Posts tonen met het label dagelijks leven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dagelijks leven. Alle posts tonen

woensdag 10 december 2014

Fluisteren is beleefd! En andere culturele verschillen.

Onlangs zocht ik op een of andere receptie aan zo'n hoge tafel een plekje waar ik mijn bord neer kon zetten. Er stonden al twee mensen, een wat ouder Hongaars echtpaar, dat op zachte toon met elkaar aan het praten was. Héél zacht: dicht naar elkaar toegebogen fluisterden ze hun gesprek in elkanders oor.
Het is me vaker opgevallen: in gezelschap fluisteren is niet onbeleefd in Hongarije. In Nederland is het niet netjes, omdat iedereen meteen denkt dat je over de overige aanwezigen aan het roddelen bent of iets te verbergen hebt. Maar in Hongarije is fluisteren heel gewoon. Of beter, zo zachtjes praten dat het voor ons op fluisteren lijkt. Zittend in de trein zie je het constant gebeuren: mensen die zo zachtjes praten dat ze zich helemaal naar elkaar toe moeten buiten om te verstaan van wat de ander zegt. En nee, ze zijn geen roddels over hun medepassagiers aan het uitwisselen, ze zijn gewoon beleefd en willen niet storen.Veel Hongaarse kinderen word van kleins geleerd hun stem te dempen, zodat ze de mensen om hen heen niet storen. Dat heeft zeker zijn voordelen, maar het kan ook wel eens lastig zijn. Ik ben in de trein vaker aangesproken door mensen die ook niet boven het fluisterniveau uitkwamen. En het voelt best raar bij een vreemde min of meer letterlijk aan de lip te hangen.

Gastvrijheid is een ander moment waar Nederlandse en Hongaarse gewoonten behoorlijk met elkaar botsen. Een Nederlander die nee zegt als hem een kop koffie wordt aangeboden, meent dat gewoon. We zijn veel te direct om om de hete brij heen te draaien en vinden het vaak zelfs het irriterend als mensen maar blijven aandringen. Je had toch al nee gezegd?
Maar zeker als je de eerste keer bij mensen komt, verwachten Hongaren eigenlijk niet anders dan dat je het aanbod van een glas palinka of een stuk gebak in eerste instantie afslaat. Dat is bescheiden en beleefd. Dus bieden ze het nog een keer aan. En nog een keer. Zeg je dan nog steeds nee, dan zul je het wel menen. Omgekeerd: heb je gasten en hou je na de eerste keer op met aanbieden, dan stel je hen waarschijnlijk behoorlijk teleur.


zondag 29 april 2012

Een gewone familie in crisistijd, deel 3. Peti


Het dagblad Trouw heeft dezer maanden een serie over de gevolgen van de crisis voor gewone families in zes Europese landen. In Hongarije volgen we de familie Újvári. Aflevering 1 verscheen op 14 maart, aflevering 2 op 15 april. Vandaag aflevering 3: speciaal onderwijs.

“Het zijn van die sluipende dingen waar je de crisis aan merkt. Vroeger konden we de kinderen bijvoorbeeld af en toe een koekje geven. Daar is geen geld meer voor. Het is niet zoals in Griekenland, waar de boel in één keer instort, maar pas als je terugkijkt,  realiseert je je hoeveel er de afgelopen tijd veranderd is, bij ons op school, maar ook in de rest van het land.” Peti werkt als leraar op een school voor geestelijk en lichamelijk gehandicapte kinderen in Vác. Hij heeft een groep van tien kinderen, in de leeftijd van vier tot zeven jaar: autisten, kinderen met Downsyndroom of met hersenbeschadiging.
De Csázar Andrásschool waar hij les geeft, was in de 19de eeuw het eerste doofstommeninstituut van Hongarije, maar is sindsdien uitgegroeid tot een algemeen instituut voor gehandicapten met meerdere vestigingen in de stad. Peti werkt op een steenworp afstand van thuis in een historisch pand.
De school ziet er goed uit, er is de laatste jaren fors aan opgeknapt. “We hebben een hele dynamische directeur, en die heeft veel voor elkaar gekregen. Er zijn computers, digitale hulpmiddelen, de klassen zien er goed uit.” Dat geeft de misleidende indruk dat er niets aan de hand is. Maar voor simpele materialen als kleurpotloden of voor klassenassistentie is nauwelijks nog geld.


zondag 15 april 2012

Een gewone familie in crisistijd, deel 2

Het dagblad Trouw heeft dezer maanden een serie over de gevolgen van de crisis voor gewone families in zes Europese landen. In Hongarije volgen we de familie Újvári. Aflevering 1 verscheen op 14 maart. Vandaag aflevering 2: In de restauratiewerkplaats.

In Mária’s restauratiewerkplaats in het museum van Vác ruikt het vagelijk medisch. Ze is met alcohol aan de slag geweest, zegt ze, wijzend op een stuk gaasachtig textiel tussen twee lagen zijdepapier, een 18de eeuwse mouwomslag, afkomstig uit een crypte in het West-Hongaarse Sopron. De stof oogt nu delicaat, maar hij was buitengewoon smerig. De drager zat vermoedelijk in de vishandel, want drie eeuwen na diens dood stonk het materiaal nog steeds intensief naar vis.
Dat ze materiaal uit Sopron krijgt ter restauratie, is ongebruikelijk, maar restaurateurs die, zoals Mária, gespecialiseerd zijn in textiel en leer vind je niet zoveel. Wat dat betreft heeft ze weinig reden om zich zorgen te maken. Zelfs als haar afdeling op een of andere manier wegbezuinigd zou worden, en wie kan het zeggen in deze voor cultuur zo krappe tijden, is ze er zeker van dat ze als freelancer werk genoeg vindt.
Wat niet betekent dat ze het niet jammer zou vinden, want ze is verknocht aan het museum waar ze sinds 1980 werkt. Bovendien is Vác voor een restaurateur van textiel een droomplek. Midden jaren negentig werd bij grondwerkzaamheden bij een lokale kerk een vergeten crypte gevonden, met daarin 265 beschilderde grafkisten met natuurlijk gemummificeerde burgers uit de 18de eeuw. Niet alleen de lichamen en de kisten waren in zeer goede staat, maar ook hun kleding, schoenen en al wat ze meegekregen hadden was grotendeels gaaf. Wetenschappelijk was het een buitengewoon interessante vondst en Mária heeft er nog steeds volop werk aan.
De meeste mummies zijn weliswaar opgeslagen in Boedapest, maar een aantal bleef in Vác. Ze vormen de topstukken van de unieke collectie die het museum tentoonstelt in een middeleeuwse kelder onder het hoofdplein. Mária heeft niet alleen hun kleding geconserveerd en gerestaureerd, maar ook die van de rest van de mummies.
Werken in een klein museum heeft voor- en nadelen. Geld was altijd krap, en de budgetten worden alleen maar kleiner. “Buiten de salarissen is er eigenlijk nauwelijks geld meer,”zegt ze. Wat de toekomst brengt, is bovendien onzeker, nu de staat het museum van de huidige eigenaar, de in zwaar financieel weer verkerende provincie Pest, gaat overnemen. Dat kan goed uitpakken, dat kan slecht uitpakken, maar Mária kan zich gezien de bezuinigingen overal niet voorstellen dat er meer geld komt.
Het krappe budget beperkt de mogelijkheden, en als je als museum toch iets wil doen, vraagt dat creativiteit. Vorig jaar stelde Mária een tentoonstelling over de kleding van de mummies die uitlegde wat er bij de restauratie komt kijken. Ze organiseerde er ook kinderactiviteiten bij. Deze zomer komt er een tentoonstelling van sacrale voorwerpen uit de grafkisten. In een groter museum zouden aparte afdelingen zich daarmee bezighouden.
Maar het budget voor zulke activiteiten is nul en nieuwe tentoonstellingen zijn dan ook alleen mogelijk door te putten uit de eigen collectie. Elders stukken lenen is een droom. “Gelukkig hebben we uit het verleden, toen er meer geld was, ruim materialen gekocht die we nu voor tentoonstellingen kunnen gebruiken.  Maar als die op zijn? Ik heb geen idee hoe we dat oplossen.”