Nieuws en achtergronden over Hongarije van correspondenten Runa Hellinga en Henk Hirs
maandag 3 december 2012
Tienduizend op de been tegen antisemitisme
De aanleiding was meer dan triest, maar dat zowel politici van oppositiepartijen als regeringspartij Fidesz de antifascisme-demonstratie gisteren op het Kossuth tér toespraken, en in alle gevallen respectvol werden aangehoord, gaf even het gevoel dat normale politieke verhoudingen toch nog mogelijk zijn, ook in Hongarije waar zelfs de oppositiepartijen in veel gevallen niet samen door één deur kunnen. Maar, zoals gezegd, de aanleiding, het feit dat een parlementariër van de extremistische Jobbik vorige week maandag in het parlement opriep om lijsten te maken van joodse parlementariërs en leden van de regering, is meer dan triest.
Op de demonstratie werd onderstaande film van regisseur András Salamon vertoond. Zeer indrukwekkend, maar wees gewaarschuwd, de beelden laten je niet onberoerd.
Nu is het niet echt verbazingwekkend dat Jobbik-woordvoerder Márton Gyöngyösi zulke gedachten koestert en uitspreekt. De partij heeft haar antisemitisme nooit onder stoelen of banken gestoken. Maar dat niet meteen de hele parlementszaal opstond om hem het zwijgen op te leggen, is minstens even triest. Hou me ten goede, ik ga niet beweren dat alle parlementariërs die bleven zitten en op dat moment niets zeiden, antisemieten zijn. Ik denk eerder dat het illustreert hoe alledaags antisemitische opmerkingen in Hongarije zijn.
En dan heb ik het niet over antisemitisme in de zin van "alle joden moeten aan het gas", maar meer opmerkingen in de trant van: "ach joden, die zijn altijd op geld uit." Iets waar Nederlanders ook niet vrij van zijn, trouwens. Ik was wel eens met een groep Nederlanders op stap in de joodse wijk, toen iemand verbaasd opmerkte: "Wat is het hier arm. Alle joden zijn toch rijk?"
Iemand voor jood uitschelden is in verkiezingstijd een populaire bezigheid, joden de schuld geven als het met je bedrijf slecht gaat ook en het aantal incidenten waarbij joden op straat lastig worden gevallen, neemt helaas toe. Het Horthy-regiem, dat voor de Tweede Wereldoorlog een reeks antisemitische wetten invoerde, wordt door de regering als historisch voorbeeld gezien, waarbij het antisemitisme als een onaangenaam verschijnsel in de kantlijn wordt afgehandeld. Het ministerie van onderwijs zag er onlangs geen been in drie antisemitische schrijvers toe te voegen aan het nationale curriculum. Niet als verplichte literatuur, maar toch.
Jobbik-parlementariërs hebben zich in het verleden vaker antisemitisch uitgelaten op het spreekgestoelte. Dat hoort inmiddels zo'n beetje bij de negatieve folklore van dit huis van afgevaardigden. Het is een klimaat waarin bij velen waarschijnlijk pas in tweede instantie doordrong dat met Gyöngyösi's oproep tot het maken van een lijst met joodse politici ("omdat ze een gevaar voor de staatsveiligheid kunnen vormen) een nieuwe grens overschreden was.
Wat vertraagd kwamen - ook van regeringszijde - de verontwaardigde reacties wel degelijk op gang, en het gezamenlijke optreden van de belangrijkste oppositieleiders en Fidesz-parlementariër Antal Rogan zondag was een hoopgevende gebeurtenis. Zo zagen de naar schatting tienduizend demonstranten op het Kossuth tér het duidelijk ook, want hoewel oppositieleider Bajnai onmiskenbaar de populairste van de drie sprekers was, werd de toespraak van Rogan met enthousiasme beluisterd.
Het was overigen duidelijk dat Rogan niet zozeer namens zijn partij, maar vooral namens zichzelf sprak. Terwijl beide andere sprekers het verband legden met de huidige politieke cultuur in Hongarije, waarin schelden en grove beschuldigingen aan de orde van de dag zijn, had hij het er vooral over dat hij persoonlijk bij een gebeurtenis als deze niet kon blijven zwijgen. Hij had het over de anti-joodse wetgeving van voor de Tweede Wereldoorlog en over het feit dat de vervolging van mensen altijd begint met het maken van lijsten. Hij sprak over zijn eigen kinderen, Daniel en Áron, die hij mee naar Auschwitz had genomen en die niet moesten leven in een wereld waar mensen om hun afkomst vervolgd werden. Maar hij zweeg over de rol die zijn partij speelt in het legitimeren van het Horthy-regiem, en over de rol die Fidesz met zijn tweederde meerderheid zou kunnen spelen om daadwerkelijk iets te doen.
Terecht constateerde de socialist Mesterhazy even later dat Fidesz-leider en premier Viktor Orbán tot nu toe gezwegen heeft. Hij riep Orbán op om vandaag in het parlement, persoonlijk, met zijn eigen woorden en zijn eigen stem, de uitspraken van Gyöngyösi te veroordelen, en hij riep Fidesz op haar twee derde meerderheid te gebruiken om Jobbik daadwerkelijk aan te pakken.
Dat de problemen dieper gaan dan alleen extreemrechts, daar legde Gordon Bajnai, leider van de nieuwe oppositiebeweging Samen 2014, vooral de nadruk op. Hij constateerde dat het feit dat iedereen het bijzonder vond dat oppositie- en regeringspolitici beiden het woord voerden, en konden voeren, tekenend is voor het Hongarije van vandaag: Wat eigenlijk zou zoiets heel normaal moeten zijn, maar "Wij zijn geen normaal land".
Een politiek klimaat waarin iedereen opponenten als regelrechte vijanden behandelt, en waar angst en haat regeren, maakt de democratie kapot en geeft extremisten een kans, was de kern van zijn boodschap: "Een leven zonder angst is een basisrecht voor iedereen. Je bent alleen democraat als je zelf geen angst hebt, maar ook bij anderen geen angst opwekt." Bajnai herinnerde er ook aan dat enkele jaren geleden, toen in een reeks aanslagen zes zigeuners opkomen en anderen hun huizen kwijtraakten, de reactie aanzienlijk gelatener was. "We hebben toen geen nationale rouw afgekondigd, en dat was een fout. Zulke fouten mag Hongarije niet meer maken."
Labels:
Antal Rogan,
antisemitisme,
Bajnai,
jobbik
dinsdag 27 november 2012
Kiezersregistratie moet oppositiekiezers thuis houden
Een
grove aantasting van het kiesrecht en de democratie. Zo oordelen
Hongaarse oppositiepartijen over de nieuwe kieswet die het
Hongaarse parlement gisteren aannam. Regeringspartij Fidesz meent
daarentegen dat de wet “de politieke campagne in een democratische
campagne” verandert. De
belangrijkste punten zijn de invoering van een vierjaarlijkse
kiezersregistratie, een verbod op partijreclame op de commerciële radio
en tv en op de websites van die commerciële media, en beperkingen voor
reclame in kranten.
De kiezersregistratie, die iedere vier jaar herhaald moet worden, is het meest omstreden onderdeel. Volgens Fidesz is zo'n registratie nodig vanwege fouten in het bevolkingsregister. Als tweede argument voert de partij aan dat Hongaren in het buitenland komende verkiezingen voor het eerst mogen meestemmen. Die moeten zich registreren en het zou discriminatie zijn als dat alleen voor hen zou gelden.
Maar van gelijke behandeling van de kiezers is hoe dan ook geen sprake. Wie in het buitenland woont, kan de registratie namelijk per brief doen. In het binnenland moeten mensen zich persoonlijk aanmelden, of via het internet. Dat laatste klinkt simpel, maar is het niet: je kunt je alleen via het internet registreren als je al geregistreerd bent bij het digitale portaal van de Hongaarse overheid, en dat moet je weer persoonlijk doen. Op dit moment is slechts een half miljoen Hongaren bij het digitale portaal aangesloten.
Registratie vindt plaats op het gemeentehuis en kan alleen tijdens kantooruren: wie werkt, zal er dus vrij voor moeten vragen, en wie niet in zijn officiële woonplaats leeft en werkt, zal er zelfs een reis voor moeten ondernemen. En dat iedere vier jaar. Wie met strak gezicht durft te beweren dat dat het kiesrecht niet inperkt, staat simpelweg te liegen.
Volgens de oppositie heeft de registratie, die twee weken voor de verkiezingen sluit, dan ook maar één doel: zwevende kiezers van de stembus weg te houden. Die besluiten vaak pas in de laatste 24 uur dat ze toch stemmen en kiezen dan vaak voor de oppositie. Dat heeft Fidesz in 2010 aan zijn meerderheid van 52 procent geholpen, maar zou bij komende verkiezingen uiteraard andere partijen ten goede komen.
De kiezersregistratie, die iedere vier jaar herhaald moet worden, is het meest omstreden onderdeel. Volgens Fidesz is zo'n registratie nodig vanwege fouten in het bevolkingsregister. Als tweede argument voert de partij aan dat Hongaren in het buitenland komende verkiezingen voor het eerst mogen meestemmen. Die moeten zich registreren en het zou discriminatie zijn als dat alleen voor hen zou gelden.
Geen verkiezingscampagne: affiche tegen oppositieleider Bajnai |
Registratie vindt plaats op het gemeentehuis en kan alleen tijdens kantooruren: wie werkt, zal er dus vrij voor moeten vragen, en wie niet in zijn officiële woonplaats leeft en werkt, zal er zelfs een reis voor moeten ondernemen. En dat iedere vier jaar. Wie met strak gezicht durft te beweren dat dat het kiesrecht niet inperkt, staat simpelweg te liegen.
Volgens de oppositie heeft de registratie, die twee weken voor de verkiezingen sluit, dan ook maar één doel: zwevende kiezers van de stembus weg te houden. Die besluiten vaak pas in de laatste 24 uur dat ze toch stemmen en kiezen dan vaak voor de oppositie. Dat heeft Fidesz in 2010 aan zijn meerderheid van 52 procent geholpen, maar zou bij komende verkiezingen uiteraard andere partijen ten goede komen.
Labels:
Bajnai,
kieswet,
oppositie,
verkiezingen
dinsdag 20 november 2012
Japanse geboortevlekken en Aziatische genen
Lázár reageerde wat verbaasd over deze "nieuwe informatie", die Matolcsi volgens eigen zeggen van Japanse wetenschappers heeft. "Elders weten ze vaak meer over ons dan wijzelf," zei de minister ter verklaring van het feit dat niemand in Hongarije ooit van deze Aziatische vlek had gehoord. Ik moet zeggen, ik vind het reuze knap van Japanse wetenschappers dat ze vanuit Tokio vlekken op Hongaarse babybillen waarnemen die Hongaarse artsen en vroedvrouwen blijkbaar masaal over het hoofd zien.
De Mongoolse vlek, zoals het verschijnsel heet, bestaat echt. Veel Oost-Aziatische, Polynesische, Indiaanse en Oost-Afrikaanse kinderen schijnen hem te hebben. Hij is overigens niet rood, maar blauwgrijs en verdwijnt niet binnen zes weken, maar eerder binnen zes jaar. Maar goed, dat zijn kleinigheden waar je maar beter overheen kunt kijken, als je een imaginaire vlek wilt aanvoeren als bewijs van je Aziatische genen. Of Oost-Afrikaanse, natuurlijk, maar ik neem niet aan dat Matolcsy Ethiopische banden wil claimen.
Maar "Aziatische genen" is in de visie van de huidige Hongaarse leiders duidelijk iets om trots op te zijn, vooral als je ze ook nog eens zo ver mogelijk in het oosten, in Japan, China of Korea weet te lokaliseren. Allemaal landen die het economisch ver geschopt hebben, en allemaal, op hun eigen manier, behoorlijk autoritaire regiems. Echt iets om een voorbeeld aan te nemen in een land met half-Aziaten, zoals premier Orbán zijn landgenoten niet zo lang geleden omschreef.
Wie om zich heen kijkt in Hongarije, zal zich over die claim van Aziatische genen misschien enigszins verwonderen, want echt af te zien is dat niet aan de gemiddelde Hongaar. Slavische trekken, okay, en heel af en toe zie je een gezicht dat inderdaad vagelijk Tartaars aandoet, maar de enige Hongaren die onmiskenbaar Aziatische genen hebben, zijn de zigeuners die je soms zo in de straten van Mumbai of Calcutta zou kunnen zien lopen.
"Als je je even in onze geschiedenis verdiept, weet je dat het onmogelijk is dat we nog veel Aziatische genen hebben," meent Péter, een Hongaarse kennis, bepaald geen linkse jongen, maar wel iemand met serieuze belangstelling voor geschiedenis. Hij leest er veel over en neemt geen genoegen met de mythes die de ronde doen in het land. Dat zijn grootmoeder uit de Duits-Hongaarse minderheid kwam, speelt daarbij misschien ook een rol: hij kan zich nog herinneren dat zij liever geen Duits sprak, omdat ze daarop aangekeken werd in de omgeving.
De Hongaren trokken eind negende eeuw het Karpatenbekken in, waar toen al andere volkeren woonden, en daarmee begon de vermenging. Maar Péters voorouders en de voorouders van het overgrote deel van de moderne Hongaren vestigden zich pas in de middeleeuwen of in de zeventiende eeuwop het huidige Hongaarse grondgebied. Het waren immigranten uit de rest van Europa. Ze werden uitgenodigd omdat Hongarije grotendeels was ontvolkt, in de middeleeuwen door de invallen van de Mongolen, aan het eind van de zeventiende eeuw door de oorlog tegen de Turken en de daarop volgende opstand van de Hongaarse protestantse adel tegen de katholieke Habsburgers. Na vertrek van de Mongolen nodigde koning Béla IV mensen uit heel Europa uit om zich in Hongarije te vestigen, na afloop van de burgeroorlog deed keizerin Maria Theresia nog eens zo'n oproep om het land te herbevolken.
Je hoeft maar een willekeurige namenlijst open te slaan om de sporen van die immigratie terug te vinden. Neem bijvoorbeeld de lijst met Fideszparlementariërs, waar je naast mensen met goed Duitse achternamen als Braun, Gruber en Hermann ook zes Horváths (de naam betekent letterlijk Kroaat) tegenkomt, en verder een Mihalovics (oorspronkelijk een Slavische naam), drie Némeths (Német betekent Duits) en twee Tóths (een Tóth is een Slowaak). En ik moet bekennen, de naam Matolcsi klinkt ook niet persé Hongaars.
Een eeuw, anderhalve eeuw geleden zag je die veelvoud aan culturen die nu in de achternamen wordt gereflecteerd, ook terug in het land zelf. Boedapest was overwegend een Duitstalige stad, zeker aan de Boeda-kant, met een duidelijke Hongaarse, maar ook met Servische, Griekse, Bulgaarse en Slowaakse minderheden. En niet te vergeten Joden. In de gemeenteraad van Boeda werd de eerste helft van de negentiende eeuw Duits, Hongaars en Latijn gesproken, waarbij Latijn, net als elders in het Habsburgse rijk, de overkoepelende, gemeenschappelijke taal was. Heel af en toe vind je de sporen van die Duitse dominantie nog terug, bijvoorbeeld op de Servisch-orthodoxe kerk in de Szerb utca, waar op de muur in het Duits wordt aangegeven hoe hoog het water stond na de overstroming van 1838.
Kort na de Tweede Wereldoorlog werd in dorpen in de Cserhát in Noord-Hongarije nog algemeen Slowaaks gesproken. In het dorp Legénd vertelde een man me ooit, dat hij als jongen het enige Hongaars-sprekende kind in het dorp was geweest. Zijn vrouw had pas op zesjarige leeftijd op school Hongaars geleerd, en ook de rest van de dorpeling had Slowaaks gesproken. In Bér, een dorp in dezelfde streek, hebben ze het tot vandaag de dag over ulica, het Slowaakse woord voor straat, in plaats van utca, het Hongaarse woord.
De universiteit van Szeged deed in 2009 een onderzoek naar de chromosomen van de huidige Hongaarse bevolking. Iedere regio in de wereld heeft bepaalde chromosoomkenmerken die typerend zijn voor die regio. Ze komen niet bij iedereen voor, maar wel bij een groot deel van de lokale bevolking, en als je ze bij mensen elders vindt, zegt dat iets over hun mogelijke oorspronkelijke herkomst.
Om te beginnen is er een bepaald chromosoomkenmerk dat typerend is voor de Fins-Oegrische volkeren waar de Hongaren onder geschaard worden. De Hongaren behoren tot de Oegrische tak, en onder de moderne Oegrische volkeren is dat chromosoomkenmerk wijd verspreid, met één uitzondering: de moderne Hongaren. Voor die extreemrechtse Hongaren die daarin een bewijs zien dat hun volk géén Fins-Oegrisch afstamming heeft (in die kringen dromen veel mensen namelijk over een Scytisch/Persische oorsprong): het werd wél aangetroffen in stoffelijke overschotten in graven uit de tijd van de Hongaarse landinname aan het einde van de negende eeuw. Twee van de zeven onderzochte doden uit die tijd droegen het chromosoom, tegen 1 op de 197 moderne Hongaren.
In feite, aldus de onderzoekers, lijken chromosomen van de moderne Hongaren vooral op die van alle andere Europeanen, al komt er bij de Széklers, een Hongaars sprekende groep in Roemenië die vaak als "meest authentiek" wordt beschouwd, ook regelmatig één bepaald chromosoomkenmerk voor dat duidt op Centraal-Aziatische herkomst. Maar ten opzichte van andere Europeanen is volgens de onderzoekers vooral één ding opvallend: het feit dat 16 procent van de Hongaren en 21 procent van de Széklers een kenmerk dragen dat veel voorkomt bij Turken en Zuid-Slaven. Niet zo gek misschien, na anderhalve eeuw Turkse bezetting. En verder schijnen er, vooral in het noorden van Hongarije, aardige overeenkomsten te zijn met de Tsjechen en Slowaken.
Zoals de onderzoekers aan het begin van hun studie meteen concluderen: een volk leeft in zijn taal. Het Hongaars is een unieke taal, dat staat buiten kijf en daar hoeft niemand iets aan af te doen. Het is een taal die, zeker in de directe omgeving, geen nauwe familie heeft en dat geeft Hongarije een geheel eigen plaats in Europa. Maar wie zijn Hongarendom probeert te bewijzen met genetische banden en Oost-Aziatische geboortevlekken, die leeft vooral met zijn hoofd in de wolken, en gevaarlijke wolken ook. Want hoe uniek het Hongaars ook mag zijn, Hongarije ligt in Europa, en niet in Azië, en de Hongaren zijn Europeanen, geen Aziaten. Wie iets anders beweert, houdt zichzelf, en zijn volk, voor de gek.
Labels:
Azië,
Fins-Oegrisch,
herkomst,
Matolcsi
dinsdag 13 november 2012
Gordon Bajnai: 2014 laatste kans van Hongaarse oppositie
2014 is de laatste kans voor de oppositie om te voorkomen dat de huidige regeringspartij Fidesz Hongarije de komende decennia in de greep zal houden, meent de Hongaarse oud-premier Gordon Bajnai, die twee weken geleden het
voortouw nam voor de vorming van een brede oppositionele
verkiezingscoalitie, waarin hij zowel buitenparlementaire
oppositiebewegingen als partijen in het parlement hoopt te verenigen.. "Het wordt geen normale verkiezing, maar een fundamenteel jaar in de geschiedenis van Hongarije."
Als Fidesz nogmaals wint, aldus Bajnai, dan betekent dat niet alleen dat ze hun politieke en economische greep op het land verder zullen versterken, maar ook dat de achteruitgang van Hongarije verder gaat: "Je ziet nu dat de productie van bedrijven achteruit holt, de financiële sector keert Hongarije de rug toe en jongeren gaan massaal naar het buitenland om te studeren of te werken. Dat proces zal dan alleen maar sneller gaan." Een nieuwe overwinning van Fidesz is volgens Bajnai ook een teken naar de buitenwereld. "Nu kun je nog zeggen dat Hongaren niet wisten wat hen te wachten stond toen ze in 2010 op Fidesz stemden. Ze wilden verandering, maar dit hadden ze niet verwacht. Veel Fidesz-stemmers stonden twee weken op straat toen wij Eenheid 2014 aankondigden. Maar als deze regering herkozen wordt, is dat een boodschap aan de rest van de wereld dat dit echt is wat de Hongaren willen."
Bajnai was in 2010 tien maanden lang interim-premier, nadat de socialistische premier Gyurcsány was afgetreden omdat zijn regering haar steun kwijt was. In die tien maanden wist hij het Hongaarse begrotingstekort omlaag te krijgen, de economie uit de recessie te trekken en 1,3 procent economische groei te realiseren. Dat had zijn prijs. Zo moesten gepensioneerden hun dertiende maand pensioen inleveren en ging de BTW omhoog van 20 naar 25 procent (de huidige regering verhoogde die in 2011 verder naar 27 procent). Hoewel Bajnai partijloos was en is, wordt hij door Fidesz altijd als socialist afgedaan vanwege zijn rol als technocratische minister van financiën in Gyurcsánys regering en vanwege de steun die zijn regering van de socialisten kreeg.
Verdeeldheid is het grootste probleem van de Hongaarse oppositie. In het parlement is oppositiepartij LMP (Politiek Kan Anders) net zo min bereid te praten met de de socialistische oppositie of de eigen fractie van oud-premier Gyurcsány als met regeringspartij Fidesz. Daarbuiten worden alle politieke partijen door velen verguisd. Bajnai wordt al langere tijd genoemd als de enige man die mogelijk in staat is om al die krachten op één of andere manier te verenigen. Eerder richtte hij de organisatie Patriotisme en Vooruitgang op, een politieke denktank.
Maar over de stap om daadwerkelijk in de politiek te stappen, heeft hij lang moeten nadenken, zegt hij: "Het was een heel moeilijk besluit.
Bajnai was in 2010 tien maanden lang interim-premier, nadat de socialistische premier Gyurcsány was afgetreden omdat zijn regering haar steun kwijt was. In die tien maanden wist hij het Hongaarse begrotingstekort omlaag te krijgen, de economie uit de recessie te trekken en 1,3 procent economische groei te realiseren. Dat had zijn prijs. Zo moesten gepensioneerden hun dertiende maand pensioen inleveren en ging de BTW omhoog van 20 naar 25 procent (de huidige regering verhoogde die in 2011 verder naar 27 procent). Hoewel Bajnai partijloos was en is, wordt hij door Fidesz altijd als socialist afgedaan vanwege zijn rol als technocratische minister van financiën in Gyurcsánys regering en vanwege de steun die zijn regering van de socialisten kreeg.
Verdeeldheid is het grootste probleem van de Hongaarse oppositie. In het parlement is oppositiepartij LMP (Politiek Kan Anders) net zo min bereid te praten met de de socialistische oppositie of de eigen fractie van oud-premier Gyurcsány als met regeringspartij Fidesz. Daarbuiten worden alle politieke partijen door velen verguisd. Bajnai wordt al langere tijd genoemd als de enige man die mogelijk in staat is om al die krachten op één of andere manier te verenigen. Eerder richtte hij de organisatie Patriotisme en Vooruitgang op, een politieke denktank.
Maar over de stap om daadwerkelijk in de politiek te stappen, heeft hij lang moeten nadenken, zegt hij: "Het was een heel moeilijk besluit.
Labels:
Gordon Bajnai,
oppositie
maandag 5 november 2012
Goede contacten, daar gaat het om
Toch viste hij achter het net. De grond, die oorspronkelijk deel uitmaakte van de inmiddels gesloten paardrijacademie van de nationale politie, werd toegewezen iemand die niet in de buurt woont, maar de zoon is van een dierenarts die regionaal een belangrijke rol speelt in regeringspartij Fidesz. De huidige pachter doet niets met de grond behalve het gras af en toe maaien. “Het gaat hem alleen om de 60.000 forint (210 euro) EU-landbouwsubsidie die je per hectare krijgt,” meent Göndöcs.
Voor hem kwam de klap dubbel hard aan. Toen het dorp de grond nog beheerde, moest iemand het terrein op orde houden en daarom mocht hij het gras afmaaien, en dat had hij hard nodig. Nu moet hij inkrimpen, want hij heeft te weinig graasland voor de vijftig koeien die hij houdt.
Wie de regering hoort, zou denken dat kleine familiebedrijven op grote steun kunnen rekenen. De werkelijkheid is anders. Enkele maanden geleden trad staatssecretaris (en Fidesz-parlementariër) József Ángyán af uit protest tegen het feit dat overal in Hongarije massaal staatsgrond wordt verpacht aan regeringsgetrouwe mensen en bedrijven, terwijl lokale boeren met lege handen achterblijven.
Ángyán wordt in eigen partij inmiddels verguisd vanwege het onderzoek dat hij in drie provincies deed naar de uitgifte van pachtcontracten. Volgens hem heeft een kleine club Fidesz-getrouwen daar inmiddels 80 procent van de verpachte staatsgrond in handen en hebben lokale boeren vaak het nakijken. Weliswaar beperkt de wet hoeveel grond één persoon mag beheren, maar door contracten op naam van gezinsleden of een eigen bedrijf te stellen kan één familie enorme lappen land huren. In Felcsút, geboortedorp van premier Viktor Orbán, vergaarde de burgemeester zo meer dan 1200 hectare. Ook de familie Orbán beheert rond Felcsút inmiddels ware landerijen.
De landbouw is niet de enige sector met dit soort problemen. Volgens de anticorruptieorganisatie Transparency International (TI) is “de Hongaarse staat in beslag genomen door krachtige belangengroepen.” Noemi Alexa, directeur van TI in Hongarije: “Het hele wetgevingsproces en de verstrengeling van zakelijke en politieke belangen worden steeds ondoorzichtiger en de positie van controleorganen zoals de Rekenkamer steeds zwakker.”
Om welke belangengroepen het gaat, heeft de website Atlatszo.hu (Transparantie) op een rijtje gezet. Volgens Tamás Bodoky, een van de bij de website betrokken onderzoeksjournalisten, betreft het een netwerk van mensen die elkaar vaak al uit hun studietijd kennen en toen betrokken waren bij het ontstaan van Fidesz. Nu hebben ze sleutelposities in het financiële en economische overheidsapparaat in handen.
dinsdag 16 oktober 2012
Tekenen van armoede: straathandel, diefstal en voedselrijen
![]() | |
2012: in de rij voor voedsel op het Telekiplein, Boedapest |
![]() |
1919: in de rij voor voedsel op het Telekiplein, Boedapest |
Sommigen wisten zo net te overleven, anderen zetten er de eerste stappen mee naar een bloeiend bedrijf. Ik had ooit een buurman wiens zaakje in zwemkleding van welgeteld één vierkante meter uiteindelijk uitgroeide in een echte sportwinkel. De nationale boekenketen Alexandra begon ooit met een boekenstalletje op straat in Pécs. Desondanks: dat een oudere dame in 2012 op straat koekjes moet venten om haar ontoereikende pensioen aan te vullen, stemt somber. Het is een teken van de groeiende Hongaarse armoede.
Dezelfde dag dat ik de vrouw met de koekjes zie, word ik door een jongere, wat gezette vrouw in de tram aangeklampt om geld. Ze zit in de werkverschaffing, vertelt ze, en daar kan ze niet van leven. Het kan waar zijn, of het kan niet waar zijn, maar ik ben tegenwoordig ruimhartiger met geld, zeker als degene die erom vraagt, er niet uitziet alsof mijn centen zo snel mogelijk in een fles palinka worden omgezet. Want ik weet: wie aan de onderkant van de samenleving zit, heeft het een stuk moeilijker dan een aantal jaren geleden.
Vorig jaar werd er al drastisch gekort op de uitkeringen en dit jaar gingen ze nog verder omlaag, en dat terwijl de inflatie meer dan zes procent is. Een langdurige werkloze moet het doen met 22800 forint, zo'n 80 euro per maand. En als hij een familie heeft, moet die daar ook van leven. "Een land kan zich - zeker in tijden van een Europese crisis - niet veroorloven dat mensen die kunnen werken, leven van een uitkering. Daarom krijgen Hongaren geen langdurige inkomens-vervangende uitkeringen," aldus verklaarde premier Viktor Orbán in juli dit jaar dit uitkeringsbeleid.
Labels:
armoede,
uitkeringen,
werkverschaffing
zondag 7 oktober 2012
Verbod gokkasten: zorg om gokverslaafden of criminelen?
Zijn hart
brak niet vanwege ondernemers die hun geld met gokken verdienen, zei de
verantwoordelijke bewindsman János Lázár tijdens de parlementaire bliksembehandeling
van de wet. De gokindustrie is volgens hem niet verenigbaar met “het credo van
onze politieke familie” en de staat heeft de morele plicht om arme mensen die
gokken, tegen zichzelf te beschermen.
Over de
werknemers had Lázár geen woord te zeggen, maar volgens een woordvoerder van de
sector verliezen veertigduizend mensen hun baan. Het ministerie van economische
zaken noemde dat cijfer onzin. Niet helemaal ten onrechte waarschijnlijk, want bij die veertigduizend zijn ook de cafés gerekend die eenarmige bandieten hebben staan, en die zullen het moeilijker krijgen, maar waarschijnlijk niet allemaal dicht hoeven. Maar het ministerie heeft geen eigen getallen. "Het gaat bij gokken niet in de eerste plaats om werkgelegenheid," was het commentaar. Voorbereidend
onderzoek over banenverlies is niet gedaan en er is ook geen
enkel overleg met de sector geweest.
Praten leidt
er volgens Lázár namelijk alleen maar toe dat lobbyisten hun zin doordrijven.
Het is een goed voorbeeld van de regeerstijl van het huidige bewind zoals
ombudsman Maté Szabó die omschrijft: “Er is een crisis waar wat aan gedaan moet
worden, dus komt er een haastige wet, zonder dat enig onderzoek naar de
gevolgen en het lange termijneffect is gedaan.”
Pakweg 1,2 procent van de Hongaren is gokverslaafd.
Speelschulden zijn, samen met alcoholisme, een belangrijke bron van
criminaliteit. Zo’n 36 procent van alle gevangenen worstelt
met een gokverslaving. Je vindt eenarmige
bandieten in vrijwel ieder café, ook in de armste dorpen. Dat de regering daar iets aan wil doen, is best begrijpelijk.
Maar deskundigen menen dat een verbod voor gokverslaafden weinig uithaalt. Echte
gokkers doen het legaal als het kan en illegaal als het moet.
Maar het is twijfelachtig of het nobele
streven om arme gezinnen te beschermen de echte reden was voor het
recordtempo waarmee de wet erdoorheen is gejaagd. Als dat probleem jarenlang geen
aandacht had, waarom moest het dan nu plots binnen 24 uur worden opgelost? Sterker nog, vorig jaar stemde Lázárs partij nog overweldigend voor een vervijfvoudiging van de belasting op gokautomaten. Omdat de staatskas door het verbod op gokautomaten forse belastinginkomsten delft, wordt nu onderzocht hoe dat gecompenseerd kan worden via belastingheffing op online-gokken. Wie wil gokken, kan dat dus blijven
doen, alleen niet in de kroeg.
Lázár gaf in
het parlement een derde reden die de wet waarschijnlijk beter verklaart:
staatsveiligheid. Dat wilde hij - om staatsveiligheidsredenen uiteraard - alleen
in besloten kring toelichten. Maar volgens het dagblad Népszabadság is de wet
een paniekreactie op een rapport van de Nationale Veiligheidsdienst, waaruit blijkt
dat zware criminelen die een flink deel van de gokindustrie beheersen, toegang hebben
gekregen tot de server van de belastingdienst waarop alle gokmachines per 1
november aangesloten moeten zijn.
Die server was onderdeel van het plan om de belasting op gokkasten te verhogen. Exploitanten
hebben de afgelopen maanden massaal geïnvesteerd in verplicht nieuwe machines, die het voor de belastingdienst maakten online dagelijks hun inkomsten
te controleren. Nu criminelen dat systeem blijken te kunnen manipuleren,
zijn die nieuwe speelautomaten dus weggegooid geld. Volgens de krant is de wet er mede zo snel doorheen
gejaagd om te voorkomen dat nog meer ondernemers voor 1 november nutteloze
machines kopen. Een waarschuwing om niet meer te investeren zou in dat geval
natuurlijk ook hebben volstaan.
Maar er is
ook een winnaar, namelijk de staat zelf, want legaal gokken is vanaf nu feitelijk een
staatsmonopolie. Het staatsbedrijf Szerencsejaték, eigenaar van de Hongaarse
lotto en toto, organiseert ook het online gokken en bezit bovendien twee van de
drie casino’s die straks het alleenrecht op gokautomaten hebben. Het derde
casino is eigendom van de Amerikaans-Hongaarse Hollywood-producent Andy Vajna,
bekend van ondermeer de Rocky-serie en bovendien een oude bekende van premier
Orbán. De kans dat er nieuwe casino's komen, is niet erg groot, want de vergunningen daarvoor zullen veel strenger worden, is ook al aangekondigd.
Labels:
gokken
Abonneren op:
Posts (Atom)