donderdag 31 augustus 2017

Rust, ruimte, geen files en geen vluchtelingen

Foto Runa Hellinga
Rust en ruimte
Eigenlijk zochten Jacqueline en Jeroen Bastiaensen een vakantiehuis toen ze vijf jaar geleden een afgelegen boerderij in de buurt van het Hongaarse Csemö kochten. Maar de ruimte, de warme zomers en de rust lokten, net als de gedachte aan een leven zonder Nederlandse regelgeving, hoge inkomstenbelasting, files of wegenbelasting. En, al was dat niet het belangrijkste, het feit dat er in Hongarije eigenlijk geen moslims leven. "Ik vind dat premier Orbán het goed doet," zegt Jacqueline, "Ik voel me  in Boedapest een stuk veiliger dan in Amsterdam. Ik denk ook niet dat we hier bang hoeven te zijn voor een aanslag."
Asielzoekers uit het Midden-Oosten zijn niet welkom, maar begin februari zei premier Viktor Orbán dat zijn land graag echte vluchtelingen wil opnemen: "Duitsers, Nederlanders, Fransen en Italianen, bange politici en journalisten die in Hongarije het Europa zoeken dat ze thuis verloren zijn."
De premier verwees naar een nieuwe trend: de groeiende populariteit van Hongarije onder West-Europeanen op zoek naar een plek om nu of later te gaan wonen. Onze zuiderburen hebben er zelfs al een term voor: de vluchtende Vlaming. De een wordt gelokt door de rust en het klimaat, de ander door het belastingstelsel dat voor AOW'ers en arbeidsongeschikten zeer gunstig uitpakt: pensioen en uitkering zijn namelijk belastingvrij. Verder zijn de huizen spotgoedkoop.
Maar angst voor vluchtelingen en de islam is voor velen een bijkomende reden om juist voor Hongarije te kiezen. Jacqueline is blij met het grenshek dat Orbán liet bouwen. "Hij stelt het belang van Hongaren voorop. Dat vind ik prima, en ik hoor van anderen hetzelfde." Huizenbemiddelaars hebben dezelfde ervaring. De Duitse makelaar Ottmar Heide, die huizen rond het Balatonmeer verkoopt, vertelde vorig jaar tegenover de Beierse televisie dat acht van de tien mensen die hem om informatie bellen, expliciet het Duitse vluchtelingenbeleid als reden noemen.
Inmiddels hebben in een straal van 25 kilometer rond Csemö zo'n 300 Nederlanders en Vlamingen een boerderij gekocht. De Bastiaensen hebben er hun levensonderhoud van gemaakt: ze houden bij leegstaande vakantiehuizen een oogje in het zeil. Maar ze zien ook een groeiend aantal mensen dat zich definitief vestigt. "Al onze buren zijn Nederlanders die hier wonen. Mensen trekken naar elkaar toe, ja. Het is niet dat we dagelijks bij elkaar op de koffie gaan, maar het is toch prettig om landgenoten in de buurt te hebben," zegt Jacqueline. Al was het maar om de taal: net als de meeste Nederlandse, Belgische en Duitse immigranten spreken de Bastiaensen zeer gebrekkig Hongaars. "Zoals een Turk Nederlands. Het is een moeilijke taal," verzucht ze.
Gewone, bezorgde burgers zijn niet de enigen die in Hongarije een toevluchtsoord zien. Volgens politiek analist Péter Krekó trekt Orbáns beleid een groeiend aantal buitenlandse rechtsextremisten. Die moeten overigens geen al te hoge verwachtingen hebben als het om het opnemen van politieke vluchtelingen uit West-Europa gaat.
Dat ondervond de 81-jarige Duitser Horst Mahler, die in mei politiek asiel aanvroeg. Mahler, ooit bekend als advocaat van de links-extremistische Rote Armee Fraction, veranderde in de jaren tachtig in een extreemrechtse Holocaust-ontkenner en werd om die reden in Duitsland tot tien jaar veroordeeld. In 2015 kwam hij om gezondsredenen tijdelijk vrij, maar toen hij dit voorjaar de rest van zijn straf moest uitzitten, vluchtte hij naar Hongarije. Dat leverde hem luttele weken later weer aan Duitsland uit.
Ook twee Britse rechtsextremisten bleken dit voorjaar niet langer welkom. Jim Dowson en Nick Griffin,  ex-leden van de British National Party met paramilitaire contacten en een strafblad, waren sinds 2013 in Hongarije actief, onder meer met de verkoop van onroerend goed . Ze richtten precies op die doelgroep die Orbán graag ziet komen: conservatieve, katholieke blanken die zich zorgen maken over de toenemende islamitisering in West-Europa. Maar in mei werd Dowson tegengehouden op het vliegveld en kreeg Griffin te horen dat hij het land uit moest. Volgens de Hongaarse antiterrorisme-eenheid TEK vormden ze namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid.

Dit verhaal verscheen eerder in het dagblad Trouw


vrijdag 25 augustus 2017

Nikabverbod in Oostenrijk maakt niet iedereen blij

foto Runa Hellinga
Saoedi-Arabische toeristen in Zell am See
Langs de boulevard van Zell am See slentert een jong stel. Zij stopt af en toe om een foto te nemen van haar man die in korte broek voor het bergmeer poseert. Gewoon, twee toeristen in Oostenrijk. Ze vallen op omdat zij van top tot teen in vormeloos zwart is gehuld. De nikab laat slechts haar ogen vrij. Niemand in Zell kijkt ervan op, maar eigenlijk is ze in overtreding. Nikabs en andere vormen van gezichtsbedekking zijn sinds kort in Oostenrijk verboden. Vanaf 1 oktober volgt een boete van 150 euro, voor burgers, maar ook voor toeristen.
Het verbod maakt onderdeel uit van een nieuw integratiepakket. De bevoegd minister, Sebastian Kurz, heeft het 'integratie door prestatie' gedoopt. Dat behelst onder meer Duitse les, verplicht gemeenschapswerk en een verbod op verspreiding van salafistische geschriften. Er was al een verbod op buitenlandse financiering van islamitische verenigingen. Onomstreden is het nikabverbod niet. De Groenen zijn tegen, maar ook de conferentie van bisschoppen bekritiseerde het als overdreven.
Twaalf jaar geleden kwam Zell am See op het idee om op de Arabische toeristenmarkt te adverteren. Sindsdien zijn vrouwen met nikabs niet meer weg te denken uit het straatbeeld. Vooral 's zomers, als het in de woestijn over de vijftig graden wordt, is het 10.000 inwoners tellende stadje er populair. Het groene landschap, de koele berglucht, sneeuw op de hogere hellingen en een forse regenkans maken Zell ideaal voor een Arabische zomervakantie.
Met rond de 300.000 overnachtingen zijn Arabische gasten uit het Midden-Oosten goed voor 15 procent van het toerisme in Zell. Daarmee staat het in Oostenrijk op eenzame hoogte, want in totaal heeft het land jaarlijks 530.000 overnachtingen uit de Arabische wereld.
Ze nemen de skilift, maken een boottochtje of eten een ijsje. Of ze gaan winkelen; Arabische toeristen spenderen pakweg vier keer zoveel als de gemiddelde Nederlandse of Duitse bezoeker.
De twee op de boulevard spreken geen woord Engels, maar als het jonge stel parfumerie Marienaud binnenloopt, wijst de vrouw gedecideerd aan wat ze wil. Al gauw laadt de verkoopster het ene flesje na het andere potje in een papieren tas. De kassabon is uiteindelijk pakweg een halve meter lang.
Geen wonder dat ze in Zell niet juichen over het verbod je gezicht te bedekken, al reageren velen in de lokale toeristenindustrie voorzichtig als hun mening wordt gevraagd. "We laten ons niet over politiek uit. Over de gevolgen kun je pas iets zeggen aan het einde van het seizoen", zegt Sandra Zorn van het lokale toeristenbureau. Bij supermarkt Aydin, boordevol Arabische levensmiddelen, wil de Turkse verkoopster niet meer kwijt dan dat ze het verbod een slecht idee vindt.
Alleen burgemeester Peter Padourek vreest openlijk dat Arabische gasten zullen wegblijven. Er zijn genoeg bestemmingen waar ze welkom zijn, meende hij in mei toen hij de regering vroeg om ten minste te zorgen voor een voorlichtingscampagne, zodat Arabische toeristen niet denken dat Zell het allemaal zelf heeft bedacht.
Amal al-Ali, haar man Isa en hun kinderen ontvluchten iedere schoolvakantie het stikhete Dubai en reizen dan door Europa. Ze komen net uit Praag en gaan nog naar Zwitserland. Van het verbod hadden ze nog niet gehoord, maar hoewel Amal zelf ongesluierd is, vindt ze het idioot. "Dat moet iedereen toch zelf weten. Wij vragen toeristen in Dubai toch ook niet om juist wel een nikab te dragen", meent ze. Haar man verwacht dat het bezoekers afschrikt. "Wie aan de nikab hecht, heeft zoveel andere plaatsen om heen te gaan."
Maar Barbara Scheider, eigenaresse van het botenverhuurbedrijf aan het meer, is een uitgesproken voorstander. "Hoofddoeken en lange jurken, prima, maar in Europa kijken we elkaar in het gezicht. Mij laten ze daar ook niet toe als ik zo kom", zegt ze, wijzend op haar shorts. Ze is niet bang voor klantenverlies: "Zwitserland heeft al een verbod, en sommige vrouwen zijn daar blijkbaar juist heel blij mee, want het geeft hen een goed argument om zonder gezichtsbedekking te lopen". Die bewering doen meer mensen in Zell, al is er in de praktijk maar een Zwitsers kanton dat echt zo'n verbod kent.
De Saudische ambassade raadt toeristen aan zich aan de nieuwe wet te houden. Maar wat er gebeurt als vrouwen na 1 oktober toch hun gezicht blijven verbergen, is de vraag. Of de politie dan daadwerkelijk gaat beboeten, weet ook burgemeester Padourek nog niet. Agenten die het willen proberen, hebben in ieder geval een taalprobleem. "De meeste klanten spreken hooguit genoeg Engels om een boot te huren", zegt Scheider.

dinsdag 1 augustus 2017

Het gevaar van een koe

Foto Runa Hellinga
Loslopende koeien zijn niet zonder gevaar
Iedereen die in de bergen wandelt, kent het probleem: een weide vol koeien, en de vraag of je daar eigenlijk wel veilig langs kunt wandelen. Het antwoord van de voorlichtingsfilm 'Een alpenwei is geen kinderboerderij' die de Tiroolse Kamer van Koophandel, de Oostenrijkse Alpenvereniging en nog een aantal organisaties vorige week met haastige spoed maakten, is 'ja, als je je aan deze veiligheidsregels houdt'.
Aanleiding voor de video was het grote aantal 'koeienaanvallen' deze zomer. De cijfers liegen er niet om. Een alpenweide is inderdaad geen kinderboerderij. Sinds begin juni raakten in Oostenrijk al acht mensen gewond en kwam een vrouw om door deze, zoals de voorlichtingsvideo herhaaldelijk benadrukt, in principe vreedzame dieren.
De laatste slachtoffers afgelopen donderdag waren een moeder met haar anderhalf jaar oude dochtertje dat in een draagrugzak op haar rug zat. Samen met de vader en een ander kind liepen ze langs een koe met een pasgeboren kalf. Moeder koe vond hen duidelijk een bedreiging. De schade was deze keer gelukkig niet zo heel groot, moeder en peuter werden onder de voet gelopen, maar kwamen er met schaafwonden en blauwe plekken vanaf. Afgelopen zondag waren vijf andere toeristen met een hond aanzienlijk minder gelukkig. Twee van hen raakten zwaar gewond bij een koeienaanval. Ook maandag raakte een wandelaar gewond.
Koeienaanvallen zijn in Oostenrijk, maar ook elders waar koeien en mensen elkaar in de wei ontmoeten, een jaarlijks terugkerend probleem, vooral in de kalvertijd. In Groot-Britannië, waar een eeuwenoud stelsel van vrij toegankelijke paden wandelaars vaak door weides leidt, werd de koe in 2015 officieel tot dodelijkste dier uitgeroepen. Binnen vijftien jaar kwamen er op de Britse eilanden 74 mensen om als gevolg van een aanval van boze stier of moederdieren. Ter vergelijking: in datzelfde Engeland zorgden agressieve honden in acht jaar tijd voor 17 dodelijke ongelukken.
De adviezen uit de Oostenrijkse video op een rijtje: probeer liefst helemaal te vermijden dat je door een wei met koeien moet, maar als het niet anders kan sluit dan netjes de eventuele hekken en volg de kortste roude, meestal het aangegeven wandelpad. Mocht daar een koe staan, loop er met een respectvolle boog (minstens 20 meter, liefst meer) omheen, en ga geen gekke gebaren of geluiden maken om het dier te verjagen, dat werkt alleen maar averechts. Denk eraan dat een boze koe 750 kilo boos beest met hoeven en hoorns is. Blijf uit de buurt van koeien met kalveren en probeer vooral niet om zo'n schattig kalf te aaien. Mocht een koe toch aanvallen, geef dan met een stok gerichte tik op de neus.
Een speciale waarschuwingen geldt voor mensen met honden. Koeien zien namelijk weinig verschil tussen hond en wolf. Eigenlijk is het advies: ga met een hond niet tussen de koeien wandelen. Hou hem in ieder geval aangelijnd en zorg zo mogelijk dat hij zo onzichtbaar mogelijk midden in het gezelschap loopt. Mochten moederkoeien zich toch geroepen voelen hun kalf toch tegen deze wolf te beschermen, probeer de hond niet te verdedigen, maar laat hem los. Hij is ongetwijfeld aanzienlijk sneller weg dan zijn baasjes.




maandag 1 mei 2017

Soros, volksvijand nummer één


George Soros, foto Harald Dettenborn
Een steenrijke joodse zakenmagnaat die in pakweg 100 landen organisaties ondersteunt die zich inzetten voor mensenrechten en democratie: voor degenen die geloven in geheime linkse complotten om de wereld te overheersen, is de in Hongarije geboren Amerikaanse miljardair George Soros een voor de hand liggende boeman. Donald Trump haat hem, Vladimir Putin haat hem en zoals de laatste weken weer eens overduidelijk werd, Viktor Orbán, premier van het land waar Soros 86 jaar geleden als György Schwarz ter wereld kwam, haat hem.
De man die sinds midden jaren tachtig als filantroop vele miljarden heeft uitgegeven om de anticommunistische oppositie achter het IJzeren Gordijn te ondersteunen en later om de democratie in de hele wereld te bevorderen, wil volgens hen niets meer of minder dan de vernietiging van Europa en Amerika.
In zijn geboorteland is Soros inmiddels volksvijand nummer één, samen met de organisaties die geld krijgen uit zijn Open Society Foundation (OSF): mensenrechtenorganisaties zoals Hongaarse Helsinki Comité en de Hongaarse Vereniging voor Burgervrijheden (TASZ), maar ook de door Soros opgerichte Central European University (CEU) die als het aan Orbán ligt, volgens jaar haar licentie kwijtraakt.
"Er zwemmen hier grote roofdieren in het water. Dit is het grensoverschrijdende rijk van George Soros, met ladingen geld en zware internationale wapens," aldus premier Orbán in januari in een toespraak. "Ze veroorzaken problemen, omdat ze in het geheim en met buitenlands geld de Hongaarse politiek willen beïnvloeden." Hij heeft natuurlijk niet helemaal ongelijk. Van geheim is weliswaar geen sprake, maar als Orbán met wetgeving komt die de persvrijheid beperkt of geheime diensten meer macht geeft, behoren TASZ en Helsinki Comité tot de eerste die aan de bel trekken.
Soros is gewend aan haat. Hij werd in 1930 geboren in een land waar antisemitisme staatspolitiek was. Al in 1921 nam Hongarije een wet aan die het aantal joodse studenten aan de universiteit moest beperken. In jaren dertig werd het leven voor Hongaarse joden steeds moeilijk. Dat was ook de reden waarom zijn vader in 1936 de duidelijk joodse familienaam Schwartz in Soros liet omzetten.


vrijdag 7 april 2017

Duurzame energie heeft het moeilijk in Hongarije

foto Runa Hellinga
Uitbreiding van Paks bedreigt de ooibossen bij Gemence 
Begin februari kreeg Hongarije van de Europese Commissie Hongarije groen licht voor de uitbreiding van de kerncentrale bij Paks. Goed nieuws voor de regering, minder voor voorstanders van de ontwikkeling van duurzame energie. De kerncentrale gaat straks zoveel stroom leveren dat Hongarije een overschot heeft en de regering geen enkel interesse meer heeft om alternatieven als zonne- en windenergie te stimuleren. Integendeel, de ontwikkeling van duurzame energie wordt in Hongarije tegenwoordig actief tegengewerkt. Wie een zonnepaneel op zijn dak zet, krijgt geen subsidie, maar betaalt extra belasting.
In 2014 maakte Hongarije afspraken met de Russische president Putin over uitbreiding van de Hongaarse kerncentrale bij  het Donaustadje Paks. Niet alleen gaan de Russen er twee nieuwe blokken bouwen, ze verstrekken Hongarije ook een lening van 12 miljard euro voor de financiering. Het verdrag kreeg veel kritiek, en niet alleen omdat het Hongarije nog afhankelijker maakt van de Russen, die ook al het Hongaarse aardgas en het grootste deel van de aardolie leveren.
Critici noemen de uitbreiding van Paks een peperdure en milieuonvriendelijke oplossing. Los van onopgeloste problemen als de langdurige opslag van kernafval en het risico van ongelukken gebruikt de kerncentrale rivierwater uit de Donau voor koeling. Vooral in de zomer is de rivier daardoor lokaal behoorlijk warm en volgens biologen zal de watertemperatuur na uitbreiding 's zomers veel te hoog worden. Dat is dodelijk voor de lokale visstand en een grote bedreiging voor de ecologie van Gemenc, een uniek ooibos langs de Donau zuidelijk van Paks dat deel uitmaakt van het Donau-Drava-natuurpark.
Een van de critici is de liberale EU-parlementariër Benedek Jávor. Hij wil een nationaal referendum over de kerncentrale (veel kans dat dat referendum er daadwerkelijk komt, is er overigens niet) en hij pleit ervoor dat het geld dat nu naar Paks gaat, in duurzame energie wordt gestopt.
Hongarije heeft behoorlijk wat zon en mogelijkheden voor windenergie, maar loopt behoorlijk achter als het om de ontwikkeling van die energiebronnen gaat. Er zijn geen subsidies voor zonnepanelen en de beheerder van het Hongaarse elektriciteitsnet doet vaak moeilijk over het overnemen van teveel geproduceerde zonne-energie. Ooit zijn er 329 windmolens gebouwd, maar die ontwikkeling ligt sinds jaren stil. De laatste bouwvergunning werd in 2006 verstrekt.
Onontwikkeld is ook Hongarijes grote potentieel aan geothermische energie. Onder een groot deel van het land bevindt zich een heet water houdende grondlaag met temperaturen ruim boven het kookpunt. Behalve voor een groot aantal thermaalbaden wordt dat water op kleine schaal voor stadsverwarming gebruikt, maar die verwarmingssystemen zijn grotendeels aangelegd lang voordat ook maar iemand ooit van duurzame energie had gehoord. Het populairste zijn biomassacentrales, vanwege de mogelijkheden die de verbouw van biomassa opleveren voor Hongaarse landbouwers.
János Lázár, de minister die verantwoordelijk is voor het bureau van premier Orbán en als zodanig de man die de dagelijkse dagelijkse leiding van de regering heeft, meent dat nooit bewezen is dat duurzame energie goedkoper is dan kernenergie. Wat hem betreft gaat er dan ook geen geld heen. In de huidige regeringsplannen zorgt duurzame energie in 2050 voor slechts 24 procent van de elektriciteitsopwekking en 15 procent van de totale energievoorziening.
Maar de regering gaat verder dan een simpele weigering om duurzame energie te financieren. Sinds het Paks-verdrag zijn een aantal maatregelen genomen om de ontwikkeling van zonne- en windenergie te blokkeren. In 2015 werden zonnepanelen gebombardeerd tot 'producten en materialen die ernstige schade aan het milieu kunnen toebrengen' en kregen ze een milieuheffing van 37 eurocent per kilo opgelegd. Autoaccu's zijn aanzienlijk minder schadelijk, althans, de milieutoeslag daarop is maar half zo hoog.
Blijkbaar schrok die toeslag niet voldoende af om toch zonnepanelen te installeren. Enkele weken geleden kwam er een tweede belasting op zonne-energie, een zogenaamde 'distributievergoeding'. Waar Nederlanders geld krijgen voor de stroom die hun zonnepanelen aan het elektriciteitsnet leveren, moeten Hongaren die meer dan vier kilowatt elektriciteit produceren, daar vanaf nu juist voor gaan betalen. Volgens Jávor betekent die nieuwe belasting een prijsstijging van zonne-energie van vijf procent en maakt het vooral de ontwikkeling van grotere zonnecentrales totaal onaantrekkelijk.
Ook windenergie is aangepakt. Hoewel er laatste tien jaar geen windmolen is gebouwd, nam de regering het zekere voor het onzekere en kwam eind vorig jaar met een wet die nieuwbouw weliswaar niet verbiedt, maar feitelijk onmogelijk maakt. Nieuwe windmolens moeten namelijk minstens twaalf kilometer van de dichtstbijzijnde bebouwing afstaan en er is simpelweg geen plek in het land die aan die voorwaarde voldoet.
En mocht iemand onverhoopt toch zo'n plek vinden, wacht een tweede probleem: de wet beperkt de maximale capaciteit van nieuwe molens tot twee megawatt, terwijl de moderne types drie megawatt leveren. De regering ontkent niet dat ze eigenlijk wil dat niemand nog een windmolen bouwt. Lázár heeft een simpele verklaring: windmolens zijn lelijk, vindt hij, en daar moet je het Hongaarse erfgoed tegen beschermen.

donderdag 9 maart 2017

De gelukkige tijden van keizer Franz-Joseph

Franz-Joseph
'De gelukkige tijd van vrede'. Zo omschrijft een tentoonstelling in het Hongaars Nationaal Museum in Boedapest de tweede helft van de negentiende eeuw. Het was de tijd dat Hongarije door de Habsburgse keizer Franz-Joseph werd geregeerd en er is wel eens minder lovend over de vorst gedacht. Wie zich twintig jaar geleden positief over hem uitliet, liep goede kans voor landverrader uitgemaakt te worden.
Dat lag overigens anders met zijn vrouw Elisabeth, Sissi in de volksmond. Zij was en is geliefd. Na haar dood zamelden burgers geld in voor een standbeeld en ze wordt ruim geëerd met straten en standbeelden. De Erzsébet-brug in Budapest werd naar haar vernoemd en die naam is nooit veranderd, ook niet in de communistische tijd. Maar naar een eerbetoon aan haar man zul je tevergeefs zoeken. 
Dat moet anders, vindt historicus András Gerő van het Habsburg-Instituut in Boedapest. Honderd jaar na Franz-Josephs dood pleit hij voor een standbeeld voor de man die bijna vijftig jaar lang koning van Hongarije was. Blijkens een online enquête steunt 45 procent van de Hongaren dat idee. Dat lijkt niet zoveel, maar tien jaar geleden zou hooguit tien procent van de Hongaren voor zijn geweest, schat Gerő.
Vroeger lag dat anders. Tussen de twee wereldoorlogen was er volgens Gerő sprake van een regelrechte Habsburg-verering. Franz-Josephs standbeelden verdwenen kortstondig tijdens de communistische Radenrepubliek in 1919, keerden toen terug en werden pas na 1945, toen de communisten de keizer tot vijand verklaarden, definitief verwijderd. 
Communistische schoolboekjes hadden geen goed woord over voor de man die in 1849 opdracht gaf een aantal Hongaren te executeren die een jaar eerder een opstand tegen de Habsburgers hadden geleid. Franz-Joseph was op dat moment 18 jaar oud en zat net op de troon, dus je kunt je afvragen in hoeverre hijzelf de drijvende kracht achter de executies is geweest, maar de gedachte aan de wrede feodale vorst die hun nationale helden liet ombrengen brengt bij sommige oudere Hongaarse vrouwen nog steeds de tranen in de ogen.
Na de val van het communisme zijn historici wat genuanceerder gaan denken. Dat heeft nog niet tot nieuwe Frans Joseph-straten geleid, maar diverse Hongaarse bestuurders die dicht bij de keizer stonden, kregen wel een standbeeld of een regeringsplan dat naar hen werd vernoemd. Hongarije heeft tegenwoordig ook twee levende Habsburgers in dienst, de ene als ambassadeur, de andere had de buitenwereld moeten overtuigen dat het land zeer geschikt is om Olympische Spelen te organiseren.
Ook buiten Hongarije vindt een herwaardering van de keizer plaats. Zo werd eind 2015 in het Oekraïnse Turja Paszeka een standbeeld van Franz-Joseph onthuld. "Voor dat gebied, de voet van de Karpaten, is dat natuurlijk een goede manier om te benadrukken dat ze ooit tot het Habsburgse rijk, dus tot Europa behoorden," zegt  Gerő. In Oostenrijk, waar nazaten van de keizer tot dik in de vorige eeuw een inreisverbod hadden, werd vijf jaar geleden de wet afgeschaft die het Habsburgers verbood om zich kandidaat te stellen voor het presidentschap.
De rechts-extremistische Oostenrijkse politicus Norbert Hofer pleitte recent voor een soort Midden-Europese Benelux, een tegenkracht tegen Brussel, met daarin behalve Oostenrijk ook 'landen met een vergelijkbare cultuur', zoals Tsjechië, Hongarije, Roemenië, Servië, Slovenië en Kroatië. Per slot van rekening, aldus Hofer, waren die ooit allemaal deel van dezelfde monarchie.
Dat is ironisch, want die monarchie was volgens Gerő in zekere zin een voorloper van de EU en eigenlijk het tegenovergestelde van dat wat mensen als Hofer voor ogen staat. "Het was een multi-etnische staat met een veelvoud aan talen en religies, een gemeenschappelijke markt en vrijheid van reizen en vestiging." 
Dat is alles wat Hofer eigenlijk niet wil en ook alles wat de Hongaarse premier Viktor Orbán niet wil, Die benadrukte onlangs in een toespraak voor de Hongaarse Kamer van Koophandel het belang van een etnisch homogeen en cultureel uniform land. Maar die juist multi-etnische staat zorgde voor sterke economische ontwikkeling, vrede en welvaart, helemaal na 1867 toen de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie werd gevormd en Franz Joseph koning van Hongarije werd. Boedapest is daar bij uitstek het resultaat van, zegt Gerő. "Alle belangrijke gebouwen die je ziet, zijn toen gebouwd, net als de belangrijkste gebouwen in veel provinciesteden."

Echt verrassend is de politieke herwaardering overigens misschien niet. Cultureel zijn de Habsburgers nooit echt verdwenen, hoe zeer machthebbers daar ook hun best voor deden. Dat is het beste zichtbaar in Oostenrijk, dat bezaaid met bordjes is die melden dat Franz Joseph hier geluncht of daar geslapen heeft. Iedere januari start in Wenen het balseizoen met een elan alsof de adel nooit verdwenen is. Zo'n zelfde bal vormt een hoogtepunt in het Hongaarse eindexamenjaar. In november organiseren scholen een eindexamenbal war de leerlingen van de hoogste klas even jonkheren en freules mogen zijn. Nazaten van graven en prinsen kunnen op groot respect voor hun officieel afgeschafte titel rekenen. En in veel Centraal-Europese landen kust een beleefde heer de dame nog altijd de hand.


dinsdag 21 februari 2017

Grenshek brengt dieren in problemen

Blindmuis
Ze zijn nog maar met vierhonderd exemplaren, de Vojvodina-blindmuizen in de grensstreek van Hongarije en Servië. Blindmuizen zijn zo blind dat ze zelfs geen zichtbare ogen meer hebben. De ondergronds levende knaagdieren hebben het overal in Europa moeilijk, maar dat geldt zeker voor dit groepje. Ze vormen namelijk een lokale, unieke ondersoort en scoren dan ook hoog op de rode lijst van bedreigde diersoorten van de Internationale Unie voor Natuurbescherming (IUCN). Helaas heeft dat de Hongaarse regering niet verhinderd om toch in hun al bedreigde leefgebied een zwaar bewaakt grenshek te bouwen.
Grensversterking is de grote mode. Trump wil een muur, de Macedoniërs hebben sinds vorig jaar een hek op de grens met Griekenland, de Grieken hebben er een bij Turkije en de Oostenrijkers bouwen hekken langs de grens met Hongarije. In hoeverre dat soort constructies migranten daadwerkelijk tegenhouden, daarover verschillen de meningen. Maar dat ze effecten hebben op de natuur, staat buiten kijf. In de meeste gevallen raakt dat vooral de fauna, al is de door Trump geplande muur van 15 meter hoog en 4,5 meter diep massief genoeg om ook voor flora, bodemleven en waterlopen een barrière op te werpen.
De blindmuis is het zeldzaamste, maar zeker het niet enige slachtoffer van het hek dat de Hongaren in 2015 begonnen te bouwen aan de Servische grens en dat sindsdien is verlengd naar de grens met Kroatie en over de hele lengte nog steeds verder wordt versterkt en uitgebreid. Ook andere diersoorten lijden eronder. Natuurbeschermers constateerden vorige zomer al een afname van het aantal edelherten in het Kroatische grensgebied, omdat de dieren, die normaal heen en weer trekken, aan de Kroatische kant van het hek te weinig voedsel vinden.
Foto Runa Hellinga
Grenshek bij het Servische Horgos
De Hongaarse regering, voor wie het hek behalve grensbeveiliging ook een politiek prestigeproject is, noemt de gevolgen voor de natuur verwaarloosbaar. In een verklaring zei ze eerder dat dieren zich wel aanpassen aan de veranderingen die de mens in de natuur aanbrengt. Wat de edelherten betreft zijn dat er bovendien zoveel dat ze landbouwschade veroorzaken. Daarnaast, aldus de verklaring, laten de ervaringen met het IJzeren Gordijn zien dat zo'n hek voor de natuur juist een zege is omdat flora en fauna er niet worden gestoord en dat effect zal het grenshek ook hebben, zodra de menselijke activiteit rond dat bouwwerk is afgenomen.
Als soort zullen de herten het hek inderdaad wel overleven. En het klopt, ze passen zich aan. In de eerste maanden raakte nog wel eens een hert met zijn gewei in het rasterwerk verstrikt. Dat komt nu niet meer voor. Herten kunnen bovendien uitwijken naar andere gebieden.  Maar voor de pakweg twintig centimeter lange, zachtgrijze blindmuis met zijn oogloze kopje en zijn roze handjes is de overlevingkans een stuk kleiner.
Het diertje brengt vrijwel zijn hele leven solitair onder de grond door, bij voorkeur in steppes en natuurlijke graslanden. Landbouwactiviteiten als ploegen zijn al fataal voor hem. De gevolgen van de graaf- en bouwwerkzaamheden voor het hek en de patrouilles met zware militaire voertuigen boven zijn gangenstelsel konden tot nu toe niet worden diepgaand onderzocht, maar laten zich raden.
Bioloog Gábor Csorba leidt een commissie die de regering moet adviseren over de bescherming van blindmuizen. Hij heeft een hard hoofd over hun overlevingskansen bij het hek en is betrokken bij verhuisoperaties om in ieder geval een deel van de dieren uit het grensgebied te redden. Omdat hij in overheidsdienst is, mag Csorba sinds eind vorig jaar niet meer zonder toestemming van het betrokken ministerie met de pers praten en die toestemming heeft hij niet gekregen. Maar eerder vertelde hij aan de New Scienist hoe lastig het was om een geschikte nieuwe plek voor de dieren te vinden.
Er zijn namelijk weinig gebieden waar bodemsamenstelling, klimaat en grondgebruik geschikt zijn voor blindmuizen. Bovendien laten de dieren zich in hun lange gangenstelsels moeilijk vangen. Uiteindelijk maakte het reddingsteam gebruik van hun hekel aan tocht en lokte hen door met een rietje lucht in de gang te blazen. Zodra een blindmuis dat tochtgat dicht kwam maken, werd hij heel voorzichtig uitgegraven om hem niet met de spade te beschadigen.
De gevangen dieren kregen in hun nieuwe leefgebied als eerste onderkomen een aantal voorgegraven gangen. Hoe veilig ze daar zijn, is overigens onduidelijk. Ondanks aandringen van natuurbeschermers is hun nieuwe woonplek namelijk officieel nog steeds geen beschermd natuurgebied en is de kans op een ploegende boer er niet helemaal uitgesloten.