maandag 19 mei 2008

KRUIDENDOKTER

Als zesjarig kind al ging György Szabo met zijn grootmoeder mee als ze kruiden ging zoeken. Oma Bori was een traditionele kruidengenezeres, net als haar moeder, haar grootmoeder en haar betovergrootmoeder. Veel Hongaarse dorpen hadden vroeger zo'n vrouw, die alles van kruiden wist en die voor mensen die de dokter niet konden betalen, vaak de enige bron van medische zorg was.
Na de dood van haar man trok ze in bij Gyuri's ouders, op een armmoedige boerderij aan de rand van Miskolc. Al snel deed het verhaal van haar kennis de ronde en meldden zich buren, met hun eigen kwalen en die van hun beesten. Toen zijn oma stierf was György, Gyuri zoals hij in familiekring werd genoemd, veertien. De kennis die hij van haar had opgedaan, zat in zijn hoofd, maar hij zou er jarenlang niets mee doen.
Pas toen hij op een tentoonstelling over de landinname van Hongarije wat las over de geneeskrachtige kruiden die de verre Hongaarse voorouders hadden gebruikt, leefde zijn belangstelling weer op: veel van de geneeswijzen die daar beschreven werden, waren precies dezelfde als zijn grootmoeder had gebruikt om mensen en dieren in haar dorp te genezen.
Voor Szabo was dat aanleiding om zich weer in de kennis van zijn voorouders te verdiepen. Hij heeft in de loop der jaren een grote kennis over geneeskrachtige kruiden opgebouwd. Zijn woonplaats Bukkszentkereszt ligt in het Hongaarse Bukkgebergte, een natuurgebied waar de wilde kruiden nog in rijke hoeveelheden voor handen zijn en de nu tachtigjarige trekt er nog regelmatig op uit om kruiden te verzamelen. Kruiden kweken doet hij zo min mogelijk, al is het voor een product vanwege de grote vraag wel nodig: zijn thee tegen suikerziekte.
Hongaren nemen geneeskrachtige kruiden serieus. Iedere apotheek heeft naast gewone medicijnen geneeskrachtige thee voor allerlei kwalen te kopen en iedere wat grotere plaats heeft wel een 'bio-apotheek' waar je kruidenmengels en kruidendrankjes kunt kopen. Huisartsen schrijven kamillethee voor als geneesmiddel tegen alle kwalen.
Toch, vreest Szabo, is zijn kennis aan het uitsterven, want er zijn nog maar een paar mensen die zoveel van kruiden weten als hij. Hij probeert dan ook zoveel mogelijk door te geven, via boeken, maar ook via lezingen die hij in ziekenhuizen en universiteiten houdt.

SUIKERZIEKTE

Enkele jaren geleden liep Szabo een oude schoolvriend tegen het lijf, die al jaren bleek te worstelen met suikerziekte. Naar aanleiding van diens symptomen en met behulp van een recept dat hij geerfd had van een familie van kruidengenezers ontwikkelde Szabo een speciale thee voor suikerziektepatienten die ervoor dat zijn vriend's bloedsuikerspiegel stabiliseerde en diens klachten grotendeels verdwenen.
De thee zorgt er volgens Szabo ondermeer voor dat de opname van glucose door het lichaam geleidelijker plaatsvindt, waardoor pieken en dalen in de bloedsuikerspiegel worden voorkomen. De Diabess-thee is inmiddels het succesnummer van Pharmaherb, het bedrijfje dat Szabo enkele jaren geleden samen met zijn dochter Zsuzsa oprichtte. De resultaten zijn verbluffend, zegt hij. Vooral bij mensen met diabetes 2 heeft de thee enorm effect, maar ook mensen met diabetes 1 profiteren ervan, zegt hij.
Szabo zou zijn thee graag wetenschappelijk laten onderzoeken, maar mist daartoe het geld. Wel heeft hij van het Hongaarse Nationale Geneesmiddelen Instituut het groene licht gekregen, omdat een dergelijke thee nergens anders op de wereld wordt gemaakt. Bijeffecten heeft de thee niet, zegt hij. Baat het niet, schaden doet het in ieder geval ook niet.

zondag 4 mei 2008

GEWONNEN

"Met vreugde deel ik u mee dat uw zoon een plaats op onze school gewonnen heeft." Gewonnen, het staat er echt: onze zoon is niet gewoon toegelaten, hij heeft zijn plek gewonnen.
Zo voelt het ook, als een overwinning. Op wat, weer ik niet precies. Op een schmimmig, ongrijpbaar systeem, waar je als ouder en kind geen enkele grip op hebt, en waarvan je voortdurend het gevoel hebt dat er van alles wordt geritseld en gerommeld.
Zelfs als dat gevoel niet terecht zou zijn, is de toelating tot de middelbare school zo'n ondoorzichtige procedure dat je er niet aan ontkomt. En dat is meestal een veeg teken, want ondoorzichtige procedures vrágen om gerommel en geritsel, zeker in een situatie waar de vraag groot en het aanbod schaars is.
Hongarije heeft, zo kritiseerde een of ander EU-rapport onlangs ook, een buitengewoon gespleten schoolsysteem. Er zijn enkele topscholen, waar iedereen zijn kind graag naar toe ziet gaan, omdat die de beste garantie geven op een goed eindexamen en dus toelating tot een goede universiteit. Daarbuiten is er een groot aantal scholen waarvan de resultaten aanzienlijk minder zijn.
Die goede scholen concentreren zich, hoe kan het anders in zo'n centralistisch land als Hongarije, vooral in Boedapest. Het gaat om zo'n tiental scholen, met een zeer beperkt aantal plaatsen, waar zich honderden leerlingen om verdringen.
In februari deed onze zoon zijn schriftelijke toelatingsexamen. Er leek geen wolkje aan de lucht: met negentig van de honderd punten leek het mondelinge examen een formaliteit en een plek op een van de goede scholen verzekerd, zeiden zijn leraren en al onze vrienden die in het onderwijs zaten.
Het liep anders. Op alle drie de scholen waar we hem voor het mondeling hadden opgegeven, belandde hij op de wachtlijst. Op zich geen ramp, want er verschuift nog heel wat: alle kinderen zijn op meerdere scholen ingeschreven, en de echte goede leerlingen zie je op alle scholen ergens bovenaan eindigen, terwijl ze uiteindelijk maar naar één school toekunnen. Maar hij stond overal op een plaats waarvan nog maar twijfelachtig was of hij het ooit zou halen.
Wat er fout ging, en of er iets fout ging, weten we niet, want je krijgt van die mondelinge examens geen uitslag. Het blijft dus totaal duister op basis waarvan een kind het goed of slecht gedaan heeft, wat niet alleen voor ons, maar ook voor onze zoon erg onplezierig en demotiverend was.
De directeur van een van de scholen waar we onze zoon hadden ingeschreven, was de broer van Gyula, een goede vriend van ons. Gyula greep dan ook prompt naar de telefoon. "Jammer dat je pas na het mondeling belt, anders had ik makkelijk wat kunnen doen," was het antwoord van zijn broer, die eraan toevoegde dat we maar terug moesten bellen, mocht onze zoon onverhoopt nergens worden opgenomen.
Dat was aan de ene kant prettig om te weten, maar voelde aan de andere kant niet lekker. Wel erg Hongaars, een kruiwagen, maar dat was ook precies wat ons in de hele procedure dwars zat: het gevoel dat het niet puur om de prestatie meer ging, maar dat we moesten opboxen tegen allerlei kruiwagens. Eén van de scholen schreef dat eigenlijk al op zijn website: kinderen van ouders en grootouders die ook al op de school hadden gezeten, hebben de voorkeur. Daar kun je als nieuwkomer in een land niet tegenop, nietwaar?
Hongaren zijn er zelf van overtuigd dat er bij de toelating corruptie in het spel was. De zuster van een vriendin riep, toen ze hoorde op welke scholen we onze zoon hadden ingeschreven, over één school: oh daar, daar komt-ie nooit op, daar kom je alleen op met protectie.
Laat dat nou precies de school zijn waar hij wel toegelaten is. Zonder telefoontje, zonder kruiwagen. Gewoon, omdat hij zijn plek heeft 'gewonnen'. Al weten we nog steeds niet precies hoe, we zijn er in ieder geval erg blij mee.

vrijdag 2 mei 2008

AFSCHEID

Fietsend door de straat passeer ik tientallen feestelijk en stemmig geklede mensen, allemaal met een peperduur boeket in hun handen, allemaal op weg naar hetzelfde doel. Een begrafenis? Daarvoor kijken ze te vrolijk. Een huwelijk? Dan neem je als gasten toch niet allemaal bloemen mee?
Pas 's middags, als ik op straat groepjes meisjes en jongens in witte bloezen en zwarte rokken of broeken zie lopen, valt het kwartje: ballagás! Het jaarlijkse afscheid van de hoogste schoolklassen, een hele gebeurtenis die merkwaardigerwijs vóór het echte eindexamen plaatsvindt.
Dat zegt iets: het examen is echt het einde van je schooltijd, zakken is niet mogelijk, je kunt hooguit zo'n belazerd resultaat halen dat je er verder weinig mee kunt, maar het eindexamenjaar nog een keertje overdoen zit er niet in.
In Hongarije ga je niet ongemerkt van school af. De ballagás is een uitgebreid feest, niet onvergelijkbaar met andere mijlpalen in het leven zoals de eerste communie voor katholieke kinderen, de verloving of het huwelijk. En zoals bij zo'n mijlpaal hoort, moet de portemonnee flink open worden getrokken.
Om te beginnen moet de school worden versierd, al is daar voor de portemonnee wel een mouw aan te passen: de ballagás valt samen met de bloei van de seringen, en seringen lenen zich goed voor versiering en groeien bovendien overal langs de kant van de weg. Die struiken moeten het dan ook behoorlijk ontgelden.
Onderdeel van de feestelijkheden zijn uiteraard veel toespraken met roerende herinneringen, maar ook een rondgang door de hele school, waarbij de vertrekkende leerlingen worden toegezongen met uiterst droevige liederen die duidelijk maken dat ze op de drempel staan van het ernstige leven. Aan het einde van dat alles geven de ouders hun kind een bloemenboeket, en aangezien niemand voor iemand anders onder wil doen, wordt voor zo'n boeket al snel 5000 forint, pakweg 20 euro, neergeteld.
Alle eindexamenleerlingen dragen op die dag dezelfde kleding. Je kunt als jongen al een goed pak in de kast hebben hangen, als dat niet hetzelfde is als dat van je klasgenoten, zal er toch een nieuw pak moeten komen. En nette schoenen, uiteraard. Voor je het weet, bent je een paar honderd euro verder.
Goede gewoonte is dat er van iedereen een foto wordt gemaakt, die samen met de foto's van de klasseleraren op een feestelijk bord worden geplakt en ergens in de hal van de school komen te hangen. Bij oude scholen geven die borden een mooi overzicht van wat in de loop der jaren mode was: alle jongens met lang haar, alle meisjes met een suikerspin op hun hoofd. Kosten: al snel 40 euro per leerling.
Sommige scholen organiseren ter gelegenheid van de ballagás een speciaal bal. Daar kun je je uiteraard niet vertonen zonder danslessen te hebben gehad én je hebt er bovendien een baljurk, dan wel smoking voor nodig. Zelfs als je die huurt, komen de totale kosten van dat feest op vele honderden euro's uit.
En dan is het nog de gewoonte om met de hele klas uit eten te gaan, waarbij de leerlingen ook al hun leraren uitnodigen. Tal van restaurants bieden er arrangementen voor aan, vanaf zo'n 15.000 forint, 60 euro per persoon.
En al dat geld ben je kwijt, voordat je weet of er eigenlijk wel iets te vieren valt. Want in het Hongaarse onderwijssysteem worden velen geroepen, maar slechts een enkeling wordt uitverkoren. Met een matig eindexamen is de kans op een plaats op de universiteit dan ook tamelijk klein.

maandag 21 april 2008

ENGELS? WIE IS DAT?

Een tijd geleden stond op de hoek van de Andrassy út in Budapest een toerist wanhopig op zijn kaart te staren. Op mijn vraag of ik kon helpen, wees hij op de plattegrond: waar de Népköztársaság út toch was. Mijn opmerking dat het een lange tijd geleden moest zijn geweest dat hij voor het laatst in Budapest was, moest hij beamen: ergens eind jaren tachtig. Een nieuwe kaart zou geen overbodige luxe zijn, zei ik en legde hem uit dat tal van straten, inclusief de niet uit te spreken Straat van de Volksrepubliek, al lange jaren geleden van naam waren veranderd.
Maar niet overal. Het dagblad Népszabadság is er eens ingedoken, en kwam in tal van Hongaarse dorpen nog fraaie communistische restanten tegen. De vader van de communistische ideologie, Karl Marx, wordt ondermeer in Békescsaba, Dunaújváros en Pécs nog met een straatnaam geëerd. Naar Marx is overigens, maar dat even tussen haakjes, ook in zijn geboortestad, het Duitse Trier, een straat vernoemd.
Ook de naam Marx' naaste medewerker, Friedrich Engels, is in meerdere gemeenten terug te vinden, en er zijn maar liefst tien plaatsen waar je nog een Leninstraat of -weg vindt.
Stalinstraten hebben het communisme niet overleefd, en ook Rode Legerstraten zijn er nog maar weinig, maar de stalinistische ideologie leeft voort Székkutas, waar de mijnwerker Stachanov, die in de jaren dertig en veertig alle arbeiders in communistische landen ten voorbeeld werd gesteld, nog steeds een straatnaambordje heeft.
In Bükkszenterzsébet zijn nog steeds mensen die in de Komsomolstraat wonen, hoewel een groot deel daarvan waarschijnlijk geen idee meer heeft dat dat ooit de Russische communistische jeugdorganisatie was.
Ook de kortstondige Hongaarse Radenrepubliek blijkt niet helemaal in de vergetelheid geraakt te zijn, of juist wel: de kans is groot dat de Radenrepubliekstraat, de Béla Kunstraat of de Jenő Landlerstraat simpelweg nog zo heten, omdat nog maar weinig mensen weten wie Béla Kun of Jenő Landler (beiden leiders van de revolutie van 1919) precies waren.
Aan de andere kant: blijkbaar stoort het mensen simpelweg niet. Dat geen van de plaatselijke activisten van de rechtse oppositiepartij Fidesz weet wie Friedrich Engels was, lijkt toch onwaarschijnlijk. Toch heeft die partij nooit de moeite genomen de burgemeester van Mosonmagyaróvár, een partijgenoot, te vragen iets te doen aan de naam van de straat waar het lokale Fidesz-partijkantoor is gevestigd.
Misschien overheerst een in de Hongaarse politiek helaas te zelden voorkomend pragmatisme. Het veranderen van straatnamen kost namelijk een klauw met geld. Geld dat veel gemeenten ongetwijfeld beter kunnen besteden.

woensdag 16 april 2008

NEDERLANDSE HOLOCAUSTSTRIP IN HONGAARSE KLAS

Waren mensen die wegkeken tijdens de Jodenvervolging mede verantwoordelijk? De klas aarzelt. Niet, vinden ze uiteindelijk, maar lerares Zsuzsa Holti vindt dat te simpel: ,,Hitler is niet in één keer aan de macht gekomen. Hij had in Mein Kampf al geschreven hoe hij over de joden dacht. Het antisemitisme rukte stapje voor stapje op. Iedere keer als mensen wegkeken en niets deden, werd het wat brutaler.’’
Ze trekt de vergelijking met Hongarije nu, waar de paramilitaire, extreemrechtse Magyar Garda af en toe anti-zigeunerbijeenkomsten houdt. ,,Ze zijn nu nog voorzichtig, maar als wij wegkijken en ze hardhandiger worden, zijn wij dan niet mede verantwoordelijk?’’
Het is de laatste les die klas acht van de Darus utcai lagere school in Boedapest over de Holocaust krijgt. Net als veertien andere Hongaarse geschiedenisleraren gebruikt Holti dit voorjaar in plaats van het Hongaarse lesboek de in het Hongaars vertaalde Nederlandse strip ‘De Zoektocht’, een uitgave van de Nederlandse Anne Frankstichting.
Het is het verhaal over Esther en Bob die in het concentratiekamp belanden en over hun kleinkinderen die na jaren van zwijgen voor het eerst het hele verhaal horen en er via het internet voor zorgen dat ze elkaar weer terugvinden. De strip werd oorspronkelijk geschreven als lesmateriaal voor Nederlandse scholieren. ,,Op Nederlandse scholen was de strip een groot succes,’’ zegt Julia Sarbo van de Anne Frankstichting. Dat was aanleiding om hem in het Duits, Pools en Hongaars te vertalen en uit te testen of hij daar ook als lesmateriaal dienst kan doen.
Het is wat vreemd om de klas te horen struikelen over namen als Jeroen en Et wan Tien (Ed van Tijn). Lerares Holti zegt dat ze aanvankelijk wat bedenkingen had dat de strip in Nederland speelde. Hongarije wordt in pakweg twee plaatjes genoemd. Maar voor de leerlingen blijkt dat geen enkel bezwaar om zich in te leven in het verhaal. ,,Mensen zijn mensen’’, zegt leerlinge Betti Szegedi.
De Holocaust is normaal de moeilijkste les van het jaar, vindt Holti. Het officiële lesprogramma trekt er welgeteld één uur voor uit en het normale lesboek somt alleen maar gortdroge feiten op waarin het menselijke drama zoveel ontbreekt. Dat heeft er alles mee te maken dat de Hongaren nog steeds grote moeite hebben met de rol van hun land in de Tweede Wereldoorlog. ,,Moderne geschiedenis is sowieso een gevoelig onderwerp,’’ meent Holti, ,,De opstand van 1956 wordt ook maar heel kort behandeld.’’
Ze wijdde in het totaal vier lessen aan de strip. De eerste les verdeelde ze de klas in blonde en donkerharige kinderen. De donkerharige werden onverschillig behandeld, mochten niet op de computer en kregen de strip aanvankelijk niet uitgereikt. Dat leidde tot interessante reacties, zei ze: ,,De donkerharigen waren totaal geschokt, één blonde jongen erkende dat het hem wel een zeker machtsgevoel had gegeven.’’
Behalve dat de leerlingen over de Holocaust leerden, waren de lessen regelmatig aanleiding voor morele discussies. Veel kinderen waren verontwaardigd over een scene waarin iemand in het kamp het brood van een ander steelt. ,,We hebben het er toen over gehad dat hoe makkelijk zo’n oordeel is als je een volle buik hebt.’’
Dat de lessen een doorslaand succes waren, blijkt uit de reactie van de leerlingen op de vraag of ze vier lessen over de Holocaust niet wat veel vonden. ,,Nee,’’ klinkt het als uit één mond. En als Holti daarop voorstelt de week erop twee extra lessen te geven, stemt de hele klas volmondig in.

vrijdag 11 april 2008

ONTSPANNEN

Het oude mannetje dat voor me in het steegje loopt, blijft staan en kijkt me vragend aan. Of ik weet wat een internetcafé is, vraagt hij, terwijl hij met zijn hoofd in de richting van de 'Matrix' knikt. Ik leg het hem uit. Of ik daar ook wel eens kom? Niet echt, zeg ik, ik heb thuis een computer, waarmee ik het internet op kan.
Ik ben geen Hongaarse, constateert hij geinteresseerd. Een kwartier later, en een heel gesprek over de Nederlandse, Duitse en Engelse taal verder, zeg ik dat mijn boodschappen langzamerhand wat zwaar worden. Hij kijkt wat schuldbewust, stelt zich nog even aan mij voor en loopt de hoek om.
Ik heb, in Hongarije althans, nog nooit zoveel met wildvreemden gepraat als sinds onze verhuizing naar Vác. In Budapest waren de mensen meestal vriendelijk, maar gereserveerd, maar hier lijkt iedereen op een praatje uit te zijn. Zelden loop ik een hele wandeling met mijn honden zonder met iemand een babbeltje gemaakt te hebben.
Die toeschietelijke houding strekt zich ook tot onze honden zelf uit. Al weken heb ik niemand uit de verte horen roepen 'is het een jongen of een meisje?'. Pakweg de helft van de hondenbezitters die we in de bergen rond Budapest tegenkwamen, wilde dat weten. Vervolgens ging hun hond aan de riem, want stel....
Als twee honden hier een keer mot met elkaar krijgen, halen de eigenaren hun schouders meestal op. Dat hoort nu eenmaal bij honden. De enige uitzondering was de keer dat onze jongste hond een of ander miniatuurhondje geheel en al in de bek had genomen, niet kwaadaardig, maar omdat het zulk leuk speelgoed leek. Dát was niet de bedoeling, meende de eigenares.
Bij hondenloze wandelaars was het in Budapest eerder regel dan uitzondering dat iemand in het gezelschap hysterisch begon te gillen omdat zij (meestal een zij, inderdaad) bang was voor honden, en of ik dat beest aan de riem wilde nemen.
Nu kan het natuurlijk zijn dat mensen die bang zijn voor honden niet gaan wandelen in het park voor onze deur, simpelweg omdat er teveel honden rondlopen. Maar de enige keer tot nu toe dat ik mee heb gemaakt dat iemand (klein, pakweg vier jaar oud) bang reageerde op mijn hond, keek de moeder niet mij bestraffend aan, maar zei ze kalmerend tegen het kind: je hoeft niet bang te zijn, die hond wil je niets doen.
De rest van de mensen is allemaal even vertederd over de vrolijk kwispelende aandacht die onze hond hun geeft, zodat mijn pogingen haar op dit gebied enig fatsoen aan te leren, op iedere wandeling twintig keer worden getorpedeerd.
Zelfs de lokale burocratie is ontspannener. Toen we ons onlangs gingen inschrijven, moesten we aan de hand van ons koopcontract aantonen dat wij inderdaad een onderkomen hier hadden. Pas op het kantoor viel op dat de advocaat wel het kadasternummer, maar niet het adres op dat contract had vermeld.
Dat wordt dus een gang naar het kadaster, dacht ik somber, maar de dame die ons hielp, pakte de telefoon. 'Luister, Gabi, mijn lieve, ik heb hier twee mensen die zich in komen schrijven, en.... Zou jij even kunnen opzoeken wat het huisnummer is dat er bijhoort?... Dank, puszi.' En tien minuten later hadden we onze woonadreskaart en waren we officieel inwoners van Vác.

maandag 7 april 2008

VERKEERSCHAOS

We zijn lekker thuis gebleven vandaag, dus van de verkeerschaos in Budapest hebben we niets meegekregen. Ook onze zoon kon met onbezwaard hart in zijn bed blijven liggen, want zijn school had zondagavond al aangekondigd dat er alleen toezicht zou zijn, geen les, omdat een deel van de leraren zonder openbaar vervoer onmogelijk naar zijn werk kon komen. Met een beetje mazzel (voor hem dan), herhaalt zich dat volgende week: dan gaat het openbaar vervoer in Budapest misschien de hele dag plat.
Dat veroorzaakt ongelooflijk veel overlast voor de reizigers, maar Gábor Nemes, vertegenwoordiger van de stakers zegt te rekenen op hun solidariteit: het zijn, aldus Nemes, niet de stakingen die voor de passagiers problemen veroorzaken, maar de al vijftien jaar niet kloppende financiering van het Budapester openbaar vervoer.
Nou kun je veel zeggen van het Budapester openbaar vervoer, maar één ding zeker niet: dat je als reiziger tot nu toe veel last hebt van de financieringsproblemen. Die zijn tot nu toe namelijk consequent op de schatkist afgewenteld.
Financieel mag het een puinhoop zijn, maar Budapest is gezegend met een uiterst effectief openbaar vervoer systeem, met een ongelooflijke frequentie op veel lijnen: metro's die in de spits om de anderhalve minuut rijden, en dat geldt ook voor belangrijke tramlijnen zoals de tram over de Grote Ring. Ook op belangrijke busroutes rijden de bussen dan af en aan. Ik merk vaak dat Budapesters nauwelijks besef hoe goed het is. Die kankeren vooral op de oude bussen op sommige lijnen.
Dat ze het systeem desondanks waarderen, blijkt daaruit dat die metro's en trams in de spitsuren uitpuilen, een teken dat mensen gelukkig nog steeds veel gebruik van het openbaar vervoer maken, ondanks het feit dat de prijzen de pan uitrijzen. Regelmatige reizigers hebben een abonnement, dat maakt de zaak betaalbaar, maar zonder dat is Budapest een steeds duurdere stad om de tram te nemen. Praag, een stad met een even goed openbaar vervoer, heeft goedkopere tickets, en toch schijnt het lokale openbaar vervoerbedrijf niet in de schulden te verdrinken. Blijkbaar heeft het ook een beter managment.
Dat managment heeft de financieringsproblemen jarenlang op dezelfde manier opgelost: door ze simpelweg op de schouders van de belastingbetaler af te wentelen. Vanwege de bezuinigingen heeft de regering de voet op de rem gezet, maar eigenlijk had de burger dat al veel eerder moeten doen. Die betaalt al jaren dubbel: met hele dure BKV-kaartjes en via de belasting. Maar dat belasting net zo goed uit je eigen zak komt, daar staan maar weinig mensen bij stil.
Dat verklaart het gemak waarmee meneer Nemes verwacht dat de burgers van Budapest solidair zijn met stakers, die de financiele problematiek nog steeds simpelweg willen oplossen door de staat alle schulden kwijt te laten schelden en volgend jaar met méér geld over de brug te laten komen.
Dat er méér nodig is dan dat, is overduidelijk, hoe pijnlijk dat ook is voor het personeel. Als dat zou staken voor vervanging van de BKV-top, zou ik het volledig begrijpen. Die top had er al jaren geleden uit moeten vliegen. Maar staken om alles bij het oude te houden en de kosten op de burger af te wentelen, is wat simpel.