woensdag 24 februari 2016

Referenda: een wel, een niet.

Foto MSzP-website
István Nyakó en de sterke jongens
Kaalgeschoren veiligheidsmensen van de Hongaarse voetbalclub Ferencváros die een oppositiepoliticus verhinderen om een referendumvraag bij het Nationale Kiesbureau in te dienen: zelfs Gábor Vona, leider van de extremistische Jobbik, noemde het dinsdagavond een dieptepunt in Hongarije in de afgelopen 26 jaar. Opmerkelijk, want de bewuste oppositiepoliticus was niet van Jobbik, maar van de socialistische MSzP, waar Jobbik nou bepaald niet echt veel mee op heeft. Vona had zelfs een goed woord over voor de voormalige MSzP-premier Ferenc Gyurcsány onder wiens bewind het voor de oppositie wel gewoon mogelijk was om referenda te organiseren.
Sinds een jaar geleden de verplichte zondagssluiting voor winkels werd ingevoerd doet de MSzP pogingen om deze wet in een referendum aan het Hongaarse volk voor te leggen. Het is geen geheim hoe mensen over die winkelsluiting denken: tweederde van de bevolking vindt het niets, en toen voor de kerst de winkels wel open mochten zijn op zondag, waren de winkelcentra dan ook meteen propvol. Een referendum over de kwestie zou goede kans van slagen maken. Maar die blamage wil de regering duidelijk niet lopen.
Hoewel het recht op referenda in de wet is vastgelegd, maken lastige vragen tegenwoordig weinig kans. Referendumvragen indienen en goedgekeurd krijgen is een ingewikkeld proces geworden, want de Nationale Kiesbureau accepteert per onderwerp maar één potentiële referendumvraag. Die moet vervolgens door het Hoogste Gerechtshof, de Kúria, worden goed- of afgekeurd en dat kan een aantal maanden duren. Pas de Kúria een vraag heeft afgewezen, kan over hetzelfde onderwerp er weer een vraag worden ingediend. Dus hoe zorg je dat de MSzP nooit een vraag over de winkelsluiting kan indienen? Door ervoor te zorgen dat iemand anders de partij net even voor is met een andere vraag over hetzelfde onderwerp.
Belangrijk is dan natuurlijk wel dat die vraag zo geformuleerd wordt dat de Kúria hem niet kan goedkeuren, want anders zit je mogelijk alsnog met een referendum over de zondagssluiting en dat is natuurlijk niet de bedoeling. Zo mochten de hoogste rechters zich al eens buigen over de vraag "Bent u het ermee eens dat zondag een rustdag voor iedereen zou moeten zijn en winkels gesloten moeten zijn?" Een rustdag voor iedereen? Daarmee zouden ziekenhuizen en politiestations die dag ook dicht moeten. Daar kun je als hoogste gerechtshof natuurlijk moeilijk mee instemmen.
Maar goed, deze week was het zover. Maandag had de Kuria een referendumvraag over de winkelsluiting afgekeurd, en dus stond MSzP-politicus István Nyakó dinsdagochtend om zes uur voor het bureau van de kiesraad klaar voor een nieuwe poging om de MSzP-vraag in te dienen. Even later meldde zich een stelletje kaalkoppige bullebakken waar een verstandig mens liever met een boogje omheen loopt. En er kwam nog een wat oudere dame die niemand kende, die ook een referendumvraag wilde indienen. Waarover, dat wilde ze niet verklappen, maar iedereen kon zelf wel bedenken dat die ook over de zondagssluiting zou gaan.
Niemand in het kiesbureau stelde de aanwezigheid van de kaalkoppen ter discussie, en ook politie in die de buurt rondliep, scheen het volkomen normaal te vinden dat skinheadachtige types de ingang van het kiesbureau blokkeerden. Toen die hun werk eenmaal hadden gedaan, dat wil zeggen, toen ze ervoor gezorgd hadden dat het dametje net voor de MSzP-politicus een nummertje wist te trekken, waren de krachtpatsers binnen de kortste keren vertrokken.
De scene was een beetje vergelijkbaar met oktober, al waren het toen geen kaalkoppen die de MSzP verhinderden als eerste naar binnen te gaan, maar iemand van het kiesbureau die de MSzP-vertegenwoordiger vriendelijk verzocht even afstand te houden, net genoeg afstand om een oud dametje (een ander dametje dan afgelopen dinsdag, trouwens) voor te laten glippen. Haar vraag "Bent u het ermee dat winkels op zondag gesloten kunnen worden?" werd even later al afgekeurd vanwege ontbrekende gegevens, maar geen nood, die mocht ze later nog komen indienen.
Een paar maanden daarvoor had de MSzP ook al achter het net gevist omdat de man die voor hen naar binnen mocht al een geldig toegangsbewijs bleek te hebben en zich niet bij de portier hoefde aan te melden. Eén keer lukte het de partij wel een vraag als eerste in te dienen. Bij die gelegenheid besloot de voorzitster van het Kiesbureau uiteindelijk liever de vraag van de tweede indiener naar de Kúria door te sturen.
Het kostte Hongaarse media dinsdag slechts luttele uren om uit te vinden dat twee van  de kaalkoppen werkzaam waren bij de security van voetbalclub Ferencváros, een club die toevallig wordt voorgezeten door Gábor Kubatov, een vicevoorzitter van regeringspartij Fidesz. Ook de identiteit van het dametje werd al snel achterhaald: zij bleek de vrouw van de burgemeester László András Erdősi van Herceghalom. Erdősi is officieel een onafhankelijke burgemeester, maar toen hij in 2014 als kandidaat campagne voerde, liep zijn vrouw rond met een button van Viktor Orbán.
Mevrouw Erdősi blijkt overigens ook op school gezeten te hebben met de secretaresse van de PR-afdeling van Ferencváros, dus wie zal zeggen hoe die kaalkoppen bij het kiesbureau terecht zijn gekomen. Internet nieuwsportal Origo organiseerde een online enquête, waarin mensen hun mening daarover konden geven. Daarop heeft inmiddels een kleine 15000 gereageerd. Representatief is zo'n onderzoek natuurlijk niet, maar desondanks: 73 procent dacht dat Fidesz erachter zat. Veertien procent meende dat mevrouw Erdősi zelf voor versterking had gezorgd en en toch nog zo'n zeven procent schijnt ervan overtuigd te zijn dat de MSzP er zelf achter zit, om zo een schandaal te creëren. De rest gaf andere oppositiepartijen de schuld.
Overigens krijgen de Hongaren binnenkort wel degelijk een referendum voorgelegd. Niet over de zondagsrust, maar over het migrantenquotum. Afgelopen weekend zette premier Orbán zijn handtekening onder een document dat Hongarije in principe verplicht om een aantal vluchtelingen op te nemen. Woensdag kondigde hij dat de Hongaren zich binnenkort zullen kunnen uitspreken over de volgende referendumvraag: "Bent u het ermee eens dat de Europese Unie zonder toestemming van het parlement aan Hongarije kan verplichten om niet-Hongaarse staatsburgers te huisvesten?" Het Nationale Kiesbureau heeft de vraag al geregistreerd. Zonder problemen, uiteraard.

zaterdag 20 februari 2016

Overbodig papier

Foto Runa Hellinga
Brood met sticker
Ik zou er inmiddels aan gewend moeten zijn, maar na al die jaren kan ik me nog steeds ergeren aan het stukje papier dat met ieder Hongaars brood wordt meegebakken. Het papiertje vertelt me hoe zwaar het brood is, tot wanneer het vers is en van welke bakkerij het komt. De wetgever gaat er duidelijk vanuit dat ik mijn bakker zonder papiertje niet kan vertrouwen als die beweert dat hij me een vijfhonderd gram zwaar, zelfgebakken brood verkoopt dat tot dinsdag houdbaar moet zijn.
Die papiertjes zitten behoorlijk vast en ze de enige manier om ze los te krijgen is ze met een korstje brood afsnijden. Geen ramp, maar toch zonde. Vaak vergeet ik het, en dan zit je met een boterham met papier eraan. Bah. Maar goed, ik mag nog blij zijn dat broodjes zonder sticker verkocht mogen worden. Blijkbaar kun je de bakker daarbij wel vertrouwen.
Het is de derde keer in een week dat ik struikel over overbodig papier. Vorige week zaterdag moest ik naar Boedapest. Ik was de enige niet: bij het loket in het station stonden tientallen onderwijzers die allemaal hetzelfde doel hadden: de onderwijsdemonstratie die die ochtend zou plaatsvinden op het plein voor het parlement.
Nu mogen onderwijzers een bepaald aantal keren per jaar met korting met de trein reizen. Dat kan natuurlijk niet zonder de nodige administratie en daar hebben ze dus een speciaal papier voor waarop iedere keer als ze gebruik maken van die regeling, een stempel wordt gezet, plus een krabbel van de lokettiste. Kortom, het schoot niet echt op voor die kassa. Het duurde zelfs zo lang dat ik mijn trein dreigde te missen en ik besloot daarom de gok te nemen en zonder kaartje in te stappen. Ik was bepaald de enige niet.
Dat ging zomaar niet. Voor de trein stond een conducteur, en ik liep netjes naar hem toe om hem te melden dat ik geen kaartje had, en waarom niet. "Het is aan u, dan moet u een boete betalen," zei hij. Maar nadat zich nog wat passagiers met dezelfde mededeling bij hem hadden gemeld, drong tot hem door dat hij een probleem ging krijgen, namelijk een trein vol met mensen die straks allemaal boos zouden worden als hij boetes zou uitdelen. Daarin had hij duidelijk geen zin. Ik zag hem door het raam driftig met hogerhand telefoneren.
Hogerhand wist het ook niet zomaar en de trein vertrok daardoor uiteindelijk vijf minuten te laat. Maar, petje af, de conducteur loste de zaak op en toen hij even later naar mij toekwam, kreeg ik wel een kaartje, maar geen boete. Dat maakte het niet simpeler, trouwens. Naast mijn kaartje kreeg ik nog twee andere stroken papier. Het ene was een proces-verbaal, het andere de boete, die officieel op nul forint was gezet. Mijn bedankje voor zijn inspanningen viel niet in goede aarde. Ik moest niet hem bedanken, maar zijn baas, zei hij boos. Ook goed.
Een paar dagen later vergat ik een deel van mijn boodschappen in de dierenwinkel. Ik kwam er een kwartiertje later achter, en ging meteen terug. De vergeten spullen waren netjes apart gezet. Ik schoot de verkoper die mij geholpen had aan. Of ik het bonnetje had? Dat moest echt! En zo niet, vroeg ik, krijg ik de spullen dan niet mee? Hij aarzelde, en ging uiteindelijk overstag. Een dapper besluit, want het had zomaar gekund dat hij mij verwarde met een van de tientallen andere buitenlandse vrouwen die in het afgelopen kwartier hun hondenvoer in zijn winkel vergeten waren. Of dat mijn dubbelganger door de etalageruit had staan loeren of ik spullen in de zaak zou vergeten.
Zelfde week: we bestellen bouwmateriaal. Dat wordt een paar dagen later afgeleverd. Of we de bon hebben? Want daar moet nog een handtekening van de bezorger op. Zonder die handtekening geen garantie, meende de man. Wel betaald, wel afgeleverd, maar ja, zonder die handtekening kunnen we dat natuurlijk nooit bewijzen. En het ligt volkomen voor de hand dat we over een paar maanden een beroep op het garantierecht doen vanwege gebreken aan bouwmateriaal dat we weliswaar hebben betaald, maar nooit hebben gehad. Of zoiets?
Overbodig papier en overbodige handtekeningen: Hongaren zijn er dol op. Zonder papier loopt het land vast. Met papier natuurlijk nog meer, want het is allemaal een teken van de overbodige bureaucratie waarmee burgers en bedrijven kampen. Bureaucratie dient maar twee doelen: ambtenaren bezighouden, en de zakken van corrupte overheidsdienaren vullen. Hoe ingewikkelder de regels en procedures zijn, hoe eerder burgers geneigd zijn smeergeld te betalen.
Maar vertel dat maar eens aan de wetgevers en regelneven. Die zullen me vast vertellen dat het stomme broodstickertje er voor mijn eigen bestwil is. Terwijl ik er gewoon op vertrouw dat mijn bakker zich ook realiseert dat hij me beter geen oud brood kan verkopen. Want anders ga ik in toekomst toch gewoon naar een ander?

woensdag 10 februari 2016

Voorportaal van de hel

foto Runa Hellinga
Rokend ziekenhuisafval voor Hospitaal Nummer Twee
Het is de zomer van 1992 als neuroloog Alexander Kola ons rondleidt op de neurochirurgische afdeling van Hospitaal Nummer Twee, het grootste ziekenhuis van in de Albanese hoofdstad Tirana. In de intensive care, of wat daarvoor door moet gaan, liggen drie patiënten. Het is een kamertje van drie bij drie meter. Dicht op elkaar staan vier oude roestige bedden, bedekt met een vies, dun schuimrubber matrasje en met in geen weken gewassen lakens. Alle drie patiënten zijn zwaar gewonde verkeersslachtoffers. Met hun wasbleke strakgespannen huid zijn ze nauwelijks van doden te onderscheiden. 
De 'intensieve zorg' bestaat uit een enkel zuurstofapparaat, een tientallen jaren oud ding van Chinese makelij dat twee zieken – ieder krijgt steeds een paar minuten het masker op zijn gezicht gedrukt – van lucht voorziet. Voor de derde patiënt heeft de familie een eigen oplossing bedacht. Buiten staat een fles industriële zuurstof en door een gat dat in de muur is gehakt, steekt een stofzuigerslang die af en toe voor zijn neus wordt gehouden. In de kamer verdringen zich tientallen familieleden die de kostbare lucht verbruiken die de patiënten zo hard nodig hebben. Maar die mensen wegsturen is ondenkbaar, zegt Kola. “Ze zouden me de kamer uit slaan als ik het probeerde.”
We vragen naar hartbewaking. Kola kijkt ons zonder enig begrip aan. Dit is toch neurologie, niet cardiologie? Het ziekenhuis heeft maar één enkele hartbewakingsmachine, zo blijkt. En die wordt gebruikt op de afdeling "waar dat nuttiger is,” legt hij zonder blikken of blozen uit. 
Je kunt niet anders dan hem gelijk geven, als je maar één apparaat hebt, moet dat bij cardiologie staan. Het is typerend voor de hele staat van het ziekenhuis. Niet alleen aan medische apparatuur, zelfs aan de meest elementaire middelen is gebrek: antibiotica, infusen, hechtgaren, naalden.
In de andere zalen en op de gangen is het beeld nog erger dan in de intensive care. De stank is onbeschrijfelijk: pis, uitwerpselen, vieze verbanden, etterende wonden, schimmelende muren, kapotte toiletten van waaruit water de gang op stroom, vuile lakens, alles maakt duidelijk dat niet alleen een tekort aan middelen, maar ook een totaal gebrek aan aandacht en inzet van het personeel een probleem is. Overal versperren bezorgde en ijverige familieleden de doorgang. 
Buiten op de binnenplaats van het ziekenhuis, dat in de Tweede Wereldoorlog door de Italianen als kazerne werd gebouwd, smeulen hopen vuilnis, ziekenhuisafval dat in de open lucht in de fik wordt gestoken.. Zwerfkinderen en honden rommelen tussen de rokende resten op zoek naar iets van hun gading. Het is moeilijk de gedachte te onderdrukken dat een zwerfhond zich hier af en toe tegoed zal doen aan een geamputeerd been.
Even verderop genieten patiënten met groteske bandages om hun hoofd van de voorjaarszon, laat een man zijn drie schapen uit op het grasveldje, draven twee paarden door de poort naar binnen om zich vervolgens te goed te doen aan een paar bosjes, scheurt een auto met een vaart van zestig tussen alles en iedereen door en duwen twee verpleegsters een knarsende en piepende brancard op scheve wielen voor zich uit. Welkom in Hospitaal Nummer Twee van Tirana, voorportaal van de hel.

Bovenstaand stuk is een iets bewerkte versie van een verhaal uit "De Geit van mijn Buurman, Hoop en Teleurstelling na de val van het IJzeren Gordijn" van Runa Hellinga en Henk Hirs. Het boek verscheen in 1994 en is als pocket (€7,40) en e-book (€4,95) heruitgegeven via Boedapest op Maat Boeken. 

donderdag 4 februari 2016

Leraren in opstand

Foto Runa Hellinga
Kap tegen vallend pleisterwerk
De houten overkapping voor de ingang van de Teleki Blanka middelbare school in Boedapest is niet bedoeld om leerlingen droog te houden. Die moet voorkomen dat iemand een stuk pleisterwerk op het hoofd krijgen. Binnen is het niet veel beter. Tafels en stoelen lijken uit de jaren vijftig te stammen en van de 120 computers in de school (waaronder die op de administratie) is een goed deel meer dan 15 jaar oud. Alleen het computerlab heeft nieuwe apparaten. Nou ja, nieuw. In ieder geval niet ouder dan een paar jaar.
Het Teleki behoort tot de ruim 400 scholen en inmiddels 30000 leerkrachten die zich sinds begin januari aansloten bij een open brief waarin de Herman Otto middelbare school in Miskolc de noodklok luidde over het Hongaarse onderwijs. Het was niet het eerste protest tegen recente onderwijshervormingen, maar bleek wel het laatste zetje dat zorgde voor een bredere protestbeweging.
Dat de leraren zich eerder gedeisd hielden, heeft veel met angst te maken. In het gecentraliseerde onderwijssysteem is protest riskant. Er is feitelijk maar één werkgever, het staatsinstituut KLIK dat ruim 4000 scholen beheert. Wie ontslagen wordt, komt niet meer aan de slag. Afgelopen december noemde János Lázár, leider van het bureau van de minister-president afgelopen december, kritiek van onderwijzers op hun werkgever KLIK eigenlijk onaanvaardbaar. Het was volgens hem als werken in een bedrijf: "Als iemand in een fabriek werkt, is niemand erin geïnteresseerd of hij die fabriek leuk vindt of niet. Dat betekent niet dat KLIK perfect is, maar het kan niet zo zijn dat de staart de hond laat kwispelen."
Begin februari werd in tien steden gedemonstreerd tegen de onderwijshervormingen. De protestbeweging leidde verder tot de oprichting van een nieuwe, onafhankelijke vakorganisatie, naast de nationale Lerarenkamer waar leerkrachten sinds 2012 verplicht lid van zijn.
Salarissen spelen een ondergeschikte rol in het protest. Het concentreert zich vooral op de gevolgen van de drastische maatregelen van de afgelopen jaren, zoals de verplichte dagelijkse gymlessen en de inkrimping van het aantal middelbare scholen en universitaire studieplaatsen met het expliciete doel meer leerlingen naar het beroepsonderwijs te sturen.
Maar de grootste klacht is de doorgeschoten centralisatie. In 2012 nam de staat het beheer van vrijwel alle scholen over. Teleki-schoolleider István Pukli raakte destijds niet alleen zijn directeursfunctie, maar ook vrijwel alle bevoegdheden kwijt. Hij moet het doen zonder eigen budget of zeggenschap over het personeelsbeleid. KLIK bepaalt alles: het lesprogramma, benoemingen en de distributie van krijtjes. “Papier krijgen we, maar als een stoel of computer kapot gaat, wordt die niet vervangen,” zegt Pukli.
Onlangs kwam het Instituut voor Educatieonderzoek en -Ontwikkeling (OFI) met een zeer kritisch rapport over de hervormingen. OFI constateerde dat nergens in Europa zo'n onderwijscentralisatie bestaat als in Hongarije. Volgens het rapport doet KLIK niets anders dan orders uitdelen en luistert het absoluut niet naar de scholen. Verder leidt de centralisatie tot een krankzinnige administratie die het werk van de scholen verlamt, en doet KLIK zijn werk in het volstrekte geheim, zodat niemand weet hoe beslissingen worden genomen. OFI dreigt nu door Lázár te worden opgeheven en te worden geïntegreerd in het ministerie dat onderwijs onder zijn beheer heeft. Ook een manier op kritiek te smoren.
Foto Runa Hellinga
Biologielokaal 2015
Zelfs schoolboeken zijn gecentraliseerd. Het vroegere brede aanbod heeft plaatsgemaakt voor één, door de KLIK goedgekeurd schoolboek per vak. 95 procent van de lestijd is voorgeschreven, inclusief de week waarin een bepaald proefwerk gedaan moet worden. De rest mag de leraar zelf invullen. “Het onderwijs is een eeuw teruggezet,” zegt Pukli, “Het gaat vooral om het leren van feiten.” Voor projecten en zelf informatie vergaren, centraal in moderne onderwijsnethoden, is geen tijd. De gevolgen daarvan zie je volgens Pukli terug in de slechte Hongaarse resultaten bij PISA, het driejaarlijkse onderzoek, waarmee de OECD de kwaliteit van het onderwijs in zeventig landen meet.
Daarnaast zijn er klachten over toegenomen werkdruk, zowel voor leraren, die veel langer verplicht op school aanwezig moeten zijn en de dooor OFI gesignaleerde eindeloze administratie moeten bijhouden, als voor leerlingen, die geconfronteerd werden met extra, verplichte uren, waaronder dagelijks een gymles. “Daardoor hebben we elk lesuur zo'n vier gymlessen,” zegt Pukli, “Maar er is maar één echt gymlokaal.” Zelfs dat is eigenlijk te klein. De meer dan dertig leerlingen die er les hebben, staan op een kluit over een touwtje lamlendig ballen naar elkaar te gooien. De meeste gymlessen worden ingevuld door hardlopen in een nabij gelegen park of, bij slecht weer, op de schooltrap. Weinig inspirerend, storend en bovendien slecht voor de bouwvallige trap.
Want er is maar één zaak waarmee KLIK zich niet bemoeit, en dat is het o zo noodzakelijke onderhoud van het schoolgebouw. Dat valt officieel onder de gemeente Boedapest, die daar geen geld voor heeft. Dus brokkelt het ooit fraaie jugendstilgebouw waar de school in gevestigd is, verder af. Tot er misschien echt iemand een keer een steen op zijn kop krijgt.

zondag 31 januari 2016

Voor de rechter

Foto Runa Hellinga
Voor de rechter
Halverwege de zitting wordt het de Cubaan Joel Q. even te machtig en slaat zijn astma toe. Frummelend met geboeide handen haalt hij een inhalator uit zijn jaszak. Naast hem zit zijn medeaangeklaagde, de Bengali Mohammed R., ingehouden te snikken. Zijn tolk stopt hem een zakdoekje toe om zijn tranen te drogen.
Ze zijn met zijn drieën, de verdachten in de kleine, kale zittingskamer in de rechtbank in Szeged. De Cubaan en de twee Bengali worden alle drie ervan beschuldigd dat ze als vluchteling illegaal het hek dat de Hongaars-Servische grens afsluit, zijn gepasseerd. Volgens de Hongaarse wet kunnen ze drie jaar gevangenisstraf krijgen. 
Het moment dat zijn tolk die strafmaat vertaalt, begint Mohammed R. te huilen. Rechter Kristian Kemenes kijkt niet onvriendelijk op, maar gaat daarna onverstoorbaar verder met afratelen van wetsartikelen en andere standaardformuleringen. Hij kan de teksten duidelijk dromen. Geen wonder: iedere week worden enkele tientallen mensen aan het hek opgepakt en hooguit twee dagen later voor de rechter gebracht. Op het moment dat deze zaak speelt, staan ergens hoger in het gebouw nog vijf mannen voor hetzelfde misdrijf terecht.
De openbaar aanklager zet er hetzelfde tempo in, de pro deo advocate spreekt weliswaar langzamer, maar neemt ook niet veel tijd. Haar 'verdediging' duurt misschien anderhalve minuut. Vragen heeft ze niet. De tolken kennen het klappen van de zweep. Ze maken zich niet druk om een exacte vertaling van alle wetsartikelen, maar beperken zich de hoofdpunten: de vragen van de rechter,  het pleidooi en dingen zoals de eis en de motivatie van het oordeel en de antwoorden van de verdachten,
Niet dat die veel te zeggen hebben. De twee Bengali, die zonder papieren het land in zijn gekomen, willen niets kwijt behalve dat hun einddoel Italië was. Joel Q. is spraakzamer. De 42-jarige elektricien heeft behalve astma een maagzweer. In Cuba heeft hij een vriendin en twee zoons. Hij zoekt een beter leven en wil na het proces alsnog politiek asiel in Hongarije aanvragen. Hij is, vertelt hij na afloop, in december naar Moskou en daarna naar Servië gevlogen, twee van de weinige landen waar een Cubaan zonder visum heen kan. Pas het laatste stuk van de tocht was illegaal. Net de Bengali is hij door een mensensmokkelaar onder het hek langs de grens door geholpen.
Tolk Gergely Salay zegt dat hij wekelijks een paar Cubanen voorbij ziet komen. Verder ziet hij tijdens de processen vooral Afrikanen, Pakistani en Bengali, allemaal mensen die, in tegenstelling tot Syriërs, Irakezen en Afghanen, geen kans maken via Slovenië als erkende asielzoeker Oostenrijk binnen te komen. De kanslozen gebruiken mensensmokkelaars, en dan is de route via Hongarije de snelste weg naar het Schengengebied, ondanks het hek en mogelijke gevangenisstraf.
Na een schorsing van een paar minuten, net genoeg voor een plaspauze, komt Kemenes met zijn vonnis. Los van eventuele reden om te vluchten, zegt hij, als je ergens een hek staat en je wordt niet uitgenodigd om binnen te komen, dan weet je dat je inbreekt en weggestuurd zult worden. Hij veroordeelt de mannen dan ook conform de eis tot drie jaar en uitwijzing uit Hongarije. Niet per se in die volgorde, zoals de rechter zelf aangeeft. De Hongaarse staat heeft geen enkele behoefte de mannen drie jaar lang te huisvesten. Uitwijzing staat voorop, de gevangenisstraf is niet bedoeld om uit te voeren en moet vooral afschrikken. 
De enige hapering daarbij is dat Servië weigert de uitgewezenen terug te nemen, tenzij dat burgers van een van de voormalige Joegoslavische republieken zijn. "In praktijk komt het erop neer dat ze maanden in een detentiecentrum worden opgesloten," zegt advocate Timea Kóvacs van het Hongaarse Helsinkicomité, dat een procedure in Straatsburg is begonnen tegen de gang van zaken bij de processen.
Alleen mannen worden echt opgesloten, voegt ze toe, vrouwen en kinderen verblijven in meer open faciliteiten, zij het wel met bewaking en zonder voorzieningen als onderwijs.Officieel gaan ook de mannen trouwens niet de gevangenis in, maar komen ze terecht in een vluchtelingendetentiekamp. De verschillen zijn miniem, zegt Kóvacs. "Je mag het geen gevangenis noemen, maar dat is het in feite wel." Als na enkele maanden vaststaat dat mensen echt niet uitgezet kunnen worden, gaan ze volgens haar uiteindelijk naar een van de open kampen in West-Hongarije. "Daar zijn mensensmokkelaars actief die alsnog transport naar West-Europa organiseren."

donderdag 28 januari 2016

Een half varken

Foto Runa Hellinga
Roemenië, 24 december 1989
Het was 35 graden buiten, en in de flat op de zoveelste verdieping van een communistisch woonblok in de Roemeense hoofdstad Boekarest was het nog veel warmer. We logeerden bij Irina en Cornel, jonge studenten dat we hadden leren kennen toen we een Roemeense tolk zochten. Of beter, we logeerden in de driekamerflat die het stel met Irina's ouders deelde. Die waren, om plek te maken voor ons, naar hun buitenhuis in de Karpaten vertrokken.
We zaten net te lunchen toen de bel ging. Irina stond op, opende de deur en kwam even later terug. "Hoff, kun je even komen, ik heb een probleem," zei ze met een wat verbijsterde uitdrukking op haar gezicht tegen Cornel. Het probleem, zo ontdekten we al snel, bestond uit een half varken, netjes van snuit tot staart doormidden gesneden, dat onverpakt en wel rustte op de schouder van de man die het kwam afleveren.
Het was de zomer van 1990. De winkels in Roemenië waren slechts marginaal voller dan ze een half jaar eerder waren geweest toen dictator Ceausescu op een koude decemberavond vlak voor kerst de biezen had gepakt. Potten ingemaakte vruchten en naar meel smakende worsten vulden de schappen. Als Roemenen lekker aten, kwam dat vooral omdat ze buiten de gewone winkels om hun voorraadkamers vulden met alles waar ze hun hand op konden leggen.
In dat kader had Irina's vader een half jaar eerder op de zwarte markt dit varken op de kop weten te tikken. Maar omdat het beest nooit was afgeleverd (en klagen heeft weinig zin als je iets op de zwarte markt koopt) had hij de stokoude diepvries in de keuken inmiddels maar gevuld met andere waar, vooral vis. Heel veel vis.
"Wilt u dat vlees of niet," bromde de man ongeduldig toen Irina hem wat besluiteloos bleef aankijken. Ze had weinig keuze. Het varken was al betaald en zeggen dat hij het halve beest weer mee kon nemen, was uitgesloten. Dus sjouwden we het karkas de keuken in en legden het op de kleine keukentafel die we in alle haast leeg hadden geruimd. Poten, staart en kop hingen aan alle kanten over de rand.
Met zijn vieren stonden we er wat radeloos naar te kijken. Er moest iets gebeuren, want het was veertig graden in huis en de flat over een paar uur te moeten delen met een bedorven half varken was een weinig aantrekkelijk perspectief.
Ons voorstel was om het vlees in de kofferbak van onze auto te laden en ermee naar de bergen te rijden. Daar, bij het weekendhuis, waren haar ouders die ervaring met slachten hadden en bovendien beschikten over een rookoven waarin het vlees verwerkt kon worden. Het was weliswaar een paar uur rijden, maar alles beter dan het varken in de keuken laten liggen.
Irina wilde het toch eerst zelf proberen. Ze verdween naar de slaapkamer en kwam terug in de oudste pyjama die ze had kunnen vinden. Met de moed der wanhoop opende ze de vriezer en begon vissen te herschikken. Vervolgens pakte ze het scherpste mes dat ze kon vinden en begon aan haar pogingen het varken in stukken te snijden. Een paar stukken vlees wist ze inderdaad in de diepvries te proppen, maar tegen de tijd dat er echt geen vis meer verschoven kon worden, lag het overgrote deel van het varken nog steeds op het tafeltje. Ze erkende dat dit niet ging werken. Het varken naar haar ouders brengen was de enige oplossing.
Terwijl we - een beetje zenuwachtig, want politiecontroles waren niet ongewoon en ook in het post-Ceausescu-tijdperk kon je problemen krijgen met een illegaal geslacht varken in je kofferbak - naar de koele bergen reden, verzuchtte Irina: "In wat voor land leven we als het toppunt van geluk is als je erin geslaagd bent een half varken op de kop te tikken?"

Bovenstaand stuk is een wat langere versie van een verhaal uit "De Geit van mijn Buurman, Hoop en Teleurstelling na de val van het IJzeren Gordijn" van Runa Hellinga en Henk Hirs. Het boek verscheen in 1994 en is als pocket (€7,40) en ebook (€4,95) heruitgegeven via Boedapest op Maat Boeken.

dinsdag 12 januari 2016

Gegoochel met regels

Foto Runa Hellinga
Reclamezuilen in de Andrassy ut
De firma Mahir, die de 761 reclamezuilen in de Boedapester straten beheert, schijnt sinds 2006 al te verstoten tegen een stedelijke regulering uit 2013. Dat althans is een van de argumenten die de gemeente Boedapest maandag in de rechtbank aanvoerde als reden waarom de stad eenzijdig het contract met Mahir heeft opgezegd en vorige week is begonnen de zuilen te verwijderen. 
De stad vindt de reclamezuilen zo aanstootgevend dat er zelfs geen tijd meer was om het oordeel van de rechter af te wachten. Dat oordeel zal overigens nog even op zich doen wachten, want de rechter heeft de stad tot maart de tijd gegeven om uit te zoeken tegen welke stedelijke regulering Mahir eigenlijk verstoot. Het recht neem zijn tijd in Hongarije. Kort gedingen zijn een onbekend verschijnsel.
Mahir sloot in 2006 een 25-jarig contract met Boedapest af over de oprichting van de zuilen. Het contract was het resultaat van een openbare aanbesteding waarin het aanbod van de firma Mahir als beste uit de bus kwam. Boedapest verdient haast jaarlijks een miljoen euro aan de reclamezuilen (in de tijd van de aanbesteding lag dat bedrag in euro's trouwens nog een stuk hoger, omdat de Hongaarse forint toen zo'n twintig procent sterker was) en bovendien kunnen kunst- en sportorganisaties er tegen korting adverteren. Maar sinds de zomer van vorig jaar zijn er volgens de gemeente teveel zuilen en verdient de stad te weinig aan de deal.
Toegegeven, op sommige plekken staan wel erg veel zuilen. Maar ze staan er al haast tien jaar en waren nooit eerder een probleem. Ze hangen vooral vol met culturele en sportreclame en er staat geen onvertogen affiche op. Steen des aanstoots is dan ook eerder hun eigenaar, de zakenman Lajos Simicska die twee decennia lang het financiële brein achter regeringspartij Fidesz was. Een jaar geleden brak hij met de partij. Sindsdien is het oorlog tussen hem en de regeringspartij en wordt er alles aan gedaan om zijn zakelijk imperium te breken. Dat leidde eerder al tot het afblazen van bouwprojecten die door Simicska's bouwonderneming Közgép werden uitgevoerd.
Behalve in de bouw zit Simicska in de media en naast kranten en een tv-station bezit hij onder meer het grootste deel van alle Hongaarse billboards. Bij de verkiezingen in 2014 kwam dat nog goed van pas kwam: Fidesz had toen aanzienlijk meer reclameruimte dan anderen partijen. Maar afgelopen zomer boden dezelfde billboards plotseling ruimte aan de Tweestaartige Hondpartij die de antivluchtelingenpropaganda van de regering op de hak nam.
Misschien geheel toevallig, maar kort daarop zegde Boedapest eenzijdig het 25-jarige contract over de reclamezuilen met Mahir op en begin januari begon dus de sloop. De eerste zuil die verwijderd werd, stond zeer toepasselijk voor het hoofdkantoor van Mahir zelf.
Sindsdien woedt een kleine zuilenoorlog in de straten van de hoofdstad, want Simicska is de laatste om zomaar te berusten. De gesloopte zuil voor het hoofdkantoor werd binnen een week teruggeplaatst en elders wordt de sloop van andere zuilen verhinderd door bewakers, ondanks politie-ingrijpen, een dreigement om de vergunning van het bewakingsbedrijf in te trekken en arrestatie van twee bewakers wegens 'branieschopperij'. 
Maandag volgde de eerste zitting van de rechtszaak waarin de gemeente dus claimde dat Mahir al sinds 2006 tegen een verordening verstoot die pas in 2013 werd aangenomen. Je hoeft geen jurist te zijn om het argument van advocaat György Magyar dat dat helemaal niet kan, te kunnen volgen. Magyar ziet de uitspraak van de rechtszaak dan ook met het nodige vertrouwen tegemoet. Mahir heeft zich volgens hem altijd aan alle afspraken gehouden en de gemeente pleegt contractbreuk en steelt simpelweg privébezit.