vrijdag 31 oktober 2014

Hond aan de paal

Dansende beer in Sofia
Op mijn schoot ligt ons nieuwe katje, Biker.Vier weken geleden zag ik in onze straat 's middags een mager, o zo schuw klein katje lopen. 's Avonds zat hij er nog steeds. De volgende ochtend ook, alleen was hij toen onder de motorkap van onze auto gekropen. Hij was hooguit zes weken oud, maar dat had hij helaas door: als iemand je probeert te vangen, kun je via het voorwiel zo de motorkap van iedere auto inkruipen en krijgen ze je niet te pakken. Misschien niet de beste overlevingsstrategie voor een klein katje op de lange duur, maar op de korte duur werkt het.
Het beestje maakte me gek. Het was nog warm, het raam stond open, en de hele dag klonk in de straat zijn klagelijke gemiauw. Uren heb ik besteed om hem te pakken te krijgen. Gelokt met hapjes, met melk. Op zeker moment had ik hem zelfs in onze kattenmand, viel het deurtje eruit. Pech, want je kon zeggen wat je wilde, hij leerde snel. Die mand moet ik niet meer in!
's Middags ging de bel. Er stond een vrouw voor de deur die had gehoord dat ik eerder met dat katje in de weer was geweest. Of het van mij was, vroeg ze. Nee dus, maar als zij me kon helpen hem, of haar natuurlijk, te pakken te krijgen, was ik graag bereid het diertje in huis te nemen.
Daar wilde ze mee helpen, heel graag zelfs. Ze stroomde over van de dankbaarheid dat ik hem in huis wilde nemen. Het katje zat inmiddels onder een andere motorkap, en vlak bij de betreffende auto zat een negenkoppige motorclub in het zonnetje. Toen ze hoorden wat er aan de hand was, kwamen ze met zijn allen in actie. Met negen in zwarte leren pakken geklede motorliefhebbers stonden we om de auto heen. En ditmaal lukte het wel, zoveel handen, daar wist hij niet aan te ontglippen. Vandaar zijn naam. Biker,
Een dag later lag er een envelop in onze brievenbus. Daarin: een speelgoedmuis, een paar pakjes kittenvoer, een kattensnoepstick en zelfs een ontwormingspil. compleet met een aanwijzing hoe die toegediend moest worden. En een heel lief kaartje. Van Éva, de vrouw die had aangebeld.

Vandaag liep ik te wandelen met onze hond, ergens in een dorp in de buurt van Vác. Niet zover van de dorpsrand zag ik een hond. Midden in het veld, aan een ketting. Geen hondenhok, niets. Ik had hem eerder gezien, weken geleden al. Toen was er een man bij, vandaar dat ik weet dat hij daar niet achtergelaten was. Hij zal af en toe eten kregen, en water. Maar wat voor hondenleven is dat? En waartoe? Wat heeft een hond aan een paal midden in een veld voor zin? Eigenlijk had ik hem het liefste los willen maken. Maar ik moet bekennen, ik ben doorgelopen en heb een andere weg naar huis genomen om mijn geweten niet weer in problemen te brengen. Ik had geen idee wat ik met het dier aanmoest. En het is bovendien moeilijk al het leed van dieren in Hongarije op je schouders te nemen.
Want een kettinghond in het veld is wel heel vreemd, maar kettinghonden zijn op zich heel normaal. Net als honden die hun hele leven buiten in een klein, omheind stuk van het erf slijten, meestal met een hok, een waterbak en wat eten, maar met niemand die zich echt om hen bekommert. Ik weet van een dorpshond die in zijn omheining iedere dag gewoon een hoop pap in een kuil gegoten kreeg. De poep stapelde zich op. Het is verbazingwekkend hoe lang zo'n dier dat nog volhoudt. De buren hadden ondertussen een vertroetelde, peperdure rashond door het huis lopen.
Natuurlijk heb je in Nederland ook verwaarloosde dieren. Maar omgang met dieren is in Hongarije opmerkelijk dubbel. Aan de ene kant zie je (in tegenstelling tot buurland Roemenië bijvoorbeeld) nauwelijks zwerfhonden en zwerfkatten. Er zijn dierenasiels en er zijn talloze mensen zoals Éva, de vrouw die bij mij aanbelde, en die momenteel opnieuw loopt te leuren met een zwerfkat waarvoor ze een goed tehuis zoekt. Dansende beren heb ik nooit gezien, in tegenstelling tot Bulgarije of Bosnië. Er is zelfs een berenpark waar slachtoffers van dat soort praktijken uit andere landen worden opgevangen. En 's werelds grootste deskundige op het gebied van hondencommunicatie is een Hongaarse wetenschapper.
Aan de andere kant viste mijn hond op zekere dag een zak verdronken pups uit de Donau en heb ik nog nooit zoveel mensen meegemaakt die echt geen idee dat een hond die kwispelend met een bal in de bek komt aanlopen, geen intentie heeft om te bijten. En heel wat dieren slijten hun leven in omstandigheden waarvoor je in Nederland onmiddellijk de dierenbescherming op je dak zou krijgen, zonder dat er iemand is die een vinger uitsteekt.
En dan heb ik het niet over het feit dat heel wat Hongaren nog steeds thuis slachten. Daar heb ik, zolang dat vakkundig gebeurt, geen enkel probleem mee. Integendeel, ik denk dat het voor heel wat dieren een stuk minder stressvol is dan eerst het halve land, of het halve continent door te worden gezeuld om vervolgens in een abattoir een pin door de hersenen te krijgen. Maar ik heb het wel over het feit dat een eenzame hond in het veld op pakweg honderd meter van een dorp kan zitten waar tientallen mensen hem dagelijks moeten zien, mensen die weten van wie dat veld en dus van wie die hond is, en die niets doen. Ik ben ervan overtuigd dat veel van hen eigenlijk vinden dat het niet kan en er schande van spreken. Maar aan de andere kant: het is nu eenmaal een beest, en de behandeling daarvan is geen ruzie waard.
Hongarije is geen Nederland, waar we tunneltjes onder de weg bouwen voor overstekende kikkers. Het is geen Balkan, waar beren op hete platen leren dansen. Het is iets ertussenin. Dat geldt niet alleen voor de manier waarop mensen met dieren omgaan, maar ook voor de wijze waarop ambtenaren hun werk doen en politici met hun kiezers omgaan. Soms word je aangenaam verrast, soms juist zeer onaangenaam. Aan de motorbende denk ik met plezier terug, maar die hond is me de hele avond blijven achtervolgen. In mijn gedachten dan, want in werkelijkheid zat hij, vrees ik, nog steeds aan zijn paal.

woensdag 22 oktober 2014

Diplomatieke rel over Hongaarse corruptie

Het besluit van de VS om zes Hongaren vanwege corruptie toegang tot Amerika te weigeren heeft de relaties tussen Amerika en Hongarije de afgelopen dagen op scherp gezet. Amerika wil geen namen bekend maken, maar volgens André Goodfriend, de Amerikaanse zakengelastigde in Boedapest, gaat het om hoog geplaatste ambtenaren die dicht bij de regering staan.
 In een persgesprek maakte Goodfriend begin deze week duidelijk dat het Amerika om aanzienlijk meer dan een simpele corruptiezaak gaat. Washington wil een signaal geven. Goodfriend zei dat Hongarije voor 2010, toen de huidige premier Viktor Orbán aan de macht kwam, een hoog niveau van transparantie en democratie kende, maar dat de trend zich de laatste jaren in omgekeerde richting beweegt. “Als die trend zich doorzet, kan het een niveau bereiken waarop Amerika niet langer met Hongarije als bondgenoot kan samenwerken,” aldus Goodyear.
Het is een ongewoon harde uitspraak over een Navo-bondgenoot, maar past wel in de steeds hardere kritiek op Hongarije aan de andere kant van de oceaan. Enkele weken vergeleek president Obama Hongarije met Egypte. In beide landen wordt het maatschappelijk middenveld volgens hem “steeds vaker aangevallen met eindeloze reguleringen en openlijke intimidatie”. Oud-president Clinton schaarde Hongarije onder ‘autoritair-kapitalistische’ landen als China en Rusland.
De zes ambtenaren is de toegang ontzegd op basis van proclamatie 7750, ooit opgesteld door president George W. Bush en bedoeld om corrupte individuen en hun familie de toegang tot Amerika te ontzeggen. Meestal gaat het om twijfelachtige zakenlieden of politici uit landen als Nigeria of Bangladesh. Dat ambtenaren uit een Europees land om die reden worden geweigerd, is op zijn zachtst gezegd heel ongewoon.
Klachten van Amerikaanse bedrijven over corruptie waren de directe aanleiding tot het besluit. Volgens nieuwswebsite Index zijn drie van de betrokkenen topmensen van de belastingdienst. De Hongaarse corruptieonderzoeker Dávid Jáncsics zegt basis van anonieme bronnen dat de ambtenaren forse belastingkortingen hadden aangeboden aan Amerikaanse bedrijven. Ook beloofden ze om de concurrenten het leven zuur te maken. Voor die diensten moest natuurlijk betaald worden, en dat geld, volgens Jáncsics in het totaal meer dan 6,5 miljoen euro, moest worden overgemaakt naar een stichting die dicht bij regeringspartij Fidesz staat. Toen betrokken bedrijven dit aanbod weigerden, kregen ze te horen dat ze rekening moesten houden met strenge controles en boetes.
Het is volgens Goodfriend ongewoon dat de Amerikanen überhaupt bekend maken dat iemand de toegang tot Amerika wordt ontzegd. Maar vorige week verscheen een volgens hem "totaal vals” artikel in een regeringsgetrouw economisch dagblad waarin melding werd gemaakt van een onderzoek van de belastingdienst naar belastingontduiking door Amerikaanse bedrijven. Niet verbazingwekkend gaat het om de bedrijven die eerder geklaagd hadden. Dat was voor Goodfriend reden om de openbaarheid te zoeken.
Namen heeft de zaakgelastigde overigens nog steeds niet gegeven en zegt hij om juridische redenen ook niet te zullen geven. De Hongaarse regering wil die wel hebben en vraagt verder bewijzen voor de corruptieaantijgingen. Volgens János Lázár, topman van het bureau van premier Viktor Orbán. is er geen enkele ambtenaar die te horen heeft gekregen dat hij Amerika niet meer in mag. “Deze kwestie kan de Hongaars-Amerikaanse vriendschap in de komende maanden ruïneren,” aldus Lázár in de New York Times. Eerder had hij het nog over een ‘strategische vriendschap’ en een ‘constructieve dialoog’ in verband met de kwestie.
De regeringskrant Magyar Nemzet meent dat de Amerikanen alleen maar in actie zijn gekomen om een aantal Amerikaanse bedrijven die door de belastingdienst worden onderzocht, te beschermen. Volgens commentator Tamás Pilhál willen ze de Hongaarse autoriteiten op deze manier dwingen "hun ogen te sluiten voor de overtredingen van Amerikaanse bedrijven en van maatschappelijke organisaties die de Amerikaanse belangen dienen."
Volgens Bálint Magyar, medeauteur van “De Hongaarse Poliep”, over de vervlochtenheid van regering en bedrijfsleven in corruptiezaken, zit de regering met een ernstig dilemma. “Dit is echt anders dan kritiek vanuit de EU, die altijd verzandt in bureaucratie en in het feit dat de politieke bondgenoten in het parlement de Hongaarse regering steunen. En het zorgt ook voor problemen, want het hele systeem van partijtrouw berust erop dat politieke vrienden altijd weten dat ze gedekt zijn. Daarom kun je hen ook niet ontslaan om je gezicht te redden. Als deze beschuldigingen kloppen, is het bovendien ondenkbaar dat, topambtenaren van de belastingdienst zoiets hebben opgezet zonder medeweten van anderen die boven hen staan.”
Op het internet circuleert overigens inmiddels een lijst met namen van betrokkenen. Het zou onder rmeer gaan om het hoofd van de belastingdienst, Ildikó Vida, om Árpád Habony, voormalig adviseur van Orbán en een van de sleutelfiguren in het mediabeleid van de regering, de voormalige regeringswoordvoerder András Giró-Szász en om Péter Heim, eigenaar van de politieke denktank Századvég. Volgens minister van buitenlandse zaken Péter Szijártó hebben al deze mensen verklaard van niets te weten. Ook Szijártó noemt de hele zaak een poging om Hongaarse autoriteiten onder druk te zetten overtredingen van Amerikaanse bedrijven door de vingers te zien.

zaterdag 18 oktober 2014

Getroffen door rampspoed

Het Kossuthbeeld zoals het ooit was en weer zal worden
Bijna staat het er weer op het Kossuth tér voor het parlement, het beeld van Lajos Kossuth en zijn regering. Het beeld, gebouwd in de Horthytijd, herdacht de leider van de opstand tegen de Habsburgers in 1848. Het werd na de oorlog door de communisten afgebroken. Zelfs onder het plastic dat de meerderheid van de figuren in de herrezen beeldengroep deze week nog omhulde, zie je dat ze gebukt onder hun lot. Somber kijken ze naar hun voeten, ze weten het: de opstand is mislukt, de Hongaren zijn verslagen. Voor de zoveelste keer.
De communisten verwijderden de beeldengroep omdat ze die te pessimistisch vonden. Bovendien bestond de regering van Kossuth uit aristocraten, niet direct de klasse waarmee de communistische partijleiding zich wenste te vereenzelvigen. Het werd vervangen door een andere beeldengroep met Kossuth in het middenpunt, optimistisch vooruit kijkend en omringd door een strijdbaar kijkend Hongaars volk. Ergens gloorde een mooie toekomst. Je kunt veel zeggen over de communisten, maar ze hadden een positieve kijk op de toekomst, al liet datgene wat ze daadwerkelijk voor elkaar kregen behoorlijk te wensen over.
Maar het  vroegere, en nieuwe, Kossuthbeeld past wel in de visie van de huidige regering op de natie, een beeld dat gedeeld wordt door veel Hongaren: een volk die altijd door rampen wordt getroffen. Nu heeft Hongarije in de loop der eeuwen zeker het nodige te verduren gehad, maar ik heb me toch altijd verbaasd over oudere Hongaarse vrouwen die bij het zingen van het volkslied de tranen over de wangen liepen. Aan de andere kant, als je de tekst goed leest, is dat eigenlijk geen wonder. Plassen bloed, kwellende slavernij, doodskreten, rampspoed en kwaad lot. Zelfs God is vertoornd. Of vooral God is vertoornd. Al het andere is alleen maar het gevolg van zijn boosheid. Ga er maar aan staan.


woensdag 8 oktober 2014

Stem Fidesz als je geld wilt.

Komend weekend gaat Hongarije naar de stembus. Voor de derde keer dit jaar, en ditmaal gaat het om gemeenteraadsverkiezingen. Er doet weer een oneindig aantal partijen mee, vaak alleen op lokaal niveau. En het staat iedereen vrij om te stemmen op wie hij wil. Dit is per slot van rekening een democratie.
Alleen Fidesz. Anders krijg je geen geld
Maar premier Orbán waarschuwde kiezers die van plan zijn om op een oppositiepartij te stemmen, deze week wel: gemeenten die door de oppositie bestuurd worden, moeten er niet op rekenen geld van de centrale overheid te krijgen. "Het kan natuurlijk niet dat ze het ene moment schreeuwen over dictatuur, de regering zwart maken en ons in het buitenland afdoen, en de volgende dag zeggen dat ze samen willen werken, omdat er sprake is van geld," aldus Orbán in een interview bij een lokale internetkrant. Mensen moeten, aldus de premier, dus zulke gemeenteraadsleden kiezen die oprecht kunnen samenwerken met de huidige regering. Van de regering verwachten dat die samenwerkt met kritici, dat is echt teveel gevraagd.
Kritiek hebben en dan nog geld willen: er zijn grenzen aan de Hongaarse democratie. Dat Orbáns woorden geen lege huls zijn, weten ze in de gemeente Esztergom, die vier jaar geleden al een kandidaat van de oppositie als burgemeester koos. Fidesz had de meerderheid in de gemeenteraad, maar die burgemeester gaf de doorslag: Esztergom kreeg zeker in de eerste tijd zo weinig fondsen dat de gemeente zelfs de vuilnisophaal moest afschaffen en vrijwilligers dat gingen doen.
De boodschap komt geheel overeen met de verkiezingsaffiches voor deze verkiezingen. Alleen Fidesz, staat erop. Ooit had de partij nog een coalitiepartner, de christendemocratische KDNP. Maar hoewel er wel KDNP-politici op de lijst staan (zoals de burgemeester van Vác, Attila Fördös, die voor zijn campagne onbeschaamd gebruikt maakt van mededelingsborden van de gemeente), wordt die partij op de affiches niet meer vermeld. Eindelijk eerlijkheid, want iedereen wist allang dat de KDNP nauwelijks nog een zelfstandige partij is.
Het past in Orbáns recente uitspraken dat hij van Hongarije een ''illiberale' democratie wil maken, met Rusland en Turkije als voorbeelden. Niets wijst er overigens op dat de kiezers komend weekend zijn wijze raad niet zullen volgen, al zouden de extreemrechtse Jobbik nog wel eens voor verrassingen kunnen zorgen. En niet eens omdat alle kiezers nou zo tegen zigeuners zijn. "Eerst heb ik op de socialisten gestemd, en die deden het niet goed. Toen heb ik op Fidesz gestemd, en die doen het niet goed. Nu ga ik Jobbik proberen. Ik ben het weliswaar niet eens met veel dingen die ze zeggen, maar ik wil ze toch een kans geven," zoals een kiezer in Szérszárd zei.

vrijdag 19 september 2014

Kritische organisaties verder onder druk

Steun voor Ökotars
De Hongaarse belastingdienst NAV heeft gisteren de belastingnummers van vier civiele organisaties ingetrokken. Daarmee wordt hen het werken in feite onmogelijk gemaakt. Het is een volgende stap in de pogingen van de regering om kritische maatschappelijke organisaties zoals milieuorganisaties en mensenrechtenorganisaties monddood te maken. Het is hoofdstuk zoveel in een drama dat dit voorjaar begon. 
Eind vorige week kreeg ik een paniekerige email: “Politie doet huiszoeking bij toneelgroep Krétakör!” De mededeling werd gevolgd door het dringende verzoek aan iedereen zo snel mogelijk naar de plaats des onheils te komen. Even later een nieuwe mail: de massale politieaanwezigheid bij het kantoor van de regeringskritische Hongaarse toneelgroep was toeval. Vlakbij was een ontmoeting tussen de Hongaarse premier Viktor Orbán en voormalig EU-topman José Manuel Barosso.
Vals alarm dus, maar de email is veelzeggend. Een week eerder deed de politie huiszoekingen bij milieuorganisatie Ökotars en bij Demnet, een organisatie die de ontwikkelingen van democratische rechten in Hongarije ondersteunt. Niet alleen de kantoren, ook woningen van medewerkers werden doorzocht.
Sindsdien vrezen regeringskritische organisaties dat zij misschien de volgende zijn. Er is angst en alles lijkt mogelijk. “Kan zoiets ons ook overkomen?” vraagt de secretaresse van een mediaorganisatie zich bezorgd af als ze de beelden op tv ziet. Ze ziet de politie al door haar woning marcheren.
Ökotárs, Demnet en de andere twee organisaties waarvan het belastingnummer werd ingetrokken, zijn verantwoordelijk voor de verdeling van Noorse financiële steun aan maatschappelijke organisaties in Hongarije en dat is de regering een doorn in het oog. De fondsen zijn onderdeel van een samenwerkingsovereenkomst tussen Noorwegen en de EU en vergelijkbaar met EU-steun aan sociale projecten in Centraal-Europa. Belangrijk verschil: terwijl de Hongaarse regering zelf de EU-fondsen mag verdelen, laat Noorwegen dat via onafhankelijke lokale organisaties lopen.
Zover als Rusland, dat vergelijkbare organisaties als ‘buitenlandse agenten’ in de ban heeft gedaan, gaan de Hongaren niet. Maar midden april beschuldigde János Lázár, topman in het bureau van premier Orbán, de Noren wel van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Hongarije. en premier Viktor Orbán heeft al enkele malen verklaard dat de kritische civiele organisaties volgens hem "buitenlandse belangen" vertegenwoordigen. Lázár publiceerde een lijst van dertien organisaties die volgens hem ‘problematisch’ waren in dit verband. Daarop stonden behalve Ökotars en Demnet onder meer mensenrechtenorganisatie, anticorruptiewaakhonden, organisaties tegen vrouwen- en kindermishandeling en de Budapest Gay Pride. 
Omdat Ökotars als milieuorganisatie goede contacten heeft met de groene oppositiepartij LMP is er volgens Lázár sprake van buitenlandse en illegale partijfinanciering. Maar de beschuldigingen variëren. De nieuwste is dat Ökotárs, dat af en toe voorschotten verstrekt als organisaties op hun Noorse subsidie moeten wachten, zich daarmee aan illegale bankpraktijken schuldig maakt.
Maar wat de beschuldiging ook is, de kern is dat Lázár vindt dat de verdeling van de fondsen moet worden overgedragen aan een regeringsbureau. Voor de betrokken organisaties zou dat rampzalig zijn. De EU-fondsen gaan tegenwoordig vrijwel uitsluitend naar regeringsgetrouwe ontvangers. Voor kritische organisaties zijn de Noren (en kleinere Zwitserse fondsen die inmiddels ook onder vuur liggen) momenteel vrijwel de enige bron van inkomsten.
Het probleem, zegt politiek analist Tamás Boros van Polity Solutions, is dat regeringspartij Fidesz iedere kritiek als politieke aanval ziet en geen onderscheid maakt tussen oppositiepartijen en maatschappelijke organisaties. “Maatschappelijke organisaties moeten uiteraard kritisch naar het beleid kijken, maar dat wordt door de regering gewoon als deel van de politieke oppositie gezien,” zegt Boros. En dat rechtvaardigt alles dat die organisaties het leven moeilijk maakt: financieel afknijpen, aanvallen in regeringsgezinde media, al dan niet terechte corruptieaanklachten.
In een recent interview met de Süddeutsche Zeitung verwerpt regeringswoordvoerder Zotán Kovács deze kritiek. Volgens hem hebben de organisaties gewoon de wet gebroken.Het is volgens hem heel simpel om de regering vervolging van politieke opponenten te verwijten. “De wet is de wet en daar moet iedereen zich aan houden.”


zondag 7 september 2014

En je mag zomaar vragen stellen!

"Weet je wat hier echt anders is? Ze zijn op de universiteit echt geïnteresseerd hoe het met je gaat, ze willen je helpen om het zo goed mogelijk te doen!" We praten op Skype over de eerste studieweek van onze zoon in Nederland, en de paar college's die hij heeft gehad, zijn duidelijk een verbijsterende, en positieve, ervaring.
En niet alleen de college's, ook de hele begeleiding eromheen, het feit dat bij ieder vak een tutor is waar je om hulp kunt vragen, dat er begeleiders zijn die je op weg helpen met projecten, en een systeem waarbij wordt nagegaan welke studieopdrachten voor veel mensen problemen opleveren, zodat daar extra aandacht aan kan worden besteed. Van het Hongaarse onderwijs, waar alles gericht is op de kleine topgroep in de klas die met wedstrijden en extra vermeldingen tot nog betere prestaties worden aangemoedigd, zit hij plots in een systeem waar men er alles aan doet om de middenmoot en zelfs de achterblijvers mee te trekken, als die tenminste zelf bereid zijn daar werk in te steken. Bepaald een andere aanpak.
Hongaarse studentenkamer
Waar hij helemaal niet over uit kan, is dat je tijdens colleges vragen mag stellen, sterker nog, dat dat wordt aangemoedigd. Hij kent de verhalen van Hongaarse vrienden: grote collegezalen waar een professor een monoloog houdt en waar het ondenkbaar is dat studenten een vraag stellen, ook als ze geen woord begrijpen van wat er wordt verteld. Hij heeft het zelf op school ook meegemaakt, dat leraren boos werden als leerlingen vragen stelden. En dan gold zijn school nog als een behoorlijke vooruitstrevende.
Als ik een vriendin over de eerste collegeweek vertel, komt zij met het verhaal van haar dochter, die naar de zesde klas (groep acht) van de lagere school gaat. Die heeft dit jaar een nieuwe juf. Een van de eerste lessen meldde een kind dat het zijn huiswerk niet had gedaan, omdat het de lesstof niet snapte. In plaats van extra uitleg kreeg hij twee zwarte punten bij zijn naam (niet goed, vijf zwarte punten zijn samen een één, onvoldoende), en werd de hele klas getrakteerd op een donderpreek dat het toch een schande was dat al in de eerste week iemand zijn huiswerk niet inleverde. Echt een aanmoediging om de rest van het jaar om hulp te vragen.
Voor dat onze zoon vertrok, wilden al zijn vrienden natuurlijk weten waar hij ging wonen. In een kamer in een studentenhuis, was het antwoord. Oh ja? En met hoeveel mensen? Alleen. Alleen? Echt waar, alleen. On het huis wonen zes studenten, maar in zijn kamer echt maar één. Van Hongaarse kant werd met verbijstering gereageerd. In een Hongaarse studentenflat, kollégium, deel je je kamer meestal met drie of vier mensen. Studeren doe je in een aparte studieruimte, eten over het algemeen in een kantine. Als je pech hebt, slaap je in een stapelbed. Vaak hebben de bewoners niet eens ieder een eigen tafel.
Geen wonder dat de meeste van zijn vrienden thuis blijven wonen als ze het zich qua afstand kunnen veroorloven. Er hangt natuurlijk wel een prijskaartje aan die Nederlandse luxe, want waar een Hongaarse student maandelijks tussen de 30 en de 80 euro betaalt, zijn Nederlandse studenten snel een paar honderd euro kwijt. En dat onze zoon zelf moet koken, dat vonden zijn vrienden eigenlijk een beetje zielig, geloof ik.

maandag 11 augustus 2014

Hongaarse waar, alsublieft!

100 procent Hongaars of uit eigen tuin
“Eén, vijf, nul,” zegt het meisje. Honderdvijftig, zegt haar vader. Terwijl ze bij een groentestal op de markt in Vác wachten op hun beurt, telt ze verder. Dan wijst ze plots op het kleine Hongaarse vlaggetje bij de tomaten. “Dat zijn Hongaarse waren, hè papa?” Die knikt.” Ze wijst: veel vlaggetjes, veel Hongaarse waren. “Goed hè, papa,” zegt ze. Tellen gaat moeizaam, maar dat Hongaarse producten het best zijn, weet ze al. Vader straalt: “Wat ben jij knap!”
Zes van de tien Hongaren geven volgens onderzoek de voorkeur aan Hongaarse producten. Hoe anders was dat een kwart eeuw geleden. Toen kort voor de val van het communisme de eerste Hongaarse McDonald’s zijn deuren opende, was het toppunt van geluk als je daar kon eten. Tienduizend klanten dromden de eerste dag naar binnen voor een Amerikaanse hamburger. Wie zich geen dure hamburger kon veroorloven, deelde samen één dure beker Cola.
Maar wie zichzelf als echte Hongaar bestempelt, eet tegenwoordig liever Hongaarse kolbász (worst) dan Amerikaanse hamburgers. Zoals Zalán Briglovics, die samen met zijn vrouw een internetbedrijfje runt waar hij Hongaarse kaas, jam, honing, sappen en schoonmaakmiddelen aanbiedt en zijn droom propageert: een Hongarije waar mensen uitsluitend Hongaarse producten gebruiken. Utopia, geeft hij toe, maar persoonlijk probeert hij dat ideaal wel te verwezenlijken.
Opening McDonald's, 1988
Blij wordt hij van zijn eigen koelkast, waarin je geen Parmaham vindt, maar spek, kaas en boter uit eigen land. Daarnaast zelfgemaakte augurken, abrikozenjam en mayonaise en varkensvlees van eigen slacht. Verder Hongaarse bloemkool en tomaten, paprika in zuur en uiteraard Hongaarse mosterd. Melk en eieren komen direct van de boer.
Briglovics gebruikt geen olijfolie, maar Hongaarse zonnebloemolie. Zijn rijst komt van de (zeer beperkte) Hongaarse rijstvelden. Zijn groenten kweekt hij grotendeels zelf. Af en toe eet hij in de winter een sinaasappel, voor de vitamine C, maar liever niet: “Hongaarse darmen zien in hun leven geen zuidvruchten. In plaats daarvan hebben we goede Hongaarse appels, winterbestendige peren, gedroogde abrikozen of zelfs zuurkool.”
Zijn bedrijf, de Goede Hongaar, verkoopt uitsluitend 100 procent Hongaarse producten zonder toevoegingen. Beter voor de gezondheid dan de troep die multinationals produceren, en beter voor de economie, meent hij: “Hongaarse waren betekenen Hongaarse arbeidsplaatsen.”
Een paar keer per week moet Briglovics voor zijn werk bij de Tesco-hypermarkt zijn. “Ik doe daar geen boodschappen, dat zou me wat moois zijn. Maar ik zie wel wat voor rotzooi die winkel verkoopt”. Hij is niet de enige die meent dat Hongaarse waar beter is. Een sticker met “Hongaars product” op de verpakking verhoogt de verkoopkans aanzienlijk. Ook McDonald’s heeft dat beseft. De fastfoodketen meldt daarom tegenwoordig al op de winkelruit dat de kip, eieren en tomaten lokaal worden gekocht.
Begin jaren negentig, toen Zoltán Kovács een winkeltje met badkleding opende, stond import voor veel mensen juist synoniem met kwaliteit. Toen de eerste winkel met Italiaanse lingerie de deuren opende, stond er een eindeloze rij op straat van mannen die hun vrouw gelukkig wilden maken met een kanten bh en vrouwen die op zoek waren naar iets verleidelijkers dan het Hongaars ondergoed dat hooguit grootmoeders konden bekoren. Oostenrijkse gemalen koffie werd een hit, niet omdat er een koffietekort was, maar omdat je Hongaarse koffie zelf moest malen bij grote koffiemolens achter de kassa.
Kovács, die een dochter in het Hongaarse zwemteam en een zoon in het waterpoloteam had, rook zijn kans. Hij importeerde professionele zwemkleding uit Duitsland en verkocht die in een winkeltje van één bij één meter op een drukke straat in Boedapest. Een onderneminkje van niets, maar topsporters waren er dolblij
mee. Het miniwinkeltje groeide uit tot Arena, een keten van gespecialiseerde sportzaken waar professionele watersporters ook vandaag nog hun spullen halen. Het assortiment komt nog steeds vooral uit het buitenland. Soms is import toch echt beter.