maandag 26 april 2010

GOUDSCHAT

Niemand weet precies hoeveel Aziatische kunstvoorwerpen István Zelnik heeft, hijzelf ook niet. Hij is een gepassioneerde verzamelaar, maar bijhouden waar alles vandaan komt heeft hij nooit gedaan. Het is hoogste tijd, vindt hijzelf, reden waarom Zelnik een eigen museum wil oprichten en daarnaast een Azië-afdeling gaat financieren aan de ELTE-universiteit in Boedapest. Studenten die zich daar inschrijven, kunnen de komende decennia aan de slag met het onderzoeken van zijn collectie.
Onderdeel van die verzameling is een unieke collectie van 24 gouden maskers, die momenteel te zien zijn in het etnografisch museum in Budapest. Zoals bij een groot aantal van Zelnik's stukken is de herkomst en de datering van de stukken lang niet altijd duidelijk, maar dat is niet nodig om te beseffen dat het om een indrukwekkende goudschat gaat. Het is de grootste collectie van dit soort maskers ter wereld. Ter vergelijking: het Brits Museum heeft er ook een paar. Drie, om wel te verstaan.
De meest opmerkelijke maskers zijn twee pakweg vijftig centimeter grote gouden schorpioenen, met op hun rug het gezicht van een man en een vrouw gegraveerd. De herkomstplaats van de rijk versierde stukken is waarschijnlijk een hoogvlakte in Vietnam, de enige plek waar de betreffende schorpioenensoort daadwerkelijk voorkomt. Dat maakt de maskers nog opmerkelijker, want op de hoogvlakte komt nauwelijks goud voor, en niemand weet wat de betekenis van deze kostbare stukken is.
Midden jaren zeventig was Zelnik een jonge Hongaarse diplomaat, kersvers van de diplomatieke opleiding in Moskou, waar hij zich had gespecialiseerd in Zuid-Oost-Azië. Hij behoorde tot een nieuwe generatie diplomaten, opgegroeid in een goed-communistische familie, maar zonder de last van een Stalinistisch verleden.
Zijn liefde voor Azië dankte hij aan een buurman uit zijn jeugd, een Hongaarse oriëntalist die hem als jongen uitnodigde voor Japanse theeceremoniën.
Eenmaal in Moskou bleek er alleen plek te zijn aan de Vietnamese opleiding, en in 1975 arriveerde hij in Hanoi, precies aan het einde van de Vietnamoorlog. De hele Zuid-Vietnamese elite was op de vlucht, en deed haar kunstschatten voor een prikkie van de hand.
Toen Zelnik later, begin jaren negentig, als consulent in Brussel werkt, wist hij zijn collectie aan te vullen met tal van stukken die de nakomelingen van Belgische, Nederlandse en Franse koloniale ambtenaren op de markt brachten. Het waren vaak de kleinkinderen die van al die koloniale 'rommel' afwilden in een tijd dat Aziatische kunst nog niet erg gewild was. De vlooienmarkt was destijds een prima plek om te grasduinen.
Niet alle stukken komen waarschijnlijk uit privécollecties. Een collega van Zelnik die kort na hem in Vietnam kwam, betaalde rond dezelfde tijd geld aan Vietnamese museumsuppoosten om te voorkomen dat die delen van de collecties kapotmaakten of verscharrelden en zonder enige twijfel zijn op die manier museumstukken in Zelnik's verzameling terecht gekomen. Hij realiseert zich dat ook, en heeft al gezegd dat hij alle stukken waarvan aangetoond kan worden dat ze uit een museum stammen, terug zal geven aan Vietnam.
Maar daarvoor moeten ze eerst geïnventariseerd worden, en dat is een heidense klus. Zijn collectie beperkt zich al lang niet meer tot Zuid-Oost-Azië, maar bevat inmiddels ook stukken uit China en andere delen van Azië. Naast een collectie gouden voorwerpen van de Vietnamese Cham heeft hij ook een grote collectie Chinees porselein, afkomstig uit scheepswrakken die voor de Vietnamese kust werden gevonden.
Terwijl de leeftijd en herkomst van het porcelein duidelijk is, zijn er veel stukken in de collectie waarover niets bekend is. Om alles in kaart te brengen, werkt hij inmiddels samen met de Universiteit van Singapore, het Vietnamese Archeologisch Instituut, het Vietnamese Historische Museum en Azië-instituten in Londen.
Waar inmiddels wel een schatting van bestaat, is de waarde van zijn collectie. Pakweg 100 tot 150 stukken zijn zo uniek, dat de waarde niet te bepalen is. De waarde van de rest wordt op ruim 1,1 miljard euro becijferd. Niet slecht voor een Hongaarse diplomaat wiens eerste 'Aziatische stuk' een versierde klerenhanger was die hij als jongen kocht.

maandag 19 april 2010

OPEN DOEL

Gábor Vona, de voorzitter van Jobbik, is geboren en opgegroeid Gyöngyös, een klein stadje aan de voet van het Matragebergte. Hij schijnt als jongen geen diepe indruk op zijn stadsgenoten gemaakt te hebben, maar bij de verkiezingen heeft hij desondanks zijn geboorteplaats uitgekozen als district waar hij verkiesbaar is voor zijn partij, klaarblijkelijk niet helemaal tot genoegen van lokale Jobbik-vertegenwoordigers, die daardoor een kans misliepen.
Tijdens de eerste ronde van de verkiezingen eindigde Vona met 26 procent van de stemmen op de derde plaats, ruim twee procent achter de socialisten en ruim 13 procent achter de Fidesz-kandidaat. De kans om in Gyöngyös een directe zetel te winnen, leek dan ook gering. Op zich maakt dat niet zoveel uit, want hij komt toch wel in het parlement, maar op persoonlijke titel gekozen te worden streelt natuurlijk de ijdelheid. Zeker als je partijvoorzitter bent, staat het wel goed, want het geeft toch aan hoe populair je bij het electoraat bent.
Maar wie weet, krijgt Vona alsnog zijn zin. Dit weekend deed de politie in Gyöngyös een inval bij een Fidesz-gemeenteraadslid. De man werd verdacht van heling, nadat eerder twee inbrekers hadden bekend dat ze hun gestolen waar naar hem doorsluisden. In zijn kelder bleek voor enkele duizenden euro's aan gestolen spullen te staan.
De man is niet alleen gemeenteraadslid, maar ook voorzitter van de Samen voor Gyöngyös Roma-Hongaarse Vereniging. En inderdaad, zelf is hij ook zigeuner. Vorig jaar heeft hij als voorzitter van de vereniging nog een prijs uitgereikt aan een medewerkster van de Amerikaanse ambassade voor haar inzet voor Roma-integratie. Bij die gelegenheid benadrukte hij het belang van de individuele opstelling van mensen en individuele acties "die een belangrijk verschil kunnen uitmaken in het vreedzame naast elkaar bestaan van Roma en niet-Roma".
Hoe waar. Je zou haast denken dat Vona het zelf in elkaar gezet heeft, zo mooi komt het uit: een Fidesz-politicus, een zigeuner, die wordt gearresteerd wegens heling precies in het kiesdistrict waar de Jobbik-voorzitter kandidaat staat. Je hoeft geen campagnemanager van Jobbik te zijn om te bedenken waar Vona's campagne in Gyöngyös om zal draaien.
Het vinden van goede Roma-vertegenwoordigers is voor politieke partijen niet simpel. Daarbij wreekt zich het gebrek aan een intellectuele bovenlaag. Zeker in de provincie moet je het op lokaal niveau doen met de mensen die er zijn. En Zsolt L. leek helemaal niet zo'n gekke keuze. Gezien de dankbetuigingen op zijn website heeft hij heel wat mensen uit de problemen geholpen.
Maar een politieke carrière trekt in Hongarije wel vaker mensen die het niet uit idealisme doen. Of in ieder geval niet uitsluitend uit idealisme. De Jobbik-leider in Bicske werd door de politie gearresteerd omdat hij in de illegale wapenhandel zou zitten. En in Gyöngyös schijnen mensen het niet zo leuk te vinden dat een Jobbik-man de lokale speelautomaten in handen heeft. Dat is weliswaar geen inbreken, maar een vorm van diefstal is het net zo goed.

donderdag 15 april 2010

ANDERE POLITIEK

In alle commotie over het feit dat de extreem-rechtse Jobbik met ruim zestien procent het Hongaarse parlement is binnengestapt, zou je haast vergeten dat ook een andere partij vanuit het niets meer dan zeven procent wist te halen: Lehet Más a Politika (LMP), oftewel Een andere Politiek is Mogelijk. De LMP heeft het aanzienlijk beter gedaan dan opiniepeilers hadden voorzien, de peilingen vooraf hielden het er lange tijd op dat ze 'misschien' de kiesdrempel van vijf procent zouden halen.
Hun succes verbaasde mij niet echt, want voor veel aanhangers van de liberale, inmiddels min of meer ter ziele gegane SzDSz was de LMP eigenlijk het enige denkbare alternatief, al ben ik ook wel mensen tegengekomen die uiteindelijk, zeer tegen hun zin, op de socialisten zijn gaan stemmen. Toch is de LMP bepaald geen liberale partij. Ze komt voort uit de milieubeweging en concentreert zich in de eerste plaats op groene onderwerpen.
Wat de partij met de SzDSz gemeen heeft, is respect voor mensenrechten, en LMP is dan ook de enige partij die zich sterk maakt voor vrouwenrechten en voor de positie van Roma. Gelijktijdig constateert de LMP overigens, geheel terecht, dat er zeer serieuze problemen zijn waar niet alleen de Roma onder te lijden hebben en het niet opgaat om het land simpelweg te verdelen in zielige Roma en racistische Hongaren.
Maar op andere vlakken lijkt de partij helemaal niet op de SzDSz. Economisch staat de LMP bepaald geen liberaal beleid voor. Van multinationals moeten ze, net als Jobbik en Fidesz, niet zoveel hebben. Economisch richten ze hun hoop eerder op de ontwikkeling van een groene, kleinschalige Hongaarse landbouw. Een politiek analist noemde hen deze week 'een hippiepartij' en af en toe roepen ze inderdaad een beetje de sfeer van de Nederlandse Kabouterbeweging uit de jaren zeventig op. Een partijstructuur hebben ze niet, alle besluiten worden 'gezamenlijk' genomen.
Hoewel de LMP de kleinste fractie is, kan de partij in het parlement straks een interessante rol gaan spelen. De partij is nieuw, onbesproken, en bestaat hoofdzakelijk uit jonge intellectuelen die er alleen al vanwege hun leeftijd al niet van verdacht kunnen worden dat ze ooit ook maar iets te maken hebben gehad met de communistische partij of een van diens mantelorganisaties.
Ze hebben geen rol gespeeld in de politieke debatten van de afgelopen jaren en er is dus weinig oud zeer tussen hen en anderen. Ze zijn in principe bereid tot samenwerking met andere partijen. Met haar te verwachten tweederde meerderheid in het parlement heeft de toekomstige regeringspartij Fidesz weliswaar niet heel veel reden om straks naar de LMP te luisteren, net zomin als Fidesz naar andere partijen hoeft te luisteren. Maar ze heeft ook weinig reden om niet naar hen te luisteren. Een LMP-voorstel zou daarom nog wel eens een gewillig oor kunnen vinden.
Te hopen is alleen dat de LMP haar eigen succes kan dragen. Op dit moment is het eerder een goedwillende vriendenclub dan een echte partij. Besluiten gezamenlijk nemen is leuk zolang je klein bent, elkaar allemaal graag mag en weinig te doen hebt met de grote, boze buitenwereld. Maar bij grotere organisaties betekent het of dat er geen besluiten worden genomen, of dat ze wel worden genomen, maar niemand nog weet wie er precies achter zit. En als je in een parlement iets voor elkaar wilt krijgen, zul je enige slagvaardigheid moeten tonen.
Voorlopig is het dus afwachten wat er uiteindelijk uitkomt. Maar een nieuw geluid is de LMP in ieder geval zeer zeker. En dat is zeker verfrissend in het Hongaarse politieke klimaat.

maandag 5 april 2010

VERKIEZINGEN

Het is geen vraag wie er wint bij de Hongaarse verkiezingen komende zondag. Dat is de huidige conservatieve oppositiepartij Fidesz. De vraag is hooguit, hoeveel met zetels. Opiniepeilingen voorspellen al jaren een absolute meerderheid voor de partij. Fidesz zelf hoopt op tweederde van alle zetels. Zoveel zijn er nodig om de grondwet, en een aantal andere belangrijke wetten, aan te passen. Het makkelijkste is natuurlijk als je eigen fractie zo groot is dat je met niemand hoeft te onderhandelen.
Dat verklaart misschien waarom de partij zich ondanks haar zekere overwinning opmerkelijk kinderachtig opstelde bij het inzamelen van handtekeningen ter ondersteuning van de kandidaten. Het Hongaarse verkiezingsstelsel is buitengewoon gecompliceerd. Om het mee te kunnen doen, en om het goed te doen, moet een partij in ieder kiesdistrict kandidaten hebben. Als dat niet lukt, is de kans om de kiesdrempel van vijf procent te halen en daadwerkelijk in het parlement te komen, een stuk kleiner. Iedere kandidatuur moet ondersteund worden door 700 handtekeningen van kiezers uit het betreffende kiesdistrict.
Die regels leken ooit zo mooi bedacht. De kiesdrempel was bedoeld om extreme versplintering van het parlement te voorkomen. Als je dat niet doet, zoals in Nederland, eindig je af en toe met eenmansfracties van Boer Koekoek in de Tweede Kamer. Als je, zoals Hongarije, 386 zetels te verdelen hebt, is de kans op versplintering zonder kiesdrempel natuurlijk nog veel groter.
Zevenhonderd handtekeningen per kandidaat lijkt ook geen onoverkoombaar obstakel voor een serieuze partij, en schrikt voldoende af om te voorkomen dat onzinpartijen zoals de Bierpartij (ooit kandidaat in Tsjechië) of de Partij voor de Planten (klaarblijkelijk een gegadigde bij de Nederlandse verkiezingen en géén één-arpil-grap) zich opwerpen.
Wat niemand had voorzien, is dat je het systeem ook kunt misbruiken. Iedere kiezer mag maar één keer tekenen. Een grote partij heeft die zevenhonderd handtekeningen inderdaad zo bij elkaar. Maar kleine partijen lopen zich een ongeluk en, zoals hun activisten de afgelopen maanden in weer en wind ondervonden, vaak voor niets: in veel gevallen bleek iemand hen voor te zijn geweest. Met name Fidesz heeft veel meer handtekeningen opgehaald dan nodig, bewust, om te verhinderen dat anderen die kregen.
Utieindelijk kon dat niet voorkomen dat de socialisten overal in het land kandidaten op wisten te stellen, net overigens als de extreem-rechtse Jobbik. Met veel moeite is het ook een nieuwkomer in de Hongaarse politiek, de ’Andere Politiek is Mogelijk’ (LMP) gelukt om overal kandidaten op te stellen.
Maar de kans is groot dat een oudgediende, de centrum-rechtse Hongaarse Democratische Partij (MDF) het parlement niet haalt, omdat het de partij te weinig handtekeningen binnen wist te halen. Even dreigde het MDF zelfs in Boedapest niet in alle districten kandidaten te hebben, omdat de andere partijen in de kiescommissie meenden dat een deel van de handtekeningenlijsten niet klopten. In hoger beroep werd beslist dat die lijsten toch goed waren.
Een beetje kinderachtig, maar het maakt wel duidelijk waar het in deze verkiezingen eigenlijk alleen nog maar om gaat: om de stemmen in het midden. De socialisten, het MDF en LMP lonken allemaal naar de kiezers in het midden met een waarschuwing tegen de absolute macht die Fidesz dreigt te krijgen. Fidesz op zijn beurt werpt zich op als de enige kracht die Hongarije economisch en sociaal weer op het goede spoor kan krijgen en daarmee het rechts-extremisme kan indammen.
Fidesz is altijd goed in geweest in het vernieuwen van het imago. Ooit begonnen als links-liberaal schoof de partij in 1998 op naar rechts van het centrum omdat daar de grootste kansen lagen. Jaren heeft Viktor Orbán geprobeerd om dé partij voor zowel gematigd als extreem-rechts te worden, waarbij hij nationalistische retoriek niet schuwde om de extremistische kiezer te lokken. Maar met de opkomst van de Jobbik lijkt die strijd verloren. Jobbik-leider Gábor Vona was ooit Orbán’s politieke ontdekking, maar heeft zich al lang aan diens invloed ontworsteld. Zoals Vona recent in een open brief aan Orbán schreef: wij zijn geen vliegen die u met een klap op uw wang kunt verjagen.
Van een potentiële bondgenoot is Jobbik, gesteund door zijn paramilitaire Hongaarse Garde, veranderd in een geduchte concurrent. Bij de Europese parlementsverkiezingen haalde de partij vorig jaar 15 procent van de stemmen. Nu kan Jobbik wel eens de tweede kracht in het parlement worden. En niemand verwacht dat parlementslidmaatschap een matigende invloed zal hebben. ,,Jobbik is extremistisch, gewelddadig en gevaarlijk voor Hongarije, ’’ aldus Orbán’s rechterhand Péter Szíjjárto onlangs op een bijeenkomst voor buitenlandse journalisten.
En dus is het ditmaal vooral het politieke midden waar Fidesz zijn basis probeert te versterken. Datzelfde politieke midden waar de anderen het van moeten hebben. Vandaar dat de strijd toch nog venijniger is dan je zou verwachten met zo’n zekere overwinning op zak.

vrijdag 26 maart 2010

TE WATER

Er is er inmiddels ook één in Rotterdam, en in Engeland schijnen er ook een paar rond te rijden, maar Boedapest was vorige herfst de eerste stad op het Europese continent waar je met een amfibiebus het water in kon. De tocht duurt twee uur en voert eerst (over straat) langs de belangrijkste bezienswaardigheden van Pest, om vervolgens de Donau in te rijden. De duik het water in met de bus is een grappige ervaring, hoewel het haast nog leuker is om de bus van de kant af door het water te zien varen. Eenmaal te water heb je in de bus zelf eerder het gevoel gewoon in een boot te zitten.

De varende koektrommel is een merkwaardig gezicht, maar voordat hij het water in mocht, is er heel wat aan vooraf gegaan. Het heeft initiatiefnemer Gábor Galla meer hoofdbrekens gekost dan hij vooraf had verwacht.
De in Malta gebouwde bus moest zowel voor wegverkeer als voor de vaart worden goedgekeurd. Het voertuig vaart op een waterjetstraal, is voorzien van ankers, aanlegtouwen en radiocommunicatie. De buschauffeur heeft een rij- en vaarbewijs en er vaart zelfs een matroos mee, wiens voornaamste functie zitten in een stoel is.
Galla hoopte zijn bus al voor de zomer te water te laten, maar daarbij had hij buiten de vergunningsprocedure gerekend.
Het leger, de brandweer, de gezondheidsinspectie, je kunt het zo gek niet bedenken of ze moesten toestemming geven. Om de bus het water in te laten rijden, moest hij een afrit naar de Donau bouwen. Daarvoor had hij onder meer vergunningen nodig van de deelgemeente, de gemeente, de rivierautoriteiten en de gezondheidsinspectie, vanwege het riool.
Om de bus in de stad te laten rijden, had hij ondermeer vergunning nodig van de gemeente en de verkeersinspectie, en het bleek helemaal niet simpel om de eisen voor een toerbus en een boot in één voertuig te verenigen. In toerbussen moet je tegenwoordig gordels hebben, op een boot mag dat juist niet. Dat probleem werd opgelost door de bus te kwalificeren als stadsbus, wat betekende dat er een snelheidsbeperking moest worden ingebouwd, want stadsbussen mogen niet sneller dan 70 kilometer per uur kunnen rijden.
Bij een stadsbus moet je ook in geval van nood ook makkelijk kunnen uitstappen, een lastige eis bij een bus die zo hoog is dat je met een soort vliegtuigtrappetje in moet. Dat kun je ingeklemd in het verkeer niet zomaar uitklappen. Een aparte noodladder bracht de oplossing. En natuurlijk moesten er zwemvesten komen, en nooduitgangen om de boot snel te kunnen verlaten in geval van een ongeluk op het water.
Negen maanden, haast een half miljoen euro en 52 vergunningen later kon Galla het vehikel eindelijk op pad sturen. Typisch Hongaarse bureaucratie? Niet echt. De plannen voor de amfibiebus in Rotterdam stammen al uit 2007. Daar kostte het zoveel moeite de zaak echt te realiseren, dat dat voertuig pas dit voorjaar in gebruik genomen kon worden.
De bus vaart het hele jaar. Alleen als er ijs op de rivier is, wordt de tocht afgelast. ,,Dan raken de waterjets verstopt,'' zegt Galla. In de eerste zes maanden trok de Riverride in Boedapest 10.000 bezoekers, niet slecht voor de winter, vindt hij. Met 20.000 bezoekers in de zomer is de bus volgens hem winstgevend. Rond oud en nieuw was het voertuig permanent volgeboekt. Reserveren is sowieso aanbevolen, vooral in het weekend.
Het voertuig trekt begrijpelijkerwijs altijd enorme belangstelling van voorbijgangers. Hoewel de rondleiding in het Duits en Engels is en de prijs met 7500 forint (pakweg 25 euro) bepaald niet goedkoop, melden zich tot Galla's verrassing ook regelmatig Hongaren aan.
Maar die zijn, zegt hij, eigenlijk vooral in de tewaterlating geïnteresseerd. Om hen tegemoet te komen, was er deze winter iedere middag om vijf uur een speciale Hongaarse tocht, een uur korter en tegen een gereduceerde prijs. Voor toeristen misschien ook interessant: een tochtje over de avondlijke Donau met al zijn verlichting is waarschijnlijk de meest romantische busrit die je kunt maken.

zaterdag 20 maart 2010

RIJBEWIJS VERNIEUWEN

Bij de afrit van het vliegveld Ferihegy stond politie. Papieren, wat anders? Heel af en toe moet je in Hongarije blazen, maar meestal willen ze alleen maar al je papieren zien: rijbewijs, groene kaart, technische keuring, verzekering, de hele rataplan. Niet echt iets waar je na een paar uur vliegen voor in stemming bent, maar goed.
Ik zat zelf niet achter het stuur en voelde me niet echt bij de controle betrokken. Maar het gesprek buiten de auto kreeg al snel een wending waaruit ik afleidde dat er iets niet helemaal in orde was. Nieuwsgierig stapte ik uit. De overigens uiterst vriendelijke agente wees op het rijbewijs van mijn man, draaide het om en wees nog eens. Op de voorkant mocht weliswaar een datum tot 2015 staan, maar kijk, dat, die datum op de achterkant, gaf aan tot wanneer het rijbewijs echt geldig was. April 2010... als ze ons nu niet had aangehouden, hadden we ergens in de komende maanden zeker problemen gekregen.
Lang leve Europa, had ik nog gedacht toen we onze rijbewijzen vijf jaar geleden vernieuwden en de geldigheidsduur van tien jaar zagen. Een kennis van ons loopt zelfs rond met een rijbewijs waar voorop op staat dat het vijftig jaar geldig is. Nooit meer naar het gemeentehuis, wat een luxe.
Niet dus. Iedereen die een Hongaars rijbewijs heeft, zij gewaarschuwd: de geldigheidsduur op de voorkant is niet de echte geldigheidsduur. Die staat bij de B (en wie vrachtwagen mag rijden, waarschijnlijk bij de C) op de achterkant. Wat er dan wel tien jaar geldig is, is mij nog steeds onduidelijk. T, M en K, maar waar die letters voor staan? Niet voor een voertuig, dat is zeker.
Waarschijnlijk gaat het om je theorie, en verder om EHBO en techniek, twee onderdelen waarvoor je bij een Hongaars rijbewijs een proeve van bekwaamheid in moet afleggen. Dat wil onder meer zeggen dat je moet kunnen aanwijzen waar je de motorolie moet verversen.
Het nut van EHBO kan ik me nog indenken, al vraag ik me af of iedere Hongaarse chauffeur daar echt zoveel verstand van heeft. Maar techniek is duidelijk een restant van een tijd dat iedereen hetzij in een Trabant, hetzij in een Wartburg rondreed, auto's die allemaal op elkaar leken en die zo doodsimpel waren dat iedereen ze zelf kon onderhouden. Tegenwoordig heb je er weinig aan te weten waar je in een Volkswagen de olie moet verversen als je vervolgens Toyota gaat rijden. Gelukkig kun je dat in de handleiding nakijken. Los van het feit dat het nauwelijks nog voorkomt dat je zelf de olie moet verversen.
Het is natuurlijk mooi meegenomen als dat examen tien jaar lang niet verloopt, zeker voor ons Nederlanders die die vakken om te beginnen al nooit hebben gedaan. Maar een ding is helaas zeker: wil je met een Hongaars rijbewijs blijven autorijden, moet je het wel degelijk om de vijf jaar vernieuwen. Wat de datum op de voorkant van dat roze kaartje ook mag beweren.

dinsdag 2 maart 2010

MUSEUMWIJK

Een museumwijk, met een nieuw ethnografisch museum, een centrum voor Europese cultuur en een museum voor moderne Hongaarse kunst. Dat wil István Tarlós, kandidaat voor het burgemeesterschap van Budapest voor de rechtse oppositiepartij Fidesz, bouwen als hij in het najaar gekozen zou worden.
De museumwijk moet het gat naast het Nyugatistation vullen, waar de socialistische regering enkele jaren geleden een nieuw regeringscentrum wilde bouwen. Dat plan werd door destijds door Fidesz afgeschoten. De oppositiepartij noemde het plan van de socialistische premier Gyurcsány destijds enorme geldverspilling.
De idee om de bouw van het nieuwe regeringscentrum te financieren uit de verkoop van de prachtige, maar vaak zeer onpraktische historische gebouwen waarin de ministeries nu gevestigd zijn, was volgens de oppositie alleen maar bedoeld om met onroerend goed speculaties de zakken van socialistische politici te vullen. De regering liet het plan vanwege alle tegenwerking uiteindelijk vallen.
Slechts een enkeling, zoals de internetkrant Hírszerző, wist zich nog te herinneren dat Fidesz zelf bij in de verkiezingscampagne in 2006 ook de bouw van een nieuw regeringscentrum had bepleit. Toen waren donumentale oude ministeries volgens partijleider en oud-premier Viktor Orbán duur en ongeschikt voor hun functie. De partij had de bouw van zo'n regeringswijk willen bekostigen uit, juist ja, de verkoop van de monumentale panden.
Maar met een regeringscentrum kun je natuurlijk niet aankomen als je die plannen net krachtig hebt afgeschoten. En als Fidesz al met nieuwe plannen voor een regeringscentrum komt, zal dat hoogst waarschijnlijk op een andere plek zijn. Er zijn grenzen aan hoezeer je kiezers voor de mal kunt houden. Blijft een feit dat er rond het Nyugatistation midden in de stad een enorm leeg terrein ligt, en dat is natuurlijk een kapitaalverspilling waar wat mee zou moeten gebeuren.
Maar voor een partij die zich zo keerde tegen de kosten van een regeringscentrum is het plan voor een nieuwe museumwijk op dezelfde plaats toch wel verrassend. Het is geen bescheiden opzet die Tarlós presenteert. Zo wil hij het Nyugatistation zelf, een constructie van het Franse architectenbureau Eiffel, naar voorbeeld van het Parijse Musée d'Orsay laten ombouwen.
Nu is het Nyugatistation nog volop in gebruik. Ten tijde van de regeringswijkplannen was ook sprake van een nieuw, ondergronds station, een park op de plek van de huidige spoor en zelfs een ondergronds verkeersplein voor het station. Maar dat bleek onbetaalbaar. En dat was nog vóór de crisis die Hongarije hard heeft getroffen.
Kon de bouw van het regeringscentrum nog gefinancierd worden uit de verkoop van de oude ministeries, Tarlós kan zijn museumwijk niet financieren uit de verkoop van bestaande musea. Private investeerders zouden volgens hem een deel van het geld moeten ophoesten, wat in moeilijke financiële tijden waarschijnlijk niet echt eenvoudig wordt.
En dan rest nog de vraag hoe die nieuwe musea te vullen. Geld voor de aanschaf van nieuwe stukken is er al jaren nauwelijks. En musea zonder tentoonstellingen, daar heb je weinig aan. Weliswaar heeft het museum voor schone kunsten meer werken in de opslag dan aan de muren, maar ik ben wel eens in die opslag geweest en een flink deel van die stukken worden niet voor niets niet tentoongesteld.
Misschien moeten museumdirecteuren zich voorbereiden op gedwongen verhuizingen. Het zou niet voor het eerst zijn. Het overkwam het contemporaine Ludwigmuseum, dat ooit centraal op de burcht gevestigd was. Enige jaren geleden moest het, zonder enig overleg, op last van het ministerie van cultuur verhuizen naar het fraaie, maar totaal uit de loop liggende Paleis der Kunsten. Sindsdien adverteert het museum met aanbiedingen als 'twee toegangskaartjes voor de prijs van één' om bezoekers te trekken.
Wie weet, misschien mogen ze straks naar de Museumwijk, al was het maar om het door de socialisten gebouwde Paleis der Kunsten een hak te zetten. Al moeten we eerst maar eens afwachten of Tarlós' plannen meer zijn dan verkiezingsretoriek.