woensdag 23 september 2009

MONUMENTENZORG

Het Schossberger Kasteel in Tura, dat was volgens een Hongaarse kennis een echte aanrader als we het paleis van Keizerin Sissi in Gödöllő al iets te vaak hadden gezien. Het gebouw werd op de snelweg al aangekondigd als een interessant monument. Maar in Tura zelf, een slaperig dorp op de Hongaarse laagvlakte waar verder niets te beleven is, was het even zoeken. We hadden er makkelijk langs kunnen rijden, als een vrijwel lege parkeerplaats ons niet de weg gewezen had.
Al bij de ingang van het kasteelpark werd duidelijk dat het hier om een attractie van een iets ander kaliber ging dan Sissi's opgeknapte buitenverblijf. Uit een vervallen caravan kwam een even vervallen mannetje, dat ons vroeg of we Hongaren waren. Toen dat niet het geval bleek te zijn, verdubbelde de toegangsprijs onmiddellijk. Ons betoog dat dat volgens de wet niet mocht, stuitte aanvankelijk op dovemansoren. Maar toen hij erachter kwam dat we in Hongarije woonden, streek hij met zijn hand over het hart en mochten we er toch voor de Hongaarse prijs is.
Het Schossberger Kasteel bleek een negentiende eeuws gebouw, ontworpen door Miklós Ybl, dezelfde man die de Opera in Budapest bouwde. Het is een wonderlijk bouwwerk, een beetje zoals een kind zich een kasteel voorstelt, met veel torentjes en andere uitsteeksels. Het was ooit eigendom van de Schossbergers, de eerste Hongaars-joodse familie die door de Habsburgse keizer Franz-Jozef in de adelstand werd verheven. In de hal is een bescheiden tentoonstelling met foto's van Ybl's bouwtekeningen en foto's van de familie, die deels omkwam in de Tweede Wereldoorlog, deels immigreerde naar het buitenland.
De hal met zijn vervaagde fresco's verraadt nog een beetje de vroegere glorie van het bouwwerk. Maar verder is daar weinig van over. Het Schossberger Kasteel is namelijk net geen ruïne. Je kunt alleen de onderste verdieping bekijken, want de trap naar boven is gevaarlijk. De zalen zijn kaal, het stucwerk is van de muren afgekomen en in een zijvleugel zijn kamertjes met half afgebouwde muurtjes, de overblijfselen van een poging enkele jaren geleden om het gebouw tot een hotel om te bouwen.
Die poging is blijven steken in onenigheid over de eigendomsverhoudingen van het gebouw, vertelt de aardige dame die als een soort suppoost dienst doet. Haar moeder was ooit in het kasteel werkzaam, zelf is ze in het gebouw, dat na de oorlog onteigend werd, naar school gegaan. De huidige eigenaar schijnt een Indiase zakenman te zijn, maar klaarblijkelijk is niet iedereen het daarmee eens. Gevolg: het kasteel, een erkend monument, staat nu al jaren te vervallen.
Het is niet het enige monument in Hongarije dat door dit soort ruzies staat te verkommeren. In een buitenwijk van Budapest staat de Balász Vendéglő, een 200 jaar oude herberg sinds jaren te verbrokkelen, omdat niet duidelijk is van wie het gebouw precies is. De enigen die daar blij mee zijn, zijn de daklozen die er inmiddels onderdak gevonden hebben. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het gebouw in de afgelopen decennia al zo vertimmerd is, dat er van het oorspronkelijke monument weinig meer resteert.
Hongarije heeft een monumentenzorg, en die stelt ook eisen zodra een eigenaar begint te verbouwen. Zolang eigenaren niets doen, kan een pand echter ongestraft in elkaar storten. Dat gebeurde bijvoorbeeld met het Muslay kasteel in Rád, dat ooit als dokterspraktijk en bibliotheek diende, maar dat in 2001 verkocht werd. De huidige eigenaar is een stichting die al jaren belooft de zaak te gaan opknappen.
Inmiddels staat het gebouw sinds jaren leeg, is het dak ingestort en is het bouwwerk in zo'n slechte staat, dat sloop waarschijnlijk de enige oplossing is. In de provincie Pest is zo'n 20 procent van alle kastelen en landhuizen feitelijk niet meer dan een ruïne. Nog eens 20 procent is in zo'n slechte staat dat er snel wat moet gebeuren, wil totaal verval voorkomen worden. Maar gebouwen onteigenen heeft vermoedelijk ook niet zoveel zin. Vadertje staat is in Hongarije niet zo rijk dat hij geld over heeft voor het opknappen van dit soort panden.

dinsdag 15 september 2009

OUDE VOOROUDER

,,De kleinste vondsten zijn soms de belangrijkste”. Glunderend pakt de Canadese antropoloog David R. Begun van de Universiteit van Toronto een zwart versteend botje en legt het op zijn pols. ,,Dit is een polsbotje van de Rudapithecus hungaricus, een aapachtige die 10 miljoen jaar geleden hier in Hongarije leefde. Mensen hebben op dezelfde plaats net zo’n botje, net als gorilla’s en chimpansees. Alle andere moderne apen hebben twee polsbotjes. Dat wij dit botje met de Rudapithecus delen, wijst erop dat hij een directe voorouder van ons en de Afrikaanse mensapen is.”
Voor Begun en zijn Hongaarse collega László Kordos, directeur van het Nationaal Geologisch Instituut in Boedapest, is het botje dat deze zomer tevoorschijn kwam bij een opgraving in het Noord-Hongaarse Rudabánya, een wetenschappelijke triomf. Op basis van andere aanwijzingen betogen ze al jaren dat de in Hongarije gevonden aapachtigen de ontbrekende schakel zijn in de ontwikkeling van aap tot mensaap en mens. Als ze gelijk hebben is Gabi, zoals het team hun eerste Rudapithecus jaren geleden liefkozend doopte, meteen de oudste directe menselijke voorouder die ooit gevonden werd.
Hun theorie is niet onomstreden. De eerste apen leefden in Afrika en daar ontstond 7 miljoen jaar geleden ook de eerste mens. Dat er 16,5 tot 8 miljoen jaar geleden ook primaten op het Europese continent leefden, staat vast. Voor Begun en Kordos levert het polsbotje het overtuigende bewijs dat onder die primaten directe voorouders van de mens zaten en dat hun nazaten weer teruggingen naar Afrika toen het klimaat in Europa en Azië verslechterde.
De algemene theorie tot nu toe is dat de Euraziatische aapachtigen simpelweg uitstierven toen het hier te koud voor hen werd en dat de lijn waaruit de mens voortkomt, zich altijd in Afrika heeft opgehouden. Maar Begun en Kordos wijzen erop dat er in Afrika geen resten zijn gevonden die wijzen op een directe voorouder ouder dan zeven miljoen jaar geleden.
Het Rudapithecus-vrouwtje Gabi en haar familie zijn opgegraven op een landje van zo’n 30 vierkante meter, een drie meter dikke laag botten en plantenresten, in een duizend jaar oude zilver- en kopermijn. Op het terrein zijn tot nu toe overblijfselen van 21 Rudapithecus en een andere apensoort gevonden, plus resten van neushorens en tal van andere dieren.
,,Dit was een subtropisch moeras. Alles wat doodging, zonk naar de bodem en stapelde daar op,’’ verklaart Kordos de rijkdom van de vindplaats. Sinds 1971 komt er iedere zomer een groep paleontologen naar Rudabánya. Het is minutieus werk dat veel geduld vraagt. Ieder jaar wordt pakweg een halve vierkante meter afgegraven. Deze zomer leverde dat uiteindelijk een oogst van 25 dierlijke resten op.
Na het graven begint pas het eigenlijke onderzoek van passen, meten, vergelijken en conclusies trekken. Die kunnen ook wel eens fout zijn. Toen Gabi’s schedel jaren geleden werd opgegraven, werd ze Gábor gedoopt. Een jaar later dook een kaak op die precies bij de schedel paste. Uit de tanden bleek dat het veronderstelde mannetje een vrouwtje was. Maar dat het polsbotje zo’n verrassing op zou leveren, lijkt Kordos niet waarschijnlijk.
Het belang van de opgraving in Rudabánya is zo groot, dat de National Geographic sinds kort een deel van de kosten financiert. Dat geld, en de steun uit Canada, zijn hard nodig, zegt Kordos, want Hongaars budget is er nauwelijks. ,,Het enige Hongaarse geld dat erin gaat, zijn mijn werkuren en de kilometers die mijn auto maakt. Volgens mij beschouwt iedereen in Hongarije dit eigenlijk een beetje als mijn persoonlijke hobby. ’’ zegt Kordos.
Hongarije telt meer belangrijke paleontologische vindplaatsen. Twee jaar geleden werden in een bruinkoolmijn in Bükkábrány vijftien acht miljoen jaar oude stompen van cipressen gevonden die door omstandigheden niet waren versteend. Een deel daarvan is tentoongesteld in het Noord-Hongaarse Ipolytarnóc, in het paleontologisch museumpark dat daar is opgezet rond een groot aantal prehistorische dierensporen en andere lokale vondsten.

dinsdag 1 september 2009

DE ROMANTIEK VAN HET VOOROORLOGSE BUDAPEST

Het golfslagbad bij het Gellért Hotel was er al, het reuzezwembad op het Margit-eiland is niet meer, en de elegante hotels langs de Donau hebben plaats gemaakt voor betonnen monsters. Budapest 1938: een romantische, herkenbare stad, maar toch net anders. Wie kan zich nog serveersters in dirndeljurkjes voorstellen?


IJZIGE RELATIES

Een molotovcocktail naar de Slowaakse ambassade in Boedapest, de Hongaarse president die met een forse politiemacht de toegang tot Slowakije wordt verboden, nationalistische demonstraties aan beide zijden: de verhoudingen tussen buurlanden Slowakije en Hongarije waren al langer koel, maar ijzig is sinds afgelopen week een beter woord. Sinds 1 september is er nog wat nog wat olie op het vuur gegoten met de invoering van een nieuwe Slowaakse taalwet die het gebruik van Hongaars en andere minderheidstalen in het openbare leven moet inperken.
Nu was het idee van de Hongaarse president László Sólyom om uitgerekend op 21 augustus, een Slowaakse nationale feestdag, in het Slowaakse Komarno een monument van de heilige Hongaarse koning István te willen onthullen, misschien niet het meest tactische. Maar Grigorij Mesežnikov, directeur van het Slowaaks politiek onderzoeksinstituut IVO, wijt de poolkou toch vooral aan de Slowaakse regeringpartijen.
Coalitiepartners SNS (de Slowaakse Nationale Partij) en en HZDS (Beweging voor een Democratisch Slowakije) zijn openlijk anti-Hongaars, maar ook premier Robert Fico’s Smer (Richting) heeft een nationalistische inslag, aldus Mesežnikov.
Tien procent van de Slowaakse bevolking is Hongaarstalig. Retoriek tegen de minderheid maakt deel uit van het binnenlandse politieke spel. ,,De regeringspartijen trekken de etnische kaart zodra hen dat goed uitkomt. Bij de presidentsverkiezingen werd oppositiekandidate Iveta Radicova bijvoorbeeld verweten dat ze steun van de Hongaren kreeg en dus niet Slowaaks genoeg was.’’
De weigering om Sólyom toe te laten past volgens Mesežnikov in dat spel. ,,Zijn bezoek was al lang bekend. Het besluit om hem op het laatste moment de toegang te ontzeggen, moest de aandacht van problemen in de regering af te leiden. Een dag eerder had Fico de SNS vanwege een reeks corruptieschandalen het ministerie van milieu afgenomen. De kranten stonden daar uiteraard bol van. Maar een dag later schreef iedereen alleen nog maar over Sólyom’s bezoek en de Hongaren”. En de tactiek werkt, zegt hij. ,,Zelfs mensen die kritisch zijn over de corruptieschandalen onder deze regering, zijn nu positief over het doortastende optreden ten opzichte van Hongarije.”
De anti-Hongaarse kaart leidt ook af van andere problemen zoals de economische crisis, waarvan de gevolgen pas nu echt duidelijk beginnen te worden. Mesežnikov: ,,De aanhangers van deze regering horen economisch tot de meest kwetsbare groepen, dus hebben de coalitiepartijen er alle belang bij om de aandacht af te leiden met de introductie van het idee van een etnische natie met de Slowaken als echte eigenaren van het land. ”
De omstreden taalwet onderstreept de gedachte van een etnische staat eens. De beperking van het gebruik van het Hongaars in het onderwijs en het openbare leven moet Hongaren op hun plaats zetten, zegt Mesežnikov. Zo mogen Hongaarse kinderen straks niet meer de Hongaarse namen van Slowaakse steden leren. In gebieden waar minderheden minder dan 20 procent van de bevolking uitmaken, moet bij officiële instanties, van gemeentehuizen en rechtbanken tot aan ziekenhuizen en dokterspraktijken, het vervolg Slowaaks worden gegebruikt.
Dat kiezers gevoelig zijn voor zulke anti-Hongaarse retoriek, verklaart Mesežnikov uit de kloof die er toch al tussen beide bevolkingsgroepen bestaat. ,,Er is van oudsher weinig contact tussen Hongaren en Slowaken. Dat maakt het makkelijk mensen te bespelen,’’ zegt hij.

zaterdag 22 augustus 2009

ZIGEUNERMOORDEN

Ontelbare uren geduldig en ongetwijfeld bij tijd en wijle ook zeer saai politiewerk lijken afgelopen dagen resultaat te hebben gebracht: vrijdagochtend vroeg arresteerde de Hongaarse politie vijf mensen die verdacht worden van de reeks aanslagen in zigeunerwijken het afgelopen jaar.
Enkele weken geleden had de politie 100 miljoen forint uitgeloofd voor de beslissende tip. Maar de arrestaties waren uiteindelijk het resultaat van eigen politiewerk, waarbij de Hongaren hulp hebben gekregen van de in seriemoorden veel ervarenere FBI. Het was de mobiele telefoon die de daders fataal geworden schijnt te zijn. De onderzoekers hebben alle mobiele gesprekken rond de tijd van de aanslagen, zo'n 4,5 miljoen in het totaal, geanalyseerd. Dat leverde een patroon op dat uiteindelijk naar de daders leidde.
Hoewel de politie tot nu toe weinig over de gearresteerden heeft losgelaten, is inmiddels wel duidelijk uit welke hoek ze komen. Een van hen is een uitsmijter in een café in de Oosthongaarse stad Debrecen, een man met een kaalgeschoren kop die volgens ooggetuigen tal van Nazi-tatoeages draagt. Ook zijn broer werd aangehouden. Het café schijnt een vaste stek te zijn van de harde kern van de voetbalclub in Debrecen. Het is, ironischerwijze, gevestigd in de kelder van het gebouw van de lokale rechtbank.
Daarmee kunnen we alle theorieën over de moorden die het afgelopen jaar in de rechtse Hongaarse pers de ronde deden, gevoegelijk naar de prullenbak verwijzen. De eerste was dat de daders in kringen van woekeraars gezocht moesten worden. Had best gekund, na de eerste moord. Woekeraars, die rentepercentages van 50 tot 100 procent per maand berekenen, zijn vaak inderdaad niet mals met hun strafmaatregelen. Een aardige bijkomstigheid is dat ze, net als hun slachtoffers, meestal zigeuner zijn. Alleen, na de tweede aanslag, tweehonderd kilometer verderop, werd die theorie al minder waarschijnlijk, want woekeraars werken zeer plaatselijk.
De tweede theorie die in rechtse kring opgang deed, was dat het om afrekeningen in de drugs- en prostitutiewereld ging. Die theorie werd onhoudbaarder naarmate er meer slachtoffers vielen, waaronder een man van een jaar of 45 die al 25 jaar iedere dag braaf naar zijn werk ging. Niet alleen geen waarschijnlijke drugshandelaar, maar ook nog eens een zigeuner die absoluut niet voldeed aan het clichébeeld dat rechtse media zo graag verspreiden: dat van een arbeidschuwe minderheid die leeft van uitkeringen en verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de Hongaarse misdaad.
Dat clichébeeld is waarop de extreemrechtse Jobbik gedijt en bij de afgelopen Europese verkiezingen 15 procent van de stemmen wist binnen te slepen. Die partij zat afgelopen tijd wat met de moorden in de maag. Het is moeilijk propaganda voeren dat zigeuners de bron zijn van alle misdaad, als ondertussen met de regelmaat van de klok zigeunerhuizen de fik ingaan en de uit de vlammen vluchtende inwoners in koelen bloede worden afgeknald. Prettig voor Jobbik was dat die zigeuners uit bezorgdheid burgerwachten gingen vormen die af en toe op negatieve wijze de pers halen, bijvoorbeeld als ze een paar jagers in een zwarte SUV hebben aangehouden, omdat de seriemoordenaars ook een donkere SUV reden.
Hongaren hebben het niet zo op zigeuners, maar de reeks moorden begon de laatste tijd ook gewone burgers zorgen te baren, zeker toen onlangs een moeder werd doodgeschoten en haar 13-jarige dochter levensgevaarlijk gewond in het ziekenhuis terechtkwam. Maar Jobbik vond de volgende theorie: ze hadden aanwijzingen dat de moorden werden gepleegd door een buitenlandse geheime dienst die Hongarije wilde destabiliseren.
Dat idee vatte zelfs buiten Jobbik post. Een gematigd conservatieve politicoloog vertelde mij niet zo lang geleden serieus dat hij uit betrouwbare bron had vernomen dat dat van die geheime dienst echt waar kon zijn. Er zouden zelfs al twee Roma zijn gearresteerd die banden hadden met Slowakije en die de wapens hadden geleverd (zo kun je toch de zigeuners zelf weer schuld geven van de moorden).
De achtergrond zou zijn dat het de Slowaken een argument zou geven om de omstreden taalwet in te voeren die het spreken van Hongaars in Slowakije moeilijker maakt. Je kunt als Hongarije niet klagen over discriminatie van Hongaren in Slowakije als je eigen zigeunerminderheid zo bedreigd wordt. Zoiets, in elk geval. De Hongaarse regering zou er erg mee in zijn maag zitten, want het naar buiten brengen van de kwestie zou de relaties met het buurland zeer verslechteren.
Een vierde mogelijkheid die in rechtse kring werd geopperd, was dat de linkse regering zélf achter de moorden zat, om op die manier rechts in diskrediet te brengen en de spanning in de samenleving in leven te houden.
Helaas voor de bedenkers van al deze theorieën: de daders zijn blijkbaar precies het soort mensen die je achter zo'n reeks moorden zoekt. Dat schijnt sommigen oprecht te verbazen. De rechtse nieuwszender Hír TV bracht de arrestaties in elk geval onder de kop: ,,De seriemoordenaars zijn geen Roma''.

woensdag 19 augustus 2009

PICKNICK

Het had een Hongaars-Oostenrijks feestje moeten worden, met wat toespraken en muziek, met bier en wijn, ketels met goulash en gebarbecuede worsten: de Pan-Europese Picknick die Hongaarse oppositieleden en hun Oostenrijkse sympathisanten op 19 augustus 1989 organiseerden bij Sopronkőhida, op de Oostenrijks-Hongaarse grens. De picknick was bedoeld als vredesdemonstratie die de afbraak van het IJzeren Gordijn tussen Oost- en West-Europa moest ondersteunen. Niemand verwachtte dat honderden Oostduitsers de gelegenheid zouden grijpen om de grens te bestormen en het communistische systeem te ontvluchten.
De overrompelde initiatiefnemers zagen het geschrokken aan, want ze hadden geen idee wat voor gevolgen de massavlucht voor henzelf zou hebben. De picknick had weliswaar de steun van Imre Pozsgay, een hervormingsgezind lid van het communistische politbureau. Maar veel organisatoren wachtten desondanks nog wekenlang angstig op de klop op de deur van de geheime dienst. ,,De wetenschap dat ik Pozsgay’s geheime telefoonnummer op zak had, was heel geruststellend,’’ aldus László Nagy, een van de organisatoren in een herdenkingstoespraak. Pas toen de Hongaarse regering op 11 september de grens officieel voor Oostduitsers openstelde, durfde iedereen weer opgelucht adem te halen.
Hongarije was sinds jaren een geliefde vakantiebestemming waar Oost- en Westduitsers elkaar ontmoetten. Maar in 1989 besloten duizenden Oostduitsers na afloop van hun vakantie niet naar huis terug te keren. De Hongaren hadden inmiddels reisvrijheid en ze waren begonnen met de ontmanteling van hun deel van het IJzeren Gordijn. Andere Oost-Europeanen mochten de grens weliswaar niet zomaar over, maar toch gaf het de DDR-burgers hoop.
Massaal sloegen ze hun tenten op: op campings, bij kerken, midden in Boedapest. De Hongaarse regering wist er niet goed raad mee. Communistische broederstaten vonden toch al dat de Hongaren gevaarlijk ver gingen. De DDR-burgers hun zin geven en ze zomaar laten gaan was dan ook een probleem. Maar hen met geweld terugsturen, daar was de stemming in Hongarije van 1989 niet meer naar. En dus veranderden de kampeerterreinen geleidelijk in spontane vluchtelingenkampen waar niemand raad mee wist.
De grensbestorming maakte een abrupt einde aan deze patstelling. De picknick was nog niet eens officieel begonnen toen enkele honderden Oostduitsers simpelweg de hekken van de grenspost openduwden. Commandant Arpád Bella had geen orders voor zo’n gelegenheid, maar besloot niet te laten schieten, omdat hij, zoals hij later verklaarde, anders een bloedbad voorzag. Overigens zouden latere vluchtelingen niet zo gelukkig zijn. Voordat de regering op 11 september besloot de grenzen open te stellen, kwam er nog één Oost-Duitser om omdat een grenswacht wel op hem schoot.
De picknickorganisatoren schitterden op het moment van de doorbraak door afwezigheid, want die gaven net een persconferentie aan honderden internationale en welgeteld één Hongaarse journalist. De Hongaarse kranten zouden het nieuws de volgende dag allemaal melden op basis van wat de internationale pers erover had geschreven.
Ook de Sopronse parlementariër Dezső Szigeti miste door de persconferentie de eigenlijke doorbraak. Toen hij een kwartier arriveerde, stond er een schier eindeloze reeks achtergelaten Oostduitse Trabanten langs de weg naar de grens. ,,Tegen de tijd dat ik bij de grens aankwam, waren er al honderden mensen overheen gegaan. De grenssoldaten waren enorm opgelucht dat ze niet hoefden te schieten.”
Volgens Szigeti, destijds lid van de juridische commissie van het Hongaarse parlement, hing eigenlijk al in de lucht dat de regering de grens op zou stellen. Het uitreisverbod druiste in tegen alle ontwikkelingen die sinds twee jaar in Hongarije gaande waren. ,,Het begon in 1987-1988 met de afschaffing van de wet dat een familie maar één huis mocht bezitten. Sommigen waarschuwden dat dat de feitelijke afschaffing van het communisme inluidde. De reactie was toen: nou, dan is dat maar zo.”
De echte Hongaarse bolsjewisten waren inmiddels vrijwel uitgestorven, zegt Szigeti. Er was een neiuwe generatie partijleiders aan de macht die verandering wilde. ,,Die hadden hun opleiding in Londen gehad, niet in Moskou. Ze waren partijlid omdat je anders geen goede baan kreeg, maar ze hadden niets meer met het systeem. De picknick was in feite het eindspel van een ontwikkeling die al lang gaande was.”
De massadoorbraak heeft onmiskenbaar het einde van het communisme versneld. Toen de Oostduitsers eenmaal weg konden, werd de val van de Berlijnse Muur, het belangrijkste symbool van de Koude Oorlog, onafwendbaar. Maar het systeem liep op zijn laatste benen en ook zonder de picknick zou de kaart van Europa uiteindelijk zijn veranderd, menen zowel Szigeti als László Nagy. ,,Alleen misschien op een latere dag, of op een andere wijze, bloediger,” aldus Nagy.

zondag 16 augustus 2009

CONCERT

Neonazi's wilden demonstreren, gisteren in Budapest. Het was de sterfdag van Hitler, Rudolf Hess, en in vorige jaren hadden extremisten uit heel Europa ook al succesvol herdenkingen in de Hongaarse hoofdstad georganiseerd. Hongarije hecht erg aan vrijheid van meningsuiting, een erfenis uit het communisme, toen die vrijheid niet bestond, en in het verleden werd de bijeenkomst dan ook gedoogd.
Dit jaar liep het anders. Afgelopen mei konden aanhangers van de Hongaarse Garde nog demonstreren tegen de 'Holocaustleugen', maar afgelopen week waarschuwden diverse Hongaarse politici, waaronder - voor het eerst - president Sólyom, voor het eerst dat Hongarije niet de neonazi-vergaarbak van Europa moet worden en drongen bij de politie aan op een verbod van de herdenking. De Hongaarse politie heeft daarvoor niet zo heel veel middelen, juist vanwege het belang van de vrijheid van meningsuiting, maar ze verwees de demonstratieaanvraag toch naar de prullenbak, met als argument dat die het verkeer zou hinderen. Er werden in het totaal dertien of veertien verschillende aanvragen ingediend, door allerlei personen en organisaties, maar stuk voor stuk werden ze met hetzelfde argument afgewezen.
Er werd uiteraard wel rekening mee gehouden dat de neonazi's alsnog zouden proberen om een illegale bijeenkomst te houden. Als dat zou gebeuren, zou de politie hard optreden, werd vooraf al gezegd. Maar dat bleek uiteindelijk niet nodig, want geen skinhead deed een poging Hess alsnog in het openbaar te herdenken. Wat wel door zou gaan, kondigen de extrmeisten op diverse websites aan, was het concert dat ze 's avonds gepland hadden. Waar dat plaats zou vinden, hielden ze geheim.
Een dagje naar het platteland leek de beste garantie om gegarandeerd niet in politiecharges of traangaswolken terecht te komen. Wie schetst dus onze verbazing, toen zich rond het middaguur een stuk of tien politiewagens en een ambulance op een landweggetje vlak bij ons huis verzamelden. Het leek een beetje een scène uit een film en mijn eerste gedachte was dat er bij de buren een ernstig misdrijf was gepleegd. Maar de agenten die uit de auto's kwamen, droegen het soort laarzen dan bij skinheads, militairen en mobiele eenheid geliefd is en dat je niet direct met een moordonderzoek associeert.
Elders in het dorp stonden politiewagens. Het wemelde van de agenten in de anders zo rustige gemeente. Ook buiten het dorp bleken politieagenten te staan, die iedere auto die naar het dorp toereed, aanhielden en controleerden.
Het kwartje viel. Een aantal jaren geleden heeft een leider van de Hongaarse tak van de internationale neonaziorganisatie Bloed en Eer een gebouw van de voormalige landbouwcoöperatie gekocht, waar af en toe bijeenkomsten worden gehouden. Een perfecte plek voor een concert.
Overal op straat volgenden mensen de gebeurtenissen, die overigens niet erg spannend waren. De agenten hielden zich vooral onledig met eindeloos ouwehoeren en met langdurige telefoongesprekken via hun mobieltjes. Ze waren duidelijk aan het wachten.
Volgens de buurvrouw waren de agenten gestuurd, omdat skinheads een dag eerder in een ander dorp mensen hadden lastiggevallen. Ze was er behoorlijk ongelukkig over dat zulke mensen in haar dorp rondliepen. Waarom mocht zo'n gebouw eigenlijk aan dat soort volk worden verkocht. In het verleden hadden ze ook al eens voor overlast gezorgd met luidruchtige bijeenkomsten. Dat zou toch verboden moeten worden?
De agenten bleken inderdaad in het dorp te zijn vanwege de neonazi's, die er 's avond hun herdenkingsconcert wilden houden. Traangas en politiecharges heb ik overigens niet gezien. De aanwezigheid van een paar honderd agenten was genoeg om de skinheads ver te houden. Uiteindelijk zijn op de sterfdag van Rudolf Hess alleen enkele honderden antifascisten in Budapest bij elkaar gekomen.