woensdag 18 november 2009

SOCIALE VERANDERINGEN

Aan het pleintje in het centrum van Bodvalenke (zie 'Zigeunercultuur') staan twee kerken, een gereformeerde en een katholieke, recht tegenover elkaar. De katholieke is niet groter dan een kapelletje. Binnen zijn twee rijen met bankjes, waar je met wat moeite met zijn tweeën naast elkaar kunt zitten. Er is voor negentien mensen zitplaats; een gasfles voor de verwarming neemt de twintigste plek in.
De gereformeerde kerk aan de andere kant is een behoorlijk fors gebouw, dat met zijn geschilderde houten betimmering en sobere decoraties binnenin sterk aan Nederlandse gereformeerde godshuizen doet denken. Je kunt er zonder problemen een flink deel van de bevolking van het 200 zielen tellende dorp in kwijt.
Maar als er tijdens een mis twintig man verschijnen, zal het veel zijn, want Bodvalenke telt tegenwoordig minder dan 30 gereformeerde inwoners. De meeste dorpelingen zijn katholiek. De twee kerken zijn stille getuigen van de enorme sociale veranderingen die de afgelopen jaren in het dorpje hebben plaatsgevonden. Binnen enkele decennia hebben gereformeerde Hongaren plaatsgemaakt voor tientallen zigeunergezinnen.
Die veranderde sociale verhoudingen gaan er bij de blanke bevolking maar moeilijk in, vertelt Eszter Pásztor, een Hongaarse vertaalster die zich het lot van de straatarme zigeuners in het dorp heeft aangetrokken. Toen zij in het dorp kwam met ideeën om Bodvalenke toeristisch op de kaart te zetten door er een Roma-cultuurcentrum van de maken, was er bij niet-Roma weinig enthousiasme. Het mocht wel goed zijn voor de werkgelegenheid, maar de plannen waren te zeer een onderstreping van de veranderde situatie in het dorp.
"Een vrouw verhaalt nog steeds nostalgisch over de mooie tijden van vroeger, toen het dorp zo gezellig was en de jongens boven in het koor van de kerk naar de meisjes beneden zaten te lonken. Zulke mooie jongens, zegt ze er altijd bij. Maar ja, haar eigen kinderen zijn ook allemaal weggetrokken. De tijden dat mooie jongens naar haar lonkten, liggen ver achter haar, trouwens" zegt Pásztor.
Dat is het probleem met Bodvalenke, en met de omringende dorpen die dezelfde veranderingen hebben ondergaan: er is niets en het is te ver weg van alles vandaan. Er is geen werk in de buurt, helemaal niets. In Bodvalenke is één Hongaarse boer, die kort na de politieke omwentelingen de meeste landbouwgrond om het dorp wist op te kopen. Daarbuiten zijn het gemeentehuis en de dorpswinkel die halve dagen open is, de enige plaatsen waar misschien een baantje te vergeven is.
Er is geen stromend water, geen gas en geen toekomst in Bodvalenke. Geen wonder dat Hongaarse jongeren massaal zijn weggetrokken naar plaatsen waar meer kansen liggen. Hun huizen gingen voor een habbekrats van de hand, want in een plek zonder toekomst is onroerend goed ook niets waard. En langzaamaan vulden de vervallen, leeggekomen panden zich met zigeunerfamilies die na de val van het socialisme elders hun werk in de staal- en textielindustrie of in de mijnbouw kwijt waren geraakt en nu op zoek waren naar een goedkope plek op te leven.
En naarmate er meer Roma komen, trekken niet-Roma versneld weg. "Er zijn inmiddels echt regio's in Oost-Hongarije waar vrijwel uitsluitend nog Roma wonen," aldus Andor Ürmös, hoofd van de afdeling Roma-integratie van het Hongaarse ministerie van sociale zaken en zelf ook Roma.
En die veranderingen gaan vaak gepaard met enorme spanningen. Het is niet toevallig dat juist dit ook de regio is waar de extreem-rechtse Jobbik het snelst groeien. Niet ver van Bodvalenke ligt het 11.000 inwoners tellende Edelény, waar Fidesz-burgmeester Oszkar Molnár aan het roer staat. Molnár, die ook voor Fidesz in het parlement zet, haalde onlangs het landelijke nieuws vanwege zijn beschuldiging dat zwangere zigeunervrouwen expres medicijnen slikken om kinderen met een handicap te baren, zodat ze verzekerd zijn van sociale steun.
Molnár, een wat verlegen ogende, zacht sprekende man, blijkt zijn beschuldiging te baseren op statistieken, waaruit blijkt dat in deze provincie het hoogste aantal gehandicapte kinderen wordt geboren. In hoeverre dat echter te wijten is aan drankgebruik, roken en slecht eten, gezondheidsproblemen die typisch zijn voor de armste onderklasse van de samenleving, en niet aan kwade opzet, dat is een antwoord dat hij schuldig moet blijven.
Maar als je met Molnár verder praat, blijkt de burgemeester simpelweg met vragen te worstelen, waar anderen ook geen antwoord op hebben: hoe los je in een provincie waar de werkloosheid boven de 20 procent is, de problemen op van een doodarme bevolkingsgroep die vrijwel geen opleiding heeft, alleen ongeschoold werk kan doen en vaak de noodzaak van onderwijs voor de kinderen niet inziet. Hoe ga je om met de criminaliteit die bij die armoede hoort? Geen enkele partij, ook Fidesz niet, heeft daar tot nu toe volgens hem een antwoord op. En ook de Jobbik niet, voegt hij toe: "Die roepen makkelijke slogans waar mensen achteraan lopen, maar concrete oplossingen bieden ze niet."
Molnár zoekt het in strengere wetgeving, die ouders dwingt hun kind naar school te sturen en die ook kleine criminaliteit zoals winkeldiefstallen harder aanpakt. Maar Pásztor zoekt de oplossing juist in een positieve aanpak.
"Natuurlijk kun je niet van ieder dorp met veel zigeuners een toeristische trekpleister maken. Maar dat is ook niet het enige dat we hier doen. We hebben een inventarisatie gemaakt van de mogelijkheden die het dorp en de omgeving bieden. We hebben een landbouwkundige laten kijken naar de mogelijkheden om speciale producten te verbouwen, en dit gebied blijkt bij uitstek geschikt om een bepaald soort bijzondere bessen die in de medische industrie worden gebruikt, te planten.
"We hebben gekeken wat voor vaardigheden er onder de mensen zijn, en dan blijken er wel degelijk meer vaardigheden te zijn dan je denkt. Er is een traditionele mandenmaker, een houtsnijder, er zijn een paar mensen die perfect de weg weten door het moeras naast het dorp en als gids zouden kunnen dienen voor toeristen. Er zijn mensen die verstand hebben van wilde paddenstoelen en mensen die met paarden kunnen omgaan, en er zijn vrouwen die fantastisch koken. Ik ben ervan overtuigd dat als je op zoek gaat, je in ieder dorp meer mogelijkheden vindt dan je op het eerste gezicht denkt."
In Bodvalenke heeft haar project er in ieder geval toe geleid dat er een voorzichtige toenadering tussen Hongaren en zigeuners plaatsvindt. "De moeder van de enige boer in het dorp wil nu ook graag een fresco op haar huis, en sindsdien begint haar zoon ook toeschietelijker te worden." Als producent van thuisgestookte palinka kan een toeristisch Bodvalenke hem per slot van rekening ook klanten brengen.

maandag 16 november 2009

ZIGEUNERCULTUUR

Tot de opkomst van de Hongaarse Garde had vertaalster Eszter Pásztor zich nooit zo met de zigeuners in haar land bezig gehouden. Maar dat de marcherende extremisten het beeld zouden bepalen van hoe Hongaren met hun grootste minderheid omgaan, vond ze onverdragelijk. Dat moest anders kunnen, meende ze.
Een vriend bracht haar naar Bodvalenke, een dorpje met 200 inwoners, waarvan 170 Roma, in het noorden van Hongarije, niet ver van de grotten van Aggtelek. Een dorp zonder gas of stromend water, waar de vrouwen hun was bij een gemeenschappelijke bron deden, hele gezinnen één kamer deelden en kinderen vaak met lege maag naar bed moesten.
"Ik had geen idee dat in Hongarije, waar ik een comfortabel middenklassebestaan heb, een deel van de bevolking in zulke derde wereld omstandigheden leefde," zegt ze. Ze wilde iets doen, maar kwam eerst niet verder dan een uitstapje naar de dierentuin in Boedapest voor de kinderen. Tot haar een vakantie in Egypte te binnenschoot, waar ze twee uur lang in een bus had gezeten om in de woestijn een dorp te bekijken waar alle huizen versierd waren met fresco's.
Zoiets moest in Bodvalenke ook kunnen, dacht ze. Twee en een half uur van Boedapest, de grotten van Aggtelek in de buurt, niet zo ver van Tokai. Toen ze ook nog een Roma-kunstenaar tegen het lijf liep die al langer met hetzelfde idee rondliep, was de zaak beslist.
Het was niet dat de inwoners van Bodvalenke stonden te juichen over het idee. Sterker nog, eerst vonden ze het maar niets, de gedachte dat iemand hun huizen zou 'bekliederen' zoals ze zelf zeiden. Ze gingen pas overstag toen de eigenaar van een paard-met-wagen zich realiseerde dat hij aan toerisme kon verdienen door mensen met zijn wagen van het station in het buurdorp te halen.
Pásztor besefte heel goed, dat het hele project staat of valtbij de bereidheid van de dorpelingen om er zelf energie in te steken Als eerste proeve van hun goede wil vroeg ze hen zelf de overal rondslingerende troep op te ruimen. Zonder dat zou het project niet beginnen.
Eerst stuitte dat verzoek op veel protest. "Ik maak nooit troep," hield iedereen vol. Maar uiteindelijk verdween de rotzooi, en afgelopen juli arriveerde de eerste frescoschilder. Voor de eerste fresco's werden heel bewust makkelijk thema's en een realistische stijl gekozen, zodat ze de dorpelingen aanspraken. "Hun voorkeur gaat uit naar een fresco met paarden en romantische plaatjes uit het traditionele Roma-leven," zegt Pásztor. Latere schilders kozen andere thema's, uit de Roma-mythologie, maar ook op basis van actuele gebeurtenissen, zoals de serie moorden op willekeurige zigeuners waar Hongarije afgelopen jaar door geteisterd werd.
Pázstor's eigen voorkeur gaat uit naar een schilderij met een donkere Jezusachtige figuur. In de wat abstracte gezichten achter hem is het hele dorp te herkennen, zegt ze, met alle goede en slechte kanten, inclusief de lokale woekeraars en een vrouw die als hoer geld voor haar vier kinderen verdient.
Als het aan Pásztor ligt, blijft het zeker niet bij deze negen fresco's. Ze wil van Bodvalenke een centrum van Europese Romacultuur maken. Daarom wil ze komend jaar ook schilders uit andere landen uitnodigen. Uiteindelijk is het streven om alle huizen van mensen die dat willen, te beschilderen. Na de aanvankelijke afhoudendheid van de Hongaarse inwoners heeft zich inmiddels heeft zich ook een niet-zigeuner aangemeld, een oudere vrouw die haar huis graag beschilderd wil hebben, zegt ze.
Tot Pásztor's andere plannen om Bodvalenke toeristisch op de kaart te zetten en werkgelegenheid te scheppen, behoren de organisatie van een jaarlijks festival, de opening van een restaurant, een pension en een winkel waar producten uit Bodvalenke te koop zullen zijn. Ze heeft een bevriende modeontwerpster zover gekregen om op zigeunerkleding geïnspireerde kledingstukken te ontwerpen, die geproduceerd gaat worden door een paar vrouwen uit het dorp die in een inmiddels gesloten textielfabriek hebben gewerkt. Een aantal jongeren in het dorp heeft deze zomer een cursus sieraden maken gevolgd.
Verder zijn er een rietvlechter en een houtsnijwerker in Bodvalenke en een aantal mensen die alles weten van wilde paddenstoelen. "Als ze die aan een opkoper verkopen, krijgen ze daar 200 forint per kilo voor, terwijl je er in Pest 3000 forint voor betaalt. Maar we willen een droogoven aanschaffen, zodat we ze kunnen distribuëren."
Met expert van het Nationale Park Aggtelek is ze bezig het naast het dorp gelegen moeras toeristisch te ontwikkelen. Volgens de deskundigen is het moerasgebied ecologisch van enorme waarde en de bedoeling is dat er komend voorjaar samen met de dorpsbewoners een ecologisch pad door het gebied wordt gebouwd. "Op dit moment kun je er alleen met gidsen in, want anders is het veel te gevaarlijk. Je kunt er echt in wegzinken,"zegt Pásztor.
Naast toeristische attracties werkt Pásztor ook hard aan sociale verbeteringen in het dorp. Er is een computerruimte met internetaansluiting gekomen, ze organiseert de verkoop van tweedehands kleding en gebruikt het geld voor een medicijnenfonds voor mensen die zelfs geen geld voor geneesmiddelen hebben, en ze heeft gezorgd dat een aantal gezinnen die in onbewoonbare woningen leefden, nieuw onderdak kregen.
De veranderingen hebben het zelfbewustzijn van de dorpelingen enorm opgekrikt. "We hebben heel veel aan het gemeenschapsgevoel moeten doen. Toen ik kwam, was de sfeer om te snijden. De Hongaren vonden niet dat we iets voor de zigeuners moesten doen, de zigeuners onderling waarschuwden de hele tijd dat ik die niet moest vertrouwen, of die niet. En natuurlijk probeerden mensen me te belazeren, er zijn er nog steeds die denken dat je een 'witte' gewoon zoveel mogelijk moet zien af te troggelen.
Maar de onderlinge verhoudingen in het dorp zijn veel beter dan een jaar geleden. Het beste bewijs daarvan is misschien wel dat er tegenwoordig geen afval meer in Bodvalenke rondslingert. "Dat ze het afval destijds hebben opgeruimd, was al heel wat, maar dat ze bereid zijn het bij te houden is natuurlijk nog belangrijker," aldus Pásztor.

maandag 9 november 2009

BUURTVERGADERING

Omdat de gemeente de verkeerssituatie in onze buurt wil wijzigen, was er een buurtvergadering belegd met de bewoners van de betrokken straten. Het voornaamste doel van de wijziging is de ontlasting van een smal straatje achter ons, dat nu een dagelijkse vloed doorgaand verkeer, inclusief vrachtauto's, te verduren krijgt, met als gevolg dat mensen regelmatig te maken hebben met gebroken leidingen en ingezakte rioleringen. Het straatje zal in het vervolg alleen toegankelijk zijn voor de mensen die er wonen.
Voor onszelf betekent de wijziging niet zoveel, want het verkeer dat nu wordt omgeleid, kwam ook vroeger al in onze straat. Alleen zullen we in toekomst wat verder moeten rijden om thuis te komen.
Maar de vergadering was desondanks interessant. Vooral omdat er niets bijzonders gebeurde. Dat wil zeggen: niemand hield een politieke rede, niemand begon te schelden op de socialistische burgemeester, of juist op de oppositie. Er was zelfs niemand die een historische verhandeling over de verkeerssituatie in Vác voor, tijdens en na het socialisme hield.
Iedereen concentreerde zich gewoon op de kwestie waar het om ging, stelde vragen en kwam met zinnige opmerkingen, bijvoorbeeld over de noodzaak van aanleg van liggende politieagenten, zoals verkeersdrempels in het Hongaars heel fraai heten. Toen iemand wat praktische bezwaren aanvoerde, zei iemand anders: ,,Maar we kunnen het toch gewoon proberen, en als het niet werkt, komen we volgend jaar weer bij elkaar." En iedereen, inclusief de vertegenwoordigers van de gemeente en de vrouw die de bezwaren had aangevoerd, was het daarmee eens.
Toen bleek dat een bepaalde straatlamp al tijden niet brandt, omdat er problemen zijn met de plaats waar de paal moet worden gezet, bood iemand spontaan zijn huismuur aan. In een uur waren we klaar, was er een hoop duidelijk geworden en ging iedereen als vrienden uit elkaar. Nu natuurlijk kijken of die liggende politieagenten er ook echt komen. Maar misschien moeten ze mijn mede-buurtbewoners gewoon in het Hongaarse parlement neerzetten. Dat zou de sfeer in het land zeer ten goede komen.

vrijdag 6 november 2009

UMAR

Ik raak met Umar in gesprek omdat hij wierook wil kopen, maar niet uit weet te leggen welke. Precies dezelfde als vorige keer, alleen weet hij niet meer dan de prijs en de kleur van het doosje: blauw. Zijn mengsel van slecht Engels en nog slechter Hongaars voldoet niet om de overigens zeer behulpzame verkoopster duidelijk te maken wat hij wil. Uiteindelijk maakt hij een keuze uit alle blauwe doosjes die ze in de aanbieding heeft.
Umar komt uit Somalië, vertelt hij. En trots voegt hij eraan toe: "Maar nu ben ik Hongaar." Als hij de twijfel op mijn gezicht ziet, toont hij zijn persoonsbewijs. "Een Hongaars persoonsbewijs, en ik heb ook een Hongaars paspoort." Umar heeft een officiële vluchtelingenstatus, maar wie ben ik om hem van zijn illusie te beroven?
Want als er één ding duidelijk is, is dat Umar heel erg blij is met zijn nieuwe vaderland. Zó democratisch. Zó gastvrij. Iets heel anders dan Dubai en Saoedi-Arabië, waar hij ook een deel van zijn leven heeft doorgebracht. Tien jaar heeft hij als mechanicus in Dubai gewerkt, maar toen hij zijn baan verloor, kon hij onmiddellijk oprotten. En in Saoedi-Arabië keken ze hem ook al niet aan, hoewel Umar moslim is en duidelijk van Arabische afkomst. Maar van moslims moet hij volgens eigen zeggen niets hebben: "Die hebben geen idee wat democratie is."
Hij komt uit Mogadishu, vertelt hij. Zijn familie is dood, met dank aan president Bush: een bom op hun huis. Umar is met behulp van mensensmokkelaars in Hongarije terechtgekomen. Helemaal duidelijk is zijn route me niet, maar hij heeft een groot deel te voet gedaan, in de winter, door Rusland en Oekraine. Een aantal van zijn lotgenoten haalden het niet. Drie mensen verdronken, toen ze bij een bevroren rivier door het ijs zakten.
Ergens langs de route is hij ook nog in een kamp van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR terechtgekomen. Er was sprake van dat hij, zoals wel meer Somlische vluchtelingen een verblijfsvergunning in Amerika zou krijgen, maar Umar voelde daar niets voor. Amerika heeft zijn liefde bepaald niet. Hongarije daarentegen bevalt prima. "De meeste vluchtelingen gaan door naar West-Europa, maar ik voel me hier thuis."
Hij heeft een baan, bij een pizzabakker, en een droom: vrachtwagenchauffeur worden. Onlangs haalde hij zijn vrachtwagenrijbewijs, laat hij vol trots zien, en sinds kort zit hij op Hongaarse les. Hij heeft een meisje leren kennen, waar hij goede hoop over heeft. De Hongaren zijn aardig. Hongarije? Helemaal niets mis mee.

zondag 25 oktober 2009

ZIMBABWE

Een democratische rechtstaat, waar Hongaren hun geluk zouden vinden en die hun een veilige thuis zou bieden, dat was wat interim-president Mátyas Szürös zijn volk toewenste toen hij op 23 oktober 1989 vanaf het balkon van het Hongaarse parlement de vierde Hongaarse Republiek afkondigde en vrije verkiezingen aankondigde. Het was feitelijk het einde van het socialisme in Hongarije, een dag waarop je nationale feestvreugde had verwacht.

En veel Hongaren waren ook wel blij: ,,Het is nog niet afgelopen, maar we hebben nu hoop en die moeten we hebben,’’ zei een dierenarts op het plein tegen een journalist terwijl hij een traan wegpinkte. Maar niet iedereen dacht er zo over. In de stad herdachten mensen de mislukte opstand van 1956. ,,Dit is geen feestdag, het is een herdenkingsdag. Het wordt pas een feestdag als deze heren en hun opvolgers het Hongaarse volk om vergeving hebben gevraagd, ” aldus een spreker op een van de bijeenkomsten.

Achteraf was het niet zo slim om de declaratie van de nieuwe republiek te koppelen aan de opstand van 1956, want met die dag is het nooit echt goed gekomen. Dezer dagen is er niemand meer die zich de toespraak van Szürös’ toespraak nog herninnert en de oppositie gunt de socialisten geen rol bij de herdenking van de opstand. Ze ziet de 23ste oktober tegenwoordig vooral als dag van protest tegen de huidige, socialistische regering.

En dat protest vindt weerklank, want maar 19 procent van de Hongaren vindt dat het land er de afgelopen twintig jaar op vooruit is gegaan. Iedere tweede Hongaar meent dat land en eigen familie er alleen maar slechter op geworden zijn. Van de voormalige Oostbloklanden zijn alleen de Bulgaren bijna net zo negatief.

Wereldwijd is er nauwelijks een volk zo somber over zijn eigen situatie als de Hongaren, blijkt uit onderzoek van het internationale opiniebureau Gallup. Op een ladder met elf sporten plaatst veertig procent van de Hongaren de eigen levensomstandigheden op een van de onderste vier treden. Sterker nog, ruim 34 procent van alle mensen plaatst zichzelf op de laagste sporten en verwacht bovendien niet dat het leven in de komende vijf jaar beter wordt. Alleen in Zimbabwe, Burundi en Haïti hebben mensen een nog somberder toekomstbeeld. Met enige reden: de inwoners van Zimbabwe hebben per jaar niet meer dan 50 euro te besteden en de kans dat ze de veertig halen, is vrijwel nihil. Zelfs inwoners van landen als Irak, Afghanistan en Somalie kijken positiever tegen de toekomst aan, en dat zijn toch landen waar mensen reeel moeten vrezen dat ze morgen door een zelfmoordcommando in de lucht worden geblazen of overmorgen thuis komen en hun gezin vermoord aantreffen.
Dat Hongaarse pessimisme is bepaald niet nieuw. Het land heeft van ouds her een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld. Begin twintigste eeuw schreef de populaire dichter Endre Ady, in een periode dat zijn vaderland een ongekende economische bloei doormaakte, de volgende dichtregels: ,,Deze stinkende, trieste poel staat ook bekend als Hongarije’’.

In een discussiegesprek over de Hongaarse kijk op de politieke omwentelingen noemde historicus András Gerő het volkslied een passende illustratie van de nationale psyche. Menige Hongaar krijgt tranen in de ogen bij het zingen het slotcouplet: ,,Heb medelijden, o heer, met de Hongaren, die heen en weer geslingerd worden door golven van gevaar, strek uw beschermende arm uit over de zee van hun misère, lang verscheurd door het noodlot, breng hen een tijd van opluchting, zij die geleden hebben voor alle zonden van het verleden en de toekomst’’.

De inbreng van een van zijn conservatieve discussiepartners was typerend. De man klaagde over de vreselijke toestand waarin het land was, en sprak over twintig verloren jaren. Verloren? In tegenstelling tot twintig jaar geleden is Hongarije een democratisch land waar je mag zeggen wat je wilt en waar je de vrijheid hebt om te gaan en te staan waar je wilt. Het is in de afgelopen jaren lid geworden van de NAVO en de EU. Ten opzichte van 1990 zijn de reële lonen in 2008 met 22,8 procent gestegen. Zelfs als je in ogenschouw neemt dat de reële lonen het afgelopen jaar een paar procent gedaald zijn, hebben mensen nog steeds echt meer te besteden dan twintig jaar geleden.

Dat mensen het beter hebben gekregen, blijkt ook uit andere cijfers: Hongaren worden tegenwoordig ruim vier jaar ouder dan in 1990: mannen worden nu 69,8 inplaats van 65,1 jaar en vrouwen 77,8 inplaats van 73,7. Als Hongaren armer geworden zouden zijn, zoals de grootste zwartkijkers beweren, zou hun gemiddelde levensverwachting niet zijn gestegen, maar gedaald. Dat was midden jaren negentig, toen de lonen echt naar beneden gingen, inderdaad het geval was. Maar dit zijn allemaal argumenten die zelfs bij een groot deel van de middenklasse die zichtbaar beter leeft dan twintig jaar geleden, geen gehoor vinden. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat alle dorpen tegenwoordig stromend water hebben, en meestal ook gas, dat iedereen een telefoon heeft en bijna ieder gezin wel een auto, zaken die onder het communisme ondenkbaar waren. Het is waar dat veel mensen het de afgelopen jaar door de wereldwijde crisis moeilijker hebben gekregen dan in, pakweg, 2006. Maar dat zijn dat verworvenheden die blijven staan.

Helaas, aldus socioloog Elemer Hankiss onlangs in het weekblad HVG, kennen maar weinig Hongaren het internationale Gallup-onderzoek. Zelfs de grootste pessimisten volgens hem op basis daarvan zouden moeten inzien dat er iets scheef zit in het Hongaarse zelfbeeldbeeld.

ACHTTIEN MINUTEN

Achttien minuten duurde de ceremonie waarin president Szürös na een korte militaire parade de opheffing van de Hongaarse Volksrepubliek bekend maakte. De ‘kameraden’ van weleer hadden in zijn toespraak plaatsgemaakt voor ‘landgenoten’ en de rood-wit-groene driekleur die bij de plechtigheid gehesen werd, was ontdaan van de korenschoven en industriële machinerie van zijn communistische voorganger. Iedere keer als het woord communist viel, floten de pakweg 100.000 toeschouwers op het plein. De woorden Amerika en democratie leidden tot groot gejuich.

De Hongaarse Republiek kwam tot stand dankzij een besluit van het door communisten beheerste parlement, dat gelijktijdig instemde met vrije parlementaire verkiezingen een half jaar later. De Hongaarse anticommunistische oppositie was als gesprekspartner weliswaar bij de ontwikkelingen betrokken, maar was op dat moment niet krachtig genoeg om zelf een omwenteling tot stand te brengen. Pas twee en een halve week na Szürös’ toespraak viel de Berlijnse Muur en tuimelde het ene communistische regiem na het andere. Het zou overigens nog tot 1991 duren voor de Russische troepen zich uit Hongarije terugtrokken.

woensdag 21 oktober 2009

POSTBODE

Net als ik de deur uitstap, komt de postbode aanrijden. Het is duidelijk niet zijn gewone ronde, aan zijn stuur hangt het stapelbakje waarin zijn lunch heeft gezeten, en hij heeft een rugzakje op zijn rug. Hij is klaarblijkelijk op weg naar huis, maar is speciaal omgereden om nog even twee brieven bij ons af te geven die om een of andere reden in het ongerede waren geraakt en die hij op zijn bureau had aangetroffen.
Hongaren hebben weinig geloof in hun politici. Maar samen met de dokter kan de postbode op hun volle vertrouwen rekenen. Blijkbaar hebben ze allemaal onze postbode. Vandaag kwam hij de brieven nabezorgen, gisteren had hij een pakje boeken handig door ons hek weten te werken, zodat we niet naar het postkantoor hoefden om het op te gaan halen, en iedere maand komt hij langs om ons het geld te brengen dat onze afwezige buurman ons stuurt om een oogje in het zeil te houden bij zijn huis.
De Hongaarse posterijen zijn nog niet geprivatiseerd. En als naar ik de situatie met Nederland kijk, mag ik hopen dat dat nog lang zo blijft. Een tijd geleden zag ik in Amsterdam drie Polen met TNT-fietsen en een kaart in hun hand staan puzzelen waar ze hun brieven moesten bezorgen. Op de een of andere manier gaf me dat weinig vertrouwen dat het wel goed zou komen met die post. En lang niet iedereen is blij met die steeds wisselende gezichten aan de voordeur, waarvan je dan maar moet hopen dat ze niets anders doen met je post dan hem netjes bezorgen.
Een vaste postbode is goud waard, als hij betrouwbaar is tenminste. De Hongaarse postbode is trouwens sowieso goud waard, letterlijk, want die wordt dagelijks op pad gestuurd met een tas vol geld: pensioentjes, uitkeringen, overboekingen aan privépersonen: de postbode komt het allemaal thuis brengen. Dat er niet regelmatig eentje wordt beroofd, mag een wonder heten, maar heeft misschien te maken met het feit dat iedereen zoveel vertrouwen in de postbode stelt.
Dat vertrouwen is niet helemaal terecht trouwens, want er schijnt wel eens een postbode de verleiding van die dikke geldtas niet kon weerstaan. En in Budapest zijn wij wel degelijk wel eens post kwijtgeraakt, al vermoed ik dat de postbode daar geen schuld aan was. Toch vraag ik me nog steeds af, wie zich tegoed heeft gedaan aan het stuk oude kaas dat een vriendin ooit voor mijn verjaardag had opgestuurd. Of dat ze zich in het distributiecentrum maandenlang hebben afgevraagd waar die vreemde lucht toch vandaan kwam.

donderdag 8 oktober 2009

WATEROVERLAST

Je burgers een lagere waterrekening beloven maakt je als burgemeester natuurlijk al snel populair. Maar de prijs die Hongarije mogelijk moet gaan betalen voor de acties van Zsolt Páva, lid van de conservatieve oppositiepartij Fidesz en burgemeester van Pécs, zou wel eens een behoorlijke hoge kunnen zijn. Op last van de burgemeester werd deze week beslag gelegd op het hoofdkantoor van de Pécs Waterwerken en werd de directeuren de toegang tot het gebouw ontzegd. Op die manier wil Páva de minderheidsaandeelhouder, het Franse bedrijf Suez, buiten spel zetten.
De reden? Het drinkwater van Pécs is volgens de burgemeester te duur. Hij beroept zich er bovendien op de wil van de bevolking uit te voeren. Zo'n 94 procent van de Pécsers vindt dat Pécs zelf eigenaar moest zijn van het waterleidingbedrijf, zo bleek uit een door een telefoonautomaat uitgevoerde enquête onder 18.000 mensen die Páva liet uitvoeren.
Even was er sprake van dat de gemeente de Suez-aandelen terug zou kopen. Maar al snel bleek dat de meningen over de prijs van die aandelen behoorlijk uiteen lagen, en de geschatte prijs van pakweg 13 tot 15 miljoen euro is hoe dan ook meer dan het vrijwel failliete Pécs zich kan veroorloven. Klaarblijkelijk had de burgemeester geen zin de uitkomst van die besprekingen verder af te wachten.
Om Pécs van water te voorzien, heeft Páva inmiddels een nieuw gemeentelijk waterbedrijf opgericht. Probleem is dat de stad diep in de schulden zit. De nieuwe onderneming heeft dan ook vrijwel geen geld. Het bedrijf heeft weliswaar het hoofdkantoor van de Pécs Waterwerken ingepikt, maar de enigen die aan de bankrekening van die onderneming kunnen komen, zijn de uitgesloten directeuren. Onduidelijk is dus, wie de 360 werknemers gaat betalen, en wie er eigenlijk voor gaat zorgen dat de burgers van Pécs straks in plaats van duur, helemaal geen water meer hebben.
Páva's actie tegen Suez is helemaal opmerkelijk, omdat hij in 1995 nota bene zelf de burgemeester was die 48 procent van de gemeentelijke waterwerken aan de Franse onderneming verkocht. Dat was in een tijd dat zijn partij Fidesz nog niet zoveel moeite had met buitenlandse investeerders.
Juridisch heeft de actie van de burgemeester geen enkele basis, en tenzij Páva op zeer korte termijn bij zinnen komt, zit het er dik in dat Pécs over enkele jaren een behoorlijke schadevergoeding zal moeten ophoesten, want geen rechter zal de gemeente in deze gelijk geven. Maar belangrijker nog dan de waarschijnlijke financiële strop is de potentiële schade dei Páva aanricht aan Hongarije's imago als betrouwbaar investeringsland.
Zijn actie bevestigt namelijk dat Fidesz, Hongarije's grootste oppositiepartij en nu al de gedoodverfde winnaar van de verkiezingen volgend jaar mei, niet alleen maar verkiezingsretoriek bedrijft als haar politici uithalen naar de vele buitenlandse bedrijven in het land. Het is trouwens niet voor het eerst dat Fidesz zich tegen buitenlandse investeerders keert. Nadat de partij in 1998 aan de macht was gekomen, zette premier Viktor Orbán een streep door het verkoopcontract van Ferihegy, het vliegveld van Boedapest dat eerder aan een Canadese investeerder was verkocht.
Het was een besluit dat de Hongaarse schatkist uiteindelijk veel geld kostte. In 2006, toen de conservatieve Orbán-regering al lang plaats had gemaakt voor een socialistisch kabinet dat het vliegveld alsnog verkocht, veroordeelde een rechtbank in Londen Hongarije tot een schadevergoeding van 65,5 miljoen euro wegens contractbreuk.