende luxe bevond: een café met terras. Als je er op tijd bij was, had dat terras zowaar echte koffie, en als je er helemaal op tijd bij was, was die koffie nog warm ook. Maar dan moest je echt vroeg komen, zo kort na de opening.
Rond die tijd zetten de obers namelijk twee tafels neer, en op die tafels werden tientallen koppen koffie uitgestald. Vroeg een klant om koffie, dan slofte de ober naar de tafel toe, pakte een kopje met al naar gelang het tijdstip warme/lauwe/koude inhoud en zette dat voor je neus. Kwam je te laat, was de koffie helemaal op en kon je het verder vergeten. Nieuwe werd er niet gezet tot de volgende ochtend. Tot dan was de koffie nincs, maar dan op zijn Roemeens.