zondag 31 januari 2016

Voor de rechter

Foto Runa Hellinga
Voor de rechter
Halverwege de zitting wordt het de Cubaan Joel Q. even te machtig en slaat zijn astma toe. Frummelend met geboeide handen haalt hij een inhalator uit zijn jaszak. Naast hem zit zijn medeaangeklaagde, de Bengali Mohammed R., ingehouden te snikken. Zijn tolk stopt hem een zakdoekje toe om zijn tranen te drogen.
Ze zijn met zijn drieën, de verdachten in de kleine, kale zittingskamer in de rechtbank in Szeged. De Cubaan en de twee Bengali worden alle drie ervan beschuldigd dat ze als vluchteling illegaal het hek dat de Hongaars-Servische grens afsluit, zijn gepasseerd. Volgens de Hongaarse wet kunnen ze drie jaar gevangenisstraf krijgen. 
Het moment dat zijn tolk die strafmaat vertaalt, begint Mohammed R. te huilen. Rechter Kristian Kemenes kijkt niet onvriendelijk op, maar gaat daarna onverstoorbaar verder met afratelen van wetsartikelen en andere standaardformuleringen. Hij kan de teksten duidelijk dromen. Geen wonder: iedere week worden enkele tientallen mensen aan het hek opgepakt en hooguit twee dagen later voor de rechter gebracht. Op het moment dat deze zaak speelt, staan ergens hoger in het gebouw nog vijf mannen voor hetzelfde misdrijf terecht.
De openbaar aanklager zet er hetzelfde tempo in, de pro deo advocate spreekt weliswaar langzamer, maar neemt ook niet veel tijd. Haar 'verdediging' duurt misschien anderhalve minuut. Vragen heeft ze niet. De tolken kennen het klappen van de zweep. Ze maken zich niet druk om een exacte vertaling van alle wetsartikelen, maar beperken zich de hoofdpunten: de vragen van de rechter,  het pleidooi en dingen zoals de eis en de motivatie van het oordeel en de antwoorden van de verdachten,
Niet dat die veel te zeggen hebben. De twee Bengali, die zonder papieren het land in zijn gekomen, willen niets kwijt behalve dat hun einddoel Italië was. Joel Q. is spraakzamer. De 42-jarige elektricien heeft behalve astma een maagzweer. In Cuba heeft hij een vriendin en twee zoons. Hij zoekt een beter leven en wil na het proces alsnog politiek asiel in Hongarije aanvragen. Hij is, vertelt hij na afloop, in december naar Moskou en daarna naar Servië gevlogen, twee van de weinige landen waar een Cubaan zonder visum heen kan. Pas het laatste stuk van de tocht was illegaal. Net de Bengali is hij door een mensensmokkelaar onder het hek langs de grens door geholpen.
Tolk Gergely Salay zegt dat hij wekelijks een paar Cubanen voorbij ziet komen. Verder ziet hij tijdens de processen vooral Afrikanen, Pakistani en Bengali, allemaal mensen die, in tegenstelling tot Syriërs, Irakezen en Afghanen, geen kans maken via Slovenië als erkende asielzoeker Oostenrijk binnen te komen. De kanslozen gebruiken mensensmokkelaars, en dan is de route via Hongarije de snelste weg naar het Schengengebied, ondanks het hek en mogelijke gevangenisstraf.
Na een schorsing van een paar minuten, net genoeg voor een plaspauze, komt Kemenes met zijn vonnis. Los van eventuele reden om te vluchten, zegt hij, als je ergens een hek staat en je wordt niet uitgenodigd om binnen te komen, dan weet je dat je inbreekt en weggestuurd zult worden. Hij veroordeelt de mannen dan ook conform de eis tot drie jaar en uitwijzing uit Hongarije. Niet per se in die volgorde, zoals de rechter zelf aangeeft. De Hongaarse staat heeft geen enkele behoefte de mannen drie jaar lang te huisvesten. Uitwijzing staat voorop, de gevangenisstraf is niet bedoeld om uit te voeren en moet vooral afschrikken. 
De enige hapering daarbij is dat Servië weigert de uitgewezenen terug te nemen, tenzij dat burgers van een van de voormalige Joegoslavische republieken zijn. "In praktijk komt het erop neer dat ze maanden in een detentiecentrum worden opgesloten," zegt advocate Timea Kóvacs van het Hongaarse Helsinkicomité, dat een procedure in Straatsburg is begonnen tegen de gang van zaken bij de processen.
Alleen mannen worden echt opgesloten, voegt ze toe, vrouwen en kinderen verblijven in meer open faciliteiten, zij het wel met bewaking en zonder voorzieningen als onderwijs.Officieel gaan ook de mannen trouwens niet de gevangenis in, maar komen ze terecht in een vluchtelingendetentiekamp. De verschillen zijn miniem, zegt Kóvacs. "Je mag het geen gevangenis noemen, maar dat is het in feite wel." Als na enkele maanden vaststaat dat mensen echt niet uitgezet kunnen worden, gaan ze volgens haar uiteindelijk naar een van de open kampen in West-Hongarije. "Daar zijn mensensmokkelaars actief die alsnog transport naar West-Europa organiseren."

donderdag 28 januari 2016

Een half varken

Foto Runa Hellinga
Roemenië, 24 december 1989
Het was 35 graden buiten, en in de flat op de zoveelste verdieping van een communistisch woonblok in de Roemeense hoofdstad Boekarest was het nog veel warmer. We logeerden bij Irina en Cornel, jonge studenten dat we hadden leren kennen toen we een Roemeense tolk zochten. Of beter, we logeerden in de driekamerflat die het stel met Irina's ouders deelde. Die waren, om plek te maken voor ons, naar hun buitenhuis in de Karpaten vertrokken.
We zaten net te lunchen toen de bel ging. Irina stond op, opende de deur en kwam even later terug. "Hoff, kun je even komen, ik heb een probleem," zei ze met een wat verbijsterde uitdrukking op haar gezicht tegen Cornel. Het probleem, zo ontdekten we al snel, bestond uit een half varken, netjes van snuit tot staart doormidden gesneden, dat onverpakt en wel rustte op de schouder van de man die het kwam afleveren.
Het was de zomer van 1990. De winkels in Roemenië waren slechts marginaal voller dan ze een half jaar eerder waren geweest toen dictator Ceausescu op een koude decemberavond vlak voor kerst de biezen had gepakt. Potten ingemaakte vruchten en naar meel smakende worsten vulden de schappen. Als Roemenen lekker aten, kwam dat vooral omdat ze buiten de gewone winkels om hun voorraadkamers vulden met alles waar ze hun hand op konden leggen.
In dat kader had Irina's vader een half jaar eerder op de zwarte markt dit varken op de kop weten te tikken. Maar omdat het beest nooit was afgeleverd (en klagen heeft weinig zin als je iets op de zwarte markt koopt) had hij de stokoude diepvries in de keuken inmiddels maar gevuld met andere waar, vooral vis. Heel veel vis.
"Wilt u dat vlees of niet," bromde de man ongeduldig toen Irina hem wat besluiteloos bleef aankijken. Ze had weinig keuze. Het varken was al betaald en zeggen dat hij het halve beest weer mee kon nemen, was uitgesloten. Dus sjouwden we het karkas de keuken in en legden het op de kleine keukentafel die we in alle haast leeg hadden geruimd. Poten, staart en kop hingen aan alle kanten over de rand.
Met zijn vieren stonden we er wat radeloos naar te kijken. Er moest iets gebeuren, want het was veertig graden in huis en de flat over een paar uur te moeten delen met een bedorven half varken was een weinig aantrekkelijk perspectief.
Ons voorstel was om het vlees in de kofferbak van onze auto te laden en ermee naar de bergen te rijden. Daar, bij het weekendhuis, waren haar ouders die ervaring met slachten hadden en bovendien beschikten over een rookoven waarin het vlees verwerkt kon worden. Het was weliswaar een paar uur rijden, maar alles beter dan het varken in de keuken laten liggen.
Irina wilde het toch eerst zelf proberen. Ze verdween naar de slaapkamer en kwam terug in de oudste pyjama die ze had kunnen vinden. Met de moed der wanhoop opende ze de vriezer en begon vissen te herschikken. Vervolgens pakte ze het scherpste mes dat ze kon vinden en begon aan haar pogingen het varken in stukken te snijden. Een paar stukken vlees wist ze inderdaad in de diepvries te proppen, maar tegen de tijd dat er echt geen vis meer verschoven kon worden, lag het overgrote deel van het varken nog steeds op het tafeltje. Ze erkende dat dit niet ging werken. Het varken naar haar ouders brengen was de enige oplossing.
Terwijl we - een beetje zenuwachtig, want politiecontroles waren niet ongewoon en ook in het post-Ceausescu-tijdperk kon je problemen krijgen met een illegaal geslacht varken in je kofferbak - naar de koele bergen reden, verzuchtte Irina: "In wat voor land leven we als het toppunt van geluk is als je erin geslaagd bent een half varken op de kop te tikken?"

Bovenstaand stuk is een wat langere versie van een verhaal uit "De Geit van mijn Buurman, Hoop en Teleurstelling na de val van het IJzeren Gordijn" van Runa Hellinga en Henk Hirs. Het boek verscheen in 1994 en is als pocket (€7,40) en ebook (€4,95) heruitgegeven via Boedapest op Maat Boeken.

dinsdag 12 januari 2016

Gegoochel met regels

Foto Runa Hellinga
Reclamezuilen in de Andrassy ut
De firma Mahir, die de 761 reclamezuilen in de Boedapester straten beheert, schijnt sinds 2006 al te verstoten tegen een stedelijke regulering uit 2013. Dat althans is een van de argumenten die de gemeente Boedapest maandag in de rechtbank aanvoerde als reden waarom de stad eenzijdig het contract met Mahir heeft opgezegd en vorige week is begonnen de zuilen te verwijderen. 
De stad vindt de reclamezuilen zo aanstootgevend dat er zelfs geen tijd meer was om het oordeel van de rechter af te wachten. Dat oordeel zal overigens nog even op zich doen wachten, want de rechter heeft de stad tot maart de tijd gegeven om uit te zoeken tegen welke stedelijke regulering Mahir eigenlijk verstoot. Het recht neem zijn tijd in Hongarije. Kort gedingen zijn een onbekend verschijnsel.
Mahir sloot in 2006 een 25-jarig contract met Boedapest af over de oprichting van de zuilen. Het contract was het resultaat van een openbare aanbesteding waarin het aanbod van de firma Mahir als beste uit de bus kwam. Boedapest verdient haast jaarlijks een miljoen euro aan de reclamezuilen (in de tijd van de aanbesteding lag dat bedrag in euro's trouwens nog een stuk hoger, omdat de Hongaarse forint toen zo'n twintig procent sterker was) en bovendien kunnen kunst- en sportorganisaties er tegen korting adverteren. Maar sinds de zomer van vorig jaar zijn er volgens de gemeente teveel zuilen en verdient de stad te weinig aan de deal.
Toegegeven, op sommige plekken staan wel erg veel zuilen. Maar ze staan er al haast tien jaar en waren nooit eerder een probleem. Ze hangen vooral vol met culturele en sportreclame en er staat geen onvertogen affiche op. Steen des aanstoots is dan ook eerder hun eigenaar, de zakenman Lajos Simicska die twee decennia lang het financiële brein achter regeringspartij Fidesz was. Een jaar geleden brak hij met de partij. Sindsdien is het oorlog tussen hem en de regeringspartij en wordt er alles aan gedaan om zijn zakelijk imperium te breken. Dat leidde eerder al tot het afblazen van bouwprojecten die door Simicska's bouwonderneming Közgép werden uitgevoerd.
Behalve in de bouw zit Simicska in de media en naast kranten en een tv-station bezit hij onder meer het grootste deel van alle Hongaarse billboards. Bij de verkiezingen in 2014 kwam dat nog goed van pas kwam: Fidesz had toen aanzienlijk meer reclameruimte dan anderen partijen. Maar afgelopen zomer boden dezelfde billboards plotseling ruimte aan de Tweestaartige Hondpartij die de antivluchtelingenpropaganda van de regering op de hak nam.
Misschien geheel toevallig, maar kort daarop zegde Boedapest eenzijdig het 25-jarige contract over de reclamezuilen met Mahir op en begin januari begon dus de sloop. De eerste zuil die verwijderd werd, stond zeer toepasselijk voor het hoofdkantoor van Mahir zelf.
Sindsdien woedt een kleine zuilenoorlog in de straten van de hoofdstad, want Simicska is de laatste om zomaar te berusten. De gesloopte zuil voor het hoofdkantoor werd binnen een week teruggeplaatst en elders wordt de sloop van andere zuilen verhinderd door bewakers, ondanks politie-ingrijpen, een dreigement om de vergunning van het bewakingsbedrijf in te trekken en arrestatie van twee bewakers wegens 'branieschopperij'. 
Maandag volgde de eerste zitting van de rechtszaak waarin de gemeente dus claimde dat Mahir al sinds 2006 tegen een verordening verstoot die pas in 2013 werd aangenomen. Je hoeft geen jurist te zijn om het argument van advocaat György Magyar dat dat helemaal niet kan, te kunnen volgen. Magyar ziet de uitspraak van de rechtszaak dan ook met het nodige vertrouwen tegemoet. Mahir heeft zich volgens hem altijd aan alle afspraken gehouden en de gemeente pleegt contractbreuk en steelt simpelweg privébezit.

zondag 20 december 2015

In Wolkersdorf zijn vluchtelingen welkom

Foto Runa Hellinga
De Syrische Hedil Sheban en haar dochtertje Hennen.
Pakweg op het moment dat er in Geldermalsen rellen waren rond de komst van een asielzoekerscentrum (AZC) was ik toevallig in het Oostenrijkse Wolkersdorf voor een reportage over de vluchtelingenopvang daar. In Wolkersdorf, 7000 inwoners, hebben ze er geen problemen mee. Verschil met Geldermalsen (10.000 inwoners): in Wolkersdorf worden geen 1500, maar 140 mensen opgevangen, en ze wonen ook niet allemaal in één groot gebouw. Het Oostenrijkse beleid is gericht op evenredige verdeling in het hele land. En dat werkt. Misschien wordt het tijd dat ze in Den Haag hun licht in Wenen gaan opsteken. Een verslag.

In een conferentiezaal van de Manner-koekjesfabriek in Wolkersdorf hebben twaalf vluchtelingen taalles. De docente is een gepensioneerde lerares, en ze geeft les met behulp van een Engels-Arabische tolk, zelf ook een vluchteling. Het is hun vierde les en ze leren antwoord te geven op simpele vragen als 'hoe heet je' en 'waar kom je vandaan'. Een ouder echtpaar komt niet veel verder dan de vraag herhalen, maar de zachte g van het Duitse 'Ich' kost iedereen hoorbare moeite. Alleen bij het enige kind in de groep glijdt de klank makkelijk de keel uit. Maar hij gaat dan ook al naar school.
De twaalf behoren tot zes Syrische families die enkele weken geleden in Wolkersdorf arriveerden, de laatste van de 140 asielzoekers in het stadje. Daarmee voldoet Wolkersdorf ruimschoots aan de opvangverplichtingen die iedere Oostenrijkse gemeente heeft. Oostenrijk zag dit jaar honderdduizenden vluchtelingen komen en meestal ook weer gaan. Maar ruim 85000 van hen besloten uiteindelijk om niet door te reizen naar Duitsland, maar asiel aan te vragen in het 8,2 miljoen inwoners tellende Alpenland. Om het opvangprobleem aan te pakken verplichtte de regering in juli iedere gemeente, ook de kleinste dorpen, om minimaal anderhalf procent van de totale bevolking aan vluchtelingen op te nemen. 
Het onderdak kan van alles zijn: leegstaande woningen van particulieren, een leegstaande bedrijfshal die wordt omgebouwd of een hotel waarvan de eigenaar toch al wilde stoppen. Heel wat leegstaande gebouwen vonden zo een nieuwe bestemming. De staat betaalt de basiskosten: huur, €5,50 per persoon per dag voor eten en drinken en maandelijks 40 euro zakgeld. Daarnaast krijgt iedereen eenmalig 150 euro kleedgeld en worden de schoolbenodigdheden van leerplichtige kinderen vergoed. De totale vergoeding komt neer op pakweg een derde van het Oostenrijkse bijstandsniveau. Al het andere moet komen van lokale initiatieven. 
Uiteraard stonden niet alle gemeenten te juichen. De antibuitenlanderpartij FPÖ dreigde met een nationaal referendum. Maar je moet constateren dat het beleid ondanks dat soort gemor werkt. Meer dan de helft van alle gemeenten heeft inmiddels vluchtelingen opgenomen en dat loopt, dankzij de kleine aantallen, vrijwel overal probleemloos. Het aantal gemeenten dat aan zijn verplichting voldoet, groeit ook dankzij een stok achter de deur die in oktober werd ingevoerd: wie weigert, riskeert dat er alsnog een grootschalig opvangcentrum in de gemeente wordt gebouwd. 
Toen in juli de eerste vijftig mensen in Wolkersdorf zouden arriveren, organiseerde de gemeente een voorlichtingsbijeenkomst. “We verwachtten protesten,” zegt Rudolf Rögner van Flüchtlingshilfe Wolkersdorf, “Maar van de 250 belangstellenden protesteerde er één. De rest kwam om te horen wat er ging gebeuren en wilde vooral weten hoe ze konden helpen”.
En helpen doen de Wolkersdorfers. Integratie staat voorop en zo'n dertig vrijwillige docenten zorgen ervoor dat iedereen zo snel mogelijk taalles krijgt. Koekjesfabrikant Manner, een van de grootste werkgevers in het stadje, stelde er graag ruimte voor beschikking. Er zijn gezamenlijke sportactiviteiten, wandelingen en onlangs was er een welkomsfeest.


vrijdag 18 december 2015

Alle gezichten in een databank

Foto Runa Hellinga
Bewakingscamera in een straat in Boedapest
In het Mammut-winkelcentrum in Boedapest schiet een vrouw de beveiliging aan dat ze net een jongen in een hoodie met een rugzak heeft gezien. De jongen is een jaar of vijftien en ziet eruit zoals het overgrote deel van de schooljongens van zijn leeftijd. Maar je weet maar nooit, na Parijs, meent ze. Dat wordt omzien naar andere kleren voor veel Hongaarse  pubers. Een klein jaar aanhoudende propaganda over vluchtelingen als economische gelukszoekers, criminelen, ziekteverspreiders en potentiële terroristen missen hun effect niet. Er wonen slechts 10.000 moslims in Hongarije. Een klein deel is vluchteling, de meesten hebben hier ooit gestudeerd en zijn vaak vanwege een huwelijk gebleven. Ook autoriteiten erkennen dat de kans op een aanslag niet zo groot is, maar veel Hongaren zijn desondanks bang voor IS.
Het bleef dan ook oorverdovend stil toen het Hongaarse parlement begin december besloot dat de hele bevolking vanaf 1 januari 2016 in een biometrisch gezichtsherkenningssysteem wordt opgenomen. Op basis van fotobestanden van rij- en identiteitsbewijzen komt er een database waar tal van diensten straks gebruik van kunnen maken, niet alleen de politie en inlichtingendiensten, maar ook de belasting, gezondheidszorg, gevangenissen en de rechtelijke macht, om er maar een paar te noemen.
In het herkenningsysteem zitten geen echte foto's. Wat opgeslagen wordt, is de informatie over de afstand tussen ogen, neus, mond en oren. Die is voor ieder mens net zo uniek als een vingerafdruk, die trouwens ook een vorm van biometrische herkenning is. Vliegvelden gebruiken gezichtsherkenningssytemen om mensen die internationaal gezocht worden, aan te houden. De FBI bezit biometrische gegevens van tientallen miljoenen mensen. Maar Hongarije is het eerste land dat de hele bevolking in zo'n systeem wil stoppen. En klaarblijkelijk niet alleen de eigen bevolking, maar iedereen die Hongaars grondgebied aandoet of heeft aangedaan, voor zover er foto's zijn of worden gemaakt. Big Brother, zeggen critici, maar toch stemde alleen de kleine groene oppositiepartij LMP tegen de wet.
De gezichtsherkenning komt bovenop plannen voor een nieuwe identeitskaart die alle andere kaarten moet vervangen. Rijbewijs, adresregistratie, ziekteverzekering, belastingnummer en zelfs de toekomstige OV-chipkaart komen dan allemaal in één stukje plastic. Op zich lijkt dat best handig, behalve als je hem kwijtraakt, natuurlijk, want dan ben je in één keer alles kwijt. Maar koppel al die systemen aan elkaar en koppel de kaart aan de biometrische gezichtsherkenning, en neem daarbij ook nog het feit dat dat bewakingscamera's in de openbare ruimte inmiddels heel gewoon zijn, en de staat heeft een machtig middel om burgers in de gaten te houden. Minister van binnenlandse zaken Sándor Pinter verzekerde dat de diverse databestanden niet gekoppeld zullen worden, maar de belastingdienst die precies je gangen kan nagaan is natuurlijk de nachtmerrie van iedere zichzelf respecterende, en dus belasting ontduikende, Hongaar.
Biometrie moet Hongarije veiliger maken, is het argument van de regering. “Natuurlijk mag de staat de mensenrechten van burgers niet aantasten,” zegt Gergély Gulyás, parlementariër van regeringspartij Fidesz. Maar burgers hebben volgens hem geen probleem met wat meer controle, als ze zich er veiliger door voelen: “In het achtste district, waar overal camera's zijn opgehangen om de criminaliteit te bestrijden, kun je weer veilig over straat. Dat ervaren de bewoners daar als meer vrijheid, niet minder.”
Journalist Attila Leitner van de Engelstalige Budapest Weekly is het met Gulyás eens. Zorg over schending van de privacy vindt hij onzin, ook al gezien het feit dat mensen alles wat ze doen toch al op Facebook zetten, terwijl niemand weet wat met die gegevens gebeurt. Ten behoeve van veiligheid wat vrijheid inleveren aan een staat die je ter verantwoording kunt roepen, is het overwegen waard, meende hij onlangs in een hoofdredactioneel commentaar waarin hij zijn lof uitsprak over de Hongaarse antiterrorisme-eenheid TEK.
Aanleiding voor dat commentaar was het bericht dat de TEK, een door premier Viktor Orbán opgerichte eenheid, vier buitenlanders had gearresteerd met wapens en materiaal om bommen te maken. Dagenlang liet János Hajdu, baas van de TEK en voormalig lijfwacht van Orbán, in het midden of het om IS-terroristen of zoiets ging. Pas toen de rechter de vier - Twee Hongaren en twee Slowaken die als hobby met metaaldetectors wapentuig uit de Tweede Wereldoorlog zochten - op vrije voeten zette, kwam de waarheid naar boven. Maar het verhaal voedde de algemene angst en Leitner vertegenwoordigt dan ook zeker een breed levend gevoel. Overigens bleek de TEK nog twee mannen te hebben gearresteerd, met echte wapens, maar ook dat waren Hongaren, en eerder leden van een extreemrechtse club.
Maar constitutioneel jurist en voormalig ombudsman László Majtényi noemt de database buitensporig en ongrondwettelijk en maakt zich grote zorgen over de controle. In tegenstelling tot Leitner gelooft hij namelijk niet dat de Hongaarse staat bij misbruik ter verantwoording geroepen kan worden: “De scheiding der machten is in Hongarije de afgelopen jaren systematisch afgebroken. We kunnen niet meer vertrouwen dat de onafhankelijke instituten die zo'n systeem zouden moeten controleren, dat ook zullen doen.” Majtényi weet waarover hij praat: de onafhankelijke ombudsman is één van de instituten die verdwenen is.
Majtényi en de LMP zijn roependen in de woestijn. Begin dit jaar zag premier Viktor Orbán zijn populariteitscijfers dramatisch dalen, maar het beeld van een krachtige leider die Hongarije voor het spook van de islam en de IS-terreur behoedt, legt hem geen windeieren. Zo'n 34 procent van alle Hongaren zou momenteel op hem stemmen. Grote verliezer is de partij die in jaunari juist in opkomst was, de extremistische Jobbik. Met een premier die een groot deel van hun propaganda overgenomen heeft, hebben zij nog maar weinig verhaal om kiezers mee te trekken.

zondag 13 december 2015

Paradise lost

Voor
Tussen al het wereldleed, terrorisme, klimaatopwarming, vluchtelingenproblematiek, heb je soms het gevoel dat het een belachelijke luxe is om je druk te maken over kleine dingen. En toch maak ik me druk om het nieuwe fietspad bij Szendehely. De aanleg van een fietspad zou blij moeten stemmen. Maar zoals wel vaker is vooruitgang niet altijd verbetering.
Na
Szendehely is een lief dorpje aan de voet van het Börsönygebergte in Noord-Hongarije, Het oudste deel van het dorp is gebouwd rond een beek, die buiten het dorp vrij over rotsen stroomde, kronkelend langs velden met wilde bloemen en bossen met bemoste bomen. Her en der waren poeltjes waar soms een ringslang in wegschoot en waar mijn hond graag even in afkoelde. Er liep een graspad langs het beekje, dat overspannen werd door een paar vriendelijke ruwhouten bruggetjes. Op de hellingen van het kalkgebergte waar het beekje doorstroomt, groeiden talloze soorten struiken en bomen. In het voorjaar geurde het naar seringen en in de zomer barstte het dal van de vlinders. Het was een van mijn favoriete wandelingen met de hond. Ik kon nog zo'n slecht humeur hebben, in Szendehely knapte dat altijd op.
Dat was eens. Ergens in de afgelopen paar maanden sloeg de vooruitgang toe. Het wandelpad heeft plaatsgemaakt voor een geasfalteerd fietspad, de natuurlijke beek voor een soort gekanaliseerde goot en de houten bruggetjes voor betonnen constructies met een grote afvoerpijp erin. De hellingen zijn kaalgeslagen, de bossen gerooid. Je ontkomt niet aan het gevoel dat degene die dit plan heeft gedacht, een ontzettende hekel aan natuur moet hebben.
Het is een typisch project, zoals je ze vaker ziet in Hongaarse dorpen. Een lokale aannemer heeft de enige bouwwijze toegepast die hij kent, en dat wil zeggen met veel beton en tegels dingen zo recht toe, recht aan gemaakt als hij kan. Dorpspleinen en -straten worden zo voor veel EU-geld, maar zonder veel smaak, gemoderniseerd. De uitvoerders zelf vinden het prachtig. Ook bij dit fietspad. Toen ik erlangs kwam, waren ze nog druk aan bezig het laatste stukje te asfalteren. De uitvoerder stond erbij en glom van trots. Mijn geschrokken en venijnige 'wat ontzettend' werd dan ook met enige verbijstering aangehoord.
Even verderop sluit het nieuwe fietspad aan op een bosweg die naar het naburige Katalinpuszta voert. De twee dorpjes horen bij elkaar, maar de dorpsdelen konden elkaar  tot nu toe alleen langs een grote weg bereiken. Het fietspad, zo begrijp ik, zou het de inwoners makkelijker moeten maken om naar school, dan wel naar de kerk te gaan.
Nou geloof ik daar niets van. Het is best een stuk fietsen door het bos, en het pad gaat vlak onder Szendehely, in het verwoeste dalletje, aardig stijl naar boven. Eerlijk gezegd zie ik niemand op zondag plotseling fietsend naar de kerk gaan. Ook vermoed ik dat maar weinig ouders hun kinderen alleen door het bos naar school laten fietsen. Mensen blijven ongetwijfeld doen wat ze altijd al deden: ze nemen gewoon de auto. Of de bus, want er is een behoorlijke busverbinding tussen de twee dorpjes. Ze liggen namelijk toevallig langs een route die regelmatig door streekbussen wordt aangedaan.
Nou moet het fietspad gaat, als alles goed is, straks ook gaan aansluiten op een ander fietspad dat nu al een aantal kilometers verderop langs de Donau loopt en dat heel erg populair is onder dagjesmensen. Als de mogelijkheden voor fietstochten in de omgeving wordt uitgebreid, is dat op zich natuurlijk prachtig. Het zou alleen mooi zijn geweest als er ook nog een landschapsarchitect naar het plan had gekeken en er een uitvoerder in dienst was genomen die de natuur had gerespecteerd. En je mag hopen dat het vervolg van het pad richting Donau. dat door een mooi, oud bos, en ook langs een beek leidt, met iets meer gevoel wordt aangelegd. Maar ik vrees het ergste, gezien de ravage bij het eerste deel.
Natuurlijk, als over een paar jaar de kale helling weer begroeid is, ziet het dalletje er weer een beetje vriendelijker uit. Maar niets zal de oude, natuurlijke beek terugbrengen die zo driftig is gekanaliseerd. Of het bos, dat nutteloos, want helemaal niet in de weg van het fietspad, is omgekapt.
Bovendien duurt het jaren duren eer de bloemen weer terug zijn. Voorlopig verwacht ik massa's parlagfü, ambrosia, een onkruid dat zich graag vestigt op bouwterreinen. Het is een kruid dat officieel te vuur en te vlam bestreden wordt omdat er zoveel mensen allergisch tegen zijn, maar dat desondanks in Hongarije massaal ieder stuk opengebroken aarde overneemt. Paradise lost. Ik geef toe, er zijn veel ergere dingen in de wereld. Maar mag een mens zich daarom echt niet meer druk maken om kleinere dingen?

maandag 23 november 2015

Universiteit in Boedapest denkt na over herbouw Allepo

Citadel van Allepo
Terwijl Aleppo iedere dag verder in puin wordt geschoten, zijn de Syriërs Hakam Shaar en Armenak Tokmajyan al druk bezig met de toekomst: de wederopbouw van ‘s werelds oudste permanent bewoonde stad. Het lijkt voorbarig, want niemand weet wanneer de oorlog voorbij zal zijn. “Het kan volgend jaar zijn, of over tien jaar,”  zegt Tokmajyan, “Maar de ervaring in steden als Sarajevo, Beiroet en Kaboel leert dat er veel verloren gaat als dan geen wederopbouwplan ligt.”
Shaar en Tokmajyan zijn betrokken bij het Aleppoproject, een initiatief van het Centrum voor Conflict, Onderhandeling en Wederopbouw aan de Centraal Europese Universiteit in Boedapest, dat in 2014 startte Het project brengt wetenschappers, studenten, beleidsmakers, bewoners, vluchtelingen en hulporganisaties bij elkaar om een wederopbouwplan voor de stad te maken. Daarbij wordt nu al wordt nagedacht over stedenbouwkundige oplossingen en nieuwe infrastructuur, maar ook over de sociale problematiek die de wederopbouw met zich mee zal brengen.
Het project werkt samen met vluchtelingen en met mensen in Aleppo zelf. Afgelopen oktober ging de website van start. Er is een Facebooksite en een blog in Arabisch en Engels waar mensen verhalen en ideeen kwijt kunnen. Verder is er  de online Aleppo Weekly met nieuws van lokale correspondenten. Verbindingen met de stad zijn moeilijk, maar hoog op een dak is vaak wel een mobiel telefoonsignaal te vinden.
Tokmayjan en Shaar wonen in Boedapest en zijn zelf geen vluchtelingen. Tokmayjan ging een aantal jaren geleden naar Finland om af te studeren op conflictonderzoek. Hij komt oorspronkelijk uit Armenië en verhuisde op zijn vierde naar Aleppo. Zijn familie heeft de stad inmiddels verlaten, zijn vader was de laatste die vorig jaar vanwege de oorlog naar Armenië terugkeerde.
Shaar, een universitair docent Engels, is een geboren en getogen Aleppiaan met een grote liefde voor zijn stad. Jaren geleden kocht hij een vervallen traditioneel huis dat hij zorgvuldig restaureerde . Hij maakte de eerste oppositiedemonstraties van nabij mee, maar toen hij enkele jaren geleden een baan kon krijgen als docent Engels aan de universiteit van Istanbul, besloot hij het land te verlaten. Zodra het kan, wil hij graag terug.
Voor de oorlog woonden er zo’n drie miljoen mensen in Aleppo en omstreken. De strijd heeft de stad door midden gesneden. Het westelijk deel is in regeringshanden en relatief rustig. Er wonen nog zo'n 1,5 miljoen mensen, waaronder een half miljoen vluchtelingen. Het oostelijke deel, dat in handen van de opstandelingen is, heeft veel zwaarder geleden. In sommige gebieden is tachtig procent van de gebouwen beschadigd, een groot deel van de bevolking is gevlucht, veel scholen zijn dicht om en omgebouwd tot opvanghuizen. Er wonen nog 300.000 mensen, pakweg de helft is vluchteling.
Shaars huis staat in het oosten, in de historische binnenstad die op de werelderfgoedlijst staat vanwege zijn middeleeuwse citadel en overdekte markt. Recente dronebeelden van de wijk laten zien veel schade zien, maar nog geen onherstelbare verwoesting. Shaar zelf was er een jaar geleden voor het laatst. Zijn plan was toen om in zijn huis, dat nog steeds onbeschadigd is, te slapen. Maar onbeschadigd is relatief: het bleek onbewoonbaar vanwege al het gruis en gebroken glas. De buren houden er een oogje op, vertelt hij: “Ze hebben er inmiddels een naaiatelier geopend om te voorkomen dat het gekraakt wordt.”
Onderdeel van het project was een enquête onder gevluchte Allepianen, via vragenformulieren in kampen en online. Driekwart van hen wil graag terug om te helpen bij de wederopbouw. Ze hechten ook veel belang aan het herstel van de beschadigde binnenstad. Maar het Aleppoproject gaat over meer dan alleen steen. Het gaat ook over het leven van de stad. De markten, zoals de beroemde soek die deels in vlammen op is gegaan. De theehuisjes waar mannen op de stoep kletsend hun thee dronken. Het in de hele stad beroemde restaurantje van Abu Abdo, dat in 1885 zijn deuren opende en waar de fool, een Arabische bonenschotel, in grote koperen potten wachtte op toeristen en op spijbelende scholieren, tot het zaakje in 2012 door de oorlog zo zwaar beschadigd raakte dat het de deuren moest sluiten. Of de zeepziederij die sinds onheuglijke tijden een voor Aleppo unieke laurierzeep maakte, maar die nu vanwege de oorlog naar Turkije is verplaatst.
En het gaat niet in de laatste plaats om sociale verhoudingen. Aleppo was een buitengewoon multiculturele samenleving waar soennitische, sjiitische en alevitische moslims naast christenen en joden leefden en Arabieren naast Armeniërs en Koerden. Nog is dat, met name in het westelijke deel, niet helemaal verdwenen. “Maar juist de minderheden staan onder druk en vertrekken, De ervaring van steden als Sarajevo en Beiroet leert dat je vooraf al moet nadenken hoe zij in de wederopbouw hun plaats terugkrijgen, anders gaat dat karakter totaal verloren” zegt Shaar.