donderdag 12 februari 2015

Studentenzelfbestuur als broedkamer voor de grote politiek

Universiteit van Szeged
Doorgeschoten democratie. Zo kun je de HÖK's, het Studenten Zelfsbestuur aan Hongaarse universiteiten het beste omschrijven. Na de val van het communisme in 1990 leek het een prachtidee om studenten hun eigen zaakjes te laten regelen. Maar lijsten met cupmaat, joodse neus en politieke voorkeur van eerstejaars studenten bij de HÖK op een faculteit in Boedapest of beschuldigingen over verkiezingsfraude en corruptie elders waren daarbij natuurlijk niet voorzien.
Geen Hongaarse student kan om de HÖK heen. Die regelt alles, van introductiekampen, feesten, sportclubs en studentencafés tot huisvesting, juridische hulp, studiebeurzen en internationale uitwisseling. Met een kwart van de stemmen in de senaat (het universiteitsbestuur) heeft de HÖK ook daar veel invloed, zelfs bij de benoeming van docenten. Met zoveel macht is het zo niet vreemd dat politieke belangen een grote rol spelen in de studentenorganisaties.
Hoewel de wet politieke activiteiten op de universiteit verbiedt, blijken universiteiten en studenten-zelfbestuur in praktijk juist vaak een politieke broedkamer. Nationalistische sentimenten zijn al anderhalve eeuw zeer sterk in de Hongaarse studentenbeweging, en daarom is het niet zo verrassend dat de leiders van de extremistische Jobbik elkaar in de HÖK in Boedapest vonden. Veel leden van regeringspartij Fidesz, waaronder premier Orbán zelf, stapten vanuit de universiteit direct over naar het parlement.
Zeker in kleinere steden is de HÖK een factor om rekening mee te houden. Szeged, een Zuid-Hongaarse stad met 150 duizend inwoners, heeft een studentenpopulatie van 30.000. Het studentenzelfbestuur wordt er sinds jaren geleid door Márk Török, een wat gezette eeuwige student met stoppelbaard. Critici schilderen hem als een lokale Godfather die carrières kan maken of breken. Als we in een café in de stad praten met een voormalig HÖK-lid, wil die niet dat Töröks naam tijdens het gesprek genoemd. Het lijkt behoorlijk overdreven, maar je weet maar nooit, meent hij, of het personeel niet meeluistert. Zijn vader doceert aan de universiteit en die wil hij niet in problemen brengen.
De universiteit is zwaar ondergefinancierd. De faculteit voor natuurkunde bijvoorbeeld ziet eruit alsof er dertig of veertig jaar geleden voor het laatst onderhoud is gepleegd. De verf bladdert van de muren, het meubilair stamt zichtbaar uit een communistische timmerfabriek. Maar de HÖK krijgt jaarlijks 3,5 miljard forint, (11 miljoen euro), veel geld voor een club die nauwelijks te controleren valt.
"Ze leggen hun plannen wel voor, maar zolang die binnen de wet blijven, kunnen we als senaat hooguit commentaar geven," zegt rector Gábor Szabó. In het enthousiasme over de nieuw verworven vrijheid begin jaren negentig stond niemand erbij stil dat ook democratie controlemechanismes nodig heeft. "Studentenorganisaties hebben toen misschien teveel macht gekregen," voegt Szabó er dan ook voorzichtig aan toe.
In 2011 demonstreerden zo'n 600 studenten nog tegen Töröks zoveelste herverkiezing. Ze eisten helderheid over de verkiezingsprocedure die de HÖK zelf opstelt, zoals de organisatie ook zelf de stemmen telt en de stembiljetten bewaart, zonder enige controle van buitenaf. Dat protest was tevergeefs en tegenwoordig lijkt onverschilligheid te overheersen.
Hongaarse studenten geloven niet echt meer in democratie, blijkt uit een recente opiniepeiling onder 1300 studenten. Daarbij sprak een derde onder omstandigheden een voorkeur voor een dictatuur uit. Nog een derde maakte het weinig uit of het land democratisch of autoritair bestuurd wordt.
Töröks critici beschuldigen hem van corruptie. Mede-HÖK-lid Ádám Patai noemt dat onzin. Hij noemt Török iemand die zich met hart en ziel inzet voor zijn medestudenten en somt op wat hij allemaal voor elkaar heeft gekregen: een spotgoedkope mensa, (inmiddels afgeschaft) gratis openbaar vervoer voor studenten, studentenkorting in lokale uitgaansgelegenheden.
Oké, Török schiet soms misschien wat door, zoals die keer dat hij zonder overleg met het faculteitsbestuur verbouwingswerkzaamheden liet doen in de kunstfaculteit. Maar dat ging, zegt Patai, alleen maar om het opknappen van een ongebruikte kelder om er een ontmoetingspunt voor studenten van te maken. Hij snapt niet echt waarom iemand zich daar zo druk over maakt.. En corrupt? Dat kan volgens hem niet eens: "Wij krijgen helemaal geen geld, maar moeten onze rekeningen indienen bij de universiteit die uiteindelijk betaalt."
Dat klopt, zegt Szabó. Maar gelijktijdig bestuurt de HÖK bestuurt ook een netwerk van bedrijven die op hun beurt weer een vinger in de pap hebben in de café's en andere uitgaansgelegenheden in de stad. Onlangs deed de universiteit ook aangifte vanwege een soort piramidespel waarbij de HÖK betrokken was. En, maar dat zegt Szabó niet, je kunt je geld ook ergens anders vandaan krijgen, van degenen met wie je als HÖK zaken doet, bijvoorbeeld.
Wat je ziet van Török's levensstijl doet overigens niet echt vermoeden dat hij erg veel geld te besteden heeft. Hij woont in een simpel appartement en kleedt zich niet overdreven. Szabó vermoedt dan ook de inmiddels 30-jarige studentenleider, die al aan zijn zoveelste studie bezig is omdat hij anders geen HÖK-president kan blijven, eerder vanwege de macht dan vanwege het geld zo aan zijn functie hangt. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen deed een civiele organisatie bestaande uit oud-HÖK-leden mee. Zonder succes overigens." Maar ik denk dat hij uiteindelijk bredere politieke ambities heeft."

zaterdag 7 februari 2015

Een nieuwe mediaoorlog

Joost mag weten waar het eindigt. Maar zeker is dat de oorlogsverklaring van oligarch Lajos Simicska aan zijn oude maat Viktor Orbán afgelopen donderdag een aardbeving in de Hongaarse politiek heeft veroorzaakt. Simicska is een zeer oude maat van de Hongaarse premier. Op de universiteit was hij Orbáns kamergenoot. Daarna was hij het financiële brein achter Fidesz. Hij is bovendien de man achter Közgép, een machtig agglomeraat  van bedrijven dat de afgelopen jaren werd opgebouwd in de schaduw van Fidesz. Közgép bouwde onder meer het fameuze stadion in Orbáns geboortedorp Felcsút. Hij is notoir mediaschuw. En hij is eigenaar van HírTV, het dagblad Magyar Nemzet en Lánchid Radió. Drie media die iedereen simpelweg op de hoop 'regeringsgezind' dumpte. Tot Simicska Orbán deze week de oorlog verklaarde.
Directe aanleiding was belasting op reclame-inkomsten van media. Die werd vorig jaar bedacht met twee doelen: extra belastinginkomsten en RTL-Klub het leven onmogelijk maken. Het was een getrapt systeem en de commerciële omroep, de grootste zender van het land, betaalde verreweg het meest: veertig, later vijftig procent over de totale omzet aan reclame-inkomsten. Het was voldoende om de zender zwaar verliesgevend te maken en het idee was dan ook dat de Luxemburgse eigenaars de biezen zouden pakken. Hun reactie was echter totaal onverwacht: RTL besloot zijn tamme nieuwsrubriek om te vormen tot een onderzoeksredactie die de ene onthulling na de andere over corruptie in regeringskringen deed.
Ze zijn, zoals gezegd, de grootste en dat kritische nieuws hakte erin. Zozeer, dat de regering bereid was tot concessies ten aanzien van de reclamebelasting. Maar een verlaging voor RTL sloeg een gat, nou ja, een gaatje, in de begroting. Daarom werd afgelopen donderdag besloten dat de trap wordt afgeschaft en alle media in toekomst vijf procent reclamebelasting moeten gaan betalen. De meeste betaalden tot nu toe één procent.
Onaanvaardbaar, reageerde Simicska, die onmiddellijk over een mediaoorlog sprak. Hij gaf zijn media opdracht vanaf direct Orbán hard aan te pakken. Tot zijn stomme verbazing stapten daarop alle hoofdredacteuren uit protest op. Sindsdien is de boot aan. Szimicska heeft al nieuwe hoofdredacteuren benoemd en HírTV gaat hij zelf leiden, al schijnt hij eerst een paar dagen op vakantie te zijn gegaan. Maar je mag verwachten dat de toon en de inhoud van de drie media drastisch zal veranderen.
Ik moet overigens zeggen, enig begrip heb ik best voor die hoofdredacteuren. Dat je het niet pikt als de eigenaar van de krant je zomaar zegt wat je moet schrijven, is heel begrijpelijk. Ik vermoed alleen dat diezelfde journalisten er geen schande van  hebben gesproken toen een jaar of twaalf of zo geleden de liberale Magyar Hirlap werd gekocht door een Orbán-gezinde eigenaar en de redactie prompt de opdracht kreeg pro-Fidesz te gaan schrijven. Maar goed, dat is een andere zaak.
Dat het tussen Simicska en premier Orbán niet botert, is al langer duidelijk. Maar niemand wist waarom, omdat Simicska niet immers met de pers sprak. Dat is sinds deze week veranderd en de termen waarin de media-eigenaar over zijn voormalige studievriend spreekt zijn op zijn zachtst gezegd grof. Hij noemde hem geci. Letterlijk betekent het sperma, maar iets in de geest van rukker is vermoedelijk de beste Nederlandse vertaling.
Maar los daarvan heeft hij eindelijk een verklaring gegeven waarom het niet meer botert. Hij heeft het niet op met de pro-Russische koers en ook niet met Orbáns ideeën over de Hongaarse pers. Volgens hem verdeelt de premier de media in drie groepen: de volkomen loyale, de soms kritische en 'de vijand'. De enige media die Orbán volgens Simicska wil tolereren, zijn de absoluut loyale. Hij was destijds tegen de Sovjet-Unie en ziet geen verschil tussen toen en Putin. En hij beschuldigt Orbán ervan een nieuwe dictatuur op te willen bouwen.
Simicska als verdediger van de democratie en persvrijheid. Het is een idee om even aan te wennen. De man heeft in de jaren negentig Fidesz van de financiële ondergang gered met een gecompliceerd netwerk aan financiële deals die moesten verhullen dat de partij een aantal totaal verkeerde investeringen had gedaan die hadden geleid tot miljoenen aan bedrijfs- en belastingschulden.
Simicska was in de eerste regering Orbán, tussen 1998 en 2002, hoofd van de Hongaarse belastingdienst en werd er in die hoedanigheid regelmatig van beschuldigd dat hij de dienst inzette om critici van de regering het leven zuur te maken. Hij groeide in de afgelopen jaren uit tot een van de machtigste, en rijkste zakenlieden van het land. Aangezien hij vooral in bouwprojecten actief is, stroomden vele miljoenen aan EU-steun naar hem toe, nadat de aanbestedingsvoorwaarden van de betreffende projecten zo waren opgesteld dat slechts één bedrijf eraan voldeed: Simicska's Közgép.
Maar goed, voor iedereen kan een breekpunt komen, en voor Simicska kwam dat blijkbaar deze week. Of politieke meningen daarbij belangrijker waren dan zakelijke belangen, is de vraag. Al kun je er zeker van zijn dat Közgép het in toekomst aanzienlijk moeilijker zal krijgen om een openbare aanbesteding te winnen.
Wat vooral opvallend is, is dat Simicska niet de enige is. Het rommelt in Fidesz. De vraag is natuurlijk hoe hard. Zoals gezegd, niemand kan voorspellen waar dit eindigt.

donderdag 5 februari 2015

Over mega-investeringen die niet waren....

Geen nieuwe Mercedesfabriek...
Ooit was er een oppositieleider genaamd Viktor Orbán die een bandje in handen kreeg van een partijbijeenkomst van de toenmalige regeringspartij. Op dat bandje verklaarde de toenmalige premier Ferenc Gyurcsány dat zijn partij in de verkiezingscampagne gelogen had. Hij zei later verder dat alle partijen gelogen hadden, dat liegen een standaardpraktijk was in de Hongaarse politiek, en dat de partijen daarmee op moesten houden. Dat haalde uiteraard niet groot de openbaarheid. Alleen de bekentenis dat hijzelf gelogen had.
Het leidde tot maandenlange rellen. Orbán eiste het aftreden van Gyurcsány. Dat Orbán zelf tijdens de verkiezingscampagne tegenover diplomaten had gezegd dat ze niet op zijn woorden moesten letten, maar op zijn daden, donderde uiteraard niet. Je mag veel doen in de Hongaarse politiek. Maar bekennen dat je liegt, dat hoort daar niet bij. Het liegen zelf ligt een stuk minder problematisch. De kiezer verwacht eigenlijk niet anders.
Het wordt alleen erg vervelend als je op heterdaad betrapt wordt. Afgelopen maandag was de Duitse premier Angela Merkel in Hongarije. Dat bezoek was, op zijn zachtst gezegd, niet echt een succes voor Orbán. Merkel sprak maar heel kort met hem, bekritiseerde openlijk zijn opvattingen over democratie en drong aan op een betrouwbaar investeringsklimaat. Ze sprak daarentegen heel lang met joodse leiders, maar wilde Orbán er niet bij hebben toen ze de slachtoffers van de Holocaust herdacht.
Maar, zo kregen journalisten van de Hongaarse nieuwsportaal Vs in de wandelgangen te horen, vanuit economisch oogpunt was het bezoek eigenlijk een doorslaand succes. Er was sprake van de bouw van een nieuwe Mercedes-fabriek, een BMW-fabriek, investeringen van Siemens in de uitbreiding van de kerncentrale in Paks. Verder was er sprake van van militaire helikopters en een elektriciteitscentrale. Kortom, het ging om miljardeninvesteringen. In euro's wel te verstaan, niet in forinten.
De nieuwsportal baseerde zich op woordvoerders, diplomaten en zakenlieden die allemaal vanwege de gevoeligheid van de materie anoniem wilden blijven. Toen AFP bij regeringswoordvoerders navraag deed, vertelden die niet simpelweg of het verhaal waar was of niet, maar weigerden commentaar. Slim, want commentaar weigeren wordt meestal als een verhulde bevestiging uitgelegd (waarom zou je anders niet gewoon zeggen dat er niets van klopt?) en zo kwam het nieuws dus de wereld in. Regeringsgezinde media namen het groots over en glommen van trots over dit geweldige succes. En als het waar geweest zou zijn, dan zou iedereen gelijk hebben gehad om Orbán uitbundig te feliciteren.
Maar toen kwam iemand op het idee om eens navraag te doen bij andere bronnen. BMW en Mercedes, bijvoorbeeld. Beide bedrijven ontkenden investeringsplannen, en Siemens, zo bleek bij navraag bij dat bedrijf, houdt zich al lang niet meer met kerncentrales bezig. Over die hele helikopterkwestie schijnt nog lang niets beslist te zijn, en zo bleef er niets over van dit geweldige succes van Merkels bezoek. Wat voor de hand ligt, want uiteraard deelt mevrouw Merkel in een gesprek van nog geen half uur niet zomaar een paar miljard aan cadeautjes uit.
Wonderlijk. Waarom zou je een verhaal de wereld in helpen, waarvan je weet dat het niet langer dan hooguit 24 uur standhoudt? De reden is waarschijnlijk vrij simpel: propaganda. De investeringen hebben het nieuws groots gehaald. Het feit dat het hele verhaal onzin is, bereikt veel minder mensen. Zo zullen velen achteraf toch de indruk houden dat het bezoek van Merkel eigenlijk een groot succes was. Overigens zitten ook regeringsgezinde kranten als het weekblad Valász er wel mee in hun maag. "Het zou geen drama geweest zijn, als de regering de moed had gehad het Vs-verhaal te ontkennen. Maar nu zitten we wel met een klein drama," aldus het weekblad.
Een klein drama? Stel je voor dat Nederlandse regeringswoordvoerders in de wandelgangen geruchten over buitenlandse miljardeninvesteringen de wereld in zouden hebben geholpen en dat 24 uur later zou blijken dat het gewoon onzin is. Geen foutje of zo, maar gewoon verzonnen. Ik hoor de Tweede Kamer al. Ik vraag zelfs me af of Rutte dat überhaupt zou overleven.
Maar het blijft verbazingwekkend waar Hongaarse politici (en hun familieleden) mee wegkomen. Corruptiebeschuldigingen, leugens, ze schijnen als regendruppels op een oliejas van hun schouders te glijden Niet alleen van de schouders van Orbán trouwens, hou me ten goede.  De afgelopen 25 jaar is het buitengewoon zelden voorgekomen dat een politicus de gevolgen van zijn daden heeft moeten dragen, van welke politieke kleur hij ook was. Er is één voorwaarde: geef vooral niet toe dat je iets fout hebt gedaan. Want dat wordt je reuze kwalijk genomen.



donderdag 29 januari 2015

Een hartaanval op het platteland? Geen goed idee.

Hongarije dreigt een hoop geld kwijt te raken dat de EU in 2009 ter beschikking had gesteld voor de bouw van nieuwe ambulanceposten op het platteland. Volgens dagblad Népszabadság is er tot nu toe vrijwel geen post gebouwd, en als ze over negen maanden niet klaar zijn, moet het geld terug naar Brussel. Jammer voor al die mensen die nu bijvoorbeeld in het dorpje Kórós in de provincie Baranya wonen. Daar schijnt het - in het beste geval - 46,5 minuut te duren voordat de ambulance er is. En dat terwijl 15 minuten internationaal als norm geldt.
Maar eerlijk is eerlijk, je kunt op het Hongaarse platteland sowieso beter geen spoedeisende hulp nodig hebben, ook niet als de ambulancepost wel in de buurt is. Ik heb het tot nu toe twee keer van dichtbij meegemaakt dat in het dorp een ambulance nodig was. De ene keer ging het goed en waren ze er heel snel. De andere keer duurde het haast een uur. Geluk bij ongeluk in dat geval was dat niet zoveel uitmaakte. De betrokkene was namelijk vrijwel onmiddellijk dood en zou het waarschijnlijk ook niet overleefd hebben als de ambulance er meteen was geweest.
Het ging om onze buurman, die pakweg twee jaar geleden midden in de winter dood in onze tuin neerstortte. Ik belde het alarmnummer 112, en het moet worden gezegd, dat werkte, al was het wat vreemd dat de dame aan de andere kant van de lijn een uitvoerige beschrijving wilde waar het dorp te vinden was. Blijkbaar was er in de meldkamer niet zoiets simpels als een computer met Google Maps beschikbaar.
Onze buurman lag in de sneeuw, dus haalden we wat dekens uit huis en legden hem daar zo goed en zo kwaad als het ging op. Al hadden we een beetje het gevoel dat het niet echt meer uitmaakte. Daarna begon het lange wachten. Dat deden we in gezelschap van zijn vrouw, die uiteraard totaal overstuur was, en zijn twee dochters, die niet minder overstuur waren. De ene was toevallig ook nog de wijkverpleegster in het dorp, en ze deed er alles aan om haar vader te reanimeren.
Wat ze daarbij niet kon doen, ontdekten wij tot onze verbijstering, was de defibrillator gebruiken die wel degelijk in het dorp aanwezig bleek te zijn. Die hing namelijk in de spreekkamer van de huisarts en was alleen bereikbaar als die toevallig in het dorp was - zo pakweg twee keer per week een paar uur. Een hartaanval moet je dus echt op zeer beperkte uren krijgen.
Zoals gezegd, de ambulancepost was officieel in de buurt, maar helaas: de enige ambulance die daar stond, bleek al op weg te zijn naar een andere patiënt. Dus moest de ambulance alsnog van pakweg drie kwartier verderop komen. En inderdaad, na drie kwartier hoorden we dus een sirene het dorp inrijden - en weer eruit. Niet alleen hadden ze bij de ambulancedienst nooit van Google Maps gehoord, maar ook niet van de tomtom. Na een minuut of vijf hoorden we de wagen weer terugkomen, en nog een beetje heen en weer crossen door het echt niet overdreven grote aantal straten dat het dorp telde, voor hij uiteindelijk bij onze tuin stil bleef staan.
Toen hij er eenmaal was, bleek de wagen heel modern uitgerust te zijn, en de ambulancebroeders hadden ook een defibrillator bij zich die ze vol ijver nog een kwartier lang hebben gebruikt. Tevergeefs, uiteraard. Ze deden ook verder hun uiterste best en haalden alle middelen die ze in hun tas hadden, tevoorschijn om onze buurman weer tot leven te wekken. Daar lag het niet aan.
Uit cijfers blijkt dat de kans om, na een hartaanval te overlijden in Hongarije enkele malen groter is dan in West-Europa, en dat geldt met name voor het platteland. De gang van zaken rond onze buurman maakt overduidelijk waarom. Weliswaar had hij geen hartaanval, maar had hij die wel gehad, dan had hij geen kans gemaakt. Voor het dorp zou het zeker nuttig zijn als zijn dochter de verpleegster en ook anderen in het dorp die defibrillator niet alleen hadden kunnen bereiken, maar ook nog gebruiken. Samen met misschien iets van een brancard om mensen naar binnen te brengen en een potje aspirine en wat andere nuttige medicijnen ter eerste behandeling van een hartaanval zou de overlevingskans van heel wat Hongaren zo aanzienlijk vergroot kunnen worden. Al zou het natuurlijk ook helpen als ambulances er echt binnen vijftien minuten zijn.

woensdag 28 januari 2015

Trap op, trap af

En nu nog de informatievoorziening...
"Van welk spoor vertrekt de trein?" vraagt de dame voor mij. De lokettiste haalt haar schouders op. "Geen idee," zegt ze, "U moet maar luisteren naar de omroepberichten".  Het is geen onwil harerzijds. Ze weet het echt niet. Niemand op het station, trouwens.
Het afgelopen jaar is er druk gerenoveerd in het station van Vác en het is bijna af. Het is echt mooi geworden. Brede perrons met overkappingen, zodat je droog staat, bankjes zelfs, onderdoorgangen naar de perrons zodat je niet over het spoor hoeft te strompelen. Het negentiende-eeuwse stationsgebouw heeft een facelift gekregen en het plein ervoor is voorzien van een plantsoentje met bloemen, sierklinkers en smeedijzeren lantarenpalen. Zelf vind ik het jammer dat het warm-gele pleisterwerk van vroeger vervangen is door bruinere kleuren, maar smaken verschillen. Er zijn parkeerplaatsen, ruime, nieuwe loketten, een heuse wc, een verwarmde hal met bankjes waar je comfortabel kunt wachten op je trein. Er is nog geen koffie te krijgen, maar dat komt vast nog wel, er is wel een winkelruimte. Er zijn zelfs liften naar de perrons, al doen die het nog niet.
Er is slechts één maar: de informatievoorziening. Die is zo mogelijk nog slechter dan vroeger. Hij is er eigenlijk gewoon niet. Er zijn borden met vertrek- en aankomsttijden, maar daarop staat niet aangegeven vanaf welk perron een trein geacht wordt. De reden is simpel: dat wordt pas in de laatste minuten bekend. Misschien onderschat ik als de leek de problemen, maar hoe moeilijk kan het zijn om treinen die iedere dag op hetzelfde moment komen ook iedere dag op hetzelfde spoor aan te laten komen? Voor de verbouwing van het station lukte dat toch ook?
Maar goed, om die reden staat iedere ochtend  om iets voor half acht 's ochtends een groep van enkele honderden forenzen in de onderdoorgang te wachten op het antwoord op de vraag van welk perron hun trein vanochtend vertrekt. Iedereen luistert naar de omroepberichten, in uiterste concentratie, want luidsprekers zijn er niet in de tunnel en daarom zijn de mededelingen niet zo heel goed te horen. Dan wordt het verlossende woord gesproken: vanochtend komt de trein op perron vijf. De hele meute stormt de trap op. Wie het bericht niet gehoord heeft, volgt gewoon de menigte.
Die menigte 's ochtends heeft routine, dat zie je. Die doen niet eens meer de moeite het perron op te lopen voor ze weten waar ze heen moeten. Later op de dag krijg je scenes zoals mij onlangs overkwam, toen mijn trein vertraging had. We stonden met zijn allen op het perron waar hij theoretisch aan zou komen. De menigte begon behoorlijk knorrig te worden, en de stemming verbeterde niet dankzij het omroepbericht dat de trein op een ander perron zou arriveren.
Iedereen stommelde de trap af, de volgende trap op. Helaas, geen trein. Wel een nieuw omroepbericht: foutje, we moesten toch op het andere perron zijn.
Inderdaad kwam daar een trein binnen, alleen niet degene waar we allemaal op stond te wachten. Ach, foutje, we moesten toch op het eerste perron zijn. Een paar jongeren hadden er inmiddels genoeg van. Ze sprongen van het perron af, staken het spoor over en klommen het andere perron weer op. De rest liep knarsetandend weer trap af, trap op. Een vriend die dezelfde dag reisde, had meer geluk: hij hoefde maar één keer van perron te wisselen.
Kinderziektes, zullen we maar hopen. Ik zie op alle perrons kabels uit een pilaar komen, die doen vermoeden dat er op den duur informatieborden komen te hangen. Je mag, gezien de huidige chaos, alleen hopen dat daar straks niet simpelweg permanent de tekst op staat: 'let op de omroepberichten'.

zaterdag 17 januari 2015

Huzaar: een Hongaarse jongensdroom

Huzaren in de kathedraal van Vác
Zo af en toe rijden ze in het park voor ons huis langs: de huzaren van Vác. Te paard, met het sabel aan de zijde. Kinderen kijken ze met glinsterende ogen na. Veel volwassenen ook, trouwens. "Huzaar zijn is de droom van iedere jongen", zegt Péter Bócz, een leraar die vroeger infanterist bij de groep was. Een Hongaars jongetje komt volgens hem niet om de huzaren heen. Het zijn de cowboys van de Hongaarse kinderliteratuur: “In kinderboeken, sprookjes en liedjes, overal kom je ze tegen.”
Maar de huzaren zijn meer dan een jongens- en soms ook een meisjesdroom. Hoe serieus ze genomen worden, is goed zichtbaar rond de herdenking van de Martelaren van Arad, dertien Hongaarse officieren die in oktober 1849 werden geëxecuteerd na een mislukte opstand tegen de Oostenrijkse keizer. Het is een dag waarop Hongarije treurt. Bij een dienst in de kathedraal in Vác waar de bisschop aandacht wijdt aan die herdenking, zitten de huzaren voorin. Hun sabels en musketten liggen op de grond voor het altaar. Op een tafel aan de zijkant staan hun met veren versierde sjako’s, soldatenhoeden.
Het grote plein voor de kathedraal wordt door vuurpotten verlicht, dertien, voor iedere martelaar één. Na de mis marcheren de huzaren onder trommelgeroffel naar buiten en stellen zich in gelid naast de vlammen op. Er klinkt een droevige vrouwenstem: “In boeien geslagen de arme Hongaar, het bloed stroomde en stroomde/Van martelaren zingt dit lied, hierna is er bijna geen hoop meer”. Het is koud en de belangstelling is beperkt, maar de aanwezigen zijn zichtbaar geroerd. Een dikke veertiger veegt steels zijn wangen af. “Prachtig hè?” fluistert een oudere vrouw. Het mag 165 jaar geleden zijn, je zou haast geloven dat de dertien gisteren zijn geëxecuteerd.
“Het was een strijd om trots op te zijn,” zegt huzaar Zsolt Bakó na afloop. In het dagelijks leven is hij tuinarchitect. Maar een keer in de zoveel tijd trekt hij leren rijlaarzen aan, slaat een rijk gestikt jasje om zijn schouder, gort het sabel aan en zet zijn met hanenveren versierde sjako op het hoofd. Dan bestijgt hij zijn paard en speelt historische gevechten uit 1848 na of neemt hij deel aan erewachten, zoals bij deze herdenking van de Martelaren van Arad.
Hij is overigens nuchter genoeg om ongevraagd te erkennen dat de mislukte opstand van 1848 uiteindelijk minder dramatische gevolgen had dan het droevige vrouwenlied en de tranen op het plein suggereren. Als verlaat gevolg van die opstand stemde de Oostenrijkse keizer nog geen twintig jaar later in met de vorming van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Die monarchistische federatie luidde een van de welvarendste periodes uit de Hongaarse geschiedenis in. Het parlement in Boedapest, zo kostbaar dat je er een stad van veertigduizend inwoners van had kunnen bouwen, de Opera en eigenlijk alle grote gebouwen in Boedapest, de meeste bruggen over de Donau, maar ook de monumentale stadhuizen, theaters en kerken in veel ander steden stammen uit die jaren. Maar goed, dat terzijde.


maandag 5 januari 2015

Chaos rond de nieuwe snelwegtol

Tolwegen rond Boedapest
Als je de Hongaarse staats-tv moet geloven, zijn talloze Hongaren reuzeblij met de invoering van de nieuwe provinciale snelwegsticker, inclusief de acteur die ze hadden ingehuurd om op het nieuws als 'stem van de straat' te verklaren hoeveel goedkoper hij nu uit was. Ongetwijfeld zijn er mensen die er echt blij mee zijn, maar laten we eerlijk zijn: de bedoeling van de regering was om extra geld binnen te halen. Dan hoef je geen groot rekenkunstenaar te zijn om te weten dat er meer mensen zijn die dankzij deze maatregel geld kwijt zijn dan mensen die erop vooruitgaan.
Ik hoor dus niet bij die mensen die erop vooruit gaat. En niemand in Vác of omstreken. Om met de auto van Vác naar Boedapest te rijden, moeten we in toekomst jaarlijks 5000 forint (16 euro) extra betalen. Misschien geen wereldbedrag, maar ook niet niets voor wie met een gemiddeld Hongaars inkomen moet rondkomen. En bovendien 5000 forint meer dat inwoners van Vác in het verleden aan die rit uitgaven.
Het meest opvallende is dat er naar Vác niet eens een snelweg gaat. De M2 is een tamelijk gevaarlijke tweebaansweg waar om die reden een maximumsnelheid van 90 kilometer per uur geldt en je grote delen van de route achter een vrachtwagen aansukkelt omdat er een inhaalverbod geldt. Twee jaar geleden is op delen van die weg zelfs een superdikke r
ode middenstreep geschilderd om duidelijk te maken dat je daar ECHT niet mag inhalen. Maar om duistere redenen staat de weg te boek als heuse snelweg en dus kassa! Zonder dat hij er een spatje breder, sneller of minder gevaarlijk van is geworden, uiteraard. Gek genoeg zijn er elders in het land vierbaans-autowegen waar je nog steeds gratis overheen kunt rijden.
Maar het kan nog bizarder. Toen de nieuwe tolheffing luttele weken geleden werd aangekondigd (een donderslag uit heldere hemel, zo omschreef een taxichauffeur bij het vliegveld de maatregel), was in eerste instantie met name sprake van de M0, de rondweg rond Boedapest. Laat die M0 nu voor een groot deel tolvrij gebleven zijn. Dat komt, omdat hij grotendeels door de EU was betaald, en voorwaarde daarbij was dat er geen tol geheven zou worden.
Maar niet getreurd, althans niet uit het oogpunt van de bedenkers van de nieuwe heffing: het is namelijk vrijwel onmogelijk om de M0 op te rijden zonder op zijn minst een kilometertje over asfalt te komen waar de tol wel geldt. Alle snelwegen van en naar Boedapest zijn namelijk tolplichtig geworden, net als de halve kilometer die de M0 met het vliegveld verbindt en nog zo wat onverwachte stukjes weg. Kortom, iedere automobilist in of in de buurt van de hoofdstad doet er verstandig aan om een sticker voor de provincie Pest te kopen, vooral omdat lang niet overal borden staan of een bepaald stuk weg wel, of niet tolplichtig is. Maar reken maar dat ze juist op die lullige kleine stukjes gaan controleren.
Maar de Boedapesters zijn niet de enige slachtoffers. Website Index heeft de meest onlogische plekken van het nieuwe systeem op een rijtje gezet. Een paar pareltjes. Ergens onder Dunaujváros is een brug over de Donau waar je voor moet betalen. Helaas is de rivier ook de provinciegrens. Gevolg: om de brug over te rijden, heb je van twee provincies stickers nodig. 10.000 forint per jaar dus.