zondag 28 juni 2009

DAKLOZEN

Volgens recente schattingen zijn zo'n 25.000 tot 35.000 Hongaren dakloos. Vrijwel iedere Hongaar die ik ooit over dat probleem heb gesproken, denkt dat het aantal daklozen de afgelopen jaren enorm is gestegen en wijt dat aan de slechte economische omstandigheden. Dakloos worden is naast je baan verliezen voor veel Hongaren dan ook het schrikbeeld van de economische crisis.
Nu herinner ik me uit het begin van de jaren negentig ook daklozen, maar of het er meer of minder waren dan nu, daar durf ik niets over te zeggen. Maar het daklozenprobleem blijkt al veel ouder te zijn dan de systeemwisseling. Volgens een in 1980 gehouden volkstelling leefden op dat moment 120.000 Hongaren niet in een echte woning. 90.000 van hen woonden in weinig opwekkende arbeidershotels, waar ze met een aantal man een spartaanse kamer deelden.
Een deel van die mensen had wel een woning, maar die zover van hun arbeidsplaats vandaan dat ze hun familie thuis moesten achterlaten. Echt dakloos waren ze weliswaar niet, maar het scheelde niet veel. Dat was een van de prijskaartjes was die aan de socialistische garantie op een baan hing. Je had immers niet alleen een werkgarantie, maar ook een werkverplichting. En als je in eigen dorp of direct in de buurt geen baan kon vinden, was een baan ver van huis en een leven in een arbeidershotel de enige oplossing.
Volgens diezelfde volkstelling waren er in 1980 ook nog eens 30.000 mensen die in een garage, hut of grot leefden. Een deel van hen had ook een baan, hoewel in deze groep ook mensen waar zelfs het socialisme geen raad mee wist. In de jaren daarna zou het daklozenprobleem alleen maar toenemen, omdat een aantal arbeidershotels dichtging. Een studie uit 1987 schatte het aantal daklozen op 30.000 tot 60.000, en eind 1989 was er sprake van 45.000 mensen zonder eigen huis.
Ook nu heeft een deel van de daklozen wel degelijk een huis, alleen niet op de plaats waar ze leven. Er is nog steeds een groep mensen die uit hun dorp zonder enig perspectief op werk naar de stad trekken in de hoop daar iets te vinden. Bij gebrek aan sociale woningbouw komen ze vaak op straat of op zijn best in een daklozenopvang terecht.
Het idee dat het aantal daklozen is toegenomen komt misschien daardoor dat ze zichtbaarder zijn dan vroeger. Het Maltezer Kruis en andere hulporganisaties hebben bijvoorbeeld dagelijkse soepkeukens op diverse punten in de stad, waar zich rond etenstijd hele menigtes verzamelen, niet alleen daklozen trouwens, maar ook bejaarden die op die manier hun pensioentje oprekken.
Bovendien blijkt de mentale en fysieke toestand van de daklozen te verslechteren. Een veel groter deel van de daklozen dan vroeger heeft psychiatrische problemen of is alcoholist. Dat is ook de groep die zich niet aanmeldt voor de daklozenopvang die Budapest wel degelijk kent. Iedere ncht blijkt een deel van de bedden in die opvang leeg te staan. In het merendeel van de opvangplaats is alcohol verboden, en dat houdt verstokte drinkers buiten de deur en op de straat en in de metrostations.
Overigens is de angst van Hongaren om dakloos te worden niet helemaal irreeel. Eind vorig jaar schatte Miklós Vecsei van het Maltezer Kruis dat zo'n 3 miljoen mensen op de drempel van de dakloosheid leven. Dat cijfer is zeer ruim genomen: Vecsei telde daarbij mee iedereen die een hypotheek op zijn woning heeft, in onderhuur zit of bij familie leeft.
Maar wie een hypotheek heeft en zijn baan kwijtraakt, heeft inderdaad een serieus probleem. Volgens de directeur van een opvanghuis in Budapest melden zich tegenwoordig haast iedere dag wel mensen aan die werkloos zijn geworden en daardoor ook hun huis zijn kwijtgeraakt.

maandag 22 juni 2009

HOOGSTE RECHTER

Het is gelukt. Hongarije heeft weer een voorzitter van het Constitutionele Hof, de hoogste rechtbank van het land, die ondermeer toetst of parlements- en regeringsbesluiten wel voldoen aan de grondwet. De post was sinds het vertrek van de vorige voorzitter Zoltán Lomnici juni vorig jaar juni onbezet. Tot vier keer toe stemde het parlement tegen de kandidaat die president Solyom had voorgedragen. En daarmee bleef het Hof, dat in Hongarije een beetje dezelfde functie heeft als in Nederland de Eerste Kamer, zonder voorzitter.
Ironisch genoeg was András Baka, de kandidaat die er bij de vijfde stemronde eindelijk in slaagde voldoende stemmen achter zich te krijgen, dezelfde man die in juni 2008 door een meerderheid van het parlement werd afgewezen. Het waren destijds de socialisten die tegen hem stemden. Ze stonden daarin niet alleen. Eerder had ook het Nationale Juridische Comité, een orgaan dat ondermeer bestaat uit rechters, de minister van justitie en de hoofdofficier van justitie hem hadden afgewezen wegens gebrek aan ervaring in het Hongaarse juridische systeem. Baka had op dat moment 17 jaar doorgebracht bij het Europese Hof voor Mensenrechten in Straatsburg.
Dat comité is er natuurlijk niet voor niets, maar dat weerhield de president er niet van om Baka toch voor te dragen. Zonder overleg met het parlement. Want van overleg en compromissen houdt Solyom niet. Op zijn Nederlands polderen zou hem slecht afgaan. Het is zijn recht om voor te dragen wie hij wil, en dat doet hij dus. Het is ook het recht van het parlement zo'n keuze af te wijzen, zoiets noem je democratie, maar als het dat ook doet, reageert de president, die zelf overigens oud-voorzitter van het Constitutionele Hof is, inmiddels met voorspelbare verontwaardiging.
Dat gebeurde dus ook toen zijn tweede keuze werd afgewezen: de juriste Mária Havasi. Wat tegen mevrouw Havasi pleitte, was dat ze geen buitenlandse taal spreekt, wat op zo'n toppositie in het huidige tijdsgewricht inderdaad wel wat merkwaardig is. Je mag toch verwachten dat een rechter in zo'n functie ook in staat is buitenlandse vakliteratuur bij te houden, om maar wat te noemen. Wat ongetwijfeld ook een rol speelde, is dat ze de naam had dicht bij de oppositiepartij Fidesz te staan. Dat geldt trouwens voor de meeste rechters in het Constitutionele Hof.
Dat het parlement mevrouw Havasi afwees, deerde Solyom niet: drie maanden stelde hij haar simpelweg nog een keer kandidaat. Toen ook dat faalde, pruilde de president, maar hij week niet van zijn standpunt: hij had het recht een kandidaat te benoemen, en van overleg met het parlement om uit de impasse te komen, kon geen sprake zijn.
Een week geleden kwam Solyom tot veler verbazing opnieuw met Baka op de proppen. Ditmaal, betoogde hij, had zijn kandidaat wel voldoende ervaring in Hongarije, aangezien hij daar sinds een jaar als jurist werkt. De socialisten vonden er wat in zitten en verklaarden zich bereid ditmaal Baka te steunen. Maar toch werd hij in een geheime stemming afgewezen. Solyom was ziedend, en verklaarde dat ,,het geen zin heeft om een kandidaat te stellen met dit parlement!''
Oppositiepartij Fidesz deed alsof haar neus bloedde en gaf de socialisten de schuld van het nieuwe debakel, want waarom zou Fidesz, die vorige keer toch ook voor Baka had gestemd, nu tegen hem zijn? Nu is Baka voor zover bekend geen Fidesz-sympathisant, en als hoogste rechter kan hij straks een lastig obstakel worden voor een eventuele Fidesz-regering, net zoals het Constitutionele Hof nu vaak een struikelblok is voor het socialistische kabinet.
De vraag is dus de partij ooit wel echt voor de rechter uit Straatsburg is geweest. Maar een jaar geleden wist Fidesz dat de socialisten tegen hem zouden stemmen, dus konden ze veilig voor hem stemmen om bij de president in een goed blaadje te blijven. Inmiddels zou het ze goed uit zijn gekomen als de zetel nog een jaartje leeg was gebleven.
Na de volgende verkiezingen uiterlijk volgend jaar mei is Fidesz zonder enige twijfel sterk genoeg om op die post benoemd te krijgen wie ze maar willen. Niet onbelangrijk, want een belangrijke taak voor de nieuwe opperrechter wordt de hervorming van de rechtelijke macht in Hongarije. Iemand die gepokt en gemazeld is in Europese mensenrechten heeft daar misschien toch andere ideeën over dan een Fidesz-kandidaat.
De socialisten, die heel goed wisten dat zij ditmaal niet schuldig waren, stelden Solyom voor Baka opnieuw te kandideren, en kwamen bovendien met het voorstel een open stemming te organiseren. En waarempel, de president luisterde en stemde toe. Veelzeggend genoeg weigerde Fidesz overigens mee te werken aan een openbare stemming. Maar blijkbaar durfde de fractie dezelfde truc niet twee keer uit te halen: ditmaal stemde vrijwel het hele parlement voor de presidentiële kandidaat.

zaterdag 20 juni 2009

NIEUW STADHUIS MET HOLLANDSE INSLAG

Na jaren van plannen maken, plannen verwerpen en nogmaals plannen maken heeft de gemeenteraad van Boedapest eindelijk een besluit genomen: de Nederlandse architect Erick van Egeraat mag het nieuwe stadhuis in het hart van de stad gaan bouwen. Zijn succes staat niet op zich. Nederlandse architecten zijn opmerkelijk succesvol in de Hongaarse hoofdstad.
Erick van Egeraat is haast twintig jaar in Boedapest actief en veel jonge Hongaarse architecten zijn ooit bij hem begonnen. Hij won een nationale prijs voor een restauratieproject op de Andrássy út en zijn ontwerp van het Hongaarse hoofdkantoor van de ING Bank is in menige toeristengids opgenomen als opmerkelijk voorbeeld van moderne architectuur in de hoofdstad.
Dat zal in toekomst ongetwijfeld ook gaan gelden voor het ontwerp van Kas Oosterhuis, die de renovatie van een oud industrieel complex langs de Donau combineerde met een enorme, futuristisch aandoende bolle glasconstructie. Van Egeraat, die Oosterhuis’ ontwerp als jurylid moest beoordelen, vindt de acceptatie van het plan typerend voor de Hongaarse denkwijze over architectuur. ,,De houding tegenover moderne architectuur is heel positief en open. Er is echt waardering voor dingen die anders zijn,” zegt hij.
Even dreigde een faillissement Van Egeraat’s stadhuisplannen te dwarsbomen. ,,Een direct gevolg van de crisis,” zegt de architect, ,,Maar we hebben gelukkig een doorstart kunnen maken en dat deze opdracht nu doorgaat, is natuurlijk buitengewoon gelukkig.”
Zijn ontwerp is meer dan een simpele uitbreiding van het bestaande stadhuis, een kazerneachtig voormalig militair hospitaal uit de 18de eeuw. In plaats van een louter bestuurlijk gebouw kwam hij met een Hongaarse variant van de Amsterdamse Stopera: een multifunctioneel complex, dat naast het gemeentehuis plaats biedt aan cultuur, winkels, kantoren en woningen en een directe verbinding heeft met de nabijgelegen metro.
“Het is zo opgezet dat functies kunnen verschuiven. Mocht de omvang van het gemeentebestuur inkrimpen, dan kan een deel van de kantoorruimte gemakkelijk een andere bestemming krijgen,” zegt Van Egeraat. Het ontwerp moet de burger dichter bij het bestuur brengen. Terwijl het huidige stadhuis burgers eerder buitensluit, moet de lichte, open, multifunctionele nieuwbouw juist uitnodigen binnen te komen en komt er bijvoorbeeld ook ruimte voor publieke debatten.
Behalve een oud theater, dat in een nieuwe vorm een plek krijgt in het complex, hoeft er niets gesloopt te worden. Het is uniek, zegt Van Egeraat, dat een grote stad op zo’n centraal punt nog de ruimte heeft voor dergelijke omvangrijke nieuwbouw. Het is ook een gouden gelegenheid. Boedapest heeft geen geld voor een nieuw stadhuis, maar de plannen kunnen gefinancierd worden uit de verkoop van de commerciële delen van het complex.
Van Egeraat noemt zijn ontwerp pragmatisch. Dat blijkt uit de flexibiliteit, maar ook uit de manier waarop het plan rekening houdt met de omgeving en met de functie van het plein voor het stadhuis als verbinding tussen het stadscentrum en de oude joodse wijk.
Dat pragmatisme is typerend voor Nederlandse architecten, denkt hij. ,,Andere inzendingen waren veel meer op zichzelf staande gebouwen zonder directe relatie met de omgeving. In steden als Wenen en Boedapest is een gebouw meer een op zichzelf staande eenheid, wat die steden ook een zekere strengheid geeft. Wij zijn juist geneigd om veel rekening met de omgeving van een bouwwerk te houden. Soms misschien wel te zeer,” zegt hij.
Ook Dick Sikkes van architectenbureau Roeleveld-Sikkes ziet de aanpak waarbij stadsontwikkeling vanzelfsprekend deel uitmaakt van het architectonische ontwerp, als een belangrijk punt waarop Nederlandse architecten zich onderscheiden. Zijn bureau is in Boedapest ondermeer betrokken bij een stadsvernieuwingsproject en de ontwikkeling van een businesspark. Elders in Hongarije bouwt Sikkes een restaurant en parkeergarage bij het historische Pannonhalmaklooster.
,,Dat gebouw staat op de UNESCO-Werelderfgoedlijst, maar de abt kiest bewust voor moderne architectuur omdat het volgens hem bij de ontwikkeling van het gebouw hoort dat iedere eeuw sporen nalaat die bij de tijd passen,” aldus Sikkes. ,,Datzelfde zie je in Boedapest. Nederlanders hebben de neiging om oude stadscentra zo veel mogelijk bij het oude te laten. Maar in Boedapest zien ze het centrum een gebied dat zich architectonisch blijft ontwikkelen. Dat verklaart de Hongaarse openheid voor nieuwe ideeën.”

zondag 14 juni 2009

STOFZUIGERS

Wat zeggen stofzuigers over de stand van zaken in de Hongaarse economie? Meer dan je zou denken. Ik kocht mijn eerste Hongaarse stofzuiger in 1992. Nou ja, het was geen Hongaars product, maar een Tsjechisch, maar het was wel het gangbare model dat je toen overal in de winkels zag. Het apparaat had de hoekige vorm van een casinobrood, bleef dus achter iedere stoelpoot steken, had die vage kleur beige die je ook bij Trabanten en andere producten uit de (post-)communistische industrie tegenkwam en zoog voor geen meter. Maar goed, het weekendhuisje waar die stofzuiger voor bedoeld was, moest het er maar mee doen.
Toen in 1998 onze gewone stofzuiger, ooit in Nederland gekocht, na weet ik veel hoeveel jaar trouwe dienst toch wat in kwaliteit begon na te laten, ging die naar het weekendhuis, want hij zoog nog altijd beter dan de Tsjech.
Er kwam een nieuwe stofzuiger, vrolijk modern rood en met een prettige vormgeving waarmee hij makkelijk langs stoelpoten gleed. Wederom geen Hongaars product, maar ditmaal een Duits, dat ook nog claimde ekologisch te zijn, wat dat bij een stofzuiger ook moge betekenen. Hij zoog naar tevredenheid, al hadden we iedere keer wel moeite de stofzuigerzakken te vinden, want voorraadbeheer was - en is - een probleem voor de meeste winkels, zodat de zakken regelmatig op zijn.
De Duitser doet nog steeds dienst, maar door omstandigheden hebben we onlangs een tweede stofzuiger gekocht, ontworpen in Nederland, gefabriceerd in China, ik laat het aan uzelf over om te bedenken welk merk. Het was de duurste stofzuiger uit de winkel, en ik vond het een supermodern ding. Hij zuigt beter dan alle stofzuigers die we ooit eerder hadden, en zachter ook. Een topproduct, dacht ik.
Tot ik een recente Consumentengids zag met een onderzoek naar stofzuigers. De onze staat er ook bij. In Nederland kost hij pakweg net zoveel als in Hongarije, maar de duurste is hij zeker niet. Eerder een van de goedkoopste, en qua prestaties valt hij in de middenmoot.
Het is niet voor het eerst dat ik dat meemaak. Wat in Hongarije tot het duurste marktsegment behoort, is in Nederland meestal een goedkoper product. De goedkoopste producten in Hongaarse winkels tref je op de Nederlandse markt niet eens aan. En niet voor niets, want meestal stellen die echt weinig voor.
Er is één EU, maar nog steeds produceren fabrikanten voor twee markten: de koopkrachtige West-Europese, en de veel minder koopkrachtige Centraal-Europese. Toen ik laatst een nieuwe wasmachine kocht, wilde ik een Nederlandse, of Engelse gebruiksaanwijzing downloaden op het internet, want wat bijgeleverd was, was Hongaars, Tsjechisch, Pools, Slowaaks, Roemeens, Kroatisch, Grieks en Turks. Of iets dergelijks. Nou kom ik ook wel uit de Hongaarse handleiding, maar Nederlands is toch nog steeds makkelijker.
Aanvankelijk leek dat geen probleem. Ik vond de wasmachine die ik zocht, dacht ik. Het typenummer dat vermeld was, week iets af, maar ik ging ervanuit dat het pakweg op hetzelfde neer zou komen.
Maar toen ik de gebruiksaanwijzing beter bekeek, bleken de verschillen toch groter dan ik dacht. Het Nederlandse type was voorzien van een digitaal display en allerlei electronica, de Centraal-Europese variant moest het zonder doen. Dat verklaarde meteen waarom mijn model enkele honderden euro's goedkoper was geweest dan zijn Nederlandse broertje. En de enige gebruiksaanwijzingen die ik voor mijn machine vond, waren allemaal in talen van landen met een minder koopkrachtige markt.
Klaag ik? Zeker niet. De apparaten die tegenwoordig op de markt zijn, zijn over het algemeen onvergelijkbaar veel beter dan wat er twintig jaar geleden in Hongarije te krijgen was. Een Hongaars gastoestel dat ik samen met mijn Tsjechische stofzuiger kocht, kon voor mijn gevoel eigenlijk meteen bij de vuilnis: zodra je de oven gebruikte, zetten de knoppen zodanig uit dat je het gas niet meer uit kon draaien. En de oven brandde zeer onregelmatig en werd gloeiend heet, een probleem dat veel Hongaren oplosten door een paar dakpannen op de bodemplaat te leggen. Daardoor verdeelde de hitte beter.
We zijn dus vooruitgegaan, maar het blijft een tweederangs markt, waar het aanbod nog steeds kleiner is dan in West-Europa. Vandaar dat ik me, twintig jaar na dato, nog steeds erop betrap dat ik bij ieder bezoek in Nederland naast kaas, drop en stroopwafels een hele boodschappenlijst aan andere dingen insla. Maar laat iemand me nou verteld hebben dat ze in Hongarije tegenwoordig óók electrische vliegenmeppers hebben...

woensdag 10 juni 2009

EEN VAT VOL TEGENSTRIJDIGHEDEN

Mensenrechtenactiviste en voorvechtster voor vrouwenrechten. Nationaliste en antiglobaliste. Hoogleraar strafrecht Krisztina Morvai, lijsttrekster van de Hongaarse extreemrechtse Jobbik die zondag bij de EU-verkiezingen uit het niets haast 15 procent van de stemmen binnenhaalde, is moeilijk onder één noemer te vangen. Ze schreef ooit een baanbrekend boek over vrouwenmishandeling in Hongarije. Ze won de Freddy Mercury-prijs voor haar inzet tegen discriminatie van mensen met HIV en AIDS. En nu maakt ze zich sterk om te voorkomen dat Hongarije een nieuw Palestina wordt.

Antisemitisch? Niet als je Morvai moet geloven. Die beschuldiging is goed voor zéér stekelige reacties. Palestina is gewoon een goede vergelijking omdat iedereen dat land kent. ,,De Palestijnen werden ook gedwongen hun land af te staan.’’ Net als de Hongaren nu, vindt Morvai. Zei Simon Peres onlangs niet zelf dat de Israëli’s Manhattan, Polen en Hongarije opkopen? Over een recente email waarin ze een Amerikaanse jood adviseerde om met zijn besneden piemel te gaan spelen, wil ze het niet hebben. Dat was privécorrespondentie en het is schandalig dat die in de openbaarheid kwam.

Ooit was Morvai juriste bij het Europese Hof voor Mensenrechten. Tot 2006 werkte ze bij de CEDAW, de VN-conventie voor eliminatie van alle vormen van discriminatie. Nu steunt ze de Hongaarse Garde, de door de Jobbik opgerichte extreemrechtse geüniformeerde militie die in mei demonstreerde tegen de ‘Holocaustleugen’ en regelmatig door Roma-wijken marcheert en protesteert tegen ‘zigeunermisdaad’.
Morvai vergelijkt de toestand van Hongarije met Zuid-Amerika: een kleine elite die achter hoge hekken woont, zwaar beveiligd door gewapende bewakingsbedrijven, en een groot deel van de bevolking die in bittere armoede leeft en blootgesteld is aan niets ontziende criminelen. En die criminelen zijn volgens de Jobbik vrijwel allemaal van zigeunerafkomst.

Tegenover buitenlandse journalisten noemt Morvai zigeuners evenzeer slachtoffers als daders. Ze heeft oprechte compassie met zigeunermeisjes die als slachtoffers van mensenhandelaars in West-Europa in de prostitutie terechtkomen, en ze zegt groot belang te hechten aan onderwijs voor Roma-kinderen, zodat die de fouten van hun ouders niet hoeven te herhalen. Maar haar oplossing van dat probleem is veelzeggend: in een open brief riep ze joodse scholen in Boedapest op hun deuren te openen voor zigeunerkinderen van het platteland ,,opdat ze elkanders cultuur, gebruiken en gewoonten kunnen leren kennen.”

De Hongaarse Garde omschrijft ze als beschermers van de Hongaarse waardigheid en als verdediging van vreedzame demonstraties tegen de ,,door de dictatuur gestuurde politie.” Bij de herdenking van de Hongaarse opstand in oktober 2006 kwam Morvai met twee van haar drie dochtertjes in een rel terecht, waarbij de politie met traangas en rubberkogels op de menigte inschoot. Ze moest uiteindelijk een portiek invluchten om haar kinderen in veiligheid te brengen.

Het is een gebeurtenis die haar leven heeft bepaald, want sinds die dag zet ze zich in voor de mensenrechten van Hongaren, die volgens haar in eigen land worden verdrukt en worden uitverkocht aan de multinationals. Eerst voerde ze een kruistocht tegen de agenten die verantwoordelijk waren voor het politiegeweld. Let wel, demonstranten pikten die dag een tentoongestelde tank en reden daarmee richting politie, misschien mede een verklaring voor het paniekerige optreden van de voor relbestrijding totaal niet opgeleide agenten.
Hongarije voor de Hongaren was Jobbik’s slogan bij de EU-verkiezingen inging. Dat betekent voor Morvai: een blijvend verbod op de verkoop van landbouwgrond aan buitenlanders. Inperking, of zelfs nationalisering van buitenlandse bedrijven in Hongarije. Een einde aan de globalisering en de dictatuur van de multinationals in Hongarije, die zij verantwoordelijk stelt voor de derde wereld armoede waarin volgens haar een groot deel van de Hongaarse bevolking leeft.

vrijdag 29 mei 2009

EUROPESE CAMPAGNE ZONDER EUROPA

"Verkiezingen, wat voor verkiezingen?" Szandra kijkt me stomverbaasd aan. Ze weet van niets. Ik zie op een lantarenpaal een Fideszaffiche en stop. Nee, die affiches waren haar eerder niet opgevallen. Maar op mijn vraag of ze nu weet waarom ze 7 juni week naar de stembus zou moeten, schudt ze haar hoofd. Geen wonder, want dat het bij deze verkiezingen om het EU-parlement gaat, staat nergens.
De EU-verkiezingscampagne in Hongarije stelt weinig voor, en wat er aan campagne wordt gevoerd, gaat niet of nauwelijks om Europa. Het Europese parlement is zó onbelangrijk als campagnethema, dat de rechtse oppositie niet eens de schijnt ophoudt dat het ze daar om gaat. De conservatieve oppositiepartij Fidesz behandelt de verkiezingen als een referendum over de vraag of er vervroegde parlementsverkiezingen moeten komen. 'Genoeg’ staat er met koeienletters op hun affiches, en 'stem' en daaronder: ‘een nieuwe richting’. Meer niet. O ja, de datum.
Volgens opiniepeilingen steunt ruim 60 procent van de kiezers de oppositiepartij en Fidesz-leider Viktor Orbán praat maar over één ding: dat 7 juni zal bewijzen dat deze regering geen steun heeft en dat daarom kort daarna parlementsverkiezingen moeten plaatsvinden. Hij zegt daarmee natuurlijk weinig nieuws. Er zijn geen Europese verkiezingen nodig om te weten dat deze regering op weinig steun kan rekenen. En Viktor Orbán zegt al sinds de verkiezingen die hij in 2006 verloor, dat de regering niet legitiem is en er nieuwe verkiezingen nodig zijn.
De ijverigste plakkers is overigens de extreemrechtse Jobbik. Zij gebruiken de campagne uitsluitend om meer naamsbekendheid te krijgen. Klaarblijkelijk heeft 35 procent van de Hongaren nog nooit van ze gehoord. Weliswaar prijkt op hun posters hun kandidate voor het Europese parlement, maar het schijnt niet echt de bedoeling te zijn dat mensen daarop gaan stemmen, want ook Jobbik vermeldt niet dat het om Europese verkiezingen gaat. Sterker nog, Jobbik vermeldt helemaal niet dat het om verkiezingen gaat. Ze noemen zelfs de datum niet.
Maar een campagneslagzin hebben ze wel: “Hongarije voor de Hongaren”. Jobbik heeft weinig op met zigeuners, joden, buitenlanders of buitenlandse investeerders. Hun kandidate Krisztina Morvai, een voormalige mensenrechtenactiviste die mensenrechten tegenwoordig zeer eenzijdig opvat, lijkt op het punt van die buitenlandse bedrijven soms een vastgelopen plaat.
Als je haar moet geloven, zou Hongarije het gelukkigste worden zonder buitenlandse investeerders en met een economie die zoveel mogelijk zelfvoorzienend is. Om te zien hoe dat uitpakt, hoef je geen helderziende te zijn, want zo'n beleid hebben economische geniën als de vroegere Roemeense communistische leider Nicolae Ceausescu en diens Albanese collega Enver Hoxha ook al eens uitgeprobeerd. Daar werden de Roemenen en de Albanezen érg blij van.
Dat de partij de EU, waar veel van de in Hongarije aanwezige buitenlandse bedrijven vandaan komen, niet vermeldt, is dus niet zo vreemd. Toch maakt Jobbik volgens de peilingen wel kans op een zetel in het Europese parlement. Dan kunnen ze gezellig met de PVV in een fractie gaan zitten, en met al die andere partijen die het Europese parlement vooral als een platform zien om hun eigen nationalisme te etaleren.

vrijdag 22 mei 2009

TOMATENSLA? NINCS!

Nincs! Dat was het eerste woord dat ik leerde toen ik in 1989 voor het eerst in Hongarije kwam. Ik was net benoemd tot correspondent Centraal-Europa. We zouden pas maanden later verhuizen, maar omdat we niets wisten van het land waar we gingen wonen, wilden we onze vakantie gebruiken voor een kennismaking. Het was de zomer voor de val van het IJzeren Gordijn. De verandering hing in de lucht, maar niemand besefte dat het enkele maanden later gedaan zou zijn met het communistische systeem.
Hongarije was geen land van echte schaarste, zoals veel andere Oostbloklanden. Alle eerste levensbehoeften, inclusief wc-papier en koffie waren makkelijk te krijgen, al was de kwaliteit vaak minder en de keuze beperkter dan wij gewend waren. Als het aardbeidentijd was, waren die in grote bergen te koop, de slager had vlees en worst. Maar ook zonder echte schaarste kreeg je regelmatig te horen dat iets er niet was.

Planeconomie

We ontdekten al snel dat je beter meteen kon vragen wat een restaurant echt in de aanbieding had, inplaats van watertandend het menu, meestal een pagina's lang boekwerk, door te neuzen om vervolgens te ontdekken dat tachtig procent niet verkrijgbaar was. Aan verse, en dus bederfelijke producten hadden restauranthouders duidelijk een broertje dood: zelfs al lagen de tomaten hoog opgetast bij de groenteman aan de overkant, een verse tomatensla stond vaak wel op de kaart, maar was meestal ‘nincs’.
Een planeconomie is een lastig ding. De bekende communistische schaarste was echt niet alleen kwaadwillendheid. Je zou maar die bureaucraat wezen die ergens aan een bureau in Boedapest moest bedenken dat ze in Szeged bh’s nodig hadden, in Győr wc-papier en in Biatorbágy fietsen. Winkels waren staatseigendom en de beheerder verdiende gewoon een salaris, of hij zijn voorraadbeheer nou op orde had of niet. In dat licht bezien is het nog een wonder dat de meeste zaken meestal wel verkrijgbaar waren.
Keuze was er niet, maar dat is logisch: zo’n bureaucraat kon zich toch niet met frivoliteiten als modieus ondergoed bezighouden? Wie modieuzere kleding wilde, ging naar Joegoslavië, dé plek voor echte spijkerbroeken en de nieuwste langspeelplaten. Toen begin 1990 de eerste Westerse lingeriewinkel naar Boedapest kwam, stonden de kopers de eerste maanden tot om de hoek te wachten op hun kans op een kanten bh. Zo ook bij de Adidas-winkel op de Váci utca en bij de eerste McDonald’s, waar je vier jongeren rond één beker Cola zag zitten.

Telefoon

Toen we eenmaal verhuisd waren, ontdekten we al snel dat er ook zaken bestonden waaraan wél een permanent tekort was: telefoonlijnen bijvoorbeeld. Dorpen hadden helemaal geen telefoon, op een vooroorlogs slingertoestel bij de burgemeester na. Dat was verbonden met een telefooncentrale waar telefonistes de verbinding tot stand brachten met behulp van ingewikkelde schakelborden en stekkers die in Nederland al lang in het museum stonden. Dorpsbewoners konden alleen in noodgevallen van dat toestel gebruik maken. Telefoons waren overigens niet het enige dat ontbrak in de meeste dorpen. Het communisme had iedereen electriciteit gebracht, maar was er in pakweg veertig jaar niet in geslaagd het platteland van stromend water, gas, riolering of verharde straten te voorzien.
Ook in Boedapest was het gewoon dat je jarenlang op de wachtlijst stond voor je eindelijk een telefoonaansluiting kreeg. En dan moest je je lijn delen met iemand anders. Als die ander belde, kon jij niet bellen. Om ruzies daarover te voorkomen, wisten mensen meestal niet met wie ze hun lijn deelden. Vanwege de schaarste aan telefoonaansluitingen bracht een flat met telefoon aanzienlijk meer op dan een flat zonder.
De algemene schaartste aan voorzieningen en goederen maakte het buitengewoon verleidelijk om dingen 'te regelen'. Als je een kennis van een kennis had die je aan een snellere aansluiting kon helpen, of aan moeilijk verkrijgbare auto-onderdelen, bouwmateriaal of een gespecialiseerde medische behandeling, dan zou je toch gek zijn om niét in te gaan op zo'n aanbod. Maar voor wat hoorde natuurlijk wel wat. Dat was meestal geen geld, maar het regelen van een of andere tegendienst. Geen mens die dat als corruptie zag. Maar dat was het natuurlijk wel.
We woonden in een appartement in een oude villa in het twaalfde district. Het pand was ooit eigendom geweest van een juweliersfamilie die in 1948 de hete adem van het communisme in de nek had gevoeld en de benen genomen had toen het nog kon. De staat had de genationaliseerde villa opgedeeld in vijf woningen en verhuurd aan families die van het platteland naar de stad waren gekomen.Wij konden het uitstekend vinden met onze buren, maar onderling waren de verhoudingen een stuk minder vriendelijk. De buurman onder ons zei dat de buurman rechts van ons onder het communisme bij de politie had gewerkt, terwijl de buurman rechts onze benedenbuurman ervan beschuldigde een informant van de geheime dienst te zijn geweest.
Beroepsmatig waren het geweldige tijden voor journalisten. We reisden van Polen tot Albanië. We spraken met mensen als Lech Walesa, leider van het anticommunistische verzet in Polen, maar ook met Todor Zsivkov, de inmiddels ziekelijke communistische ex-dictator. We ontmoetten een mallotige psychiater in Bosnië genaamd Radovan Karadzic die enkele maanden later helaas probeerde waar te maken wat hij ons toen al vertelde: namelijk dat heel Bosnië eigenlijk Servisch grondgebied was.

Liberaal

In Hongarije spraken we ondermeer met een jonge, veelbelovende liberale politicus, wiens partij Fidesz zich in 1992 aansloot bij de Liberale Internationale. Viktor Orbán had internationale bekendheid verworven toen hij in juni 1989 tijdens de herbegrafenis van Imre Nagy (leider van de Hongaarse opstand van 1956) opriep tot vrije verkiezingen en terugtrekking van de Russische troepen uit Hongarije. De jonge liberaal, die later een deel van zijn kinderen gereformeerd en een deel katholiek zou laten dopen, was destijds een van de meest antikerkelijke politici van het land. Zijn partij stemde bijvoorbeeld tegen de teruggave van kerkelijke bezittingen.
Net als andere Centraal-Europeanen waren de Hongaren in die dagen optimistisch gestemd. De verwachtingen waren hooggespannen. Iedereen keek naar Duitsland en Nederland en hoopte binnen luttele jaren ook zo te leven. Die verwachting maakte het voor mensen ook makkelijker om de moeilijke tijden waarmee ze zich geconfronteerd zagen, te accepteren. Want de val van het communisme bracht zeker niet alleen bevrijding.
De Hongaarse staatsindustrie kon niet op tegen de westerse concurrentie. De zwaar verouderde bedrijven leverden producten van veel mindere kwaliteit dan de westerse import. De arbeidsomstandigheden waren vaak slecht en van milieu hadden de bedrijven nog nooit gehoord. Op onze eerste rondreis door het land kampeerden we in Matazalka, waar onze tent iedere ochtend bedekt was met een witte laag vlokkige as die in dikke wolken door een lokale fabriek werd uitgebraakt. Onze werkster zou ons later vertellen van de tijd dat zij in een fabriek werkte, in een hal waar de temperatuur regelmatig boven de veertig graden was omdat ventilatie geheel ontbrak.
De leider van het christendemocratische MDF en eerste niet-communistische premier, József Antall, besloot tot gedurfde oplossingen voor deze problemen. Hij stemde in met de grootscheepse privatisatie van de staatsindustrieën. Veel van de verkochte bedrijven werden buitenlands eigendom, en het eerste dat de nieuwe eigenaren deden, was reorganiseren. Duizenden verloren hun werk, maar Antall's beleid zorgde er wel voor dat Hongarije het meest gewilde land van Centraal-Europa werd voor investeerders, en die investeerders brachten ook weer nieuwe banen.

Welvarender

Het leidt geen twijfel dat Hongarije twintig jaar later welvarender en schoner is dan destijds. Maar het leidt ook geen twijfel dat veel van de hoop en verwachting van toen niet is uitgekomen. Hongaren zijn nog lang niet zo rijk als Duitsers of Nederlanders. Maar wat misschien nog meer steekt, is dat sommigen wél zo rijk zijn, en anderen niet.
Natuurlijk waren er onder het communisme ook inkomstenverschillen, maar die waren veel kleiner. En bovendien: in een land waar weinig keuze aan producten is, kan de een de ander niet de ogen uitsteken met een auto van 100.000 euro of een Armanipak. Het is niet zo dat Hongaren twintig jaar geleden wel van hun inkomen konden rondkomen en nu niet. De salarissen waren zo laag dat het heel gewoon was om meerdere baantjes te hebben of als gepensioneerde te werken. In de musea werkten gepensioneerde vrouwen als suppoost of toiletjuffrouw, electriciens klusten 's avonds bij (met het gereedschap van hun baas) en onderwijzers verdienden extra met bijlessen. Maar dat gold destijds voor bijna iedereen, en dat is het grote verschil.