Ontelbare uren geduldig en ongetwijfeld bij tijd en wijle ook zeer saai politiewerk lijken afgelopen dagen resultaat te hebben gebracht: vrijdagochtend vroeg arresteerde de Hongaarse politie vijf mensen die verdacht worden van de reeks aanslagen in zigeunerwijken het afgelopen jaar.
Enkele weken geleden had de politie 100 miljoen forint uitgeloofd voor de beslissende tip. Maar de arrestaties waren uiteindelijk het resultaat van eigen politiewerk, waarbij de Hongaren hulp hebben gekregen van de in seriemoorden veel ervarenere FBI. Het was de mobiele telefoon die de daders fataal geworden schijnt te zijn. De onderzoekers hebben alle mobiele gesprekken rond de tijd van de aanslagen, zo'n 4,5 miljoen in het totaal, geanalyseerd. Dat leverde een patroon op dat uiteindelijk naar de daders leidde.
Hoewel de politie tot nu toe weinig over de gearresteerden heeft losgelaten, is inmiddels wel duidelijk uit welke hoek ze komen. Een van hen is een uitsmijter in een café in de Oosthongaarse stad Debrecen, een man met een kaalgeschoren kop die volgens ooggetuigen tal van Nazi-tatoeages draagt. Ook zijn broer werd aangehouden. Het café schijnt een vaste stek te zijn van de harde kern van de voetbalclub in Debrecen. Het is, ironischerwijze, gevestigd in de kelder van het gebouw van de lokale rechtbank.
Daarmee kunnen we alle theorieën over de moorden die het afgelopen jaar in de rechtse Hongaarse pers de ronde deden, gevoegelijk naar de prullenbak verwijzen. De eerste was dat de daders in kringen van woekeraars gezocht moesten worden. Had best gekund, na de eerste moord. Woekeraars, die rentepercentages van 50 tot 100 procent per maand berekenen, zijn vaak inderdaad niet mals met hun strafmaatregelen. Een aardige bijkomstigheid is dat ze, net als hun slachtoffers, meestal zigeuner zijn. Alleen, na de tweede aanslag, tweehonderd kilometer verderop, werd die theorie al minder waarschijnlijk, want woekeraars werken zeer plaatselijk.
De tweede theorie die in rechtse kring opgang deed, was dat het om afrekeningen in de drugs- en prostitutiewereld ging. Die theorie werd onhoudbaarder naarmate er meer slachtoffers vielen, waaronder een man van een jaar of 45 die al 25 jaar iedere dag braaf naar zijn werk ging. Niet alleen geen waarschijnlijke drugshandelaar, maar ook nog eens een zigeuner die absoluut niet voldeed aan het clichébeeld dat rechtse media zo graag verspreiden: dat van een arbeidschuwe minderheid die leeft van uitkeringen en verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de Hongaarse misdaad.
Dat clichébeeld is waarop de extreemrechtse Jobbik gedijt en bij de afgelopen Europese verkiezingen 15 procent van de stemmen wist binnen te slepen. Die partij zat afgelopen tijd wat met de moorden in de maag. Het is moeilijk propaganda voeren dat zigeuners de bron zijn van alle misdaad, als ondertussen met de regelmaat van de klok zigeunerhuizen de fik ingaan en de uit de vlammen vluchtende inwoners in koelen bloede worden afgeknald. Prettig voor Jobbik was dat die zigeuners uit bezorgdheid burgerwachten gingen vormen die af en toe op negatieve wijze de pers halen, bijvoorbeeld als ze een paar jagers in een zwarte SUV hebben aangehouden, omdat de seriemoordenaars ook een donkere SUV reden.
Hongaren hebben het niet zo op zigeuners, maar de reeks moorden begon de laatste tijd ook gewone burgers zorgen te baren, zeker toen onlangs een moeder werd doodgeschoten en haar 13-jarige dochter levensgevaarlijk gewond in het ziekenhuis terechtkwam. Maar Jobbik vond de volgende theorie: ze hadden aanwijzingen dat de moorden werden gepleegd door een buitenlandse geheime dienst die Hongarije wilde destabiliseren.
Dat idee vatte zelfs buiten Jobbik post. Een gematigd conservatieve politicoloog vertelde mij niet zo lang geleden serieus dat hij uit betrouwbare bron had vernomen dat dat van die geheime dienst echt waar kon zijn. Er zouden zelfs al twee Roma zijn gearresteerd die banden hadden met Slowakije en die de wapens hadden geleverd (zo kun je toch de zigeuners zelf weer schuld geven van de moorden).
De achtergrond zou zijn dat het de Slowaken een argument zou geven om de omstreden taalwet in te voeren die het spreken van Hongaars in Slowakije moeilijker maakt. Je kunt als Hongarije niet klagen over discriminatie van Hongaren in Slowakije als je eigen zigeunerminderheid zo bedreigd wordt. Zoiets, in elk geval. De Hongaarse regering zou er erg mee in zijn maag zitten, want het naar buiten brengen van de kwestie zou de relaties met het buurland zeer verslechteren.
Een vierde mogelijkheid die in rechtse kring werd geopperd, was dat de linkse regering zélf achter de moorden zat, om op die manier rechts in diskrediet te brengen en de spanning in de samenleving in leven te houden.
Helaas voor de bedenkers van al deze theorieën: de daders zijn blijkbaar precies het soort mensen die je achter zo'n reeks moorden zoekt. Dat schijnt sommigen oprecht te verbazen. De rechtse nieuwszender Hír TV bracht de arrestaties in elk geval onder de kop: ,,De seriemoordenaars zijn geen Roma''.
Nieuws en achtergronden over Hongarije van correspondenten Runa Hellinga en Henk Hirs
zaterdag 22 augustus 2009
woensdag 19 augustus 2009
PICKNICK
Het had een Hongaars-Oostenrijks feestje moeten worden, met wat toespraken en muziek, met bier en wijn, ketels met goulash en gebarbecuede worsten: de Pan-Europese Picknick die Hongaarse oppositieleden en hun Oostenrijkse sympathisanten op 19 augustus 1989 organiseerden bij Sopronkőhida, op de Oostenrijks-Hongaarse grens. De picknick was bedoeld als vredesdemonstratie die de afbraak van het IJzeren Gordijn tussen Oost- en West-Europa moest ondersteunen. Niemand verwachtte dat honderden Oostduitsers de gelegenheid zouden grijpen om de grens te bestormen en het communistische systeem te ontvluchten.
De overrompelde initiatiefnemers zagen het geschrokken aan, want ze hadden geen idee wat voor gevolgen de massavlucht voor henzelf zou hebben. De picknick had weliswaar de steun van Imre Pozsgay, een hervormingsgezind lid van het communistische politbureau. Maar veel organisatoren wachtten desondanks nog wekenlang angstig op de klop op de deur van de geheime dienst. ,,De wetenschap dat ik Pozsgay’s geheime telefoonnummer op zak had, was heel geruststellend,’’ aldus László Nagy, een van de organisatoren in een herdenkingstoespraak. Pas toen de Hongaarse regering op 11 september de grens officieel voor Oostduitsers openstelde, durfde iedereen weer opgelucht adem te halen.
Hongarije was sinds jaren een geliefde vakantiebestemming waar Oost- en Westduitsers elkaar ontmoetten. Maar in 1989 besloten duizenden Oostduitsers na afloop van hun vakantie niet naar huis terug te keren. De Hongaren hadden inmiddels reisvrijheid en ze waren begonnen met de ontmanteling van hun deel van het IJzeren Gordijn. Andere Oost-Europeanen mochten de grens weliswaar niet zomaar over, maar toch gaf het de DDR-burgers hoop.
Massaal sloegen ze hun tenten op: op campings, bij kerken, midden in Boedapest. De Hongaarse regering wist er niet goed raad mee. Communistische broederstaten vonden toch al dat de Hongaren gevaarlijk ver gingen. De DDR-burgers hun zin geven en ze zomaar laten gaan was dan ook een probleem. Maar hen met geweld terugsturen, daar was de stemming in Hongarije van 1989 niet meer naar. En dus veranderden de kampeerterreinen geleidelijk in spontane vluchtelingenkampen waar niemand raad mee wist.
De grensbestorming maakte een abrupt einde aan deze patstelling. De picknick was nog niet eens officieel begonnen toen enkele honderden Oostduitsers simpelweg de hekken van de grenspost openduwden. Commandant Arpád Bella had geen orders voor zo’n gelegenheid, maar besloot niet te laten schieten, omdat hij, zoals hij later verklaarde, anders een bloedbad voorzag. Overigens zouden latere vluchtelingen niet zo gelukkig zijn. Voordat de regering op 11 september besloot de grenzen open te stellen, kwam er nog één Oost-Duitser om omdat een grenswacht wel op hem schoot.
De picknickorganisatoren schitterden op het moment van de doorbraak door afwezigheid, want die gaven net een persconferentie aan honderden internationale en welgeteld één Hongaarse journalist. De Hongaarse kranten zouden het nieuws de volgende dag allemaal melden op basis van wat de internationale pers erover had geschreven.
Ook de Sopronse parlementariër Dezső Szigeti miste door de persconferentie de eigenlijke doorbraak. Toen hij een kwartier arriveerde, stond er een schier eindeloze reeks achtergelaten Oostduitse Trabanten langs de weg naar de grens. ,,Tegen de tijd dat ik bij de grens aankwam, waren er al honderden mensen overheen gegaan. De grenssoldaten waren enorm opgelucht dat ze niet hoefden te schieten.”
Volgens Szigeti, destijds lid van de juridische commissie van het Hongaarse parlement, hing eigenlijk al in de lucht dat de regering de grens op zou stellen. Het uitreisverbod druiste in tegen alle ontwikkelingen die sinds twee jaar in Hongarije gaande waren. ,,Het begon in 1987-1988 met de afschaffing van de wet dat een familie maar één huis mocht bezitten. Sommigen waarschuwden dat dat de feitelijke afschaffing van het communisme inluidde. De reactie was toen: nou, dan is dat maar zo.”
De echte Hongaarse bolsjewisten waren inmiddels vrijwel uitgestorven, zegt Szigeti. Er was een neiuwe generatie partijleiders aan de macht die verandering wilde. ,,Die hadden hun opleiding in Londen gehad, niet in Moskou. Ze waren partijlid omdat je anders geen goede baan kreeg, maar ze hadden niets meer met het systeem. De picknick was in feite het eindspel van een ontwikkeling die al lang gaande was.”
De massadoorbraak heeft onmiskenbaar het einde van het communisme versneld. Toen de Oostduitsers eenmaal weg konden, werd de val van de Berlijnse Muur, het belangrijkste symbool van de Koude Oorlog, onafwendbaar. Maar het systeem liep op zijn laatste benen en ook zonder de picknick zou de kaart van Europa uiteindelijk zijn veranderd, menen zowel Szigeti als László Nagy. ,,Alleen misschien op een latere dag, of op een andere wijze, bloediger,” aldus Nagy.

De overrompelde initiatiefnemers zagen het geschrokken aan, want ze hadden geen idee wat voor gevolgen de massavlucht voor henzelf zou hebben. De picknick had weliswaar de steun van Imre Pozsgay, een hervormingsgezind lid van het communistische politbureau. Maar veel organisatoren wachtten desondanks nog wekenlang angstig op de klop op de deur van de geheime dienst. ,,De wetenschap dat ik Pozsgay’s geheime telefoonnummer op zak had, was heel geruststellend,’’ aldus László Nagy, een van de organisatoren in een herdenkingstoespraak. Pas toen de Hongaarse regering op 11 september de grens officieel voor Oostduitsers openstelde, durfde iedereen weer opgelucht adem te halen.
Hongarije was sinds jaren een geliefde vakantiebestemming waar Oost- en Westduitsers elkaar ontmoetten. Maar in 1989 besloten duizenden Oostduitsers na afloop van hun vakantie niet naar huis terug te keren. De Hongaren hadden inmiddels reisvrijheid en ze waren begonnen met de ontmanteling van hun deel van het IJzeren Gordijn. Andere Oost-Europeanen mochten de grens weliswaar niet zomaar over, maar toch gaf het de DDR-burgers hoop.
Massaal sloegen ze hun tenten op: op campings, bij kerken, midden in Boedapest. De Hongaarse regering wist er niet goed raad mee. Communistische broederstaten vonden toch al dat de Hongaren gevaarlijk ver gingen. De DDR-burgers hun zin geven en ze zomaar laten gaan was dan ook een probleem. Maar hen met geweld terugsturen, daar was de stemming in Hongarije van 1989 niet meer naar. En dus veranderden de kampeerterreinen geleidelijk in spontane vluchtelingenkampen waar niemand raad mee wist.
De grensbestorming maakte een abrupt einde aan deze patstelling. De picknick was nog niet eens officieel begonnen toen enkele honderden Oostduitsers simpelweg de hekken van de grenspost openduwden. Commandant Arpád Bella had geen orders voor zo’n gelegenheid, maar besloot niet te laten schieten, omdat hij, zoals hij later verklaarde, anders een bloedbad voorzag. Overigens zouden latere vluchtelingen niet zo gelukkig zijn. Voordat de regering op 11 september besloot de grenzen open te stellen, kwam er nog één Oost-Duitser om omdat een grenswacht wel op hem schoot.
De picknickorganisatoren schitterden op het moment van de doorbraak door afwezigheid, want die gaven net een persconferentie aan honderden internationale en welgeteld één Hongaarse journalist. De Hongaarse kranten zouden het nieuws de volgende dag allemaal melden op basis van wat de internationale pers erover had geschreven.
Ook de Sopronse parlementariër Dezső Szigeti miste door de persconferentie de eigenlijke doorbraak. Toen hij een kwartier arriveerde, stond er een schier eindeloze reeks achtergelaten Oostduitse Trabanten langs de weg naar de grens. ,,Tegen de tijd dat ik bij de grens aankwam, waren er al honderden mensen overheen gegaan. De grenssoldaten waren enorm opgelucht dat ze niet hoefden te schieten.”
Volgens Szigeti, destijds lid van de juridische commissie van het Hongaarse parlement, hing eigenlijk al in de lucht dat de regering de grens op zou stellen. Het uitreisverbod druiste in tegen alle ontwikkelingen die sinds twee jaar in Hongarije gaande waren. ,,Het begon in 1987-1988 met de afschaffing van de wet dat een familie maar één huis mocht bezitten. Sommigen waarschuwden dat dat de feitelijke afschaffing van het communisme inluidde. De reactie was toen: nou, dan is dat maar zo.”
De echte Hongaarse bolsjewisten waren inmiddels vrijwel uitgestorven, zegt Szigeti. Er was een neiuwe generatie partijleiders aan de macht die verandering wilde. ,,Die hadden hun opleiding in Londen gehad, niet in Moskou. Ze waren partijlid omdat je anders geen goede baan kreeg, maar ze hadden niets meer met het systeem. De picknick was in feite het eindspel van een ontwikkeling die al lang gaande was.”
De massadoorbraak heeft onmiskenbaar het einde van het communisme versneld. Toen de Oostduitsers eenmaal weg konden, werd de val van de Berlijnse Muur, het belangrijkste symbool van de Koude Oorlog, onafwendbaar. Maar het systeem liep op zijn laatste benen en ook zonder de picknick zou de kaart van Europa uiteindelijk zijn veranderd, menen zowel Szigeti als László Nagy. ,,Alleen misschien op een latere dag, of op een andere wijze, bloediger,” aldus Nagy.
zondag 16 augustus 2009
CONCERT
Neonazi's wilden demonstreren, gisteren in Budapest. Het was de sterfdag van Hitler, Rudolf Hess, en in vorige jaren hadden extremisten uit heel Europa ook al succesvol herdenkingen in de Hongaarse hoofdstad georganiseerd. Hongarije hecht erg aan vrijheid van meningsuiting, een erfenis uit het communisme, toen die vrijheid niet bestond, en in het verleden werd de bijeenkomst dan ook gedoogd.
Dit jaar liep het anders. Afgelopen mei konden aanhangers van de Hongaarse Garde nog demonstreren tegen de 'Holocaustleugen', maar afgelopen week waarschuwden diverse Hongaarse politici, waaronder - voor het eerst - president Sólyom, voor het eerst dat Hongarije niet de neonazi-vergaarbak van Europa moet worden en drongen bij de politie aan op een verbod van de herdenking. De Hongaarse politie heeft daarvoor niet zo heel veel middelen, juist vanwege het belang van de vrijheid van meningsuiting, maar ze verwees de demonstratieaanvraag toch naar de prullenbak, met als argument dat die het verkeer zou hinderen. Er werden in het totaal dertien of veertien verschillende aanvragen ingediend, door allerlei personen en organisaties, maar stuk voor stuk werden ze met hetzelfde argument afgewezen.
Er werd uiteraard wel rekening mee gehouden dat de neonazi's alsnog zouden proberen om een illegale bijeenkomst te houden. Als dat zou gebeuren, zou de politie hard optreden, werd vooraf al gezegd. Maar dat bleek uiteindelijk niet nodig, want geen skinhead deed een poging Hess alsnog in het openbaar te herdenken. Wat wel door zou gaan, kondigen de extrmeisten op diverse websites aan, was het concert dat ze 's avonds gepland hadden. Waar dat plaats zou vinden, hielden ze geheim.
Een dagje naar het platteland leek de beste garantie om gegarandeerd niet in politiecharges of traangaswolken terecht te komen. Wie schetst dus onze verbazing, toen zich rond het middaguur een stuk of tien politiewagens en een ambulance op een landweggetje vlak bij ons huis verzamelden. Het leek een beetje een scène uit een film en mijn eerste gedachte was dat er bij de buren een ernstig misdrijf was gepleegd. Maar de agenten die uit de auto's kwamen, droegen het soort laarzen dan bij skinheads, militairen en mobiele eenheid geliefd is en dat je niet direct met een moordonderzoek associeert.
Elders in het dorp stonden politiewagens. Het wemelde van de agenten in de anders zo rustige gemeente. Ook buiten het dorp bleken politieagenten te staan, die iedere auto die naar het dorp toereed, aanhielden en controleerden.
Het kwartje viel. Een aantal jaren geleden heeft een leider van de Hongaarse tak van de internationale neonaziorganisatie Bloed en Eer een gebouw van de voormalige landbouwcoöperatie gekocht, waar af en toe bijeenkomsten worden gehouden. Een perfecte plek voor een concert.
Overal op straat volgenden mensen de gebeurtenissen, die overigens niet erg spannend waren. De agenten hielden zich vooral onledig met eindeloos ouwehoeren en met langdurige telefoongesprekken via hun mobieltjes. Ze waren duidelijk aan het wachten.
Volgens de buurvrouw waren de agenten gestuurd, omdat skinheads een dag eerder in een ander dorp mensen hadden lastiggevallen. Ze was er behoorlijk ongelukkig over dat zulke mensen in haar dorp rondliepen. Waarom mocht zo'n gebouw eigenlijk aan dat soort volk worden verkocht. In het verleden hadden ze ook al eens voor overlast gezorgd met luidruchtige bijeenkomsten. Dat zou toch verboden moeten worden?
De agenten bleken inderdaad in het dorp te zijn vanwege de neonazi's, die er 's avond hun herdenkingsconcert wilden houden. Traangas en politiecharges heb ik overigens niet gezien. De aanwezigheid van een paar honderd agenten was genoeg om de skinheads ver te houden. Uiteindelijk zijn op de sterfdag van Rudolf Hess alleen enkele honderden antifascisten in Budapest bij elkaar gekomen.
Dit jaar liep het anders. Afgelopen mei konden aanhangers van de Hongaarse Garde nog demonstreren tegen de 'Holocaustleugen', maar afgelopen week waarschuwden diverse Hongaarse politici, waaronder - voor het eerst - president Sólyom, voor het eerst dat Hongarije niet de neonazi-vergaarbak van Europa moet worden en drongen bij de politie aan op een verbod van de herdenking. De Hongaarse politie heeft daarvoor niet zo heel veel middelen, juist vanwege het belang van de vrijheid van meningsuiting, maar ze verwees de demonstratieaanvraag toch naar de prullenbak, met als argument dat die het verkeer zou hinderen. Er werden in het totaal dertien of veertien verschillende aanvragen ingediend, door allerlei personen en organisaties, maar stuk voor stuk werden ze met hetzelfde argument afgewezen.
Er werd uiteraard wel rekening mee gehouden dat de neonazi's alsnog zouden proberen om een illegale bijeenkomst te houden. Als dat zou gebeuren, zou de politie hard optreden, werd vooraf al gezegd. Maar dat bleek uiteindelijk niet nodig, want geen skinhead deed een poging Hess alsnog in het openbaar te herdenken. Wat wel door zou gaan, kondigen de extrmeisten op diverse websites aan, was het concert dat ze 's avonds gepland hadden. Waar dat plaats zou vinden, hielden ze geheim.
Een dagje naar het platteland leek de beste garantie om gegarandeerd niet in politiecharges of traangaswolken terecht te komen. Wie schetst dus onze verbazing, toen zich rond het middaguur een stuk of tien politiewagens en een ambulance op een landweggetje vlak bij ons huis verzamelden. Het leek een beetje een scène uit een film en mijn eerste gedachte was dat er bij de buren een ernstig misdrijf was gepleegd. Maar de agenten die uit de auto's kwamen, droegen het soort laarzen dan bij skinheads, militairen en mobiele eenheid geliefd is en dat je niet direct met een moordonderzoek associeert.
Elders in het dorp stonden politiewagens. Het wemelde van de agenten in de anders zo rustige gemeente. Ook buiten het dorp bleken politieagenten te staan, die iedere auto die naar het dorp toereed, aanhielden en controleerden.
Het kwartje viel. Een aantal jaren geleden heeft een leider van de Hongaarse tak van de internationale neonaziorganisatie Bloed en Eer een gebouw van de voormalige landbouwcoöperatie gekocht, waar af en toe bijeenkomsten worden gehouden. Een perfecte plek voor een concert.
Overal op straat volgenden mensen de gebeurtenissen, die overigens niet erg spannend waren. De agenten hielden zich vooral onledig met eindeloos ouwehoeren en met langdurige telefoongesprekken via hun mobieltjes. Ze waren duidelijk aan het wachten.
Volgens de buurvrouw waren de agenten gestuurd, omdat skinheads een dag eerder in een ander dorp mensen hadden lastiggevallen. Ze was er behoorlijk ongelukkig over dat zulke mensen in haar dorp rondliepen. Waarom mocht zo'n gebouw eigenlijk aan dat soort volk worden verkocht. In het verleden hadden ze ook al eens voor overlast gezorgd met luidruchtige bijeenkomsten. Dat zou toch verboden moeten worden?
De agenten bleken inderdaad in het dorp te zijn vanwege de neonazi's, die er 's avond hun herdenkingsconcert wilden houden. Traangas en politiecharges heb ik overigens niet gezien. De aanwezigheid van een paar honderd agenten was genoeg om de skinheads ver te houden. Uiteindelijk zijn op de sterfdag van Rudolf Hess alleen enkele honderden antifascisten in Budapest bij elkaar gekomen.
maandag 27 juli 2009
WEG KWIJT
Bij het kerkje van Mogyórod stopt een dubbellange stadsbus met Hungaroring-bezoekers. Als de chauffeur de deuren opent, gaat een luid gejuich en geklap op. "We hebben er anderhalf uur over gedaan. We waren verdwaald," zegt een man die vermoeid en bezweet min of meer uit de bus tuimelt. Verdwaald? In een stadsbus?
Even later komt de chauffeur de bus uit. Verdwaald, inderdaad, bevestigt hij. Het was de erste keer dat hij de route, een speciale dienst tussen de Arpádbrug en Mogyórod die alleen in tijden van Grand Prix wedstrijden bestaat, reed. "Ze hadden gezegd dat er overal bordjes stonden. Nou, mooi niet, natuurlijk" verzucht hij. Gelukkig was er een passagier in de bus geweest met een GPS, die hem de weg kon wijzen, grinnikt hij wat schaapachtig.
De organisatoren van het evenement zijn er groot voorstander van dat zoveel mogelijk bezoekers met het openbaar vervoer komen. Dat scheelt files in het dorp, dat niet echt berekend is op zulke massa's bezoekers. Er is zelfs een speciale halte Hungaroring van de voorstadstrein, de HÉV, die alleen bij dit soort gelegenheden open is. Alleen jammer dat informatie over die halte in de HÉV zelf vrijwel ontbreekt, wat vooral lastig is voor reizigers die niet uit Boedapest, maar van de andere kant komen.
Maar met Hongaars improvisatievermogen is daar een oplossing voor gevonden: voor passagiers die de halte Mogyórod uitstappen, staat een bus klaar om hen naar het parcours te brengen. Die werkt prima, maar zou volslagen overbodig zijn als er iets meer tijd in goede organisatie was gestopt.
Improviseren, daar zijn Hongaren sterren in. Beter dan in organiseren. Bij grootscheepse evenementen vraag je je tot het laatste moment af hoe het ooit goed moet komen. En als het dan echt mis dreigt te gaan, wordt alle creativiteit uit de kast getrokken om alle problemen toch nog recht te trekken. Als je er op ingesteld bent, heeft het zijn voordelen, want je hoeft je pas druk te maken op het allerlaatste moment. Want als de bordjes ontbreken, en je de route niet van tevoren hebt gereden om hem even te kennen, is er gelukkig wel een passagier met een GPS in de bus.
Even later komt de chauffeur de bus uit. Verdwaald, inderdaad, bevestigt hij. Het was de erste keer dat hij de route, een speciale dienst tussen de Arpádbrug en Mogyórod die alleen in tijden van Grand Prix wedstrijden bestaat, reed. "Ze hadden gezegd dat er overal bordjes stonden. Nou, mooi niet, natuurlijk" verzucht hij. Gelukkig was er een passagier in de bus geweest met een GPS, die hem de weg kon wijzen, grinnikt hij wat schaapachtig.
De organisatoren van het evenement zijn er groot voorstander van dat zoveel mogelijk bezoekers met het openbaar vervoer komen. Dat scheelt files in het dorp, dat niet echt berekend is op zulke massa's bezoekers. Er is zelfs een speciale halte Hungaroring van de voorstadstrein, de HÉV, die alleen bij dit soort gelegenheden open is. Alleen jammer dat informatie over die halte in de HÉV zelf vrijwel ontbreekt, wat vooral lastig is voor reizigers die niet uit Boedapest, maar van de andere kant komen.
Maar met Hongaars improvisatievermogen is daar een oplossing voor gevonden: voor passagiers die de halte Mogyórod uitstappen, staat een bus klaar om hen naar het parcours te brengen. Die werkt prima, maar zou volslagen overbodig zijn als er iets meer tijd in goede organisatie was gestopt.
Improviseren, daar zijn Hongaren sterren in. Beter dan in organiseren. Bij grootscheepse evenementen vraag je je tot het laatste moment af hoe het ooit goed moet komen. En als het dan echt mis dreigt te gaan, wordt alle creativiteit uit de kast getrokken om alle problemen toch nog recht te trekken. Als je er op ingesteld bent, heeft het zijn voordelen, want je hoeft je pas druk te maken op het allerlaatste moment. Want als de bordjes ontbreken, en je de route niet van tevoren hebt gereden om hem even te kennen, is er gelukkig wel een passagier met een GPS in de bus.
vrijdag 17 juli 2009
KLEDINGVOORSCHRIFT
Het is zo heet dat buiten de mussen van het dak vallen, maar dat schijnt voor tal van Hongaarse bedrijven geen aanleiding te zijn om hun kledingvoorschriften te versoepelen. Ik kan me herinneren dat begin jaren negentig heel Hongarije in trainingspak rondliep, maar die tijden zijn veranderd. Veel bedrijven hebben een expliciet instructieboek met kledingvoorschriften.
Voor mannen zijn ze voorspelbaar: zonder pak, lange mouwen en stropdas hoeven ze niet op kantoor te verschijnen, ook niet als het buiten haast veertig graden is. Voor vrouwen zijn de voorschriften vaak net zo streng:

nette rok tot over de knieën, dichte schoenen, nylon kousen, blouse met bedekte schouders (in sommige gevallen zelfs lange mouwen). Minirokken, diep decolleté, blote schouders, buiken en ruggen, de zomerdracht van een groot deel van de jonge meisjes, zijn imeestal taboe.
Sommige bedrijven, vooral banken, gaan nog verder. Die verplichten hun vrouwelijke personeel om zich op te maken en hun nagels te manicuren en te lakken en schrijven voor dat mannen leren horlogebandjes moeten dragen. En die regels gelden niet alleen voor baliepersoneel, maar ook voor mensen die nooit met klanten in aanraking komen.
Aan de andere kant zijn er ook bedrijven, met name kledingwinkels, die hun personeel juist verplichten sexy mogelijk uit te zien. Niet dat dat echt slim is, zoals de Hongaarse modeontwerpster Kati Zoob ooit opmerkte. Zij neemt in haar eigen winkel juist doorsneevrouwen aan die zich bovendien onopvallend moeten kleden. Tenzij ze zelf oogverblindend zijn, raken vrouwelijke klanten namelijk vooral gefrustreerd als ze moeten concurreren met een bloedmooi jong meisje achter de kassa. Zelfs in dat leuke nieuwe bloesje word je nog niet zo mooi als zij en dat komt de kooplust niet ten goede.
Hongaars personeel is dus gewend aan kledingvoorschriften, maar een Fidesz-gemeenteraadslid in Budapest ging ooit te ver toen hij een kledingcode voor vrouwelijke ambtenaren wilde voorschrijven. Daarin moest wat hem betreft komen te staan dat alleen vrouwen met perfecte benen een rok boven de knie mochten dragen. En blouzen en truitjes moesten bij voorkeur wat langer zijn ,,want maar weinig vrouwen hebben een buik die het verdient getoond te worden.'' Het voorstel heeft het niet gehaald.
woensdag 8 juli 2009
PARKONDERHOUD
De ochtendstilte, en mijn slaap, wordt om kwart over zeven ruw verstoord door het geluid van een gemotoriseerde snoeischaar. Voor de firma Remondis, in Vác verantwoordelijk voor vuilnis ophalen, parkonderhoud en dat soort zaken, is de ochtend begonnen en dezer dagen houdt het bedrijf zich onledig met het snoeien van de heggen in de laan voor ons huis.
Kwart over zeven is vroeg, maar waar klaag ik over? Ze hebben ons in het verleden wel eens vroeger weten te verrassen. We hebben ook al snoeiwerkzaamheden om zes uur 's ochtends meegemaakt en twee maanden geleden tuften Remondis-medewerkers luid ronkend op een grote straatstofzuiger met schrapende borstels over de stoep. Om vier uur 's ochtends, wel te verstaan.
Omdat dat toch echt wat te gek was, schreven we de firma een brief, met een afschrift naar de gemeente. Na een paar weken kregen we antwoord van Remondis, dat simpelweg schreef dat ze de werkzaamheden in opdracht van de gemeente verrichtten en er dus niets aan konden doen. Al was dat antwoord niet echt wat we ervan gehoopt hadden, toch lijkt onze klacht geholpen te hebben, want sindsdien beginnen ze nooit meer voor zevenen, wat voor Hongaarse begrippen een hele schappelijke tijd is.
Eerlijk is eerlijk, er is over de firma Remondis ook heel wat goeds te zeggen. Het park voor onze deur wordt over het algemeen prima onderhouden. Regelmatig trekken er schoonmaakploegen door om gestolen prullenbakken te vervangen of om rondslingerende bierblikjes, plastic flessen, glasscherven en babyluiers te verwijderen, want een deel van de gebruikers sgeeft helaas minder om een schoon park dan de gemeente.
De grasvelden zijn meestal netjes gemaaid, de rozenperken gewied en de bloemperken worden regelmatig van nieuwe plantjes voorzien. Toen hele park onlangs door de overstomende Donau met een dikke sliblaag was bedekt, waren er zelfs in het weekend mensen in de weer om de paden schoon te maken. Ook andere delen van Vác, zoals het hoofdplein, zien er dankzij het werk van Remondis altijd schoon en vriendelijk uit.
De werknemers van Remondis schijnen sowieso nooit te beroerd om te werken. Behalve om vier uur 's ochtends en op weekenden na een overstroming verschenen ze tot onze stomme verbazing afgelopen jaar ook op Tweede Kerstdag en Nieuwjaarsdag om het huisvuil op te halen. Om zeven uur 's ochtends, uiteraard. En dat is voor het Remondis-personeel al heel erg laat.
Kwart over zeven is vroeg, maar waar klaag ik over? Ze hebben ons in het verleden wel eens vroeger weten te verrassen. We hebben ook al snoeiwerkzaamheden om zes uur 's ochtends meegemaakt en twee maanden geleden tuften Remondis-medewerkers luid ronkend op een grote straatstofzuiger met schrapende borstels over de stoep. Om vier uur 's ochtends, wel te verstaan.
Omdat dat toch echt wat te gek was, schreven we de firma een brief, met een afschrift naar de gemeente. Na een paar weken kregen we antwoord van Remondis, dat simpelweg schreef dat ze de werkzaamheden in opdracht van de gemeente verrichtten en er dus niets aan konden doen. Al was dat antwoord niet echt wat we ervan gehoopt hadden, toch lijkt onze klacht geholpen te hebben, want sindsdien beginnen ze nooit meer voor zevenen, wat voor Hongaarse begrippen een hele schappelijke tijd is.
Eerlijk is eerlijk, er is over de firma Remondis ook heel wat goeds te zeggen. Het park voor onze deur wordt over het algemeen prima onderhouden. Regelmatig trekken er schoonmaakploegen door om gestolen prullenbakken te vervangen of om rondslingerende bierblikjes, plastic flessen, glasscherven en babyluiers te verwijderen, want een deel van de gebruikers sgeeft helaas minder om een schoon park dan de gemeente.De grasvelden zijn meestal netjes gemaaid, de rozenperken gewied en de bloemperken worden regelmatig van nieuwe plantjes voorzien. Toen hele park onlangs door de overstomende Donau met een dikke sliblaag was bedekt, waren er zelfs in het weekend mensen in de weer om de paden schoon te maken. Ook andere delen van Vác, zoals het hoofdplein, zien er dankzij het werk van Remondis altijd schoon en vriendelijk uit.
De werknemers van Remondis schijnen sowieso nooit te beroerd om te werken. Behalve om vier uur 's ochtends en op weekenden na een overstroming verschenen ze tot onze stomme verbazing afgelopen jaar ook op Tweede Kerstdag en Nieuwjaarsdag om het huisvuil op te halen. Om zeven uur 's ochtends, uiteraard. En dat is voor het Remondis-personeel al heel erg laat.
zaterdag 4 juli 2009
ZIGEUNERMUZIEK
Zigeunerstrijkjes. Samen met paardenshows en meisjes in kleurige klederdracht zijn ze de molens, klompen en tulpen van Hongarije. Maar het traditionele zigeunerstrijkje met violen en cimbaal, dat melancholische Hongaarse tonen aan de restauranttafel komt spelen, dreigt te verdwijnen. Restaurants hebben er geen geld meer voor. En een nieuwe generatie musici geeft de voorkeur aan authentieke Romamuziek, jazz of hiphop.
Musici behoren tot de elite van de Hongaarse Roma. Veel families spelen al generaties lang op bruiloften en partijen of in restaurants. Componist Franz Liszt, zelf Hongaar, noemde de orkestjes ooit ,,een wezenlijk onderdeel van onze cultuur.” Onder het communisme waren restaurants staatseigendom en kregen een budget om zigeunermusici in te huren. Maar die staatsteun is weg en toeristen vinden de orkestjes vaak oubollig.
,,De muziek van restaurantorkestjes heeft weinig met zigeunermuziek te maken, behalve dat hij door zigeuners wordt gespeeld. Het is eigenlijk een mengsel van Hongaarse volksmuziek en oude internationale tophits dat tegenwoordig weinig populair is,” zegt Gusztáv Varga. Hij is oprichter van Kalyi Jag, een Roma groep die wereldbekendheid kreeg met een totaal ander muzikaal geluid, en van de gelijknamige Kalyi Jag School, een middelbare school voor vooral Romajongeren met veel nadruk op kunst.
Varga, zanger, gitarist en componist, stamt uit een oude muziekdynastie. Als jongen flirtte hij kort met de popmuziek, maar een kroegincident deed hem anders besluiten. ,,Thuis hadden we een heel repertoire aan overgeleverde echte Romamuziek en op goed moment zong mijn vader in een café een Romani lied. De kroegbaas verstond de tekst niet en wilde daarom dat hij stopte. Ik maakte een vertaling en de man bleek verbijsterd dat zigeuners zulke prachtige eigen muziek hadden. Toen dacht ik: daar moet ik iets mee doen.”
Dat werd Kalyi Jag, een muziekgroep die oude Romani melodieën nieuw leven inblies, aangevuld met Varga’s eigen composities en met motieven uit de Balkan, Rusland en andere gebieden waar Roma leven. Het leverde een geluid op dat eerder aan India of het Midden-Oosten doet denken dan aan Centraal-Europa en dat navolging kreeg van jonge, succesvolle groepen als Mitsoura en Ando Drom.
,,Het was het hetzelfde moment waarop Roma in Catalonië de flamencojazz ontwikkelden. In Moldavië kwam rond die tijd ook een vernieuwingsbeweging op gang,” zegt Varga. Maar de traditionele Hongaarse zigeunerorkestjes moesten niets hebben van al die nieuwigheden en thuis kreeg Kalyi Jag eerst geen poot aan de grond.
Internationaal brak de groep echter al bij het eerste album door. Er werden twee miljoen exemplaren van verkocht en de restaurantstrijkjes kregen van toeristen plotseling zo vaak de vraag om iets te spelen ,,zoals Kalyi Jag’’ dat ze uiteindelijk bij Varga aanklopten om bijles.
Intussen kiezen nog maar weinig jonge musici voor een traditionele opleiding tot primás, eerste violist. ,,De instrumenten, violen en cimbalen, zijn duur, de toekomstperspectieven zijn te onzeker en de smaak van de jongeren is inmiddels een totaal andere,’’ zegt Varga, die zelf zijn eerste gitaar bouwde. ,,Maar dat betekent niet dat die jongeren geen muziek meer maken. Dat stopt niet. Muziek zit diep in onze cultuur, die komt niet uit ons hoofd, maar uit ons hart.”
Musici behoren tot de elite van de Hongaarse Roma. Veel families spelen al generaties lang op bruiloften en partijen of in restaurants. Componist Franz Liszt, zelf Hongaar, noemde de orkestjes ooit ,,een wezenlijk onderdeel van onze cultuur.” Onder het communisme waren restaurants staatseigendom en kregen een budget om zigeunermusici in te huren. Maar die staatsteun is weg en toeristen vinden de orkestjes vaak oubollig.
,,De muziek van restaurantorkestjes heeft weinig met zigeunermuziek te maken, behalve dat hij door zigeuners wordt gespeeld. Het is eigenlijk een mengsel van Hongaarse volksmuziek en oude internationale tophits dat tegenwoordig weinig populair is,” zegt Gusztáv Varga. Hij is oprichter van Kalyi Jag, een Roma groep die wereldbekendheid kreeg met een totaal ander muzikaal geluid, en van de gelijknamige Kalyi Jag School, een middelbare school voor vooral Romajongeren met veel nadruk op kunst.
Varga, zanger, gitarist en componist, stamt uit een oude muziekdynastie. Als jongen flirtte hij kort met de popmuziek, maar een kroegincident deed hem anders besluiten. ,,Thuis hadden we een heel repertoire aan overgeleverde echte Romamuziek en op goed moment zong mijn vader in een café een Romani lied. De kroegbaas verstond de tekst niet en wilde daarom dat hij stopte. Ik maakte een vertaling en de man bleek verbijsterd dat zigeuners zulke prachtige eigen muziek hadden. Toen dacht ik: daar moet ik iets mee doen.”
Dat werd Kalyi Jag, een muziekgroep die oude Romani melodieën nieuw leven inblies, aangevuld met Varga’s eigen composities en met motieven uit de Balkan, Rusland en andere gebieden waar Roma leven. Het leverde een geluid op dat eerder aan India of het Midden-Oosten doet denken dan aan Centraal-Europa en dat navolging kreeg van jonge, succesvolle groepen als Mitsoura en Ando Drom.
,,Het was het hetzelfde moment waarop Roma in Catalonië de flamencojazz ontwikkelden. In Moldavië kwam rond die tijd ook een vernieuwingsbeweging op gang,” zegt Varga. Maar de traditionele Hongaarse zigeunerorkestjes moesten niets hebben van al die nieuwigheden en thuis kreeg Kalyi Jag eerst geen poot aan de grond.
Internationaal brak de groep echter al bij het eerste album door. Er werden twee miljoen exemplaren van verkocht en de restaurantstrijkjes kregen van toeristen plotseling zo vaak de vraag om iets te spelen ,,zoals Kalyi Jag’’ dat ze uiteindelijk bij Varga aanklopten om bijles.
Intussen kiezen nog maar weinig jonge musici voor een traditionele opleiding tot primás, eerste violist. ,,De instrumenten, violen en cimbalen, zijn duur, de toekomstperspectieven zijn te onzeker en de smaak van de jongeren is inmiddels een totaal andere,’’ zegt Varga, die zelf zijn eerste gitaar bouwde. ,,Maar dat betekent niet dat die jongeren geen muziek meer maken. Dat stopt niet. Muziek zit diep in onze cultuur, die komt niet uit ons hoofd, maar uit ons hart.”
Abonneren op:
Posts (Atom)